RSS feed

What’s in a name?

Het verhaal werd deze week nog eens opgerakeld door Geert Van der Speeten in De Standaard: hoe het kunstwerk ‘Fettecke’ van Joseph Beuys door een overijverige poetsvrouw per ongeluk werd opgeruimd. De dame had het voor vuil aanzien.

Te harer verdediging dient opgemerkt dat ze, anders dan Van der Speeten beweert, geen vrouw was maar een man (“ein Hausmeister”) én dat het kunstwerk bestond uit 5 kilo boter die door Beuys vakkundig was uitgesmeerd tegen de plinten van een kunstruimte in de Kunstakademie Düsseldorf om er jarenlang als ‘levende installatie’ te liggen smelten en verrotten.

Omdat ik het verhaal kende (zij het ook in de clichématige versie dat de opruimer vrouwelijk was geweest), was het met de grootste behoedzaamheid dat mijn echtgenote en ik mij enkele zomers geleden door het museum voor moderne kunst van Dusseldorf bewogen. We deden ons best om alles wat kunst was als dusdanig te herkennen, te begrijpen en te appreciëren.

Maar toen we ons na anderhalf uur geïnteresseerd slenteren vermoeid lieten zakken in een uitnodigende sofa liep het toch nog vreselijk mis. Een toegesnelde suppooste van het kordate Merkeltype, snauwde ons toe dat we ons op een kunstwerk bevonden. Nou moe.

De bewuste bank (en het onbewuste koppel: zich niet bewust hoe het deel uitmaakt van Mondriaans kunst)

Ik moest er deze week aan terugdenken toen de discussie – een debat kan je het niet noemen – losbarstte over de Brusselse plannen om ‘rekeningrijden’ in te voeren.

“Stadstol!” riepen politici aan Vlaamse kant. Tot twee jaar geleden liepen ze zelf nog met ongeveer dezelfde plannen rond, maar toen hen de politieke moed bleek te ontbreken veranderden ze het geweer van schouder. Enthousiasme werd verontwaardiging. Wat eerst onvermijdelijk en nodig was, werd nu plots onaanvaardbaar en onverantwoordelijk. “Stadstol” dus, en ook wel: “platte belastingverhoging!”

Het is een prachtig voorbeeld van het zogenaamde Thomastheorema: wanneer mensen situaties als werkelijk definiëren, zijn die ook werkelijk in hun consequenties. Of in mensentaal: de definitie beïnvloedt het handelen.

Vandaag kennen we iemands mening over de Brusselse plannen al van zodra hij het heeft over ‘rekeningrijden’ dan wel ‘stadstol’. Elk woord zet een heel andere ketting van associaties in gang en leidt dus tot heel andere reacties – een proces dat door Jan Blommaert uitstekend beschreven werd in zijn boekje ‘U zegt wat wij denken, Een praktische handleiding voor framing’ (Epo, 2019).

Het maakt dus uit hoe je iets noemt. Als je iets kunst noemt, is het kunst in zijn consequenties. Als je het afval noemt ook. Met rekeningrijden en stadstol is dat niet anders.

Overigens kan dat proces ook gebruikt worden om inconsequenties bloot te leggen. Probeer eens deze oefening: als ‘rekeningrijden’ het systeem is waarbij betaald moet worden naarmate men meer (auto)rijdt, dan kunnen we ‘betalend parkeren’ naar analogie daarvan ‘rekeningparkeren’ noemen: het systeem waarbij betaald moet worden naarmate men meer stilstaat. Vergelijken we nu de Brusselse plannen voor rekeningrijden (oneerlijk! alleen de Brusselaars zijn ter compensatie vrijgesteld van autobelasting) met de het rekeningstilstaan in Antwerpen (oneerlijk! elk Antwerps gezin krijgt twee bewonerskaarten die het recht geven op gratis parkeren & de Parking moet altijd betalen voor de parking!), dan is het zonneklaar: er wordt hier gemeten met twee maten en twee gewichten – laten we een kat een kat noemen.

