RSS feed

De conservatieve progressief

Stel: drie rijke pipo’s willen aan de kust vijftig hectaren ongerept duinlandschap verkavelen om er wat villa’s voor de rijke elite te bouwen. Veel kans dat ze te maken krijgen met zwarte vlaggen en actievoerders die zich vastketenen aan het helmgras.

Vandaag dan toch. In 1889 lag dat een tikkie anders. Toen kraaide er – pun intended – geen haan naar toen de heren Collinet, Popp en Passenbronder van de Belgische staat een concessie lospeuterden voor 90 jaar. Ze pootten er Monopoly-gewijs wat hotels en villa’s neer alsmede een stationsgebouwtje langs de stoomtramlijn Oostende-Blankenberge. Autoafhankelijke locaties waren toen nog gewoon tramafhankelijke locaties.

De Haan groeide uit tot een gesmaakt vakantieoord voor de rijken, met luxehotels, een casino en een park om gezien te worden. In de jaren tachtig van de vorige eeuw werden enkele van de statige villa’s in Anglo-Normandische stijl gesloopt en verrees als spreekwoordelijke druppel het Mayfairgebouw, een modernistische vakantiebunker, in de duinen. Erfgoedbeschermers roerden zich en begonnen een strijd voor het behoud van het karakter van De Haan. Ze wonnen hem, min of meer toch. Architecturaal gesproken is De Haan vandaag de meest samenhangende gemeente van de Belgische kust.

De hypothetische milieubeschermers en de reëel bestaande monumentenzorgers: allebei waren ze hun tijd vooruit en dus progressief, maar ze ijverden voor het behoud van het bestaande en dus waren ze in wezen conservatief.

Als ik me afvraag in welk kamp ik me op beide momenten van de geschiedenis zou hebben bevonden, dan moet ik eerlijk toegeven dat ik de tweede keer zou hebben gestreden voor het behoud van wat ik de eerste keer zou hebben bestreden.

Als hij lang genoeg leeft, wordt een mens vanzelf een wandelend oxymoron. In mijn geval dus een progressieve conservatief. Of vice versa.

Kies maar hoe u mij het sympathiekst vindt (en leer meteen iets over uzelf).

Ondergesneeuwd

Het is dik twintig jaar geleden dat ik ‘Het Voorruitperspectief’ publiceerde, maar af en toe krijg ik nog de vraag om er een lezing over te geven. Helaas is het voorruitperspectief nog altijd het dominante in het mobiliteitsbeleid en ver daarbuiten.

Toch probeer ik telkens ook duidelijk te maken dat er in de laatste twee decennia wel wat bewogen heeft.

Zo is beperkt eenrichtingsverkeer nu ongeveer de norm geworden. Fietsers hoeven niet meer automatisch omwegen te maken omdat auto’s dat ook moeten doen. Rechtsaf door rood (alias de ‘B23’ voor wie kickt op de wegcode-codetaal) is een ander voorbeeld van vooruitgang: als voor fietsers rechtsaf slaan veilig kan, waarom zouden ze dan zoals automobilisten moeten wachten voor het rode licht?

Of neem het bord ‘dooRlopende straat’ (dat wij als goede vrienden ‘F45b’ mogen noemen). Dat vertelt voetgangers en fietsers dat de straat weliswaar doodlopend is voor automobilisten, maar niet voor hen.

Allemaal gewoon gezond verstand, zegt u? Zeker, maar niet lang geleden klonk het nog behoorlijk revolutionair. Toen ik in de jaren negentig ijverde voor het recht om in tegenrichting te mogen fietsen (‘spookfietsen’), werd ik net niet weggezet als terrorist. Minister Weyts hield ‘rechtsaf door rood’ dan weer af. Hij vreesde dat fietsers dan overal door het rood zouden gaan rijden, een beetje zoals automobilisten overal op trottoirs parkeren door de schandalige borden E9e en E9f wellicht – al kwam hij nooit op het idee om die dan ook maar af te schaffen.

Meestal laat ik bij mijn lezingen ook een foto zien van een winterse straat: de rijweg voor de auto’s keurig geruimd en goed berijdbaar, het fietspad, de bushalte en het trottoir een antarctisch landschap dat alleen bereisbaar is voor doorwinterde poolreizigers. Onlangs nog gaf ik als commentaar dat dit gelukkig voorgoed tot het verleden behoort. Wegbeheerders hebben de laatste jaren immers geïnvesteerd in aangepast materiaal om ook fiets- en wandelpaden sneeuw- en ijsvrij te maken. Fietsroutes zijn nu opgenomen in de routes van de winterploegen.

Dit vat het wel zo’n beetje samen…

Deze week heb ik mijn mening moeten herzien. Als het aankomt op sneeuw- en ijsbestrijding viert het voorruitperspectief blijkbaar nog altijd hoogtij. Of opnieuw, zoals in mijn gemeente, waar het ooit anders was.

Links een dokterspraktijk. Verzekerd van klandizie.

Ook na een hele week slaagden veel wegbeheerders er niet in om fietsroutes en fietspaden veilig berijdbaar te maken, in schril contrast met de rijweg voor de auto’s.

