RSS feed

Gerommel in de marge

Geplaatst op

Mag ik de kandidaat-Citytrippers onder jullie één goede raad cadeau doen? Check voor je vertrekt even de website van Harley Davidson.

Dat deden wij niet. Daardoor was het mogelijk dat de stad van de 100 torens tijdens ons verblijf ook die van de 1000 motoren was. Of 10.000, dat wil ik kwijt zijn.

Praag Harley Davidson

Affiche met portrait of the artist as a (more or less) young man.

Onze Praagse dagen zullen voor altijd verbonden blijven met de door Harley Davidson gepatenteerde soundtrack van nu eens naderend dan weer wegtrekkend onweer. Dag en nacht, want de night and day parades op de affiche waren niet gelogen.

Het was alsof de stad op een gigantisch gasvuur stond te pruttelen, op het randje van het overkoken.

Praag deel 1 (1526)

We kregen ruimschoots de gelegenheid om de merkwaardige mensensoort die de Homo Harley Davidsoniensis is van naderbij te bestuderen. Hoewel ze er gevaarlijk uitziet (de mannetjesdieren herkenbaar aan hun potsierlijke pothelm, Lederhose en grimmige graffiti verspreid over het hele vege lijf, de wijfjes rondborstig, getooid in neonkleuren en met vleugeltjes op onverwachte plekken), doen ze geen vlieg kwaad – al doen de meeste vliegen erg hun best om hen daar ook geen aanleiding toe te geven.

Het opmerkelijkst is het vertrekritueel van de Homo Harley Davidsoniensis. Zoals de bij de meeste nomaden, komen afzonderlijke individuen zelden voor. Er wordt geleefd en gereden in zwermen bestaande uit verschillende paartjes van eenzelfde Chapter.

Vraag me niet wat een Chapter is. Geloof me maar gewoon. Eén paartje geeft het vertreksein door omstandig aanstalten te maken: het loopt rond de motor, aait liefkozend het chroomwerk, legt een warme hand op het zadel. Vervolgens worden helmen opgezet, spierballen gerold, jekkers dichtgeregen, brillen rechtgezet. De motor wordt aangezet en de wijde omgeving wordt gevuld met gerommel.

De zwerm analyseert het geluid, knikt goedkeurend of controleert nog eens extra door met een luisterend oor een dot gas bij te geven. Ja, zo is het goed.

Eén na één herhalen de andere paartjes het ritueel. Het geluid zwelt aan tot een wall of sound. Op dit moment gaan leken er verkeerdelijk van uit dat het vertrek nakend is, maar niets is minder waar. We zijn nog maar pas tien minuten ver.

Nu begint het gepalaver: waar zullen we eens heen rijden? Voorwaar geen gemakkelijk vraagstuk, want een Harley is niet gemaakt om ergens héén te rijden. Een Harley is gemaakt om onderweg te zijn.

The wall of sound is intussen ondoordringbaar geworden. Elk ander geluid van de stad wordt weggedrukt. De Homo Harley Davidsoniensis is aanwezig en dat zullen we allemaal geweten hebben.

Eén voor één bestijgen de paartjes hun paardjes en worden triootjes. Het publiek op de omliggende terrassen, gedwongen te observeren, kijkt ongemakkelijk toe. Gaat het nu gebeuren? Ja.

Nee. Eén paartje heeft iets verdachts gehoord in het geklop van de motor. Er wordt overlegd en geanalyseerd. Zullen we? Zullen we niet? We zijn intussen een minuut of twintig ver en de motoren zijn nu stilaan op temperatuur. Misschien kan er nu wel mee gereden worden?

Er wordt nog een minuut of vijf getalmd, getwijfeld. Heeft iedereen ons wel gezien, gehoord, gevoeld, geroken? Ja? Eindelijk, dan kunnen we gaan.

Op de terrassen klinkt een zucht van opluchting. De mensen hebben er honger van gekregen. Je kunt hun magen horen rommelen.

Of neen, vergissing, het is de Homo Harleydavidsoniensis die terugkeert. Het was maar een ommetje.