Nu boeken!

Het is nog niet echt de tijd van de goede voornemens. Toch heb ik er al één. En ik ga er direct werk van maken, zie.

Mijn goede voornemen? Iets meer te schrijven over boeken. Boeken verdienen dat, toch zeker de goede. Hun schrijvers verdienen dat ook, voor de rest verdienen ze bitter weinig. Als geen ander weet ik hoeveel tijd er in een boek kruipt, ten koste van gezin, familie, vrienden, tijd die vrij had kunnen zijn – al ben ik zo’n schrijver die z’n schrijftijd ervaart als vrije tijd, zelfs al drupt het zweet soms over mijn voorhoofd.

De aanleiding om er vandaag mee te beginnen? Geduld, geduld, ik kom er zo dadelijk toe.

Eerst gaan we twintig jaar terug in de tijd. Toen verscheen mijn eerste (mobiliteits)boek, ‘Het voorruitperspectief’, bij Garant Uitgevers, kind van de vorige week overleden Huug Van Gompel. Het boek maakte wel wat los, mag ik nu wel zeggen in retroperspectief. Een spoor ervan was onlangs nog te vinden in het uitmuntende boek ‘Het recht van de snelste’ van Thalia Verkade in samenwerking met ‘fietsprofessor’ Marco Te Brömmelstroet. Leken die wegwijs willen geraken in de wereld van de mobiliteit: lees dat boek! Professionals die denken het allemaal te weten: lees ook dat boek!

Daarmee zijn we al twee boeken ver, maar nog niet bij het boek waarover ik het eigenlijk wou hebben. Daarvoor moeten we terug naar Het Voorruitperspectief. Dat ging over hoe het perspectief vanuit de auto het dominante perspectief is, zowel in onze samenleving als in de verkeerskunde, en wat daarvan de niet altijd zo positieve gevolgen zijn.

Wetende dat verkeerskunde en ruimtelijke planning een Siamese tweeling zijn, is het goed nieuws dat vandaag ook de ruimtelijke planning haar versie van ‘Het voorruitperspectief’ krijgt: ‘Het bouwperspectief’.

De auteurs van RE-ST-architecten hebben het echter wat positiever aangepakt en voor de titel ‘Zwerfruimte / Wanderspace’ (het boek is meteen tweetalig) gekozen. (In die optiek had mijn boek ‘Nabijheid’ moeten heten, maar ik had niet de luxe om mijn boek eruit te kunnen laten zien als een voorruit. ‘Zwerfruimte’ ziet er uit als een baksteen en is daardoor meteen ook een leuk hebbeding.)

Omdat ik het voorrecht had om het boek mee te zien groeien, heb ik het reeds achter de kiezen en zou ik u het van harte kunnen aanbevelen.

Maar omdat u dat vast veel beter zelf kan beoordelen, beveel ik u alleen maar aan om vanavond in te loggen op de boekpresentatie. Het is dan wel handig om nu al (sic) in te schrijven. Deelnemen is kosteloos, al waarschuw ik u nu al: de kans is groot, dat u het boek nadien bestelt. Architecten die vertellen over de merites van het niet-bouwen, klinkt het niet intrigerend genoeg?

——————————

  • Het Voorruitperspectief was na 10 jaar helaas al uitverkocht. Stukken ervan kunnen gelezen worden op het internet. Een samenvatting vindt u onder meer hier, inclusief een heerlijk foute foto van de andere andere Kris Peeters.
  • Het boek ‘Het recht van de snelste’ werd uitgegeven door De Correspondent en kan daar worden besteld. Maar het is altijd sympathieker om de lokale onafhankelijke boekhandelaar een graantje te laten meepikken. Idem voor wie ‘Zwerfruimte’ wil aanschaffen. Dat boek wordt uitgegeven door Nai010. Klik hier voor (onder meer) een leuk introductiefilmpje.

