RSS feed

Tagarchief: democratie

Terugblik/vooruitblik

Geplaatst op

Zo veel aandacht kranten en tijdschriften het afgelopen jaar hadden voor mijn commentaar op incidenten, accidenten, nieuwsjes en de waan van de dag, zo weinig aandacht hadden ze voor mijn boek ‘Weg van het systeem’ dat in maart verscheen.

Wrange paradox: de vaststelling is een perfecte illustratie van de systeemkritiek die ik er in beschrijf.

Wie het boek wél las, beoordeelde het positief – van rechts (bij Doorbraak werd het zelfs ‘boek van de week’) over het centrum (mijn beroemde naamgenoot noemde het tot mijn stomme verbazing op RTV ‘een boek dat iedereen zou moeten lezen’) tot links (De Wereldmorgen wijdde er deze week nog een lovende recensie aan).

Je zou kunnen denken dat dit er op wijst dat het boek een ‘beetje van dit en een beetje van dat is’, maar – spoiler – dat is uitdrukkelijk niet het geval: ‘Weg van het systeem’ maakt z’n titel waar en is behoorlijk ‘radicaal’. Wat mij betreft is het een indicatie dat ik misschien wel geslaagd ben in mijn ambitie: een gemeenschappelijk fundament vinden om de democratische dialoog te herstellen.

Dat laatste lijkt me het begin van alles: dat we het er eens over kunnen zijn dat we het oneens zijn. Democratie is het georganiseerde meningsverschil, niet de dictatuur van een (vaak alleen maar veronderstelde) meerderheid.

Democratie is dus een nooit eindigend debat. Zonder intentieprocessen, zonder mensen weg te zetten als domoren of onverbeterlijke slechteriken. Misschien moet dat maar eens een voornemen voor 2023 zijn: dat er weer meer hygiëne komt in het publieke debat.

Stel je voor dat in 2023 alle politieke partijen en politici zich consequent zouden distantiëren van wie het debat al scheldend voert, zelfs al betreft het mensen uit de eigen achterban. Zo gek is dat niet: van allochtonen verwachten we dat ze publiekelijk afstand nemen van amokmakers met wie ze (soms niet eens) de roots delen en van voetbalclubs dat ze gewelddadige fans excommuniceren.

Beleefdheid, stijl, respect – wie weet zijn ze besmettelijk. Het lijkt me het proberen waard.

Auteur met etalagebenen komt zichzelf tegen.

Het woord dat er niet in staat

Geplaatst op

‘Staat in mijn boek.’

Mijn huisgenoten hebben intussen een bloedhekel aan dit zinnetje waarmee ik de laatste twee jaar menige tafeldiscussie meende te kunnen verkorten. Want mijn boek gaat ook deze keer over mobiliteit, maar tegelijk ook niet. En dus over veel meer.

Met ‘Het voorruitperspectief’ (Uitgeverij Garant, 2000) bracht ik in kaart hoe wij gewend zijn vanuit de auto te denken, vaak zonder ons daar bewust van te zijn, en welke verreikende gevolgen dat heeft voor ons verkeer.

In ‘De file voorbij’ (Uitgeverij Vrijdag, 2010) probeerde ik duidelijk te maken dat er met ons mobiliteitssysteem veel meer mis is dan alleen maar het fileprobleem: het ongemak waarbij mobiele mensen wat langer onderweg zijn dan ze aanvankelijk dachten – en soms zelfs dat niet (want de meeste files zijn structureel en dus perfect voorspelbaar).

Met ‘Weg van mobiliteit’ (Uitgeverij Vrijdag, 2014) ging ik op zoek naar mobiliteit waar we niet een heel klein beetje (of soms veel) slechter van worden, maar waarvan we effectief gelukkiger worden. Het leidde me tot het concept van ‘mobilitijd’: mobiliteit vervat in ons tijdsbudget op de korte termijn (de Breverwet) en op de lange termijn (duurzaamheid of ‘volhoudbaarheid’).

De voorruit, de file, ons mobiliteitssysteem – er zit voorwaar logica in mijn oeuvre: het gaat steeds breder. In ‘Weg van het systeem’ trek ik die lijn door. Het boek gaat over onze door de economie gedicteerde maatschappij – in plaats van andersom – en hoe die ons regelrecht naar de afgrond leidt.