Waar zit dan eigenlijk het probleem? Is het een kwestie van (gebrek aan) visie, waardoor het nochtans decretaal vastgelegde STOP-beginsel dat, als puntje bij paaltje komt, nog altijd plaats moet maken voor het POTS-principe?

Met al die camera’s kan de wegbeheerder toch bezwaarlijk volhouden dat hij het niet wist?

Is het een kwestie van onwil en desinteresse? Of is het allemaal terug te voeren op technische problemen? Een rijweg vrijmaken voor auto’s is doorgaans veel makkelijker: een flinke geut zout erover en het drukke autoverkeer doet de rest. Bij fietspaden ligt dat wat moeilijker. Maar is dat nu echt zo’n onoplosbaar probleem in tijden van hightech? “Het wordt druk op Mars”, lees ik in de krant, maar een fietspad berijdbaar houden in de winter zou te hoog gegrepen zijn?

Nu ik er over nadenk: het zal toch wel een kwestie van andere prioriteiten zijn. Als er écht keuzes moeten worden gemaakt, geraakt het belang van de fietser nog altijd ondergesneeuwd.

Roependen in de vervoerswoestijn

Roependen in de vervoerswoestijn

Het ging deze week niet alleen over kappers. Het ging ook over de toekomst van ons openbaar vervoer. Een minder hot onderwerp, ik weet het, maar iets zegt me dat het nauwelijks minder belangrijk is. Wat is er erger: niet naar de kapper kunnen omdat alle kappers gesloten zijn of niet naar de kapper kunnen omdat jij toevallig niet over een auto(chauffeur) beschikt? In het eerste geval is iedereen er hetzelfde aan toe (beroerd, heel beroerd, als ik de media mag geloven). In het tweede voel je je gegarandeerd achtergesteld. Met een ander woord: gediscrimineerd.

Wetende dat de eerste situatie er een van voorbijgaande aard is en de tweede een definitieve, permanente toestand, dan is het des te opmerkelijker hoe onverschillig onze samenleving reageert op mobiliteitsdiscriminatie.

Gelukkig vond De Morgen het thema belangrijk genoeg om er wat tijd, energie en inkt in te investeren. In samenwerking met Trein Tram Bus (TTB) werd alle beschikbare info over de plannen van de vijftien Vervoersregio’s verzameld en kritisch tegen het licht gehouden. Als kers op de taart werd nog een handvol mobiliteitsexperts om een reactie gevraagd. Onder hen: uw dienaar.

Echt vrolijk werd ik er niet van. Het is duidelijk dat een pak mensen in de toekomst geen kapper meer gaat zien. Tenzij ze een auto aanschaffen (voor velen niet betaalbaar, voor anderen niet zinnig wegens geen rijbewijs), een taxi optrommelen (duur en in veel regio’s niet vanzelfsprekend) of een beroep doen op een vriendelijke autobeschikker. Dat laatste is misschien nog niet zo’n probleem, behalve als je de vraag ook moet stellen om naar de dokter, de supermarkt, de kaartclub, de cinema en zo wat alle andere essentiële en niet-essentiële (maar desondanks heel essentiële: zie de kappers) bestemmingen moet stellen. Dat levert een gevoel op: afhankelijkheid. In het beste geval dan toch. In het slechtste leidt het tot hulpeloosheid en eenzaamheid.

Ik muntte voor de gelegenheid een nieuwe term: vervoerswoestijnen – naar analogie met voedselwoestijnen. Is een voedselwoestijn “een gebied waar betaalbaar en gezond eten beperkt beschikbaar is”, dan is een vervoerswoestijn “een gebied waar betaalbaar en toegankelijk vervoer beperkt beschikbaar is”. Met de huidige plannen van de Vervoersregio’s ontstaan er in Vlaanderen nogal wat vervoerswoestijnen waar mensen feitelijk veroordeeld worden tot dorps- of zelfs huisarrest.

Voor wie het zich kan veroorloven zal de keuze in de toekomst snel gemaakt zijn.
‘Forced carownership’ (gedwongen autobezit) heet dat dan.

Het verweer van de lokale mandatarissen? “We moeten nu eenmaal keuzes maken, het budget is beperkt!” Dat is een zwak verweer. Veel van die mandatarissen behoren tot de partijen die over dat budget hebben beslist. In niet weinig gevallen is het zelfs een hypocriet verweer, want veel van die mandatarissen combineren hun schepenambt of burgemeesterschap met een zitje in het parlement, waar ze zelf het te krappe budget mee goedkeurden. Hun ene hand weet blijkbaar niet wat hun andere hand doet, terwijl de ‘lokale belangenbehartiging’ altijd net het argument is om hun cumul te vergoelijken. Maar de betrokkenen komen er doorgaans mee weg dankzij wat Rob Wijnberg van Decorrespondent.nl prachtig goudvisjournalistiek noemt: de ene dag verbolgen zijn over iets (de besmettingscijfers of het begrotingstekort bijvoorbeeld), niet veel later verbolgen zijn over het omgekeerde (de lockdownmaatregelen of de vervoersarmoede bijvoorbeeld).

