RSS feed

Categorie archief: Literatuur

Dansen op een slapper wordende koord

In De Standaard van 10 augustus verscheen onderstaande opiniebijdrage van mijn hand onder de ietwat provocerende titel ‘Ecoschaamte voor Rammstein? Nu even niet’. Ik hoop dat het stuk de nuance tussen ‘periodiek teveel’ en ‘systematisch’, heel vaak: ‘systemisch teveel’, voldoende verduidelijkt.

Tot mijn oprechte verwondering waren de meeste reacties instemmend en positief – al was er wat collateral damage van klimaatsceptici (ja, ze bestaan nog altijd) die elk artikel aangrijpen om Het Grote Complot in de verf te zetten en een handvol je m’n fou-tisten die er verkeerdelijk een legitimatie voor hun houding in lazen. De afwijzende ‘ecofundamentalistische’ reacties die ik eigenlijk vooral had verwacht, bleven ver in de minderheid.

Een ervan wil ik u niet onthouden: ‘Het is voor mij duidelijk dat deze socioloog en antropoloog een reeks schaamlapjes zoekt voor zijn toch opspelende omvangrijke ecoschaamte. Natuurlijk weet hij als socioloog en antropoloog dat zelfs de grootste schaamlap de schaamte niet doet verdwijnen. Ook na het schrijven van deze tekst en het hem aangeboden forum, zal de ecoschaamte, die hij, meer dan terecht, voelde, in hem blijven woekeren.’

Ik denk dat het een thema is waarop we later nog wel eens zullen moeten terugkomen.

Liebe ist für alle da.’

Eerlijk? Ik worstel ermee. Ik verdenk mezelf van cognitieve dissonantie als ik uitleg dat ik, alle klimaatverandering ten spijt, naar Rammstein ben geweest en, meer nog, er onbeschroomd van heb genoten. Praat ik recht wat krom is? Ben ik gewoon handig geworden in het verzinnen van excuses? Bijvoorbeeld: als je de uitstoot van zo’n megaspektakel deelt door 100.000 toeschouwers, dan valt die best mee, toch? Of zijn die 100.000 juist het probleem, want evenzoveel verplaatsingen die lang niet allemaal met het openbaar vervoer of de fiets gebeurden?

Ik moet me niet heiliger voordoen dan de Paus. Ik ben deze zomer ook nog eens op vakantie geweest. Naar Spanje. Met de auto. Hoe verantwoord is dat, in een zomer die de rampzalige vorige nu al in de schaduw zet? Er zijn niet alleen meer de onmiddellijke effecten, maar ook de tweedeorde-effecten. Te weinig neerslag leidt tot meer hitte. Meer hitte leidt tot meer waterverbruik. Meer waterverbruik leidt tot een groter watertekort. Kerncentrales worden stilgelegd bij gebrek aan koelwater. Binnenscheepvaart wordt onmogelijk door te lage waterstanden. Noodgedwongen wordt teruggegrepen naar steenkool en meer wegvervoer, waardoor het broeikaseffect nog meer wordt gestimuleerd. Enzovoort. De keten van gebeurtenissen is nu echt wel in gang gezet.

Toen ik de eerste ochtend wakker werd in mijn hotel, was de parking herschapen in een opvangkamp voor mensen wier camping werd ontruimd voor een bosbrand. Er is geen ontkomen meer aan. De toerist van vandaag is zoals de hoofdpersoon in het bekende gedicht ‘De tuinman en de dood’ van Pieter Nicolaas van Eyck. De man gaat op reis om te ontsnappen aan de actualiteit en aan de realiteit, maar wordt er meedogenloos door ingehaald.

Wei- en wij-gevoel

De klimaatverandering is verpopt van mogelijkheid naar feit. Low Impact Man Steven Vromman stond jarenlang op de barricaden om de opwarming af te wenden, maar verlegt nu zijn aandacht naar overlevingsstrategieën. Voor zijn nieuwe boek twijfelt hij tussen titels als ‘Eerste hulp bij klimaatverandering’ en ‘Genoeg gelachen’.

Tegen die achtergrond ging ik dus op reis en naar een show van een band die, in tegenstelling tot Coldplay, niet eens dééd alsof hij rekening hield met het klimaat. Heb ik dan te veel gelachen?

Het herinnert aan het apocriefe verhaal over Winston Churchill. Toen die tijdens de Tweede Wereldoorlog geconfronteerd werd met het voorstel om te besparen op cultuur, zou hij geantwoord hebben: ‘No way, what else are we fighting for?’ Wat mij betreft is het ook in de nieuwe ecologische context de nagel op de kop: overleven heeft slechts zin als we ook nog kunnen leven.

Was ik er dan van doodgegaan als ik niet naar Rammstein was gegaan? Natuurlijk niet. Maar tegelijk voelde ik de adrenaline door mijn aderen stromen toen het weigevoel een wij-gevoel werd en de massa zich even wentelde in luidkeelse samenhorigheid. Zou het kunnen dat ik niet de enige was die hier brandstof (sic) heeft getankt om er weer voor even tegen te kunnen?

We zijn murw van de nieuwsbulletins die ons dag na dag, uur na uur, treffen als mokerslagen: versneld smeltende gletsjers, afstervende koraalriffen, mislukte oogsten, oncontroleerbare branden, uitdrogende rivieren en daarbovenop rondwarende virussen, de ellende van Oekraïne en de dreiging van een nieuwe wereldoorlog. Als almaar meer mensen zich daarvoor afsluiten, is dat niet een teken van ontkenning maar van erkenning van de realiteit. Het is een manier om overeind te blijven. Ecomoeheid, klimaatmoeheid, nieuwsmoeheid … we moeten erover waken dat we niet collectief doorschieten naar levensmoeheid.

Georganiseerd escapisme

Een context van elkaar opvolgende desastreuze gebeurtenissen is de nieuwe condition humaine waarin we ons een (levens)houding zullen moeten aanmeten die het ons mogelijk maakt om gelukkig te zijn. Niet ondanks, maar omdat. Geluksgevoel hoeft geen schuldgevoel te genereren. Integendeel: het levert juist het motief om ervoor te blijven gaan. Daarvoor doen we het, voor minder niet. Schrap alle Rammsteins uit ons leven en het ziet eruit als een van hun apocalyptische ensceneringen.