Avant-première

Af en toe krijg ik het onder mijn vanzelfsprekend gemondmaskerde neus gewreven: dat het hier tegenwoordig zo stil is.

Ik ontken niet. Sterker: ik beken.

Maar dat er hier weinig geschreven staat, betekent niet dat er niet gewerkt wordt. Ik schrijf aan een nieuw boek. Langzaam maar zeker, maar zeker langzaam.

Over de inhoud ervan kan ik nog niets loslaten. Dat komt, op tijd en stond. Maar omdat ik u als, ongetwijfeld trouwe, lezer niet helemaal in de steek wil laten, gun ik u graag een kleine preview:

Véél meer dan een pot inkt en een vulpen

Ziehier een deel van mijn boek, het ongeschreven deel dan nog wel.

Geef toe: beloftevol!

Koninginnegrapje

Of is het ‘hraptsje’, want we bevinden ons in het West-Vlaamse Oostende.

In ieder geval krijgt Jan De Nul van mij een tien voor de naamgeving van dit schip, bedoeld voor het transport van offshore windmolens: ‘Vole au Vent’.

Het kan een idee zijn voor andere reders. Wie durft als eerste zijn olietanker ‘Voale Vent’ te noemen? Of zijn cruiseschip ‘Dom Cruise’?

(En ja, jongens en meisjes, jullie mogen jullie nu ook eens laten gaan)

PS. De werkelijkheid telt altijd meer lagen dan wij denken. Iemand meldt me dat de meter van het schip niemand minder is dan… de koningin.

Laat het hard gaan

Jaren geleden deed ik in dit obscure hoekje van het internet het voorstel om werk te maken van een voortuinreconquista. Er gebeurde niets.

Of schijnbaar niets. Want na een lezing vertelde iemand mij: “Gij hebt een Jerommekesslag”. Het klonk als een diagnose en ik denk dat ze troostend was bedoeld. De man refereerde naar de gespierde stripfiguur uit Suske en Wiske die af en toe een vuistslag uitdeelt. Het eerste prentje gebeurt er niks. Op het volgende zijn er enkele kleine scheurtjes te zien in het lijdend voorwerp. En tegen dat we onderaan de pagina zijn beland is het in scherven uit elkaar gevallen.

In dit geval duurde mijn Jerommekesslag zeven jaar. Ik geef ook toe: omdat ik er niet helemaal gerust in was, gaf ik sindsdien nog wel enkele kleine klopjes. Onder meer met enkele artikels (hier en hier) in De Standaard, tezamen met architect Tim Vekemans, die van ontharding intussen zijn tweede roeping lijkt te maken.

Nadat minister Schauvliege voorzichtig aanzette met het opzetten van zogenaamde proeftuinen (met o.m. Remove, een project van RE-ST, Voorland en Trage Wegen waarvan ik peter mocht zijn) lijkt haar opvolgster, minister Demir, de strijd met de verdroging en de waterschaarste, en dus de strijd voor de ontharding, tot volwaardig beleid te bevorderen. Recent lanceerde ze haar Blue Deal.

Het zou een trendbreuk kunnen zijn, ware het niet dat intussen de verharding nog altijd hard gaat in dit land. Gewoonlijk volgt er na zo’n zin iets over zes voetbalvelden per week die onder Vlaams beton verdwijnen en dat is deze keer niet anders. Alleen zijn die zes voetbalvelden een onderschatting. Ze houden immers geen rekening met de illegale verharding van voortuinen en opritten die er in tussentijd bijkomt en die door de meeste lokale besturen (volgens de enen groot- en volgens de anderen lafhartig) door de vingers wordt gezien.

Er waren nog stenen over, zodat ook nog wat in de hoogte moest worden gewerkt.