Alle oppositiepartijen in het Vlaams Parlement stelden deze week vragen over de dreigende vervoersarmoede (ziedaar het belang van een vierde macht die wél haar rol speelt). Minister Lydia Peeters beloofde erover te zullen “waken” dat er geen vervoersarmoede zal zijn. Een vreemd antwoord, als je vandaag al weet dat die vervoersarmoede er wel degelijk zal zijn.

De excellentie gaf nog wat les over de basismobiliteit (het busje-komt-zo-beleid van Steve Stevaert: ga wonen waar je wil, we zorgen wel voor een bus) en de basisbereikbaarheid. Die laatste omschreef ze als “een vraaggestuurd model, dat kostenefficiënt moest zijn, waarbij combimobiliteit, hetgeen toch wel de innovatieve term tout court is, centraal moest staan.”

Analyseren wij even wat ze hier zegt. ‘Vraaggestuurd’ wil in de praktijk zeggen: vraagVOLGEND. Waar al weinig vraag was, zal in de toekomst nog minder aanbod zijn. Deze marktlogica kijkt niet of nauwelijks naar de sociale taak van openbaar vervoer. Zo kan het dat bijvoorbeeld woonzorgcentra maar ook hele gehuchten en wijken compleet uit de boot vallen: sorry, te weinig klanten. Zo worden ook nieuwe trends gemist: men blijft zich richten op woon-werkverkeer, ten koste van het recreatieve verkeer. Wanneer straks Bobbejaanland weer opengaat, zullen de honderden jongeren aangekomen in het station van Herentals ontdekken dat hun bus naar het pretpark er niet meer is. Er rijdt ergens anders een andere bus voor hetzelfde geld. Dat heet dan ‘kostenefficiënt’, new speak voor ‘het mag niet meer geld kosten’.

De Aston Martin van James Bond: te bewonderen in het Louwmanmuseum in Den Haag (je geraakt er met het openbaar vervoer)

‘Combimobiliteit’ is helemaal niet zo innovatief als de minister laat uitschijnen. Het is gewoon een deftig woord voor de opgerekte flexibiliteit die men in de toekomst van OV-gebruikers verwacht. Zij zullen zich moeten gaan gedragen als ware ‘James Bonds’ die van de trein op de bus springen en vandaar op een deelfiets of een deelauto. Het verschil is dat het bij James Bond zelf wat mag kosten (de Aston Martin staat klaar waar het luxejacht aanmeert en ‘voor het geval dat’ staat er altijd wel een helikopter te wieken), maar voor de gebruikers van De Lijn dus ‘kostenefficiënt’ moet zijn.

Dan moet je dus ‘keuzes maken’. Dan kan het al eens gebeuren dat waar de trein stopt geen bus klaarstaat. De waarheid is dat het budget dat men nu bereid is vrij te maken voor het openbaar vervoer niet volstaat. Niet om de vervoersarmoede weg te werken. En al helemaal niet om de door de Regering zelf naar voor geschoven milieu- en klimaatdoelstellingen te halen. Liever blijven we geld weggeven voor bijkomend asfalt.

Overigens is een van de meest curieuze vaststellingen van de hele operatie dat de gemeenten nu tot de ontdekking komen dat ze tegen dezelfde beperkingen opbotsen als De Lijn in het verleden. Of zoals een lokaal mandataris het formuleerde: we moeten nu minstens in de feiten toegeven dat De Lijn wel degelijk het maximum uit haar beperkte middelen haalde.

Het voordeel van de Vervoerregio’s is dat de gemeenten en hun mandatarissen het nu voortaan zelf mogen gaan uitleggen, want hun zwarte piet is weg. Daar gaat nog wat schizofrenie aan te pas komen.

Met Michel uit de bocht

Er is een goede oude tijd geweest waarin lectuur van strips nog onschuldig kon heten. Nu die tijd voorbij is, wordt er gedacht aan waarschuwingsstickers als tegengif. Ik schreef er een stuk over in De Standaard. De vraag die ik mij stelde: kan niet-groene Michel uw gezondheid schaden en zo ja, kan dat verholpen worden met een waarschuwing op de verpakking?

Al betwijfelen sommige lezers of het effectief is goed gekomen met mij, andere laten weten het “voor het eerst” met mij eens te zijn. Al is dat dan soms wel om de verkeerde redenen, laten we daar dan toch maar blij om zijn.

“Vroooaaar vrooaar, ik zeg u…” Toen ik vorige week het overlijden vernam van Jean Graton, de geestelijke vader van stripheld Michel Vaillant, schoot deze oude kop me weer te binnen. Guy Mortier voegde ermee de scheut relativerende humor toe die de strips systematisch ontbeerden.