Dat besef brengt ons bij het inzicht dat het sporadische teveel ook deel uitmaakt van het Genoeg waarmee we, na een korte periode te hebben vertoefd in de illusie van de oneindige groei en overvloed, zullen moeten leren leven. Opnieuw, want onze voorouders pasten het principe al toe. Elke cultuur kent zijn ventielen waarbij de grenzen eventjes ophouden te bestaan en de regels wat losser mogen: religieuze en andere feestdagen, carnaval, ‘the burning man’, vakantie en … festivals. Een voor een zijn het intervallen van georganiseerd tijdelijk escapisme en zorgen ze voor voldoende ‘teveel’.

We hebben er allemaal nood aan. Arbeiders. Bedienden. Zelfstandigen. Soldaten aan het front. Verplegend personeel. Mensen met een te grote ecologische voetafdruk. Mensen die stempelen of leven van een uitkering. Wat die twee laatste betreft: is het niet merkwaardig dat het recht van de eerste categorie slechts door een minderheid in vraag wordt gesteld en van de tweede nu zelfs door sociaaldemocraten?

Het teveel wordt maar decadentie in zijn volgehouden, vanzelfsprekende vorm. In zijn hoedanigheid van uitzondering is ze juist een verschijningsvorm van het noodzakelijke: de maatschappelijke en mentale buffer die we niet kunnen missen. ‘Het socialisme zal gezellig zijn of niet zijn,’ wist Steve Stevaert al. Met het ecologisme is dat niet anders. Het is dansen op een slapper wordende koord. Want wie ophoudt met dansen, valt onherroepelijk in de diepte.

Boem Donderslag

Een beetje off topic op een mobiliteitsblog, maar ik vind dat het moet kunnen, tenslotte ben ik hier de baas (please, gun mij dit uithoekje): een stukje over mijn Rammsteinerlebnis, een ‘exclusieve’ prelude op mijn bijdrage morgen (woensdag 10 augustus) in De Standaard. Die zal een klein beetje meer ‘on topic’ zijn, beloofd!

Het was eens wat anders voor de omgeving van Park De Nieuwe Koers in Oostende. In plaats van vliegtuigen en het daarbij horende lawaai streken de heren van Rammstein er vorige week neer, eveneens met het daarbij horende  – welja, wat was het eigenlijk?

Vanuit de spelonk van hun garage zagen de wijkbewoners de colonne metalfans voorbijtrekken met een mix van fascinatie en verbazing over al dan niet bewuste keuzes op het vlak van bedekte én onbedekte lichaamsdelen. Degenen die zich Plato herinnerden van op school vroegen zich vast af of dit nu de échte wereld was of slechts een schimmige representatie van iets anders.

Zelf liep ik er ook tussen, maagdelijk onbeschilderd. Voor een beetje tattoeëerder ben ik het wandelende equivalent van wat een wit doek is voor een kunstschilder. Maar niemand maakte er een probleem van, mede dankzij mijn T-shirt. Vrij naar wat Henry Ford over de Ford T zei: elke kleur was goed, als het maar zwart was.

Op sleeptouw genomen door een enthousiaste dochter en niet onbekend met de door Rammstein gekoesterde controverse wist ik niet wat ik mocht verwachten. En nu het voorbij is, weet ik niet met zekerheid wat ik kreeg.

Was dit alleen maar Tomorrowland voor een publiek met een andere smaak? Of was er toch meer aan de hand? Verknipten ze betekenissen op postmodernistische wijze tot er alleen nog confetti overbleef en was het dat wat ze letterlijk over hun publiek uitkieperden: zwarte zinloosheid? Zinderende vragen die alleen maar de bonusvraag opleverden of de antwoorden er wel toe doen. Wat als het alleen maar Spielerei is geweest en zo ja: zou dat, in deze beroerde, beroerende tijden, erg zijn?

De band slaagde waar menig leerkracht Duits faalde: ze maakte Goethes taal hip bij een breed publiek, overigens zonder het ranzige randje te verwijderen dat er na Twee Wereldoorlogen en de Holocaust onherroepelijk aan kleeft. Als de mannen van Rammstein iets kunnen, dan is het wel met symbolen en dus betekenissen spelen.

Ze doen dat met zo’n branie dat het niet anders kan of de betekenissen gaan wel eens hun eigen leven leiden. Zo reminisceerde de centrale stalen toren boven het podium voor een ingezetene van dit land letterlijk én figuurlijk aan de Ijzertoren, wat een bevreemdend effect opleverde toen er aan het begin van de show een digitale Belgische vlag aan werd gehesen.  Als ze het hadden geweten, hadden ze er vast om gelachen: nationalisme is altijd één van hun favoriete speeltjes geweest.

Wie dus ergens in de show een Oekraïense vlag had verwacht, was eraan voor de moeite. Aan dat soort eenduidigheid hebben die van Rammstein een broertje dood.

Show, schreef ik. Het is een understatement voor een twee uur durend Gesamtkunstwerk met muziek, architectuur, toneel, film (inclusief aftiteling op het einde) en acrobatie – een spektakel dat nog het best kan worden omschreven met de term ‘immersief’. Er was geen ontkomen aan. Rammstein drong zich op langs alle zintuigen. De muziek was voelbaar tot in onze ingewanden, het vuur maakte van tattoeages brandmerken. We keken niet naar een spektakel. We werden er onderdeel van.