Als ik mijn waarnemingen in mijn eigen omgeving mag extrapoleren naar de rest van Vlaanderen, dan mogen er nog enkele voetbalvelden bij worden geteld. Soms letterlijk: denk aan de velden die verdwijnen onder het kunstgras. Meestal in het geniep: een klein betonnetje, een kwakje asfalt, een partijtje betonstraatstenen, wat verloren gelopen kasseien – vele kleintjes maken één groot.

Als iedereen zijn steentje bijdraagt, komen we er niet.

Zo verdwijnen aan de lopende band voortuinen, worden groene wijken grijs. Kiezel lijkt trouwens de nieuwste trend te zijn. Mocht Vlaanderen ooit toe zijn aan een rebranding, dan moet ‘Kiezelstan’ zeker in overweging worden genomen.

Maar daaraan wil Demir iets doen. Of daar lijkt het toch op. Na vele jaren van ‘aankondigingspolitiek’ wordt een mens al wat zuiniger met zijn enthousiasme . Ik doseer mijn blijheid: alvast de retoriek is veranderd en een nieuwe taal is doorgaans een voorbode van een nieuwe praktijk. Demir kondigde aan (ai…) te overwegen (ai, ai) een reglement te maken dat in heel Vlaanderen de volledige verharding van voortuinen zou verbieden.

Laat ik bij deze mijn steun uitspreken. Het moet dringend vooruitgaan: de vooruitgang kan pas beginnen wanneer de achteruitgang is stopgezet.

Zeven jaar is lang, ook voor een Jerommekesslag.

Het No BAUhaus

Vorige week pleitte de voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen onder meer in deze krant (DS 15/10) voor “een nieuw Europees Bauhaus”. Ze refereerde daarmee naar de legendarische opleiding voor beeldend kunstenaars, ambachtslieden en architecten die eerst in Weimar, later in Dessau en tenslotte in Berlijn werd georganiseerd. Opgejaagd door het nazisme werd de beweging internationaler dan ze ooit had durven dromen. Met beroemde namen als Henry Van de Velde, Walter Gropius, Ludwig Mies van der Rohe, Paul Klee, Kandinsky en Piet Mondriaan, werd ze de feitelijke wegbereider voor het modernisme en inspireert ze tot vandaag architectuur, kunst en design. Haar missie destijds? De verschillende kunsten herenigen in de bouwkunst en daardoor kunstenaars weer in het hart van de samenleving brengen. Het Bauhaus wou kunst(enaars) niet langer beschouwen als een ‘luxueus extraatje’, wel als een deel van de essentie.

Of von der Leyen dat ook zo ziet, is niet helemaal duidelijk. Ze schetst het Europees Bauhaus als een vehikel dat letterlijk en figuurlijk vorm moet geven aan de ‘Green Deal’. Die moet tegen 2050 van Europa het eerste klimaatneutrale continent maken. Daarvoor is niet alleen een nieuw economisch model nodig, zegt ze, maar ook een nieuwe uitstraling en esthetiek.

Voorwaar een wervende gedachte, van het soort waaraan het Europa de laatste decennia al te vaak ontbreekt. Hoera dus. Driewerf hoera zelfs, om alle twijfels weg te nemen.

Maar misschien kan het idee nog wat finetuning gebruiken. Wat de missie betreft: waarom zouden we de ‘bouwkunst’ van Gropius en het ‘economisch model’ van von der Leyen niet vervangen door ‘levenskunst’? Het begrip is breder en dus omvattender. Bouwkunst gaat in essentie over de omgeving waarin wij wonen, werken en recreëren – kortom: leven. Bovendien veronderstelt die andere economie echt wel een andere manier van leven. En niet noodzakelijk een slechtere.

In ‘levenskunst’ zit ook het woord ‘kunst’. Dat is interessant omdat zo de brug wordt geslagen naar de kunstenaars – een mensentype dat ook in de huidige crisis weer het gelag dreigt te betalen.