Sinds vorige week hoef ik daar, vrees ik, helemààl geen tekeningetje meer bij te maken. Toen één van mijn gezinsgenoten wat plagerig vroeg of het woord ‘Oekraïne’ voorkomt in mijn boek, moest ik ontkennend antwoorden. Maar eigenlijk staat het er dus wél in.

Want de Oekraïne-oorlog is de perfecte illustratie van het punt dat ik wil maken. Het systeem waarin wij leven is geen systeem in crisis, het is een crisissysteem: een systeem dat crisissen genereert. Ooit volgden crisissen elkaar op. Tegenwoordig stapelen ze zich op: de energiecrisis, de klimaatcrisis, de biodiversiteitscrisis, de gezondheidscrisis, de Oekraïnecrisis – en ik vergeet er nog wel een paar.

We staan er bij en kijken er naar. Wat vandaag gebeurt is door niemand gewild. En toch gebeurt het. Waarom? Omdat het systeem ons ertoe drijft. En omdat wij weigeren het systeem zelf in vraag te stellen en het dus toelaten ons te dirigeren.

Zelfs middenin de zoveelste crisis is onze grootste verzuchting het systeem zo snel mogelijk weer op te lappen. Van links tot rechts hebben we het over de noodzakelijke ‘relance’ en het herstel van de oude orde. Kennelijk is het aartsmoeilijk om de mentale sprong te maken van ‘systeemfout’ naar ‘fout systeem’.

Anders dan velen zullen denken is het antwoord niet de revolutie. Of toch niet het soort revoluties waar mensen aan denken bij dat woord. Daarom heet het boek ‘Weg van het systeem’, niet ‘Weg met het systeem’.

De weg ‘weg van het systeem’ is een democratische weg, de weg van de tegenspraak en de gerede twijfel, waar ‘alleswetende’ despoten en dito experts geen kans maken: de ware expert weet wat hij niet weet en dat hij niet alleen weet.

De democratische weg loopt via het publieke domein (de plek waar mensen elkaar nog écht tegenkomen en leren kennen, elkaar nog in de ogen kijken in plaats van in het ontmenselijkende scherm dat van mensen doel maakt – voor verwijten, voor scheldtirades, voor bommen) en de daarbij horende gezonde frictie naar de zekerheid en de geborgenheid van de eigen keuken thuis.

Als we al revolutionairen nodig hebben, dan geen salonrevolutionairen, maar keukenrevolutionairen. Word ik nu al te cryptisch? Excuus, in dat geval. Vanaf 16 maart ligt mijn boek (normaal gesproken) in de boekhandel en geeft het in 328 bladzijden al zijn geheimen prijs: van extreme vloeibaarheid over de vloer van Latour tot de Dovydoctrine, binnenkort kunt er van meespreken.

En hopelijk bent u dan helemaal ‘weg van het boek’.

Lesmateriaal voor klimaatijveraars

Geplaatst op

Deze tekst verscheen vandaag in De Standaard onder de titel ‘Van automarketeers valt veel te leren’.

In de aanloop naar het Autosalon is de publiciteit voor auto’s alom aanwezig. Op de radio, op televisie, in de bioscoop, in kranten en tijdschriften en in onze elektronische en fysieke brievenbus. Er is geen ontkomen aan. Dat is geen ramp, want er valt veel uit te leren.

Mitsubishi

Mitsubishi laat ons weten dat zijn nieuwste model ‘gebouwd is voor Belgische wegen’.  Dat maakt benieuwd. Maakt die auto zich smaller wanneer er maar één persoon aan boord is, zodat de afstand tot de fietsers op het moordstrookje wat groter wordt? Of is de auto uitzonderlijk milieuvriendelijk, waardoor de luchtkwaliteitsnormen in onze steden eindelijk binnen bereik komen? Geen van beide. Mitsubishi steekt slechts de draak met de slechte staat van onze wegen. Onschuldige humor? Eerder wrange. Het betreffende model is een SUV. In vergelijking met andere wagentypes staat dat synoniem voor ‘onveiliger voor andere weggebruikers’, ‘slechter voor de luchtkwaliteit’ en – o ironie – ‘sletiger’ voor de Belgische weginfrastructuur. Of hoe de schuldige de aanklager werd.