Hij heeft ons harder gemist dan wij hem. Diep van binnen is de Homo Harleydavidsoniensis een sociaal wezen.

Advertenties

De Praagse zomer

Geplaatst op

Dat het eventjes heel stil was op deze blog, had natuurlijk zijn redenen. Ik was er even tussenuit. Naar Praag, de hoofdstad van Tsjechië.

Aan bijnamen voor deze parel geen gebrek: de gouden stad, de stad van de 100 torens, het moedertje met haar klauwen dat je niet loslaat (Kafka)… Voor mij is vooral de laatste van toepassing. Ik was er als tiener met mijn ouders (1979), als student met een ontluikend politiek bewustzijn (1986), als jongeman op huwelijksreis (1993) en nu, met een kroost met aanhang, als jonge oudere. De conclusie: zowel de stad als ikzelf zijn veranderd, maar we houden nog altijd van elkaar. In die zin was Praag als bestemming voor onze huwelijksreis destijds een visionaire metafoor.

En toch – hoe gaat dat met ouder wordende mensen – betrapte ik mezelf er op vooral te zoeken naar wat gebleven is.

Om te beginnen de Moldau. Met op de achtergrond nu eens hoorbaar maar meestal stilgezwegen de soundtrack van Smetana, stroomt de rivier er nog altijd in al haar trage pracht, zij het, na de Grote Overstroming van 2002, beter bedwongen.

Paradoxaal genoeg gebeurt dat door haar meer haar gang te laten gaan: de randen van de stad zijn nu zo aangelegd dat ze probleemloos overstroombaar zijn. Dat heeft een aanzienlijke winst aan menselijk leven aan de waterkant opgeleverd. Er zijn nu stranden, kaaien met kraampjes op, terrassen, boten met horecavoorzieningen en publieke ruimte waar dag en nacht geflaneerd kan worden. Ook Praag is nu een volwaardige stad aan de stroom.

Voorts, om het nog even vloeibaar te houden, het bier. Duurder nu, maar nog steeds in overvloed. Idem dito voor de rokers: nog altijd oververtegenwoordigd, al zijn ze ook hier uit de cafés en restaurants gedreven, waardoor sommige etablissementen alleen betreedbaar zijn doorheen een rookgordijn.

Praag deel 1 (1501)

Verder de oude gebouwen, ooit vaal en gehuld in grijs en oker, nu vaak gerestaureerd in frisse kleuren, soms aangevuld met nieuwe architectuur of graffiti. De afbladderende muren van weleer vind je alleen nog in de buitenwijken of aan de achterkanten. De grootschaligheid van de staat van weleer is vervangen door die van de projectontwikkelaars. De belletjes aan de deuren zijn er nog, maar kenners kunnen er de gentrificatie van aflezen.

De commerciële logica heeft uiteindelijk het antwoord geleverd waarnaar de heersers van de stad eeuwenlang op zoek waren. Uitgerekend in het Gouden Straatje, waar ooit de alchemisten koortsachtig experimenteerden, is dat het duidelijkst: de toegang is er niet langer gratis, waardoor vijftien armzalige huisjes nu de facto leem veranderen in goud.

Ook gebleven: de leuzen en de slogans. Ooit riepen ze op om meer te produceren, tegenwoordig om meer te consumeren. Hier en daar valt de boodschap nog in dovemansoren: nieuw in het straatbeeld zijn de daklozen en de bedelaars, al zijn de bruggen waaronder ze slapen wel mooier geworden. De gemiddelde levensstandaard is opgetrokken, maar de uitersten zijn opgerokken.

Praag deel 1 (20)

“Waar woon jij?” “In de deur van de nieuwe Mercedes.”

Tot slot het grootste verschil met 25 jaar geleden: de ruimte die Koning Auto inneemt. Naarmate de auto gedemocratiseerd werd, werd de ruimte gemonopoliseerd – vooral voor stilstaand blik.