Ik dacht terug aan het boek ‘De barbaren’ van Alessandro Baricco. Dat verscheen al meer dan vijftien jaar geleden, maar ik las het pas onlangs. Daarin beantwoordt de Italiaanse auteur de vraag of de nieuwe generatie, die de oppervlakkigheid kiest boven de diepgang en snelheid boven traagheid, de ‘cultuurbarbaren’ zijn waarvoor velen hen verslijten. Zijn antwoord: de zogenaamde barbaren hebben gewoon een andere manier gevonden om met de dingen om te gaan. Mensen met kieuwen in plaats van longen, noemt hij ze. Eén van de kenmerken van hun benaderingswijze is de ‘spectaculariteit’. Die garandeert hen de versnelling waar ze naar op zoek zijn en die vermijdt dat ze tot stilstand komen. Met een metafoor: ze vermijdt dat de geworpen steen niet naar de diepte zinkt maar over de waterspiegel ketst – over almaar grotere oppervlakken. In het geval van Rammstein is dat een breed scala aan vormen en stijlen: metal, techno, gothic, Wagneriaanse opera, barok, art deco, het is een soep vol vette knipogen. Zo kan je die ‘oppervlakkigheid’ dus ook bekijken: als een onophoudelijke, intensieve, horizontale reis van betekenis naar betekenis, die voor elke reiziger een ander verhaal oplevert in variërende gradaties van politiek en ander fatsoen.

Podium, schreef ik. Het is een eufemisme voor een pop up van een installatie die er nu eens uitzag als een old skool olieraffinaderij inclusief affakkelingsinstallatie, dan weer als een scène uit een strip van Blake & Mortimer, met zanger Lindemann in de rol van de sardonische slechterik Olrik. Zanger, acteur, performer: het liefst is hij zijn eigen paradoxale zelf, de dienstweigeraar die met een vlammenwerper te keer gaat, de ex-DDR-burger die de draak steekt met totalitaire taal door er schaamteloos mee te stoeien. En het werkt. Als er iets is waar totalitairen een hekel aan hebben, is het dubbelzinnigheid en de onzekerheid die ze met zich mee brengt. Geen wonder dat ze in Wit-Rusland niet meer mogen optreden.

Daar, denk ik, ligt de kracht van Rammstein. Lindemann en co bewegen zich voortdurend in niemandslanden, spelen een geraffineerd hinkelspel tussen pathos en melodrama, pyrotechniek en pyromanie, het poëtische en het prozaïsche, het platte en het verhevene, bombast en subtiliteit, het utopische en het distopische, kunst en kitsch, verheerlijking en parodie, links en rechts, ironie en cynisme, droom en nachtmerrie, links en rechts en vooral de schemergebieden daartussen. Alle vloeien ze in elkaar over, zoals de kleuren in een schilderij van Mark Rothko. Er valt geen vinger op te leggen waar de ene ophoudt en de ander begint en nog minder uit te leggen waarom het geheel zoveel meer aanspreekt dan elke veeg apart.

Mark Rothko, zonder titel (Guggenheim, Bilbao)

Vast staat dat het de overgangsgebieden en twijfelwerelden zijn die intrigeren en fascineren. Niet  het voorspelbare en vast omlijnde dat, in deze vloeibare tijden, al lang niet meer tot onze ervaringswereld behoort. Daarom denk ik dat wat wij vorige week in Oostende veel meer beleefden dan zomaar een spektakel ‘over the top’. Wat we hoorden, zagen en voelden was de tijdsgeest aan het werk, bevrijdend en beklemmend tegelijk. Boem Paukeslag. Paul Van Ostaijen schreef het honderd jaar geleden al: ‘alle begrippen vallen’.

Vorige week vielen ze niet alleen. Ze vielen ook uit elkaar. In het opwarrelende stof herkenden we hem als een donderslag bij heldere hemel: de tijdsgeest. Of de Zeitgeist, jawohl.

Het heeft geen zin om er vandaag nog naar op zoek te gaan. Er vliegen weer vliegtuigen over De Nieuwe Koers. De wijkbewoners wrijven zich de oren uit. Welke is nu de echte wereld?

Een circuit als een leven

‘Schrijven is een verfijnde vorm van stilte.’ En of dat waar is.

Mijn boek is eindelijk klaar, maar toch is er behalve opluchting toch ook al gemis. Ik vul het op door mezelf toe te staan wat ik lange tijd niet meer heb gedaan: fictie lezen. Lange tijd moest alles ‘in functie staan van’ – en nu dus niet meer. De speeltijd is aangebroken.

Dat is wennen. En dus kies ik mijn lectuur toch nog altijd een beetje in functie van mijn corebusiness.

Zo belandde ik bij Alessandro Baricco. Een tip van een oud-student. En wat voor één! Bedankt, Wim!

‘Het verhaal’ is een boek dat davert en dendert. Alleen al de ouverture – zo heet het begin echt – over de allereerste snelheidsrace voor auto’s. In 1903. Van Parijs naar Madrid. Al haalden ze nooit Madrid.

Tegen dat de vierwielige monsters voorbij Bordeaux waren, waren er zoveel doden gevallen – coureurs, technici, publiek, argeloze dorpelingen – dat de Franse President zich genoopt zag de wedstrijd stil te leggen.

Baricco beschrijft het in een zinderende stijl. Na de eerste pagina’s ben ik mijn handen gaan wassen omdat ze naar smeerolie roken.

Racewagen Bugatti – Louwman Museum Den Haag

Verder gaat het boek niet over auto’s – hoogstens indirect. De hoofdpersoon heet Ultimo, het eerste kind van een Italiaans landbouwersgezin dat ook het laatste moest zijn. Soms is het boek hilarisch grappig, soms bloedernstig, vaker nog iets tussen de twee. Humor met weerhaakjes, ik houd er wel van.

De vader van Ultimo verkoopt z’n koeien en begint een garage. Dat was twintig jaar later een goeie move geweest, maar in de bergen boven Turijn passeert er begin 20e eeuw nauwelijks een auto. De vader laat zich dan maar inhuren als technicus-bijrijder van een rijke graaf die gebeten is door de racerij. De zoon volgt in de slipstream, maar heeft niet zozeer oog voor de wagens – wel voor de wegen. Een kwestie van Gestaltpsychologie, zeg maar.

Het zijn verwarrende tijden. De wereld verandert, de eerste Wereldoorlog breekt uit en dat is niet zomaar een oorlog, het is een totaal nieuw soort oorlog. Ultimo is op zoek naar orde. In de wereld. In zijn hoofd. In zijn hoofd ontstaat het plan om de wereld te ordenen met een weg zonder begin of einde – een circuit, quoi: toen nog nieuw, want races werden gewoon op straat gehouden – die een materialisering is van zijn levensloopt.