De autosector heeft een lange traditie in het ongegeneerd omkeren van verantwoordelijkheden. Op microniveau is de pollenfilter daarvan het treffendste voorbeeld: die ‘beschermt’ de inzittenden van de zwaveldioxide, stikstofoxiden, roet- en fijnstofdeeltjes uitstotende auto’s tegen de natuur. Op macroniveau is er de klaagzang van de automobielindustrie dat steeds meer steden hun eigen normen vaststellen bij de instelling van hun Lage Emissie Zone. Een terugkeer naar de Middeleeuwen waar de brave automobilisten het slachtoffer van worden! Nu ja, wat de autosector er wijselijk vergeet bij te vertellen is dat dit haar eigen schuld is. Achter de schermen zetten ze honderden lobbyïsten in om Europa ervan te weerhouden strenge normen op te leggen. Op de bühne pruilen ze wanneer de steden van lieverlee de gaten dan maar zelf opvullen.

Audi

In een radiospot vraagt Audi of we al een loft in de stad en een appartement aan zee hebben. Is het antwoord ‘ja’, dan is het tijd voor een nieuwe Audi A4. Dat het doelpubliek daarmee beperkt wordt tot een kleine minderheid, is kennelijk geen probleem. Een Audi is geen volks-wagen. Hij bestaat bij de gratie van een scheve verdeling van de rijkdom.

Zich daar vragen bij stellen geldt als een uiting van jaloezie en dus wagen de meesten zich er niet aan. Bijgevolg ergeren we ons niet aan publiciteit die mensen uitnodigt hun aanzienlijke ecologische voetafdruk nog te vergroten en wel aan jongeren die tijdens de schooluren op straat komen om daar wat aan te doen. Of hoe de klagers in geen tijd de aangeklaagden worden.

Als het debat over het te voeren klimaatbeleid af en toe dan toch eens inhoudelijk wordt, verdwijnt het onderscheid tussen de verschillende doelpublieken als sneeuw voor de zon. Plots worden mensen dan ‘gelijk’. Audi-, BMW- en Mercedesklanten worden één pot nat met de Daciarijders en zelfs met hen die niet eens over een auto beschikken. Dan gaat het over ‘de’ mensen die hun gedrag en hun levensstijl moeten aanpassen. Alsof iedereen even veel auto’s bezit. Alsof iedereen even veel met de auto rijdt. Alsof er geen mensen zijn die hun airmiles opstapelen en anderen die zelden of nooit vliegen.

Eén pot nat

Daardoor ontstaat er een front van haves en havenot’s dat abstractie maakt van de reële verantwoordelijkheden en dus ook van de verbetermarges. Zo wordt onzichtbaar dat er grote klimaatwinsten zijn te boeken zonder dat er veel geraakt moet worden aan de ‘gemiddelde’ levensstandaard.  Zo schuift de blingbling-elite de havenot’s naar voor als de slachtoffers van elke poging tot klimaatmaatregel. Feitelijke verantwoordelijkheid en schuld van de bovengemiddeld bemiddelden vermommen zich daarmee in virtuele solidariteit met de armen. In Nederland mondde dit recent uit in een georchestreerde campagne van de boulevardkrant ‘De Telegraaf’ tegen het Klimaatakkoord dat daar over meerderheids- en oppositiegrenzen heen werd gesloten. De teneur: de gewone man wordt de dupe van een grote klimaatsamenzwering.

Het werd een instantsucces. Liberalen van de VVD en christendemocraten van het CDA sloegen aan het twijfelen en komen terug op gemaakte afspraken. Of hoe schaamteloos populisme in realiteit de schadelijkste vorm van elitarisme kan zijn.

De hoogste tijd dus dat het klimaatdebat niet langer wordt gevoerd alsof het los staat van sociale rechtvaardigheid, een eerlijke verdeling van lasten en lusten en dus van sociaal en fiscaal beleid.

Maar wacht eens even. In de feiten zijn ze al wél vervlochten, alleen in de omgekeerde zin als zou moeten: middels premies en voordelen voor zowel de productie als de aankoop en het gebruik van elektrische auto’s komt de overheid tegemoet aan degenen die het én het minst nodig hebben én de grootste verantwoordelijkheid dragen. Maar daarover wordt zedig gezwegen. Milieubeleid wordt zo een herverdelingsinstrument van arm naar rijk.