Haaks parkeren en trottoirparkeren zijn de nieuwe norm geworden. Al merken we ook hier dat de ‘Car Peak’ stilaan is bereikt. Autovrije voetgangerszones breiden uit en de auto keert langzaam maar zeker terug naar wat hij 120 jaar geleden was: een aardig stukje speelgoed.

Daarover zal ik het een volgende keer hebben.

Maar niet voor vandaag…

Geplaatst op
ruimtevoormorgen

Credits: Dimitri Pellens

 

Veranderende tijden

Geplaatst op

Tot ik een jaar of achttien was kon men mij niet gelukkiger maken dan met het nieuwste nummer van Auto Motor Und Sport of L’Autojournal. Vergelijkende tests, berichten over geheimzinnige prototypes, specials over autosalons, verhalen uit de Formule 1 en de Rallywereld…  het intrigeerde me mateloos. Wat ik er aan over hield was de nuttige kunst om de zeven verschillen te benoemen tussen pakweg een ‘GLS’ van een ‘LS’, een behoorlijke passieve kennis van het Duits en het Frans en, achteraf bekeken, vooral een inzicht in hoe vanzelfsprekend chauvinisme, protectionisme en Leistungsdenken kunnen lijken.

In de Duitse bladen was Teutoons staal steevast synoniem met ‘Vernunftig’. In hun Franse tegenhangers bleken op het einde van de rit de maaksels van eigen bodem ‘juste un peu plus supérieur’. In allebei de druksels scoorde een snellere wagen systematisch beter dan een langzamere en was  consequent sprake van het ‘gele gevaar’ wanneer de Japanse auto-industrie werd bedoeld.

Opel City (2)

De Opel ‘City’ uit de zeventiger jaren. Gestapelde nostalgie uit de tijd dat men voor de auto nog een toekomst in de stad zag.

Sedertdien viel Opel in handen van Peugeot en Peugeot in handen van de Chinezen. Renault ging nauw samenwerken met de Japanse concurrentie en sommige Mercedesmodellen rijden tegenwoordig met een Renaultmotor, terwijl ‘Made in Germany’ bij nader inzien toch minder betrouwbaar is dan gedacht. Het chauvinisme en het protectionisme hebben in het genre bijgevolg wat van hun pluimen verloren. Wat overbleef is de fascinatie voor scherpe acceleraties en hoge topsnelheden, af en toe overgoten door een sausje van biobrandstoffen, revolutionaire filtertechnieken,  elektromotoren en interviews met ministers over nieuwe weginfrastructuur dat de lezers gerust moet stellen: alles komt in orde. Het valt niet uit te sluiten dat men dit in deze microkosmos van lichtmetalen velgen en lederen zetelbekleding oprecht gelooft.

Intussen zakte de Heilige Koe steeds dieper weg in haar eigen mest. Parkeer- en congestieproblemen zijn nu dagelijkse koek. Crowdsciencing duwt elke dag wat harder op de dieselwonde en rechters dwingen overheden de belangen van hun burgers zwaarder te laten wegen dan die van de auto-industrie.

Mochten er geen alternatieven zijn, het zou slecht nieuws zijn voor onze mobiliteit. Maar gelukkig zijn die er wel.

Gevaarlijke voetganger

In de steden heroverde de voetganger traag maar gestaag ruimte op de auto en ook de tram en de fiets beleven er een indrukwekkende comeback. Deelfietsen en deelauto’s evolueren razend snel van onbekend naar bemind en steeds meer mensen gebruiken hun smartphone als instant-adviseur voor hun mobiliteitskeuzes. De wereld vandaag is niet meer die van de jaren zeventig of tachtig. Hedendaagse mobiliteit draait niet langer alleen rond de auto. De eenkennige automobilist sterft uit.  Zijn plaats wordt ingenomen door de ‘mobilist’ die nu eens de ene en dan weer de andere vervoerswijze verkiest.