Ofwel heeft u nu het gevoel dat ik prietpraat vertel. Dan is dit boek niks voor u. Ofwel bent u nu geïntrigeerd en dan heeft u wat korte nachten voor de boeg.

Voor de twijfelaars geef ik nog mee dat een andere hoofdrol is weggelegd voor een Russische prinses (‘Elizaveta’) en de Mille Miglia en dat Baricco en passant het ontstaan van zowel het futurisme als van het fascisme verklaart – overigens zonder ook maar één van die twee woorden te gebruiken.

De allerbeste fictie doet ons dingen begrijpen waartoe de meest superieure non-fictie nooit in staat is. Baricco heeft me daar weer aan herinnerd.

=> BARICCO ALESSANDRO, Dit verhaal, De Bezige Bij, Antwerpen, 2007 (2005), 271 blz.

Boe(n)k erop

Geplaatst op

Een boek bespreken dat ik nog niet helemaal heb gelezen? Normaal doe ik er niet aan. Maar een uitzonderlijk boek vraagt een uitzonderlijke behandeling.

Het boek waarover ik het heb ligt al maanden half gelezen op mijn nachtkastje. Het kijkt me beschuldigend aan, tezamen met nog een stuk of vijf andere boeken in verschillende stadia van gelezenheid. Het is maar één van mijn vele tekortkomingen: veel boeken tegelijk willen lezen. Noem het gerust ‘gulzigheid’.

Soms breekt die mij zuur op. Dan slaag ik er na een tijdje niet meer in de draad op te pikken en word ik vele hoofdstukken teruggeslagen in mijn streven tegen het einde van mijn leven alle boeken van de wereld te hebben gelezen.

Soms levert zo’n kruiselingse lectuur nieuwe inzichten op doordat gelijkenissen of verschillen plots in het oog springen. En af en toe wordt zo ook duidelijk dat een bepaald boek echt wel bijzonder is.

Dat is het geval met Steven Vrommans roman ‘Amor Mundi’. Niet dat het boek literair gesproken zo’n hoogvlieger is. Dat is het niet. Maar het staat de relevantie ervan niet in de weg. U hoeft dat niet van mij aan te nemen. Neem het gewoon aan van George Orwell, die het in zijn essay ‘In de walvis’ heeft over “het soort boeken dat een aroma achterlaat – (…) boeken die een eigen wereld scheppen”. En hij voegt eraan toe: dat hoeven “niet beslist goede boeken te zijn”.

Waarmee, laat ik ook daar duidelijk over zijn, niet beweerd is dat ‘Amor Mundi’ een slecht boek is. Alleen ligt de sterkte ervan niet in het literaire. Wel in de unieke positie en rol die het inneemt, respectievelijk vervult.

Om met de positie te beginnen: Vromman vult met dit boek een leemte in het ecologisme in. Het doet wat de groene partijen alvast in dit land systematisch verzuimen te doen: hij levert een krachtig narratief over hoe een ecologische wereld er uit zou kunnen zien. Daarbij zoomt hij voortdurend in en uit en weet hij het persoonlijke te koppelen aan het systemische – nog iets waarin de politieke ecologisten falen.

Niet dat het een verhaaltje is geworden over de bloemetjes en de bijtjes waartussen groene jongens en meisjes huppelen en waarin iedereen het plots eens is over de te volgen koers. Bepaald niet. Vromman schetst een utopie tegen de achtergrond van een dystopie – en dat laatste is letterlijk te nemen. Er is geen ecologische of sociale ramp te bedenken of ze passeert de revue. Te beginnen met een nucleaire oorlog. Maar ook regenbommen komen er in voor – soms lijkt het alsof God (het Lot, de Toekomst – kies maar) Steven Vromman al een avantpremière gunde. In werkelijkheid heeft de auteur natuurlijk gewoon zijn huiswerk goed gedaan en veel wetenschappelijke lectuur doorgenomen.

De rol dan. Het boek weet de lezer los te wrikken uit het moeras van gelatenheid en cynisch fatalisme dat dit soort verhalen doorgaans vergezelt. Dat maakt het boek uniek, relevant en essentieel – zeker in het licht van het klimaatonheil dat momenteel (ook) onze contreien teistert. Daarmee heeft u ook meteen de reden waarom ik het boek al recenseer voor ik het uit heb. Voor sommigen kan het fungeren als een mentaal EHBO-kistje.

Wie Vromman een beetje kent, weet dat hij gesneden is uit een zeldzaam eerlijk hout. Hij sust ons dus niet in slaap met mooie verhaaltjes over techniek en technologie die ons op het laatste nippertje wel zullen redden: elektrische auto’s (autonoom rijdend, al dan niet vliegend), thoriumcentrales, een rondgemaakte Antwerpse Ring of een verbrede Brusselse Ring, graan en rijst die zichzelf vermenigvuldigen, de intussen klassieke spits- en splitstechnologie. Genadeloos lijst hij op wat er allemaal mis kan gaan – correctie: bezig is mis te gaan.

Maar wie de Low Impact Man een beetje kent, weet ook dat hij bij alle kommer en kwel zijn gevoel voor humor niet verliest. Een John die een Yoko leert kennen, een zeppelin die ‘Aeromodeller’ wordt genoemd, het zijn maar twee van vele knipoogjes. Belangrijker nog is dat de schrijver ook in de meest uitzichtloze situaties met speelse creatieve ideeën op de proppen komt (lintbebossing, geenrichtingsstraten, droomkwekerijen, dolfijnleiders…) om de balans tussen distopie en utopie te herstellen en te laten zien dat het spel nog niet gespeeld is. ‘Amor Mundi’ is, eerder dan een roman, een dubbel scenario: aan de ene kant een rampscenario, aan de andere kant een scenario dat een uitweg biedt. De rode draad in het boek is de wissel: welk spoor zullen we nemen?

Sommigen zullen het een politiek activistisch boek noemen. Dat klinkt als een verwijt voor wie zich vastklampt aan het status-quo dat ons tot op de rand van de afgrond heeft gebracht. Voor alle anderen, is het een belofte van hoop: we kunnen wel degelijk politieke, maatschappelijke en technologische keuzes maken die ons naar een betere toekomst leiden.

