RSS feed

Categorie archief: Mobiliteit

Bezet!

“Niets dan opgestoken duimen, zelfs van passerende automobilisten!”

Alvast in Antwerpen waren de actievoerders tevreden over hun Park(ing)Day. Dat een parkeerplaats gezellig kan zijn, was kennelijk zelfs vanuit voorruitperspectief duidelijk.

Wie behoefte heeft aan nog meer argumenten om eens kritisch na te denken over hoe wij woekeren met onze publieke ruimte, nodig ik uit om mijn opiniebijdrage “De parkeerplaats bezet” vandaag in De Standaard te lezen.

Van SUV tot suf

En daar is ze weer, de week van de Mobiliteit!

Weer worden we om de oren geslagen met de problemen van de meest mobielen (met op kop de file: “elke dag verlengd wegens groot succes”) en gaat het weer niet over de problemen van de minst mobielen (de mobiliteitsarmoede, de autonomie van kinderen en ouderen). Dat komt natuurlijk doordat de mensen die berichten over mobiliteit eerder tot de eerste groep behoren dan tot de tweede. Het hemd is nu eenmaal nader dan de rok.

Toch zijn er lieden die hun best doen om ook andere mobiliteitsaspecten op de agenda te krijgen.

Zo is er vrijdag ‘Park(ing) Day’, een dag waarop wereldwijd parkeerplaatsen worden ‘bezet’ om er voor één dag een andere, mensvriendelijkere bestemming aan te geven: een tuintje, een picknicktafel, een zandbak voor de kinderen – verbazend wat er allemaal kan op één zo’n stukje van 6 bij 2 meter…

Niet toevallig die dag brengt De Standaard een stuk van mijn hand waarin ik inga op de schijnbaar vanzelfsprekende manier waarop onze automobielen na aankoop geruisloos transformeren in immobiliën. Wie een auto aanschaft, krijgt daar bij ons meteen het gebruiksrecht op een morzel publiek domein bij.

Dat ligt anders voor schrijvers over mobiliteit. Om hun ding te doen moeten die zich tevreden stellen met één krantenpagina. Dan kan het al eens gebeuren dat er wat onvermeld blijft. In dit geval is dat het uitdijen van onze auto’s.

Heeft technologie in het algemeen de neiging om almaar minder zichtbaar te worden (denk aan het foto-apparaat dat, samen met onder meer het kompas, onze waterpas, routeplanner, agenda, telefoon, notitieboekje en encyclopedie verdween in onze smartphone), voor de auto geldt dat niet. Die wordt alleen maar hoger, breder en langer. Denk aan het succes van de SUV’s, waardoor een heuse wagenwedloop is in gang gezet: mensen kopen een grotere auto om zich veilig te blijven voelen tussen al die grote auto’s…

Een en ander laat zich natuurlijk voelen op het publiek domein. Konden auto’s vroeger nog makkelijk op een parkeerplaats van 1,80m breed, dan is de standaard tegenwoordig 2m. En er gaan stemmen op om dat op te trekken naar 2,20m, want onder meer de door de Bond Beter Leefmilieu de hemel ingeprezen Tesla’s passen niet meer in het vakje. U mag tweemaal raden van waar de extra benodigde ruimte zal komen. Uiteraard zullen de voetganger en de fietser het gelag van de auto-obesitas betalen onder de vorm van smallere trottoirs, fietspaden en schuwafstanden. Knibbelknabbelknuisje, ze moeten er zelfs twee keer aan geloven, want na de parkeerplaatsen moeten natuurlijk ook de rijstroken volgen. “Ze rijden hier elke dag de spiegels af, mijnheer.”

Dat de overheid de automobilisten die het breed laten hangen tot de orde zou roepen – met productnormen bijvoorbeeld of door ‘onaangepaste’ voertuigen te weren uit de stad -, is blijkbaar ‘ondenkbaar’.

Liever passen we heel onze publieke ruimte aan aan de auto dan dat we ook nog maar zouden overwegen het omgekeerde te doen.

 

Only in Belgium

Surrealism meets realism, zou je kunnen zeggen.

Hier kan je heerlijk ‘uit de wind zitten’, bij voorkeur in een geel truitje.

De Eddy Merckx-bank in Brussel

 

Heel het jaar vakantie!

Heel het jaar vakantie!

Op het randje van de vakantie kijk ik nog even om.

Rondom mijn wijk zie ik de blitse flitsen van de zomerbar langs het kanaal die dreunende luidruchtigheid verwarde met gezelligheid, waardoor het aantal mensen dat er voor op bleef systematisch kleiner was dan het aantal dat er van wakker lag.