Die royale voordelen weerhouden de begunstigden er niet van om diezelfde overheid te verketteren. Een sensibiliserende overheid heet bemoeizuchtig en paternalistisch te zijn. De luide roep om de problemen bij hun naam te mogen noemen, verstomt als het gaat om het klimaat. Oproepen tot een andere levensstijl is taboe. “Alleen totalitaire regimes proberen de levensstijl van hun ingezetenen te veranderen,” las ik op Twitter. Als dat klopt, is er geen regime dat meer totalitair is dan de reclamewereld. Die dicteert ons onafgebroken welke lifestyle we dit seizoen weer tot de onze moeten maken.

Blijkbaar hanteren we twee maatstaven. Eén voor de wereld van de reclame, één voor de overheid. Wie er over nadenkt, kan dit alleen maar verontrustend vinden. We accepteren de grootste leugens van publiciteit die is opgezet door op winst (en alléén op winst) gefocuste en uitsluitend door ongeduldige aandeelhouders gecontroleerde multinationals. We tolereren niets van een democratisch verkozen overheid die zich dagelijks moet verantwoorden in het parlement en in de media.

Respect voor de automarketeers! Zij kunnen van lood goud maken, terwijl onze beleidsverantwoordelijken met het lood in de schoenen blijven zitten.

afbeelding1

Zijn de marketingjongens (m/v) van de auto-industrie superieur aan die van de overheid en de beleidsverantwoordelijken of is er meer aan de hand? Het tweede lijkt me. Er is niet alleen een probleem met de verpakking, maar ook met de inhoud.

Opel

Laat ik er een recente brochure van Opel bijnemen. Op de glossy voorpagina: de Opel GT  X Experimental. Een model dat nooit zal worden geproduceerd, laat staan verkocht. Toch zet de autofabrikant de wagen in de spotlights.

Waarom? Omdat hij impliciet alles compenseert waarin de huidige Opels te kort schieten. Deze auto van de toekomst belooft niet vervuilend te zijn en absoluut veilig, terwijl er niets op comfort of prestaties moet worden ingeboet. Met andere woorden: deze auto doet dromen.

img_0001

Vergelijk nu deze boodschap met die van overheden en politici. Is er sprake van een droom? Van een positief, wervend toekomstperspectief? Veel meer dan over het realiseren van dromen en idealen, gaat het over het vermijden van nachtmerries: niet overspoeld worden door vluchtelingen, niet ‘geïslamiseerd’ worden, niet verdrinken door de stijging van de zeewaterspiegel… Angst is het bindmiddel. Het hoogste waarop we mogen hopen, is het behoud van wat we hebben. De verhalen die nog het dichtst bij een droom komen, situeren zich in een (fictief) verleden en zijn dus in wezen reactionair. De mogelijkheid van een toekomst met meer levenskwaliteit (meer gezondheid, minder armoede, meer mobiliteit…), meer democratische en meer mensenrechten lijkt ondenkbaar te zijn geworden.

Het verschil tussen de automarketeers en de beleidsverantwoordelijken? Voor de eersten ligt het paradijs nog voor ons, voor de anderen ligt het achter ons.

Autopubliciteit, er valt veel van te leren. Ik zei het al.

Uitgelezen kunst

Geplaatst op

Een bekentenis. In een vorig bericht heb ik overdreven. Een klein beetje maar.

Maar toch. Overdrijven is altijd overdreven, vind ik.

Daarom deze rechtzetting: in Kassel was er één installatie die wel degelijk indruk op mij maakte: the Parthenon of Books van Marta Minujin.

Kassel Parthenon of books (1)

De ‘replica’ van het beroemde bouwwerk op de Akropolis in Athene is opgetrokken uit boeken die ooit ergens ter wereld werden verboden – of nog verboden zijn. Doordat het om gedoneerde boeken gaat, zaten er nogal wat dubbels tussen (opvallend veel ‘Duivelsverzen’ en ‘1984’ bijvoorbeeld), maar niettemin is het een prachtig monument van dubbel-zinnigheid: van op afstand het symbool van democratie, wijsheid en beschaving, van dichtbij een symbool van dictatuur, domheid en barbarij.