Boenk erop, zeggen ze dan bij ons.

Pietje

Het was niet mijn opzet. Het is toeval dat dit blogstukje, zoals het vorige, over kunst gaat. Het komt door mijn vriend Jan. Hij werd in luttele dagen weggemaaid door het spook dat corona heet. Vorige maandag werd zijn urne bijgezet in het graf van zijn ouders op het Schoonselhof.

Het was niet zo afgesproken, maar we stonden er met precies het toegestane aantal gemaskerden om hem zachtjes uit te zwaaien. Toen het zand was gaan liggen, wisten we niet zo goed wat te doen. De draad lag daar, maar het was nog te vroeg om hem weer op te pakken. In normale omstandigheden zouden we het dichtstbijzijnde café hebben opgezocht en daar bij een gitzwarte koffie elkaars steunberen zijn geweest. Maar het spook stelt zijn wetten en eigenlijk was het goed zo: Jan zou ook niet op café zijn gegaan. Kroegen waren nooit zijn biotoop.

We deden dus wat Jan ook zou hebben gedaan: we liepen verder het kerkhof op, even de beroemdheden gedag gaan zeggen. In andere omstandigheden zou Jan daarvoor onze ideale gids zijn geweest, nu moesten we het rooien met onze eigen schamele kennis. Rouwen is voelen hoe diep het gemis is. Je begint met een voorzichtige teen erin te steken, vervolgens een been – en je voelt geen bodem. Het is te vroeg om er een steentje in te gooien. Je wilt de seconden voor de doffe plof niet weten.

Op het erepark had de stad Antwerpen het vluchtige karakter van ons bestaan nog eens extra in de verf gezet met bordjes die aankondigden dat, tenzij de nabestaanden contacten zouden nemen, een flink aantal graven zou worden geruimd. Niet alleen beroemdheden zijn vergankelijk, ook hun roem zelf is dat.

Maar er lagen er nog genoeg voor een stevige danse macabre. Velen die mij aanstaarden als de gaten die ze zijn in mijn cultuur. Maar sommigen ook bekend en vreemd vertrouwd, wat blijkbaar hoort bij het ouder worden: Herman de Coninck (ik heb er ooit nog een kwartier naast gestaan, op een opening van de Boekenbeurs, hij – de lenige liefde in persoon – met een kind op de schouders, ik met de mond vol tanden), Oscarwinnares Nicole Van Goethem, Rika – zo maken ze ze niet meer – De Backer, nonkel Bob (ooit hielp ik hem nog zijn poppenkast te laden – ik weet niet wat ik had verwacht, maar de Volkswagen Fastback was een ontgoocheling), Marc Van Eeghem – op de dag af drie jaar overleden, genoeg om enkele nog levende collega’s te verleiden voor een drink op zijn graf -, Hugo Schiltz geflankeerd door een Vlaamse leeuw en een Franstalig opschrift, de vrouwen van Herbert Flack op hem wachtend onder een warme gloed van rouge, Paul – bloem ploem – Van Ostaijen, Willem Elsschot, gesneuveld tussen daad en droom. En verder, want deze blog hoort natuurlijk over mobiliteit te gaan (al is doodgaan de ultieme vorm van mobiliteit – neerwaarts voor wie sceptisch is, opwaarts voor wie er in gelooft) onder meer Jan Van Rijswijck, de man van de laan, Lode Craeybeckx, de man van de tunnel en nog enkele kleinere straatnamen.

Bij het zien van Marcel van Maeles graf sprong mijn hart een beetje op. Hij is altijd één van mijn favoriete dichters geweest en ik heb hier nog ergens een van zijn beroemde gebottelde gedichten staan. Bijna had ik gedaan wat er op zijn steen staat: ‘Neem plechtig uw hoofd af’. De grap(j)as. Hij ligt daar trouwens in goed gezelschap. Vlakbij ligt Jef Nijs, die als vader van Jommeke één van mijn eerste favoriete auteurs was. Best mogelijk dat zijn ‘grasmobiel’ mij mee naar de mobiliteit heeft geleid, terwijl zijn ‘Kinderen baas’ natuurlijk een verre voorloper van de door mij gekoesterde ‘kindnorm’ is.

Het is er een gezellige bedoening, met ook JMH Berckmans, onder een berg steenkool – Vietnamees, lees ik ergens, “het hardste en donkerste” dat zijn vrienden in de haven konden vinden – en enkele lege bierblikjes. Jupiler, maar volgens mij had dat Cara moeten zijn. We passeren Hubert Lampo, auteur van ‘De komst van Joachim Stiller’, waardoor voor mij de Kloosterstraat nooit nog dezelfde zal zijn (al had ook Elsschot al zijn duit in het zakje gedaan) en dan Julien Schoenaerts, onder gouden kasseien. This must be Belgium.

Vooraan Julien Schoenaerts, ernaast Hubert Lampo

En dan, als je denkt dat het niet surrealistischer kan, is daar het graf met het logo van Volkswagen. Vlakbij nonkel Bob, jawel, hij zal zijn auto toch niet…? Maar nee, het blijkt de tombe te zijn van avantgardistisch kunstenaar Wout Vercammen, vriend en nu dus buurman van JMH en kompaan van Panamarenko en co in de jaren zestig.

Thuisgekomen tik ik geïntrigeerd door het logo zijn naam in Google. Nog voor de zoekmachine mijn domheid definitief kan ontbloten valt mijn frank: VW = WV, de initialen van de kunstenaar.

Waarmee alweer is aangetoond: kunstenaars doen anders kijken, zelfs over hun graf heen. Op die manier hebben ze de dood dan toch nog bij zijn pietje.

Frituur ’t Boekske

Niet is wat het lijkt. Neem nu Frituur ’t Hoekske in Sint-Niklaas. Het staat er op: Frituur. En ook: ’t Hoekske.

Maar echte kenners weten: in wezen is het een slagerij. In het pand was ooit de slagerij gevestigd waar een slagerszoon met een brilletje zijn eerste stapjes zette.

Dat zal de friturist duidelijk worst wezen. Hij verkiest bouletten boven coupletten en noemt zijn zaak dus gewoon ’t Hoekske, alsof het de ligging is die haar uniek maakt.