Toch beleefde ik er ooit veel plezier aan. Als jonge tiener verslond ik de albums die tussen de brullende onomatopeeën door waarden als kameraadschap en fair play consacreerden. Michel Vaillant en zijn boezemvriend Steve Warson waren altijd sportief, eerlijk, onwankelbaar en onkreukbaar – op het saaie af. Hun vijanden waren snoodaards die makkelijk te herkennen waren aan hun ondoorzichtig vizier en voorkeur voor zwarte bolides. Het had het voordeel dat er nooit moest getwijfeld worden wie de sympathie van de lezer verdiende. De grens tussen goed en kwaad kon niet duidelijker zijn afgelijnd.

De lectuur ervan was stichtelijker dan die van het Oude Testament, waarin figuren wel eens gedwongen worden te kiezen tussen hun liefde voor God en die voor hun zoon.

Of niet? De albums hemelden op een beate manier snelheid op als een na te streven ideaal. Grondgedachte: wie snel is, geeft blijk van zelfbeheersing. Onze helden scheurden niet alleen op circuits, maar ook in kleine dorpjes en in straatjes. Daar sprongen dan voetgangers verschrikt achteruit of werd al eens een riksja of een fiets onderuit gereden, steevast in een wolk van uitlaatgassen of opwaaiend stof, zij het nooit stof tot nadenken. Ecologie, verkeersveiligheid, het gebruik van de publieke ruimte voor andere dan verkeersactiviteiten? Het waren thema’s die in de tijd van verschijnen al op de agenda stonden, maar in de verhalen was daar niets van te merken.

Jean Graton verheerlijkte kritiekloos het doen en laten van de petrolheads onder hun gouden stolp. Uit elk album komt de walm van verbrand rubber, maar over Leopold II valt geen onvertogen woord. Vrijwel altijd zijn de hoofdrollen voor mannen. Vrouwen zijn doorgaans veroordeeld tot een decoratieve rol als pitspoes. In de zeldzame gevallen dat een vrouw prominent in beeld komt, is dat niet voor een glansrol. In ‘Uitdaging op de wallen’ (1988!) wordt mevrouw Vaillant te kijk gezet als ze “niet zo’n virtuoos” blijkt in het starten op een helling en daardoor het testosteron van de piloten achter haar doet pieken.

Terugblikkend blijken onze voorbeeldige helden opmerkelijk onbewust te zijn geweest van belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen. Ik herinner me het album ‘km 357’ (1969), over een barse boer die de aanleg van een stuk autosnelweg blokkeert door stug z’n land te verdedigen. Wie er een spoor van milieubewustzijn in vermoedt, komt van een kale reis terug. Als puntje bij kilometerpaaltje komt, blijkt dat de man de oprukkende machines alleen maar tegenhield uit eigenbelang. Wanneer een bulldozer per toeval de familieschat opgraaft, zijn de bezwaren van de landbouwer letterlijk uit de weg geruimd. Eind goed, al goed. En een bevestiging van mijn jeugdige overtuiging dat vooruitgang een pijl is die maar één richting uit kan en waarover dus geen discussie hoefde te worden gevoerd – al zeker niet met plattelanders die zich koppig vastklampen aan het verleden.

Verrassend genoeg heb ik de Vaillantalbums overleefd en er geen blijvende letsels aan overgehouden. Anders dan Alain Prost, die door de reeks ging racen, of Luc Donckerwolke, die erdoor geïnspireerd werd om schadelijke producten als Lamborghini’s te gaan ontwerpen.

Hoe dat komt? Ik heb sindsdien nog andere dingen gelezen, met mensen gesproken en gediscussieerd, de media gevolgd en bij dat alles ook nog een opvoeding gekregen van breeddenkende ouders en les van mensen met uiteenlopende denkbreedtes. Ik heb doorheen de jaren historische, maatschappelijke, sociale en ecologische context meegekregen. Die laat mij vandaag toe de dingen die ik lees, hoor en zie in een breder verband te plaatsen en te relativeren waar nodig.

Het is, denk ik, goed gekomen met mij. Ondanks vele uren Vaillant-brainwashing ben ik geen seksist geworden, noem ik mezelf milieubewust en werd ik een kritisch observator van het autowereldje. Ook weet ik nu dat vooruitgang een begrip is waarover gediscussieerd kan worden. Of moet. De kans is groot dat u zo niet over seksisme dan toch over het nut van nieuwe autosnelwegen met mij van mening verschilt.   

De voorbije week was er commotie over de aanbeveling van een Gentse commissie om boeken en strips te voorzien van labels die waarschuwen voor racisme of kolonialisme. We laten het Oude Testament even voor wat het is en kijken naar wat dit voor de avonturen van Michel Vaillant zou betekenen. Als feminist zou ik een coversticker met ‘seksisme’ overwegen. Als ecologist wellicht een waarschuwing voor ‘ecohaat’.

Dat is niet de bedoeling, zegt u? Onze snelheidscultuur eist jaarlijks honderden levens. Moet alleen voor racisme en etnocentrisme gewaarschuwd worden of ook voor een gedateerde kijk op emancipatie, ecologie, technologie of vooruitgang? Waar begint het en waar eindigt het?

Vanessa Joosen (D S 27/1) stelt voor de beschikbaarheid van voldoende alternatieven als maatstaf te gebruiken. Maar wat is voldoende? Bestaan er genoeg strips die de traagheid vieren als tegenwicht voor het ‘race-cisme’ van Vaillant?