Kassel ParthenonIMG_0670IMG_0679

Goeie kunst is altijd een beetje schizofreen.

Ik begin er ook over omdat er dezer dagen in de boekhandels een dystopisch boek over boekverbrandingen in de boekhandels ligt. Dat is een beetje veel ‘boek’ in één zin, maar laten we het er op houden dat de vorm in dit geval de inhoud afdekt.

‘Fahrenheit 451’ van Ray Bradbury, want daarover hebben we het, dateert al uit 1953 en ik las het zelf een jaar of acht geleden, maar het is me bijgebleven én het werd zopas herdrukt. Allicht omdat het, helaas, nog altijd, nou ja, brandend actueel is. En omdat het gewoon een ijzersterk boek is.

Waarschuwing: kijk nu niet op Wikipedia, want daar wordt het hele verhaal al verklapt. Ik beperk mij tot de aanzet van het verhaal: hoofdpersonage Guy Montag is een ‘brandweerman’ met als opdracht het opsporen en in brand steken van het gevaarlijkste bezit dat mensen kunnen hebben: boeken.

“Een boek is een geladen geweer in het huis van je buurman. Verbrand het. Haal de kogels uit het wapen. Sla een bres in de menselijke geest. Wie weet wie niet het doelwit zou kunnen worden van een belezen mens! Ik? Ik zou hem nog geen halve minuut dulden.”

Vanzelfsprekend gaat de protagonist aan het twijfelen en dat zorgt, behalve voor een gezonde dosis spanning, vooral voor snedige analyses en beschouwingen.

Dit is het moment om ‘Fahrenheit 451’ in verband te brengen met mobiliteit, want daarop zitten jullie natuurlijk te wachten. Welaan dan. Wat had u gedacht van dit citaat, een scherpe schets van wat ik in ‘De file voorbij’ zelf beschreef onder het kopje ‘Jack The Ripper en de fout van de V85’:

“Zelfs al was de straat volkomen verlaten, dan kon je er natuurlijk nog niet van op aan dat je hem veilig kon oversteken, want er kon eensklaps een auto opduiken vanachter de helling die vier zijstraten verder lag en bij je zijn en langs je heen schieten eer je een dozijn keer had kunnen ademhalen.” 

Spring die fiets op en peddel naar de onafhankelijke boekhandel waar nog 1000 bloemen mogen bloeien. (Of hoe een leestip toch nog een kleine reistip werd.)

Lees de rest van dit bericht

Debatman

Geplaatst op

Vorige week nam ik deel aan de ViA Rondetafel ‘duurzame en creatieve steden’. Alleen al de moeite omdat de wandeltocht van het Noordstation naar de congreslocatie ons leidde langs één van die vele verborgen parels in Brussel: een prachtig langgerekt parkje dat de beklimming van de heuvel richting Paleizenstraat tot een wonderlijke ervaring maakt. De studiedag zelf was overigens ook interessant. Er waren 270 deelnemers uit Vlaanderen en Brussel. Stadsplanners, stedenbouwkundigen, architecten, beleidsverantwoordelijken, duurzaamheidsambtenaren, projectontwikkelaars, mobiliteitsdeskundigen, sociologen, sociale geografen en nog wat rare vogels discussieerden een dag lang over ‘stedenbeleid’. Boeiend.

Alleen een tikje onrustwekkend dat deze bonte verzameling deskundigen erin slaagde om een hele dag te rondetafelen zonder, alvast in de plenaire gedeelten, ook maar één keer een woord (laat staan een onvertogen woord), te laten vallen over shoppingcentra. Nochtans wordt er in de komende weken en maanden beslist over het al dan niet toelaten van enkele megashoppingcentra in het centrum van ons land. Als die shoppingcentra er inderdaad komen, dan betekent dat noch meer noch minder dan de doodsteek voor een aanzienlijk deel van de lokale middenstand in vier of vijf steden in die regio. Met één slechte beslissing kunnen de inspanningen en de resultaten van jaren ‘stedenbeleid’  in één keer onderuit gehaald worden. Dat zwaard van Damocles hing de hele dag boven al die knappe koppen, maar er was niemand die het zag.

Of zagen ze het wel, maar durfden ze er niet over te beginnen?