In mijn wijk zie ik straatfeesten en speelstraten, zelden luidruchtig, nooit lawaaierig en toch altijd levendig. Een straat vrijmaken van doorgaand autoverkeer is voldoende opdat het wonder geschiedt: het haastige “erdoor moeten”  wordt een ontspannen “mogen en ont-moeten”.

Kinderen komen op straat, leren fietsen met vallen en opstaan, leren elkaar en de regels van het leven kennen. Al doende worden ze wijs – streetwise, zoals de Engelsen dat treffend zeggen. Mijn hoofd eraf als sommige van die kinderen de voorbije twee maanden niet méér hebben geleerd dan in de drie trimesters daarvoor.

Daarmee is de kous niet af. Minstens even mooi is het om te zien hoe, in het zog van hun en andermans kinderen, de volwassenen verschijnen.

Eerst nog wat onwennig en mensenschuw, maar al ras zich bewegend als een vis in het water. Ook zij leren: hun buren kennen, elkaar kennen, hun kinderen kennen. Wat de Britse socioloog Richard Sennett in zijn boek ‘Stadsleven’ schreef over zitbanken in een stad, geldt ook voor straten vrij van doorgaand autoverkeer: de omgeving wordt er slimmer van.

Onthutsend toch hoe zo’n eenvoudige ingreep een wereld van verschil kan maken.

Hoewel: zo simpel is het nu ook weer niet. Om doorgaand autoverkeer te weren is enige administratieve en logistieke omkadering nodig. Tijdelijke verkeersreglementen, informatiebrieven, verbodsborden, omleidingssignalisatie, dagslapers op batterijen. En vooral ook: hekken, hekken en hekken. Zeg gerust: hekwérk. Al die hekken moeten gebracht en weer gehaald door de gemeentelijke diensten en gezet en weer weggehaald door verantwoordelijke buurtbewoners. En liefst ook nog een beetje bewaakt. Anders is het hek al gauw van de dam.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Zo wordt iets wat in se eenvoudig is als maan-roos-vis toch weer ingewikkeld.

Dat is onvermijdelijk, zegt u? Ik denk het niet. Want wat hierboven beschreven staat – mensen die de straat gebruiken om te ontmoeten, te spelen en te feesten – is een gebruik van de straat dat de vanzelfsprekendheid zelve is. Of toch zou moeten zijn. Alleen zijn we het als een uitzondering gaan zien en ook zo behandelen. Het maakt dat wij geleerd hebben tevreden te zijn met het gegeven dat woonstraten slechts enkele weken per jaar echt veilig en aangenaam zijn.

Stel u voor wat er zou gebeuren mochten wij niet langer zo snel tevreden zijn. We zouden het beleid vragen om van de uitzondering de regel te maken. Van autostraten weer leefstraten, of beter nog: gewoon ‘straten’, te maken.

Vaak kan dat eenvoudig door het doorgaand verkeer te weren. “Met een knip”, zeggen de meesten dan, maar wat ze bedoelen is natuurlijk “een filter”: voetgangers en fietsers en soms ook hulpdiensten hebben natuurlijk vrije doorgang. We filteren er alleen het meest hinderlijke verkeer uit.

Het zou resulteren in een rust, een levendigheid en een veiligheid die wij vandaag reserveren voor de vakantie.

Anders uitgedrukt: we zouden onszelf het hele jaar door een vakantiegevoel gunnen. Maar het is bekend dat wij onszelf niet zoveel gunnen. Tenzij, tenzij – een wild ideetje: als we die woonstraten zonder doorgaand gemotoriseerd verkeer nu eens ‘gewoon’ “smart streets” zouden noemen, zou er dan niet iets bewegen?

 

PS. Binnenkort publiceert Fietsberaad in samenwerking met het Team Vlaamse Bouwmeester een brochure als handige hulp voor wie van zijn buurt een ‘leefbuurt’ wil maken.

Gevaarlijk kruispunt!

Is de duif dood? Toon Hermans beweerde van wel.

Maar de duif weet wel beter. Aan een knipperlichtrelatie hield ze een zwangerschap over. En een warm nest.

Om het prille gezin toch enige privacy te gunnen, nam de gemeente de nodige maatregelen:

 

This must be Belgium.

Gebaar

Zoals gezegd: die fietsknooppunten zijn een heerlijk wonder. Alleszins als concept.

In de praktijk durft het al eens tegen te vallen. Toen ik de afgelopen week onderweg was zocht ik naar het woord dat het best mijn gevoel omschreef. Ik kwam uit bij het ietwat oubollig klinkende ‘beducht’.