Wat vandaag maatschappelijk verantwoord is, was het vaak gisteren niet en zal het morgen misschien ook niet meer zijn. Het is dus onverstandig om onze oordelen te bevriezen, laat staan letterlijk vast te kleven. In het beste geval zijn ze een bron van vrolijkheid voor toekomstige generaties.

Laten we het debat niet voorbarig sluiten door alle geestesproducten van etiketten te voorzien. Beter maken we zichtbaar dat de grens tussen goed en kwaad, tussen juist en fout, in het echte leven niet altijd helder is en boven elke discussie verheven. Het mag wat schuren en wat wringen. Kinderen en jongvolwassenen mogen weten dat het leven niet altijd – excusez les mots – zwart-wit is en dat niet iedereen er hetzelfde over denkt. Daar zijn zowel de minderheden mee gediend als degenen die behoren tot de mainstream. We kunnen doen alsof er een morele homogeniteit bestaat en dan wordt het vroeg of laat kwaad ontwaken. Of we kunnen onze kinderen voor de ongepolijste realiteit wapenen door hen een kritische attitude bij te brengen die zich bewust is van het bestaan van historische context: de toenmalige én de huidige.

Zo gunnen we ook onze kinderen hun pleziertjes, zelfs al zijn ze een beetje guilty.

Geef toe: dat zijn vaak de leukste.

Banaal, Met Wielen

Te oordelen naar mijn post, ben ik toe aan een nieuwe auto. Welhaast dagelijks word ik bestookt met publiciteit voor nieuwe wagens. Het is niet de enige weeffout in de algoritmes: men schijnt ook te denken dat ik een profiel heb dat geïnteresseerd is in een dikke BMW, Mercedes of zelfs een Porsche.

Het is verloren moeite, al ben ik wel een dankbaar publiek. Zelden gaan de folders ongelezen de papiermand in. Ik bekijk ze altijd met veel aandacht, want het is intrigerend te zien welke versie van de wereld de autoproducenten ons willen presenteren.

Neem nu deze reclame, paginagroot in De Standaard. De advertentie valt op door haar opvallende grijsheid. We zien een witte BMW in een grijze omgeving: grijs asfalt, grijze trottoirs, grijze gebouwen. De auto ligt aan de leiband, denk ik eerst, maar het is natuurlijk de tegenwoordig obligate kabel die naar de laadpaal leidt. Die verklaart meteen waarom de auto aan de linkerkant van de straat is geparkeerd – anders was in het oog gesprongen dat de stekker aan de minst handige kant is gemonteerd. In de meeste gevallen zal de kabel onhandig onder de voorsteven door naar de overzijde moeten worden gehannest.

Over de voorsteven gesproken. De eens elegante ‘niertjes’ van het rooster zijn tegenwoordig dermate opgezwollen dat ze er uitzien als een gigantisch stopcontact. Ook een manier om in de verf te zetten dat de wagen af en toe met elektriciteit kan rijden.

De zon schijnt en dat is geen toeval: zo krijgt het glazen dak van de auto een betekenis. Niettemin maken de lange zwarte schaduwen het plaatje nog wat somberder. Het trottoir en het parkeervak zijn onbelgisch breed en ook de gele lijnen wijzen niet op een Belgische setting – al doet het Belgische kenteken hard z’n best ons iets anders te doen geloven. Subtiel trouwens: het kenteken van de BMW X1 begint met 1-X. Ook aan de fijnproevers is gedacht!

Ondanks de brede stoepen zijn er geen voetgangers. Of toch, er is er één: de man van wie wij direct vermoeden dat het de uitgestapte BMW-rijder is. Al kijkt hij niet gelukkig, eerder kwaad zelfs – bijna zo kwaad als zijn BMW. Misschien heeft hij er reden voor. De man maakt zich op om over te steken en speurt naar BMW’s of ander tuig dat van de straat zijn Styx zou kunnen maken.

Het is onduidelijk hoe dit beeld ons wil verleiden tot het kopen van een BMW X1. Ik zoek naar argumenten die me zouden kunnen overhalen, maar ik vind er geen. De auto is bombastisch, de stekker zit aan de verkeerde kant, de omgeving is niet van die aard dat ik er heen zou willen. Er valt daar niks te beleven: een dode plint en geen mens op straat. Dat de parkeerplaatsen voor en achter de X1 niet benomen zijn, wijst ook al op niet veel aantrekkingskracht.

Het moet dan wel in de tekst zitten. “Toegankelijk, ook vandaag.” staat er boven. Daar word ik niet wijzer van. Toegankelijk wie of wat? Is de wagen bedoeld voor mensen met een beperking? Nee, dan hadden ze voor een andere chauffeur gekozen. Gaat het over de prijs? Die staat nergens vermeld. Wat weet BMW trouwens van mijn portemonnee?