Ik merk het wel vaker dat in dit landsdeel, eenmaal het gaat over mobiliteits- en stedenbouwaangelegenheden, de pleinvrees onmetelijk is. Zeldzaam zijn de specialisten uit het veld die de dingen bij naam en toenaam durven noemen.

Kwade tongen beweren dat dit komt door de bekrompenheid van onze overheden en instellingen. Die zouden een kritisch geluid afstraffen bij de eerstvolgende gelegenheid waarop subsidies of opdrachten worden verdeeld. Best mogelijk dat hier iets van aan is. Sommige instellingen en ministers van verschillende pluimage staan inderdaad bekend om hun lange tenen en een gedrag dat niet geheel vrij is van rancune. Zelfs onze universiteiten, die toch vrijhavens voor het denken zouden moeten zijn, verkrampen daardoor bij de gedachte  dat ze standpunten zouden innemen die hun broodheren (m/v) onwelgevallig zijn.

Maar ook als ze hun goede redenen zouden hebben: zwijgen en de andere kant op kijken is een keuze. En dus ook de verantwoordelijkheid van de betrokkenen zelf.  Als die morgen de moedige beslissing zouden nemen om zich van beleidsinstanties met een tunnelvisie niets aan te trekken (en daarbij voor lief te nemen dat dit op de korte termijn wat centen kost), men zou er vergif op kunnen innemen dat de debatcultuur in geen tijd zou veranderen – gewoon door het mechanisme van ‘de kritische massa’, die dan voor één keer een mooie dubbele betekenis zou krijgen. Democratie slijt bij niet-gebruik. Er geen gebruik van maken is dus ondemocratisch.

Herinner u hoe stil het is geweest in deskundigenmiddens in alle belangrijke mobiliteits- en planologische debatten van de laatste jaren: de Ring van Brussel, de shoppingcentra, de alarmerende ongevallencijfers, de besparingen bij De Lijn, de Oosterweelverbinding… Is het geen schandvlek op het blazoen van alle verkeersdeskundigen en stedenbouwkundigen dat het debat over die laatste uiteindelijk is bepaald geworden door een reclameman en een germanist? (waarmee ik niets wil afdoen aan de prestatie van de betrokkenen – wel integendeel)

Ik wacht vol ongeduld op de dag van zo’n Nieuwe Verlichting – de dag ook waarop de echt grote beleidsmannen en -vrouwen eindelijk de kans zullen krijgen om hun grootsheid te tonen.

Over bedrijfs- en overheidswagens…

Geplaatst op

Uw dienaar schreef een opinie-artikel naar aanleiding van het plan van de bank BNP Paribas Fortis om 3% loonverlies voor haar werknemers door de belastingbetaler te laten compenseren onder de vorm van 10.000 ‘groene’ bedrijfswagens:

http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=BN3M4KKL

Het einde van de democratie

Geplaatst op

Plato meende dat koningen best filosofen waren. Tegenwoordig zijn de koningen vervangen door ministers, maar de meeste zijn allesbehalve filosofen. Dat schijnt ook niet de bedoeling te zijn, want wat we nodig hebben, zo valt her en der steeds meer te horen, zijn technocraten – zowat het tegendeel van filosofen.

Ook dat idee is niet nieuw. De Franse filosoof (!) Saint-Simon was er al een hartstochtelijk pleitbezorger van. Hij koesterde de (in een tijdperk dat de wetenschappen een hoge vlucht namen overigens zeer begrijpelijke) overtuiging dat een op wetenschap gebaseerde politiek de ideale was.

Tegenwoordig lijkt ook de redactie van De Standaard overtuigd. Tot morgen kan je op haar website stemmen voor wie er in een Belgisch zakenkabinet zou zetelen. “Omdat De Standaard democratie belangrijk vindt.” staat er te lezen. Van enig cynisme zijn ze daar ook niet vies. Denken ze trouwens dat hun lezers niet door hebben dat een flink aantal van de kandidaten die gepresenteerd worden als alternatief voor politici ex-politici zijn? Denken ze dat de lezers vergeten zijn dat de doortocht van de betrokkenen in de politiek allesbehalve een successtory was?