Meer dan aan toekomstvoorspellers hebben wij nood aan toekomstvoorstellers. Niet eens in de eerste plaats omdat de eersten er steevast naast zitten. Vooral omdat die ons de toekomst ontnemen door haar te presenteren als iets wat reeds vastligt en waarover derhalve niet meer moet worden gedebatteerd. “There Is No Alternative!” Thatchers  mantra is de vaste onderlegger geworden van onze neoliberale samenleving, een schaamteloos appèl om vooral het bestaande systeem niet in vraag te stellen. Zo kunnen we blijven denken dat het systeem het slachtoffer is van de crisis. En niet de oorzaak.

Zo wordt elk democratisch debat gesmoord nog voor het begint. Wie toch wil discussiëren, wordt weggezet als wereldvreemd en onrealistisch.

Toekomstvoorspellers laten ons hoogstens de keuze hoe we het onafwendbare willen ondergaan.

Nee, dan liever de toekomstvoorstellers, de mensen die verschillende toekomsten zien en in staat zijn die te verbeelden. Wie ‘verbeelding’ zegt, zegt ‘kunstenaars’, de visionairen die zich niet beperken tot het ‘mogelijke’ en het denkbare systematisch oprekken. Ze maken het onvoorstelbare voorstelbaar en promoveren het tot een mogelijkheid. Voor wie denkt dat het onmogelijke per definitie niet mogelijk is: had u de wereld zoals hij er vandaag uitziet een jaar geleden voor ‘mogelijk’ gehouden?

Nooit hadden we meer nood aan verbeelding dan vandaag. Nooit kwamen kunstenaars ons meer van pas dan vandaag.

“Groene” woonwijk met wijds zicht op blinde industriegevel

Daar is trouwens nog een reden voor. Dankzij corona en de herontdekking van onze eigen omgeving, beseffen we dat schoonheid niet gereserveerd moet worden voor vakantiereservaten die alleen per vliegtuig kunnen worden bereikt. Geef kunstenaars dus de ruimte en laat de esthetica los op alles wat ons omringt. Waarom zouden industrieterreinen niet mooi mogen zijn?

Dus een nieuw Bauhaus dat ook een ‘schoonheidsinstituut’ mag zijn, ja gerne!

Zeker als die nieuwe beweging net zoals de oude een sociaal programma zou omarmen. Gropius en co gingen voor minder ongelijkheid en meer sociale rechtvaardigheid. Ze wilden levenskwaliteit zoveel mogelijk democratiseren.

Ik mag hopen dat we die ambitie niet opgegeven hebben. We kunnen het ‘Less is more’ van Mies van der Rohe alvast actualiseren. Als wat geldt voor onze goudvoorraden ook geldt voor alle andere voorraden, namelijk dat ze eindig zijn, moeten we ook ‘More is less’ durven te zeggen. Tussen het teveel en het tekort bestaat een sterk verband. Dat wat we besteden aan het teveel (geld, grondstoffen, ruimte), kunnen we niet meer inzetten voor het tekort. Het Europese Bauhaus zal het dus ook moeten hebben over een herverdeling van de middelen waarover we beschikken.

Dat klinkt behoorlijk revolutionair. Laat dat dan de aanleiding zijn om nog eens na te denken over de naamgeving. De modernisten hadden hun verdiensten, maar ‘meer modernisme is zeker niet wat we vandaag nodig hebben.

Die breuk mag zichtbaar zijn in de naam. Na de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog was het logisch om het vooral te hebben over ‘bouwen’. In de huidige context van woekerend beton is het minstens even logisch om het ook te hebben over ‘niet-bouwen’. Bijgevolg hebben we ook behoefte aan een esthetica van het weglaten. Als u zich daar niets bij kan voorstellen: vraag het eens aan de kunstenaars die poëzie schrijven. Zij kennen de meerwaarde van dat ene woord minder en de charme van de witregel. Ook afwezigheid is een vorm van aanwezigheid. En ook over die vorm mag worden nagedacht.