Even stond ik er sprakeloos naar te kijken. Maar toen besefte ik: deze man heeft Lanoye écht wel gelezen.

Alleen is hij gestopt bij ‘Alles moet weg’.

2019 in twee citaten

“Winkelhieren” werd het woord van het jaar. Daar kan ik mee leven, al kwam het voor onze buurtwinkel schromelijk te laat. Hopelijk heeft de middenstand het woord zélf begrepen. Geen evidentie als we zien hoe die theoretische autobereikbaarheid en doelgerichte runshopping nog altijd verkiest boven praktische bereikbaarheid en de gezelligheid van serendipiteit.

Maar er is hoop. In mijn gemeente bijvoorbeeld verloot de middenstand voor het eerst sinds jaren géén auto waarmee de winnaar voortaan makkelijker naar het shoppingcentrum kan. De prijzenpot bestaat dit jaar uit elektrische steps en een stuk of wat city trips. Ik weet het. We zijn er nog niet helemaal. Maar het bougeert. Eindelijk.

Met dank aan onze jongeren, laat ons wel wezen. Ze schopten ons dit jaar een geweten en verrijkten onze woordenschat ook met een woord: ‘vliegschaamte’. Alvast de Zweden voegden de daad bij het woord en gingen effectief minder vliegen, terwijl elders in Europa de slaaptrein aan zijn comeback lijkt te zijn begonnen. Het bougeert, zei ik dat al?

Een woord dat zich alvast warm loopt om woord van het jaar 2020 te worden is ‘beleidsschaamte’: de nieuwe rage onder politici om niet langer aan te kondigen wat ze gaan doen (waarna er vaak niets volgt), maar wel wat ze vooral niet gaan doen: rekeningrijden invoeren, salariswagens laten uitdoven, de betonstop – nu ja – hard maken, een regering vormen… We zouden het ook gewoon ‘spijbelen’ kunnen noemen. Of staken, maar dan wel betaald.

We zouden het ook gewoon ‘spijbelen’ kunnen noemen. Of staken, maar dan wel betaald.

Voorlopig leidt een en ander vooral tot plaatsvervangende schaamte. Ik ben oud genoeg om de mantra “Wat we zelf doen, doen we beter” nog te kennen. Ook al was ik er een koele minnaar van, altijd was er de hoop dat het misschien toch waar kon zijn. Van die illusie ben ik nu wel genezen. Wat we zelf doen, doen we niet.

In wat voor mijn part “het boek van het jaar” was, ‘Grand Hotel Europa’,  schreef Ilja Leonard Pfeijffer daarover een treffende passage:

“Ik heb het altijd verbazingwekkend gevonden dat mensen geloven dat alle reëel bestaande problemen automatisch worden opgelost met meer zeggenschap. Het antwoord wordt gezocht in de procedure van besluitvorming, terwijl de werkelijke vraag mij lijkt welke besluiten vervolgens wenselijk zouden zijn. Anderzijds is het psychologisch begrijpelijk dat mensen de neiging hebben om hun problemen te externaliseren. Het voelt aan als de helft van de oplossing wanneer je iemand kunt bedenken die je de schuld kunt geven van je ongemakken.”

Een alternatief is om de ongemakken te ontkennen – of ze systematisch niet te zien. Dat is wat de zogenaamde ecomodernisten doen. Zelden klonk de omschrijving “optimist tot in de kist” cynischer. Deze technofielen wisselen al naargelang van de noodwendigheden het geweer van schouder. De klimaatopwarming wordt nu eens geminimaliseerd (“vroeger was er ook al klimaatverandering”) dan weer geidealiseerd (“meer CO2 betekent meer plantengroei”, “hogere temperaturen zorgen voor minder doden”). Ook over de rol van de mens wordt warm en koud geblazen. Enerzijds moeten we bescheiden zijn wat ons aandeel in de klimaatverandering betreft. Anderzijds moeten we erop vertrouwen dat de mens het wel weer recht gaat trekken met extra technologie.

Voor de geïnteresseerden: een mooie staalkaart van dit onsamenhangend gedaas vind je in het boek ‘Ecomodernisme’ van Marco Visscher e.a. Daarmee heb ik dan meteen ook mijn grootste lectuur-teleurstelling van 2019 vermeld.

Microklimaat auto

Klimaatverandering aan het werk

Een citaatje ter illustratie? Welaan dan. Op bladzijde 22 lezen we dit:

Dankzij fossiele brandstoffen bleven de bomen gespaard die we eeuwenlang kapten om vuur mee te maken, ons te verwarmen en om ons eten op te koken. We hoefden niet langer walvissen en zeehonden te doden om van hun vet olie te produceren waarmee we onze lampen brandende konden houden. Ook de slaven konden worden bevrijd; ze werden onrendabele, onpraktische arbeidskrachten toen concurrerende machines veel meer werk konden verzetten zonder te klagen. Kinderen hoefden niet langer op het land te werken, vrouwen kregen het in het huishouden ook steeds minder zwaar.

Bij een eerste lezing lijkt zo’n bewering een verfrissende kijk op de zaak. Fossiele brandstoffen hebben ons veel goeds gebracht! Wie twee keer nadenkt beseft echter dat deze bewering alleen maar stand houdt vanuit een exclusief westers perspectief. Slaven bestaan natuurlijk wél nog. Sterker nog: er zijn er vandaag meer dan ooit eerder in de wereldgeschiedenis. In 2018 schatte men hun aantal op 40 miljoen slaven. Mo Magazine schreef enkele jaren geleden dat zelfs ons land er niet aan ontsnapte. Al dient gezegd: met “slechts” 2000 slaven scoorden we nog redelijk goed. Voor een globaal overzicht is er de Global Slavery Index – een meetinstrument waar de ecomodernisten in al hun selectiviteit nog nooit van hebben gehoord.

In de mate dat arbeiders, vrouwen en kinderen het vandaag wél beter hebben, is het misschien ook een beetje kort door de bocht om te stellen dat we dit helemaal te danken hebben aan onze geliefde fossiele brandstoffen en de bijhorende machines. Ecomodernisten hebben kennelijk nooit gehoord van de arbeiders- of de vrouwenbeweging. Verwondert het nog iemand dat de ecomodernisten en de identitairen elkaar het afgelopen jaar gevonden hebben?