In ieder geval verraadt zo’n semi-ludiek initiatief hoe de krant echt over de dingen denkt. Ze schrijft zich naadloos in in de traditie van Vladimir Iljitsj, beter bekend geworden onder het merk ‘Lenin’. Die man schreef in een boekje onder de titel ‘Wat te doen’ welke de te volgen weg was, daaronder verstaan dat er maar één weg was, een weg die bepaald werd door ‘de onderbouw’ die ‘economie’ heette. 

Vandaag schrijven de markten en Europa (in die volgorde) de boekjes ‘Wat te doen’. Ook daarin wordt er van uitgegaan dat er maar één weg is, en ook die is economisch, al heet de groei-economie deze keer ‘kapitalistisch’. De wetenschap waarop hiervoor wordt gesteund is, één eeuw na Lenin, nog altijd een pseudowetenschap: de economie, die achteraf perfect kan verklaren waarom een bepaalde theorie tot mislukken gedoemd was.

Als er al mensen zijn die andere paden aanwijzen, dan worden die weggezet als niet-realistisch en dus niet zakelijk. Een zakenkabinet is dat, de naam zegt het zelf, natuurlijk wel. Het is zakelijk en dus doet het ter zake. Al het andere is nonsens(e) en hoeft dus geen aandacht te krijgen (integendeel: het kan alleen maar onze aandacht afleiden van wat er werkelijk toe doet), laat staan te worden overwogen.

Ziedaar het werkelijke einde van de democratie, zelfs als we de zakenministers zouden mogen kiezen. Want hun programma is een keuze die wordt voorgesteld als een non-keuze. Het zal worden ingefluisterd door niet-verkozen soufleurs in de coulissen met in hun handen het script van een Griekse tragedie met een Latijnse titel: ‘Status quo’.   

PS. Noteer ook dat mobiliteit in de visie van De Standaard en die van alle andere Zelfverklaarde Zakelijken slechts een afgeleide is van de economische groei. En dus is er zelfs geen minister voor nodig.

Eenheidsdenken

Geplaatst op

Maandagmiddag hoorde ik een stukje van ‘Touché’, het zomerprogramma van Jan Hautekiet op Radio 1. Wat een verademing zo’n radio waarin mensen mogen uitpraten en ruimte wordt gegeven voor nuance. Als dit het resultaat is van besparingen bij de VRT, dan mag er wat mij betreft nog wel wat worden gesnoeid…

Maar blijkbaar wordt nuance niet door iedereen geapprecieerd. Maandag was Bart Peeters te gast. Hij plaatste onder meer enige kritische kanttekeningen bij het politieke immobilisme waarin dit land is verzeild en pleitte voor een federale kieskring om de middelpuntvliedende krachten (mijn formulering) wat te neutraliseren. Dat deze beschaafd geformuleerde commentaar ’s anderendaags aanleiding was voor een artikel in De Standaard vond ik al een veeg teken: blijkbaar is het Vlaamse eenheidsdenken intussen zover opgemarcheerd dat een Vlaming die de aanpak van De Wever weinig productief vindt al ‘nieuws’ is.

Maar de toestand blijkt nog ernstiger: zowel De Standaard als Knack berichten nu over de haatmails waaronder zowel artiesten als politieke opponenten worden bedolven wanneer ze zich kritisch uitlaten over BDW. Die laatste, als de rollen omgekeerd zijn trouwens een volleerde Calimero, vond het tot vandaag niet nodig om die haatmails te veroordelen. 

Jaren hebben we geroepen om een democratisch en fatsoenlijk ‘rechts’. Nu we dachten dat het bestond, blijkt dit misschien toch weer een illusie. Zou het dan toch waar zijn dat mensen met voorkeuren voor uniformen ook een voorkeur hebben voor uniforme gedachten?

Kan de ingenieur de wereld redden?

Geplaatst op

Dokter Hendrik Cammu besteedt in zijn ‘boek van leven en dood’ (Borgerhoff & Lamberigts, 2011) ook een hoofdstuk aan het thema ‘verkeersveiligheid’. Logisch ook: verkeersonveiligheid is de negende doodsoorzaak wereldwijd en de belangrijkste doodsoorzaak voor 14- tot 45-jarigen in Vlaanderen. Cammu brengt in zijn bijdrage heel wat cijfers samen die een indruk geven van de ernst van de situatie en hoe schril die afsteekt tegen het gebrek aan politieke moed om de nodige maatregelen te nemen. Het doet hem ergens uitroepen: “Wacht niet tot er een ‘maatschappelijk draagvlak’ is. Dat komt er pas na de invoering van de maatregelen.” De nagel op de kop, wat mij betreft, en precies ook het verschil tussen staatsmannen (m/v) en populisten.