Moet de naam voor het nieuwe Europese Bauhaus dus niet eerder ‘No-BAUhaus’ luiden? ‘No Business As Usual’, dat is toch wat Ursula von der Leyen ons met haar Green Deal wou vertellen?

Welaan dan, Europese Commissie, maak zelf een zin met “vlag” en “lading”.

  • Deze tekst verscheen, in een licht andere vorm, als opiniebijdrage in De Standaard van 20 oktober 2020

Archieffoto

Geen kwakkel

Mensen vragen me wel eens: “ben jij nu werkelijk àltijd bezig met mobiliteit?”

Beschamend genoeg is het antwoord bevestigend: ik ben àltijd bezig met mobiliteit.

Zoals gisteren nog, op café. Gewone mensen drinken daar een koffie of een pintje. Maar daar voelt deze mobiliteitsjongen zich net iets te goed voor.

Dat moet dan weer iets speciaals zijn. Een Kwak bijvoorbeeld. Niet omwille van het hoge alcoholgehalte (wat denkt u wel?), een beetje voor de smaak (“een licht moutig aroma en een fruitige afdronk”) en vooral omdat er een mooi mobiliteitsverhaal aan vasthangt. Noblesse oblige, quoi.

Nu wil u dat verhaal natuurlijk kennen, ja, zo ken ik u. Welnu, het is simpel: Kwak wordt geschonken in een glas dat vandaag extreem onhandig is (en dus vergezeld moet gaan van een houten houder om overeind te blijven), maar initieel de handigheid zelve was. Toch voor koetsiers.

Het bier werd in 1980 opnieuw gecommercialiseerd. De eerste try outs waren niet zo’n succes, omdat de koets er toen nog aanhing. Al kan dit ook een kwakkel zijn.

We keren even terug naar de tijd van Napoleon, toen drinken en rijden nog samen gingen, een idee waarvan wij modernen natuurlijk helemaal genezen zijn. Niet dat toen alles mocht: koetsiers mochten tijdens hun pitstops aan de herbergen hun gespan niet verlaten. Daardoor konden ze hun dorst niet samen met hun passagiers lessen.

Jammer. En dus vond de eigenaar van herberg ‘De Hoorn’ in het Dendermondse er iets op. Hij ontwierp een ‘koetsiersglas’: een glas dat in een uitsparing van de koets kon worden gehangen en dat, door het zwaartepunt middels een vergrote bolle onderzijde onderaan te leggen, altijd keurig rechtop bleef.

Zo ‘kwakte’ het bier ook nooit over de rand – al is die onomatopee net iets te mooi om relevant te zijn: de brouwer in kwestie heette gewoon Pauwel Kwak. Voor wie dat dan weer belachelijk vindt klinken: hij had ook Alfred Judokus Kwak kunnen heten. Dàt zou pas belachelijk zijn geweest.

Gescoord!

Jaren geleden had ik dit pareltje al eens gezien. Alleen was ik vergeten waar. Een paar weken geleden voerde een omleiding me er opnieuw langs. Deze keer ben ik gestopt om een fotootje te maken. Mij hebben ze geen twee keer liggen.

Wat voor bijzonders er hier te zien is? Van alles en niks, zoals ze bij ons zeggen.

Niks bijzonder: de cul de sac met de te grote verharde oppervlakte in verhouding tot waarvoor ze moet dienen. Kom je tegen in -tig verkavelingen in Vlaanderen. Officieel voor de huisvuilwagen (alsof afval per definitie voor de eigen deur moet kunnen worden aangeboden). En voor de brandweer (alsof de brandweer brede straten nodig heeft en niet voldoende heeft aan voldoende gefundeerde opstelruimte). Voor uitzonderingssituaties leggen we dus te veel verharding aan en dat wreekt zich op onze portemonnee (bij de aanleg, bij het onderhoud), op onze waterhuishouding (meer overstromingsrisico, verlaging van de grondwatertafel), op de biodiversiteit (minder groen betekent minder leven) en op de verkeersveiligheid (bredere straten leiden tot sneller verkeer en/of foutparkeren, waardoor als puntje bij paaltje komt de huisvuilwagen en de brandweerwagen toch weer hun ding niet kunnen doen).