Ten slotte, voor de volledigheid: ook kinderarbeid bestaat nog altijd. Het aantal werkende kinderen wordt op zo’n 152 miljoen geschat. Een deel daarvan delft zeldzame aarden voor de elektrische auto’s die hier gepresenteerd worden als de redders dankzij wie de klimaatmaatregelen “geen pijn” gaan doen.

Om maar te zeggen: als er vandaag iets beweegt, dan is dat dankzij mensen die het doen bewegen – niet door mensen die op hun luie krent afwachten tot de Chinezen dan wel de ingenieurs het voor ons opknappen.

Wat we zelf doen, gebeurt tenminste.

 

Friends and Enemies van Bob de Bouwer

Wat is het verband tussen ‘Bob De Bouwer’ en ‘Friends’? Het zou een goeie kwisvraag zijn en wellicht wordt het er vroeg of laat ook één. In dat geval zullen de lezers van deze blog zich van hun schranderste kant kunnen laten zien, toch als ze nu nog enkele regels volhouden…

Dat Greenwich Village, het door het oorspronkelijke New York opgeslokte dorpje, uitverkoren werd als decor voor ‘Friends’ en daardoor mee vorm gaf aan het woonideaal van een hele generatie is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Het is slechts mogelijk doordat het in de jaren vijftig en zestig gered werd van de bulldozers van Robert Moses, alias ‘Big Bob the Builder’.

Bob deelde meer dan veertig jaar de planologische lakens uit in The Big Apple en ontzag daarbij niets of niemand. In de beste brutalistische tabula rasa-traditie trok hij in naam van de Vooruitgang een spoor van betweterige modernistische vernieling door de stad: bruggen, viaducten, tunnels, express- en parkways, snelwegen, een hele resem megalomane bouwwerken… En het had dus niets gescheeld of de Lower Manhattan Expressway had een streep getrokken door Greenwich Village.

Gelukkig komen Goliaths af en toe hun David tegen. In dit geval was het een vrouwelijke David: Jane Jacobs. Deze vrouw van een architect, de heer Jacobs, want zo ging dat in die tijd, woonde in Hudson Street en was de voorzitster van een actiecomité dat Moses op vele fronten op de knieën dwong. En niet alleen hem: eigenlijk het hele modernistische sprookje. Jane Jacobs werd behalve moeder van twee zonen ook de moeder van de hedendaagse stedenbouwkunde. Ze wist haar verzet uitstekend te documenteren, vooral door aandachtig te observeren wat er in haar stad gebeurde. Wat doen auto’s met het leven in een straat? Wat betekenen oude gebouwen voor het winkelapparaat? Wat maakt de kwaliteit uit van een woonbuurt? Waar spelen kinderen en waar niet? Wat gebeurt er als je de functies uit elkaar trekt en wat als je ze mengt?

Ze schreef haar bevindingen neer in scherpzinnige artikels en boeken, waarvan haar bekendste door elke stedenbouwkundige én mobiliteitsspecialist zou moeten worden gelezen. Haar bekendste boek, The Death and Life of Great American Cities, is enkele jaren geleden in Nederlandse vertaling heruitgebracht en dat is maar goed ook, want het is ook voor Europese steden vandaag nog van een uitzonderlijke relevantie, ook in kleine Europese steden.

Afbeeldingsresultaat

Jane Jacobs is de blonde dame met bril

Het is een turf van een boek, dus stel ik voor dat wie het stilaan voelt kriebelen, al eens begint met deze papier geworden laagdrempeligheid: een strip die een genuanceerd portret schetst van Robert – Bob –  Moses en daarin ook een (te klein) rolletje geeft aan Jane Jacobs. Tekenend (want dat heb je nu eenmaal met strips) is dat het album eindigt met een kaartje met de realisaties van Moses, maar niet met één van de realisaties van Jacobs. Als het er écht op aankomt wordt het bouwen van dingen, hoe draconisch ook, nog altijd hoger gewaardeerd dan het bewaren van dingen.

Afbeeldingsresultaat voor strip Rober Moses, de man die New York bouwde

Voorlopig blijft het dus wachten op de vervolgstrip: ‘Jane Jacobs, de vrouw die New York redde.’

Lees de rest van dit bericht

Het (on)gelijk van Bregman

bregmanEén van de meest inspirerende boeken die ik dit jaar las, was ‘Gratis geld voor iedereen’ van de Nederlandse historicus Rutger Bregman. Het is een onmisbaar antidotum tegen het pessimisme dat dezer dagen door de kranten en de geesten waait. Zijn belangrijkste boodschap: vroeger was alles slechter.

Bregman toont met een overtuigende resem feiten aan dat het eigenlijk nooit beter ging met de wereld dan vandaag. Op het vlak van levensverwachting, armoede, honger en zélfs, niettegenstaande de verschrikkelijke beelden die het afgelopen jaar op ons netvlies werden gebrand, op het vlak van gewapende conflicten.

Zo ver is het gekomen met deze wereld, dat optimisten de echte dwarsdenkers zijn geworden.

Helaas (let op, hier wordt het meta en dus moeilijk) zijn er ook dwarsdenkers onder de dwarsdenkers. Ondergetekende bijvoorbeeld. Het is sterker dan mezelf, excuus daarvoor.

Mijn verstand zegt: Bregman heeft gelijk, maar zijn gelijk is geen reden tot ongebreideld optimisme. Integendeel. We hebben meer te verliezen dan ooit tevoren en laat Bregman nu precies uit het oog verliezen dat de wereld nooit fragieler was dan vandaag. Dat betekent dat er niet veel moet gebeuren opdat we het mooie dat we verwierven zomaar kunnen kwijtraken.

En inderdaad, daar ben ik weer met mijn ‘zwarte zwanen’: plotse, onverwachte ontwikkelingen die niemand had zien aankomen en die door hun verschijning de spelregels ingrijpend veranderen. Onze primitieve breinen, nog altijd gewend om lineair te denken, maken er al te gemakkelijk abstractie van.