Cammu legt wel heel eenzijdig de klemtoon op technologische maatregelen en lijkt daar alle heil van te verwachten. Nadat hij BIVV-staflid Johan Van Vooren, burgerlijk ingenieur, heeft laten verklaren dat het “zonder twijfel de ingenieurs (zijn) met hun intelligente voertuigontwerpen die de grootste bijdrage leverden tot de daling van het aantal doden”, schrijft Cammu letterlijk: “Minder verkeersslachtoffers? Schakel de mens uit! Laat de ingenieurs het karwei klaren!”

Alsof het niet de ingenieurs zijn die ons (mede) opgezadeld hebben met het gevaarlijke vervoerssysteem dat we vandaag kennen…

De kern van de zaak

Geplaatst op

Het klinkt cynisch, maar de problemen met de kerncentrales in Japan konden zich voor ons land op geen geschikter moment voor doen. Het om de zoveel tijd weerkerende refrein van usual suspects als het Internationaal Atoomagentschap of Electrabel was de afgelopen week weer in volle hevigheid losgebarsten, uit volle borst meegezongen door een groot deel van onze ‘weldenkende’ media.

De bewering dat kernenergie ‘veilig’ is door de Japanse gebeurtenissen in een juist kader gezet. Telkens weer klinkt het dat de kans dat zo’n gebeurtenissen zich samen voordoen één op zoveel miljoen is, maar de intussen indrukwekkende reeks van rampen en bijna-rampen met kerncentrales toont aan dat die kansberekening gebaseerd is op los zand.

En zelfs als dat niet het geval was, dan nog wordt er een fundamentele denkfout gemaakt in de afweging ‘kernenergie of niet’. Nassim Nicholas Taleb, de auteur van indrukwekkende boeken als ‘Zwarte Zwaan’ (met als ondertitel ‘De impact van het hoogst onwaarschijnlijke’) en ‘Misleid door toeval’, noemt het de fout van de Gausscurve of klokcurve: wij zijn steevast gefocust op wat zich ‘normaal’ en (dus) het ‘vaakst’ voordoet en we zijn geneigd de uitzonderingen (de uiteinden van de Gausscurve) te negeren of weg te rationaliseren. “Omdat ze zo uitzonderlijk zijn.”

Maar wanneer die uitzonderingen, wanneer ze zich toch eens voordoen (en dat doen ze vroeg of laat), catastrofale gevolgen (kunnen) hebben, dan is het dom te doen alsof ze er niet zijn. En dat is precies het probleem van kernenergie: als het fout gaat, gaat het goed fout.

Hoe goed fout, dat weten we meestal pas achteraf. Soms pas jaren later. Want een tweede probleem dat inherent is aan kernenergie, is het centralistische en fundamenteel ondemocratische karakter ervan. Kerncentrales kunnen alleen functioneren in een omgeving waarin ‘geheimhouding’ een sleutelwoord is. Dat is om veiligheidsredenen natuurlijk, maar de geheimhouding wordt verergerd door een gebrek aan democratische controle: doordat het om een zeer specialistische materie gaat, wordt de maatschappij voor haar informatie afhankelijk van een zeer kleine groep ingewijden. Ingewijden die vaak betaald worden door de mensen en organisaties die geen belang hebben bij veel transparantie.

Incidenten worden dan ook steevast geminimaliseerd. Achteraf wordt dit goed gepraat met het argument dat paniek moest worden vermeden, maar het is natuurlijk ook gewoon handig dat straling niet zichtbaar is en de gevolgen ervan meestal pas op lange termijn zichtbaar en voelbaar worden – en dan moeilijk oorzakelijk zijn te duiden.

Overigens zijn al de bovenstaande argumenten eigenlijk gewoon overbodig: het loutere feit dat verzekeringsmaatschappijen niet bereid zijn kerncentrales te verzekeren voor de gevolgen die ze kunnen hebben, zou voldoende moeten zijn om in te zien dat de mens zich hier als een leerling-tovenaar gedraagt.