Wel bijzonder: de basketring. Wat mij betreft een geniaal staaltje keuze-architectuur. Het ding nodigt uit om de ruimte die anders door King Car zou worden gemonopoliseerd anders te gaan gebruiken. Om te spelen, in dit geval. Gedeeld ruimtegebruik, altijd een goeie zaak. En hier dan nog eens slim gecombineerd met de straatverlichting: paal uitgespaard en spelplezier verzekerd tot laat in de avond.

Maar dat is niet alles. Door de impliciete dreiging dat er wel eens een bal door de ring zou kunnen worden gemikt, blijft de plek gevrijwaard van geparkeerde auto’s. Niemand wil zo’n zware bal op z’n dak – al is de eigenaar van de blauwe Peugeot een durvertje. Misschien hadden enkele witte lijnen om het veld te markeren de ontrading nog wat versterkt.

Hoe dan ook, deze basketring is het meest vriendelijke en tegelijk meest effectieve antiparkeerinstrument dat ik ken.

Vlaamse gemeenten, waar wachten jullie op om ook te scoren?

De mug en de olifant

Zondag 27 september 2020. Bijna 500 dagen na de verkiezingen. Een nieuwe federale regering is er nog niet, laat staan dat er een regeerakkoord is. Maar de oppositie lijkt al perfect te weten wat de nog niet gevormde regering in zijn nog niet afgesproken regeerakkoord zal opnemen. Daartegen voert ze al volop oppositie.

De tijd dat oppositie voeren vooral met inhoudelijke argumenten gebeurde, ligt al eventjes achter ons. Argumenten zijn zelden mediageniek. Je oogst er dus niet altijd veel media-aandacht mee – niet in de traditionele media en al helemaal niet in de sociale media.

Maar daar hebben we dus wat op gevonden. We voeren de parlementaire oppositie nu bij voorkeur buiten het parlement. Met een manifestatie bijvoorbeeld.

Individuen die zich kwaad maken, maken zich groter dan ze zijn: ze rechten hun rug, laten hun spierballen rollen en zetten een hoge borst en een grote mond op. “Kom dan, als je durft!” Groepen mensen doen hetzelfde. Om met meer te lijken dan ze zijn, lopen ze wat verder uit elkaar en ze bedienen zich van wat eenvoudige hulpmiddelen: spandoeken, pancartes, vlaggen en ballonnen.

De tijd dat politieke partijen massa-organisaties waren, ligt echter ook al eventjes achter ons. De klassieke truken helpen dus niet meer.

Maar ook daar hebben we iets op gevonden.

Een betoging met echte mensen, enkele jaren geleden (Brussel)
De auto’s deden toen nog niet mee

Zelfs als fanatieke republikein kan je tegenwoordig de hulp inroepen van Koning Auto.

De auto maakt van een mens met normale afmetingen meteen iets wat vele malen breder, langer en dus zichtbaarder is. De door zo één mens ingenomen ruimte gaat dan plots met een factor 15 omhoog. Stilstaand, wel te verstaan. Laat zo’n auto rijden en de ingenomen ruimte wordt nog eens vele malen vermenigvuldigd. Rijdend aan 50km/u neemt één auto zo’n 80m2 in. Om die te vullen heb je bij een ‘normale’ betoging al heel wat mensen nodig.

Zo slaagde extreemrechts er vandaag in om met weinig mensen toch de indruk van een grote betoging te geven. De mug werd een olifant.

En de media? Ze trapten er met twee voeten in.