Maar wacht: “Ontdek de salondeals.” staat er. Er is dit jaar geen salon, leve de salondeals! En voorts: “tot 100% aftrekbaar”. Om het er nog eens in te wrijven dat wij niet alleen het asfalt, de markeringen en de laadpaal betalen, maar ook een stuk van de auto’s die dat alles verslijten? Maar toegegeven, voor sommigen kan het een argument zijn om een X1 te overwegen: de boekhouder zegt dat ik er een nodig heb.

Verder blijf ik op mijn honger. Ook de informatie onderaan is karig. Er staat nauwelijks meer dan wat de wetgever oplegt. “Milieuinformatie” lees ik – newspeak voor ‘vervuilingsgegevens’. Ze hadden een pak gunstiger kunnen zijn als BMW gekozen had voor een compacter en lichter ontwerp van haar ‘instapmodel’, maar de wagenwedloop heeft haar prijs. Geloof het of niet, de overgedimensioneerde X1 is het ‘kleine’ broertje van de X2, de X3, de X4, de X5, de X6 en, hoe raadt u het, de X7. Die laatste is een Leopardtank en het valt te hopen dat er nooit een X8 komt, want dan wordt BMW een bulldozerfabrikant.

Tot zover mijn lectuur van de advertentie voor de BMW X1. De verleidingspoging is mislukt. Misschien ben ik dan toch niet zo’n dankbare lezer.

Shiften, shifte, geschift

De gratis krant De Zondag bracht dit weekend een interview met de Vlaamse minister van volksgezondheid. Een stukje daaruit wil ik u niet onthouden.

“Hoe wil u het gigantische obesitasprobleem oplossen?”

“Dat is een en-en-verhaal. Enerzijds stimuleren we de shift naar gezondere voeding en voldoende afwisseling in het menu. Dat moet zorgen voor minder gewicht op de weegschaal. Anderzijds investeren we grote bedragen in onze infrastructuur. We voorzien daarvoor dit jaar miljarden, een groot deel daarvan voor bijkomende banketzaken en goed bereikbare, overkapte snoepautomaten waarvoor we een contract hebben vastgelegd voor de komende vijftig jaar. We focussen bij onze investeringen op meer voedselveiligheid, slimme dieetformules en een vlottere bediening voor fastfoodadepten.”

Vreemd? Ik geef het toe. Eigenlijk stond er iets anders. Feitelijk was het een interview met de Vlaamse minister van mobiliteit. Maar ik denk dat ik eigenlijk wel las wat er stond.

Oordeel zelf:

“Hoe wil u het gigantische fileprobleem oplossen?”

“Dat is een en-en-verhaal. Enerzijds stimuleren we de shift naar duurzaam vervoer en combimobiliteit. Dat moet zorgen voor minder wagens op de weg. Anderzijds investeren we grote bedragen in onze infrastructuur. We voorzien dit jaar meer dan 5,5 miljard euro daarvoor. Oosterweel bijvoorbeeld: dat is goed voor 3,1 miljard. We focussen bij onze investeringen op meer verkeersveiligheid, conflictvrije kruispunten, slimme verkeerslichten en betere doorstroming.”

Hoe zit dat met de toekomst?

Wenste ik jullie al een gelukkig nieuw jaar? Inwendig natuurlijk wel. Maar bij deze heeft u ook de uitwendige versie. Moge 2021 niet de heruitgave van 2020 worden en al helemaal niet die van 2019. Wat ik hiermee bedoel, hoop ik vakkundig te zullen hebben uitgelegd in mijn volgende boek. De bevalling daarvan is nog volop bezig, maar ik heb goede hoop dat de geboorte voor 2021 zal zijn.

Aangezien jullie daar natuurlijk allemaal op zitten te wachten, kan ik u misschien blij maken met een kleine wachtverzachter: een hoofdstukje in een boek dat al wél het levenslicht zag.

Al is het geen luisterboek, toch luistert het naar de naam ‘Waar gaan we naartoe? 43 inspirerende stemmen denken na over de toekomst’. Voor alle zekerheid heb ik maar niet nageteld of ze mij hebben meegeteld. Ik ben geneigd te denken van wel, want in de inleiding word ik geciteerd in dezelfde paragraaf waarin ook Mahatma Ghandi en Abraham Lincoln de revue passeren.

Hoewel. Met zo’n Amerikaan naar wie een automerk werd genoemd, is het bruggetje naar de mobiliteit natuurlijk snel gemaakt.

Alle gekheid op een stokje: het boek behandelt een breed spectrum van thema’s (mijn bijdrage wordt gevolgd door een over de vraag of imperfectie het nieuwe schoonheidsideaal wordt – ook daar moet niets achter worden gezocht) en een vrolijke veelheid van meningen over de toekomst. Gelukkig niet over ‘waar het naartoe gaat’ (al zijn er wel een paar auteurs die over een glazen bol beschikken), wel over de vraag waar we naartoe willen.

Met de meeste kan men het aangenaam eens of oneens zijn. Voor de lezers van deze blog zijn alvast relevant: Leo Van Broeck (Waar wonen we in de toekomst?), Gino Van Ossel (Waar winkelen we in de toekomst?), Tony Verhelle (Wat is de toekomst van de auto?), Toni De Coninck (Hoe zullen we reizen in 2030?) en mijn huisvlijt: Hoe verplaatsen we ons in de toekomst? Al vind ik zelf dat mobiliteit veel ruimer mag worden beschouwd en dat bijvoorbeeld ook bijdragen over vluchtelingen, vrije tijd en fast fashion daarvoor relevant zijn.