Zelfs in Duitsland, het autoland bij uitstek, hebben ze dat in de smiezen.  Op 24 mei kondigde Der Spiegel Online aan dat z’n autorubriek niet langer ‘Auto’ zal heten, maar ‘Auto und Mobilität’. De redactie wijst er op dat “de eeuw van de Auto als mobiliteitsideaal voorbij is”: vrijheid werd frustratie en mensen willen de auto voortaan gebruiken als ‘een’ bouwsteen in een mobiliteitsmix. Ook de autoproducenten hebben dat ingezien, want zij verpoppen in sneltempo in mobiliteitsaanbieders. Voor het blad is het maar logisch dat de berichtgeving hierover mee verandert en dat komaf wordt gemaakt met de praktijk van het “fetischhaft” vergelijken van auto’s zoals in een kwartetspel.

Dat de tijden veranderen, het valt dus te merken aan ondergetekende, aan Der Spiegel en aan de autobouwers. En het is nog niet gedaan.

Deze week was in de krant L’Echo een pleidooi te lezen voor minder auto’s in onze steden. Niks nieuws, ware het niet dat het uit de mond kwam van Philippe Dehennin,  voorzitter van Febiac, de Belgische automobielfederatie. Dat vond alvast De Tijd (22 juni) ook, want de krant citeert uit het interview:  ‘De luchtkwaliteit stelt een probleem in de steden’, zegt Febiac-voorzitter Philippe Dehennin in een interview met de krant L’Echo. ‘We moeten daar maatregelen nemen om de uitstoot van stikstof en fijnstof te verminderen. De steden absorberen een aanzienlijk volume aan verkeer. Het is duidelijk dat we dat deel van het verkeer dat niet strikt noodzakelijk is, moeten weghalen.’

Nog een teken van tectonische verschuivingen in het mobiliteitslandschap nodig? Wat vindt u dan van deze: gevraagd naar een reactie op de grote wegenwerken in Brussel reageerde de zelfverklaarde ‘mobiliteitsorganisatie’ Touring niet via de mond van Danny Smagghe, maar via die van een zekere Lorenzo Stefani. En kijk wat er uit die mond kwam: “(…) de visie op mobiliteit van Brussels minister Pascal Smet (SP.A) is niet slecht.”

Het kantelt, schreef ik begin dit jaar in een opiniebijdrage voor De Standaard. Nog even en ik kan een vervolgstuk schrijven: ‘Het is gekanteld.’

Het DAKPark

Geplaatst op

DAKPark (2)

Tijd om het toe te geven. Stiekem heb ik er altijd van gedroomd dat er ooit een plaats naar mij zou worden genoemd. Een promenade of liever nog een gezellig pleintje, al zou er voor een klein, doodlopend steegje vanuit symbolisch oogpunt ook veel te zeggen zijn.

Groot was mijn verbazing toen ik vorige week ontdekte dat de Rotterdammers er al werk van hadden gemaakt. Blijkbaar hebben ze gekozen voor een park – ook een optie waar ik mee kan leven. Het De Andere Kris Peeterspark, afgekort ‘DAKPark’, blijkt het grootste openbare park op een dak en is, dat doet me bijzonder veel plezier,  het resultaat van een samenwerking tussen buurtbewoners en gemeente.

DAKPark

De nietsvermoedende wandelaar ziet eerst een vrij banale plint met ketenwinkels, wordt daarna getriggerd door wat warempel een serre lijkt, daar boven op het dak.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

En dan, een olifantenpaadje (op de 2×2-boulevard werd een veilige oversteek domweg vergeten) en aansluitend een trap of een lift later, ontvouwt zich een groene verademing. In de ene richting ziet die er voorlopig nog wat te Teletubbie-achtig clean uit, in de andere richting intrigeren de grote serres en wat kleinere elementen.

DAKPark (1)

Dankzij het dakpark ligt de achterliggende woonwijk nu in de luwte van wind en verkeers- en havenlawaai.

DAKPark (7)

Wel jammer dat men er toch nog in geslaagd is om tussen woonwijk en Dakpark een autohaag te installeren.