Ik hoef maar enkele mogelijke zwarte zwanen te noemen om te verduidelijken wat ik bedoel: een kernoorlog (al dan niet per ongeluk: zie het ‘misverstand’ van enkele dagen geleden tussen Pakistan en Israël, op basis van een hoax!), een foutje op een foutje in een kerncentrale (een aardbeving én een tsunami die tot een kernsmelting zouden leiden: hoogst onwaarschijnlijk, dachten ze in Fukuyama), een tegen alle medicijnen resistent virus of de (intussen door iedereen behalve Trump als ‘waarschijnlijk’ ingeschatte) klimaatdrempel van 2°.

Bregman heeft gelijk: we hadden nog nooit zoveel keurig rechtop gezette dominoblokjes als vandaag, maar tegelijk stonden de blokjes ook nooit dichter bij elkaar.  Er moeten maar enkele blokjes vallen om een ketting van gebeurtenissen in gang te zetten waardoor de wereld zoals we die vandaag kennen definitief tot de geschiedenis behoort. Democratie? Sociale zekerheid? Vrede? Mensenrechten? Tot voor kort leken ze alvast in onze contreien definitief verworven, maar geef toe: wie durft dat vandaag nog te beweren?

Daarom: lees Bregman, maar lees ook de boeken ‘Zwarte zwaan’ en ‘Antifragiliteit’ van Nassim Nicholas Taleb.

Eén deel optimisme en voluntarisme aangelengd met twee delen met humor gekruid realisme, het lijkt me geen slechte cocktail om het nieuwe jaar mee in te zetten.

Fables about futures

Je kunt tegenwoordig geen krant of tijdschrift meer openslaan of het gaat over zelfrijdende auto’s hier en autonome auto’s daar. De gedachte erachter? Als je iets maar voldoende herhaalt, wordt het vanzelf waar.

Denk ik dan. Want intussen nopen de feiten toch tot iets meer terughoudendheid. Intussen zijn de eerste ongevallen met zelfrijdende auto’s officieel geregistreerd, waarbij de crash met de Tesla verdacht veel weg had van een moderne allegorie van de overmoed: de bestuurder, die dus niet bestuurde, keek op het moment van de aanrijding naar een film over tovenaarsleerling Harry Potter. Misschien wordt het tijd om, naast de hybrides, een nieuwe categorie in te voeren: die van de ‘hubrides’.

Ook gaf de CEO van Renault schoorvoetend toe dat het misschien allemaal toch niet zo simpel is, omdat met name het gedrag van fietsers en voetgangers zo moeilijk voorspelbaar is.

Die bekentenis doet mij de schrik om het hart slaan. De geschiedenis leert ons dat autobouwers de introductie van nieuwe technologieën zelden laten ophouden door de tekortkomingen ervan. Veeleer rekenen ze er op dat de buitenwereld die compenseert door haar gedrag aan te passen.

Mogelijk moeten we ons dus voorbereiden op weer een nieuwe disciplineringsgolf voor de zachte weggebruikers, waarbij de fluohesjes en de helmen van vandaag morgen vervangen worden door dure robotpakken dan wel uitgestrekte no go-area’s.

Misschien dat we dat laatste makkelijker accepteren dan we nu geneigd zijn te denken. We moeten alleen leren onze trottoirs te zien als perrons voor zelfrijdende auto’s: de logische consequentie van het verhaal dat auto’s ons in de toekomst zullen halen en brengen op eenvoudige afroep. Ons bewegen doen we dan wel in de fitness. Of aan de met pedalen uitgeruste vergadertafel. Was ‘bewegen’ ooit een typische buitenactiviteit, in de toekomst wordt het een binnenhuisaangelegenheid.

Of zal het zo’n vaart niet lopen? Tot die conclusie ben ik dan weer geneigd wanneer ik de reactie van Infrabel lees op het voorstel van (bijna ex-)spoorbons Jo Cornu om werk te maken van machinistloze treinen. Een utopie, luidde het en als dat waar is voor een machine die vast zit aan een spoor en alleen rekening moet houden met andere machines die vastzitten aan een spoor, dan is het techno-optimisme over de zelfrijdende auto “tegen 2021” toch echt wel wishful thinking.

Nog een contra-indicatie nodig? Neem dan het verhaal van Intelligente SnelheidsAssistentie (ISA). Alle politici zijn er voorstander van en toch komt er niks van in huis. Omdat het blijkbaar ‘onmogelijk’ is om een met de realiteit strokende digitale snelheidskaart te fabriceren – en laat precies dat ook voor autonome auto’s een harde randvoorwaarde zijn…

Edoch. Zelfrijdende treinen bestaan al. Meer zelfs: ze rijden al. In Rijsel is de metro van Matra al vele decennia een vertrouwd gegeven. In Londen rijden er metrostellen zonder wattman. En deze zomer kwam ik ook zo’n volautomatisch specimen tegen in Turijn. De metro bestaat er weliswaar uit slechts één (voor de Olympische Spelen in 2006 aangelegde) lijn, maar onbemand is hij wel.

4 Torino (295)

Pas als het metrostel gearriveerd is, gaan de deuren open. Wat je een ‘zelfmoordbestendige’ inrichting zou kunnen noemen.

De Italianen maken er zelfs een beetje een attractie van: de acceleratie voelen in de kop van de trein is voorwaar een bijzondere beleving. Het helpt dat de metrotunnel verlicht is, al ziet hij er een beetje teleurstellend uit als, nu ja, een metrotunnel.

4 Torino (300)

De Italianen zouden overigens de Italianen niet zijn als ze de speciale sensatie niet vooral aan kinderen gunden. ‘Questo posto e pensato per i bambini’ rijmt een opschrift bij die VIP-plaatsen.

Als de machinistloze metro van Torino een voorproefje is van de chauffeurloze auto, kunnen we toch op één ding hopen: dat de achterbankgeneratie alsnog promotie maakt naar de eerste rij.

Als Jef Nijs nog had geleefd, hij had er volgens mij een Jommekesalbum over gemaakt dat hij ‘Kinderen baas’ zou hebben genoemd.

Ach ja, ik geef het toe. Ook ik verzin maar wat als het over de mobiliteit van de toekomst gaat.