Zeker op de landelijke weggetjes was ik onderweg vooral ‘beducht’. Beducht voor achteropkomend autoverkeer dat toch nog zou willen inhalen waar dat eigenlijk niet kan. Beducht voor de shortcutter die niet weet wat voorrang van rechts is. Beducht voor wegpiraten die hun bocht te ruim zouden nemen. Beducht voor… Ach, je kent het gevoel wel. Beducht wil zeggen dat je altijd op je hoede bent, voortdurend alert, nooit helemaal ontspannen en op je gemak. En terecht: want die specimen waarvoor ik beducht was kwamen we wel degelijk tegen: de razende pikdorser, de amateur-rallyrijder, de ongeduldige filevermijder, de 4×4-gevechtstank die in één moeite de bermen maait, de zich-van-geen-kwaad-bewust-zijnde bejaarde die rakelings langs je heen schampt…

Hugo Bollen heeft zijn deel van het werk gedaan. Het is nu aan de wegbeheerders om hun deel te doen: sluipverkeer aanpakken, onaangepast rijgedrag aan banden leggen, knelpunten oplossen.

Wat dat laatste betreft, hebben de nijvere vlechters van het knooppuntennetwerk al een deel van het werk gedaan. Hier en daar hebben ze bordjes met ‘gevaar’ toegevoegd.

Wat mij betreft zijn die, meer nog dan voor de fietsers, bedoeld voor de wegbeheerders.

Daarmee hebben die meteen hun prioriteitenlijstje. Zeg nu zelf, is dat geen mooi beleidsvoornemen? Ervoor zorgen dat over pakweg twee jaar al die ‘gevaar’-bordjes weg kunnen.

Of wacht, laat ze gewoon hangen:

Zo’n eerste stap, het zou een mooi gebaar zijn.

Het Fietsbollennetwerk

Enkele maanden geleden vroeg het blad ‘Publieke Ruimte’ mij wie volgens mij een onderscheiding verdient voor zijn of haar inzet voor een kwaliteitsvollere publieke ruimte. Ik noemde de usual suspects, Jane Jacobs en Jan Gehl, en de te onbekend gebleven Dries Jageneau – een Antwerpenaar die als ambtenaar en als activist (“toen dat nog kon”, schreef Dirk Lauwers onlangs) de eerste kiemen legde voor de Renaissance van Antwerpen als verblijfsstad.

Toen ik gisteren met mijn eega langs het Fietsknooppuntennetwerk naar Gestel fietste (op aangeven van een tip van Elvis Peeters in De Standaard – zeg nooit dat romanschrijvers geen invloed hebben, zelfs al weten ze hun pseudoniemen slecht te kiezen), besefte ik dat ik nog iemand vergeten ben: ook Hugo Bollen verdient een onderscheiding.

“Hugo wie?”, hoor ik u al vragen en dat illustreert natuurlijk mijn punt. Hugo Bollen is de voormalige mijningenieur die in de nasleep van de ‘reconversie’ na de sluiting van de Limburgse steenkoolmijnen, het systeem van de fietsknooppunten bedacht. Als de man wat minder bescheiden was geweest, hadden we het vandaag wellicht over het ‘fietsbollennetwerk’ gehad. Schaarse interviews met de man, die nadien nog directeur was van het Regionaal Landschap Kempen en Maasland (RLKM), vind je hier en hier. De man kreeg nog niet eens een Wikipediapagina.

Zonder Hugo Bollen was er vandaag geen sprake geweest van het fietsknooppuntennetwerk, dat intussen succesvol uitgerold werd over heel Vlaanderen met uitlopers tot in Nederland, Duitsland en zelfs Wallonië en Kroatië. Het knooppuntennetwerk gaf een enorme boost aan het recreatieve fietsen en ontsloot tegelijk een schatkamer aan landschappelijke parels voor het grote publiek.

Zijn bijdrage aan de fietscultuur in Vlaanderen (en daarbuiten)  én de waardering voor onze publieke ruimte kan dus niet worden overschat. In 2015 kreeg Bollen weliswaar van de Koning en de Koningin de eretitel ‘Commandateur in de Leopoldsorde’, maar behalve nog een Nederlandse designprijs in 2013, vind ik geen spoor terug van enige Vlaamse prijs die de man zou hebben gekregen – laat staan een prijs van de fietsbeweging of de verenigingen die zich ontfermen over monumenten en landschappen.

Laat dit dus een warme oproep zijn om deze vergetelheid op korte termijn recht te zetten.