Eén van de paradepaardjes van het park is de watertrap – op mooie dagen een speelaanleiding waar geen kinderbroekje droog bij blijft (durf ik te wedden).

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Lange, smalle parken – ze zijn een logisch gevolg van steden die zich ontworstelen aan de industriële residu’s van de 19e en de 20e eeuw. In Rotterdam gaat het om een havenbuurt-in-transitie. Elders ging het om in onbruik geraakte sporen. Parijs zette de toon met z’n Promenade Plantée bovenop een spoorviaduct en kreeg navolging in New York, waar op de oude spoorlijn van het Meat District het Highline Park ontstond (en daarmee één van de nieuwe parels van New York – ik vergat schromelijk jullie daarover al eerder te vertellen. Dat maken we nog goed.). Antwerpen blies met z’n Park Spoor Noord een verpauperde buurt nieuw leven in en Utrecht opende niet lang geleden z’n Oosterspoorpark.

Ja, er is nog leven na de dwarsliggers.

Station Noorderkempen: een kleine recensie

Geplaatst op

Al eens in station Antwerpen Luchtbal geweest? Indien niet: doe geen moeite. Vroeg of laat verschijnt die plek wel als decor in een thriller en dan heb je de beste kant ervan wel gehad.

Tot deze week dacht ik dat Antwerpen Luchtbal een historische vergissing is geweest waaruit Infrabel en de NMBS lering hadden getrokken. Vorige dinsdag moest ik mijn mening echter herzien. Blijkt dat ze in Brecht een station hebben neergezet dat qua neerslachtigheid en morbiditeit station Luchtbal kan evenaren. Eerst dacht ik dat ze de naam er speciaal voor hadden aangepast: ‘Moorderkempen’.

Maar dat had ik verkeerd gelezen.

Station Noorderkempen (36)

Als je een bord nodig hebt opdat mensen de ingang zouden vinden, dan weet je dat je een slecht ontwerp beet hebt.

Om een maximaal effect te bereiken heeft men zoveel mogelijk gebruik gemaakt van grijs beton en alle functies die leven zouden kunnen brengen zorgvuldig geweerd.

Station Noorderkempen (20)

Dat de Galliërs bang waren dat de hemel op hun hoofd zou vallen, is gemakkelijk te verklaren door locaties als deze.

Ook De Lijn waakte erover dat z’n accommodatie er zeker niet uitnodigend uit zou zien.

Station Noorderkempen (35)

Het station ligt in een zee van auto’s die perfect kan dienen als metaforische illustratie voor de stelling dat de auto een vlaktevuller is.

Station Noorderkempen (2)

Station Noorderkempen (55)

Altijd een goede indicatie van de desolaatheid van een plek: het aantal camera’s dat nodig is om de boel veilig te houden.

De hoofdattractie qua beleving is het sanitair in de container die als loketruimte dienst doet. Station Noorderkempen (24)

Voor een halve euro heb je al contact met het personeel (om je geld te wisselen in de juiste munt) en kan je naar het toilet. Geniet ervan, want verder is er niets – zelfs geen automaat. Ik liet me vertellen dat de stationschef over een lade in zijn bureau beschikt waarin hij Suzywafels bewaart. Indien nodig deelt hij die grootmoedig uit aan gestrande reizigers.

Overdrijf ik nu niet? Jawel, een beetje. Sinds kort staat er aan het station een mobiel kraam met een sandwichbord dat preciseert dat de koffie die er te krijgen is  ‘Coffee to go’ is.

Overbodig, want geen mens haalt het in zijn hoofd hier ook maar een minuut langer te blijven dan strikt nodig is.

Station Noorderkempen (17)

Dat zou trouwens een prestatie zijn, vermits niet wegwaaien een hele opgave is in dit tochthol. De reizigers die onder de grote luifel op perron 1 of perron 2 staan te kleumen, beschikken over te weinig zitplaatsen (na het beton was het geld op) en geen visuele informatie over de vertrekuren van de treinen.

Het belangrijkste pluspunt van dit station: de reizigers zijn telkens ongelofelijk opgelucht wanneer ze er kunnen vertrekken.