Maar vorm vooral uw eigen mening. Wie onder de kerstboom een boekenbon vond, heeft bij deze alvast een suggestie om hem in te ruilen voor een fraai uitgegeven kleinood dat stof tot nadenken garandeert.

  • CEULEMANS HADEWIJCH, VANDERPUTTE LOUISE, VERHAGEN MARC (red.), Waar gaan we naartoe? 43 inspirerende stemmen denken na over de toekomst, Uitgeverij Luster, Antwerpen, 2020, 270 blz. Leuk: voor elk verkocht exemplaar schenkt de uitgeverij een euro aan het Kinderarmoedefonds. En een tip: koop uw exemplaar bij de onafhankelijke boekhandel (de lijst vindt u hier) en u ontdekt dat er buiten het standaardaanbod (pun intended) nog heel wat meer te belezen valt.

De wijk genomen

Zullen we dit jaar maar eens beginnen met een flashback? Naar het stuk dat, hoewel pas op 26 november gepost, uiteindelijk het meest gelezen bericht van 2019 zou worden, enfin, toch op deze blog. Het vertelde over onze wijkwinkel en hoe die werd gesloten omwille van een te laag rendement.

We zijn nu een dik jaar verder en we zien tot wat dit rendementsdenken heeft geleid: de winkel staat er nog, leeg en verlaten. Een bord met ‘te koop’ of ‘te huur’ erop, laat staan een affiche met een ‘vergunningsaanvraag’, is er nog niet verschenen.

Mijn gok: daarvoor is de aftakeling nog niet ver genoeg gevorderd. Zo werkt immers speculatie in de immobiliënsector: door zorgvuldige verwaarlozing worden de geesten en het gebouw rijp gemaakt voor de sloop – en daarmee voor een winstgevend bouwproject. Waardevermeerdering door waardevermindering, in deze neoliberale wereld is het de logica zelve. Vorig Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck schreef het al: “Er zijn drie soorten van inkomen: uit fysieke arbeid, uit geestelijke arbeid en uit nietsdoen. Dit laatste klinkt absurd, maar het is de motor die in het hart zit van het door de beurs gestuurde kapitalisme.” (in het voorwoord van de nog immer actuele heruitgave van Renaat Braems ‘Het lelijkste land ter wereld’, 2018)

Terwijl het verval dus zijn constructieve werk doet, blijven wij, wijkbewoners verweesd achter. De winkel heeft de wijk genomen, maar vooral haar bewoners – als u begrijpt wat ik bedoel.

Toen de winkel dicht ging, bleven wij verweesd achter. Hoewel: ‘opgezadeld’ is een betere omschrijving. We werden opgezadeld met meer gemotoriseerd verkeer, want een wijkwinkel minder betekent in de praktijk natuurlijk langere verplaatsingen naar andere winkels. En dus ook meer autoverplaatsingen. En alles wat daarmee samenhangt: meer verkeersonveiligheid, meer lawaai, meer luchtverontreiniging, meer klimaatopwarming, meer verbruik van grondstoffen, meer slijtage van met belastinggeld onderhouden infrastructuur.

Voorlopige conclusie: de sluiting van de winkel mag dan ‘marktconform’ zijn geweest, maatschappijconform was hij in geen enkel opzicht.

2020 is (bijna) fo/ietsie

De ducktest voor de zone 30

SP.A en Groen stellen voor om de zone 30 te veralgemenen in de bebouwde kom. Voor sommige politici van andere partijen, kennelijk niet bekend met het feit dat we niet op schema zitten met hun eigen beleidsdoelstellingen inzake verkeersveiligheid, is dat de aanleiding om de oude argumenten van stal te halen: “30 is tergend traag” (realiteit: het tijdverlies is in de praktijk verwaarloosbaar en weegt niet op tegen de gewonnen levensjaren), “zakkenklopperij” (realiteit: niet voor wie zich aan de snelheidslimiet houdt natuurlijk + in de meeste zones 30 wordt vandaag nog altijd niet gehandhaafd), “vrijheidsberoving” (realiteit: voetgangers, fietsers en bewoners krijgen meer vrijheid en er worden minder ‘doodstraffen’ uitgedeeld) en “eerst moet het wegbeeld aangepast worden, dan pas kan zone 30 ingevoerd worden”. Over dit laatste (non-)argument schreef ik eind 2018 onderstaande column die in De Verkeersspecialist verscheen. Hij is, helaas, nog altijd actueel.

In Antwerpen liggen meer dan 90% van de straten in een zone 30. Uiteraard zijn die nog niet allemaal met snelheidsremmers uitgerust, maar dat maakt het niet logischer om er dan maar een zone 50 van te maken.

“6 op de 10 Belgen zijn voorstander van een zone 30 in het centrum van alle steden.”