Veilig Vlaanderen

Geplaatst op

Subjectieve en objectieve verkeersveiligheid, het is een moeilijke verhouding. Vooral omdat het niet zo’n eenvoudige is: soms maakt subjectieve verkeersonveiligheid het objectief veiliger, gewoon omdat mensen voorzichtiger worden wanneer ze weten dat iets gevaarlijk is. Omgekeerd kan het gevoel ‘veilig te zijn’ voor het perverse effect zorgen dat het objectief gezien onveiliger wordt.

Op dat mechanisme is het hele ‘shared space’-verhaal gebaseerd. Het is er het succes van, maar ook de achilleshiel. Als pakweg voetgangers en fietsers zich ergens te onveilig voelen, gaan ze wellicht een andere route kiezen. Of niet langer wandelen en fietsen. Waardoor het eindresultaat soms niet méér maar net minder verkeersveiligheid is. Het is dus zaak subjectieve onveiligheid in zo’n dosis aan te bieden dat de objectieve veiligheid gemaximaliseerd wordt.

Los van het voorgaande is de subjectieve onveiligheid over het algemeen wel een goede indicator van het algemene verkeersveiligheidsklimaat. Om die reden peilt de Gemeentemonitor er naar.

Wachtende kinderen

Enkele weken geleden werden de resultaten van de enquête van 2017 voorgesteld. Wat daarin opvalt is dat in de 13 Vlaamse centrumsteden 38% van de respondenten meent ‘dat kinderen zich in hun buurt veilig en zelfstandig kunnen verplaatsen’. Dat is een beleefde manier om te zeggen dat 62% meent dat kinderen dat in hun buurt niet kunnen.

Ik prefereer de tweede formulering, want het is stilaan tijd voor een klets in onze zelfgenoegzame gezichten. Niettegenstaande ik mij van de afgelopen jaren alleen maar persberichten van ministers en stadsbesturen kan herinneren waarin die zeggen dat ze verkeerssituaties ‘veiliger’ maken, wordt het niet beter. Integendeel: het wordt slechter. In vergelijking met de resultaten van 2014 zijn we er voor de centrumsteden 4% op achteruitgegaan. Voor Vlaanderen als geheel is er geen vergelijkingsmateriaal, maar het resultaat van 2017 is nog minder bemoedigend: 67%, twee op de drie dus, oordeelt dat kinderen zich in hun buurt niet veilig en zelfstandig kunnen verplaatsen.

Tel daarbij het feit dat mensen zonder kinderen de situatie nog iets veiliger inschatten dan de mensen mét kinderen en je weet dat we echt wel met een probleem zitten.

Door de manier waarop we onze publieke ruimte en onze mobiliteit organiseren, moeten in deze maatschappij massa’s mensen leven tegen een permanente achtergrond van angst of, als ze de keuze hebben, in een voortdurende modus van ‘beschikbaarheid’ als taxiouder. Dat mag dan ‘leefbaar’ zijn, het is geen leefkwaliteit. Niet voor de ouders en eigenlijk nog minder voor de kinderen die hierdoor geremd worden in hun ontplooiing en beperkt in hun vrijheid. Het is vreemd dat in deze liberale tijden hieraan niet meer aandacht wordt besteed.

Veilig Vlaanderen

Maar er is meer. Als mensen denken dat iets niet veilig kan, kan je van die mensen bezwaarlijk verwachten dat ze dat toch gaan doen. En helemaal niet dat ze het hun kinderen laten doen. Anders gezegd: zo lang de basisvoorwaarde ‘veiligheid’ zowel in haar subjectieve als in haar objectieve variant niet is vervuld, is het onredelijk (en zelfs onethisch) te hopen op een modal shift richting fietsen en te voet gaan.

‘Veilig thuis in een welvarend Vlaanderen’ luidt de campagneslogan van de partij van de Vlaamse minister van mobiliteit. Alvast voorlopig moet die ‘veilig thuis’ dus letterlijk worden opgevat.