Zo had de titel moeten luiden. Want dàt was het nieuws dat in de recentste VIAS-enquête zat. Toen een jaar of vijftien geleden toenmalig minister van mobiliteit Bert Anciaux opperde dat ‘zone 30’ in verblijfsomgevingen de norm zou moeten worden, werd hij ei-zo-na gelyncht. Vandaag volgen het volk en het opportunistische heir van de ‘draagvlakpolitici’. Stel je voor dat die laatsten ballen aan hun lijf hadden gehad, hoeveel doden en zwaargewonden zouden er minder zijn gevallen?

Maar het VIAS-Institute koos dus voor een andere scoop in haar communicatie: “6 op 10 bevraagde autobestuurders geeft aan dat de zones 30 in ons land niet goed zijn aangegeven.”

Vreemde keuze. Want het is ‘nieuws’ dat er geen is. Dit wisten we al. Het is één van de favoriete excuses van betrapte chauffeurs: “Ik reed te snel want ik had het bord niet gezien.” Terwijl het natuurlijk moet zijn: “Ik had het bord niet gezien want ik reed te snel.”

Maar het onderzoekscentrum, de media en de wegbeheerders gaan er schijnbaar kritiekloos in mee. En dus zal er andermaal in de buidel worden getast. Voor meer borden, meer sjablonen, meer paaltjes, meer drempels en plateaus. Zelden voor meer handhaving, want ook de parketten – kennelijk bevolkt door eenkennige automobilisten – hebben een mening: het is niet fair om mensen te beboeten in een zone 30 die niet fysiek wordt afgedwongen.

Echt? Hoeveel duidelijkheid hebben we eigenlijk nodig? Als een verblijfsomgeving eruit ziet als een verblijfsomgeving (dit is iets met huizen, scholen, winkels, mensen), is het dan niet logisch dat er met veeltonners langzaam en dubbel voorzichtig wordt gereden?

Blijkbaar niet, want als er om een extra handleiding wordt geschreeuwd, knikt iedereen instemmend. Ik ben dan benieuwd hoe het er bij al die mensen thuis uitziet. Hebben die in hun living ook bordjes hangen die aangeven wat er mag en niet mag? “Niet spuwen op de grond.” “Verboden te roepen.” “Niet voortdurend voorbij de televisie lopen.”

Mogen hun kinderen op veel begrip rekenen wanneer die aanvoeren “dat de woonkamer uitnodigt tot voetballen” als de eettafel en de salonzetels wat ver uit elkaar staan?

I think not. Omdat iedereen ongeveer wel weet hoe hij/zij zich in een woonkamer moet gedragen. Dat komt doordat we, toen we nog enthousiaste en energieke kinderen waren, geleerd hebben wat in een woonkamer hoort en wat niet. Met een reprimande af en toe en, als dat niet hielp, een pedagogische tik op de vingers.

Het is slechts een idee natuurlijk, maar als we nu eens afspraken dat een verblijfsomgeving eigenlijk de living is van een wijk, een dorp, een stad? En dat daar dus een bepaald gedrag bij hoort. Langzaam rijden. Rekening houden met de mogelijke aanwezigheid van kinderen. De rust van bewoners respecteren zodat die een dutje kunnen doen, een boek kunnen lezen of met elkaar een babbeltje slaan. Niet overal tegenaan rijden (want ook straatmeubilair kost geld). En er eigenlijk alleen maar met de auto komen als het echt nodig is. Het aantal mensen dat graag een auto in zijn woonkamer heeft, is al bij al beperkt.

Blijft de vraag wat een ‘verblijfsomgeving’ is. Daarvoor zouden we een beroep kunnen doen op wat de Engelsen de ducktest noemen: “If it looks like a duck, swims like a duck, and quacks like a duck, then it probably is a duck.” Of er nu een bord met daarop het woord ‘EEND’ staat of niet.

Zou zo’n simpele basisregel, niet meer dan een kwestie van elementaire beleefdheid, hoffelijkheid, respect of gezond verstand (vrij uit te kiezen), ons niet vooruit helpen? De parketten en politiezones die vandaag niets doen, zouden hun geliefkoosde uitvlucht dan meteen kunnen opbergen. Een verblijfszone die eruit ziet als een verblijfszone is dan gewoon een zone 30.

Is dit onrealistisch? Extreem? Revolutionair? Laat ik dan een geheim verklappen: dit staat al in de wegcode. Lees maar na, Artikel 10.1:

 Elke bestuurder moet zijn snelheid regelen zoals vereist wegens de aanwezigheid van andere weggebruikers, in ’t bijzonder de meest kwetsbaren, de weersomstandigheden, de plaatsgesteldheid, haar belemmering, de verkeersdichtheid, het zicht, de staat van de weg, de staat en de lading van zijn voertuig; zijn snelheid mag geen oorzaak zijn van ongevallen, noch het verkeer hinderen.

Heerlijk helder toch? Eigenlijk hadden we die hele zone 30-regeling niet eens nodig. Laat staan al die kunstgrepen die onze straten eruit doen zien als een gigantisch minigolfparcours.