RSS feed

Danse macabre (en iets wat ik niet begrijp)

Nu mensen er weer van kunnen uitgaan dat we thuis zijn, rinkelt hij weer vaker dan vroeger, onze vaste telefoon. Stilaan verliest hij zijn statuut van slecht nieuws-brenger.

Hoewel. Vrijdag ging hij over. Mijn vader aan de telefoon, lichtjes overstuur. Of ik hem naar het ziekenhuis kon brengen? De huisdokter had hem doorverwezen op verdenking van Coronabesmetting.

“Ja,” zei ik – en dacht meteen het tegenovergestelde. Want hoe zat dat dan met die Heilige Anderhalve Meter? We respecteren die angstvallig en nu er iemand besmet lijkt zou die plots overboord mogen worden gegooid?

Mijn echtgenote en ik checkten de websites van ziekenhuizen in de buurt. Dat leverde ontstellend weinig informatie op, eerlijk gezegd. Eén ziekenhuis had een grote eyecatcher ‘Steun onze helden in de vuurlinie’ en daaronder, in kleine lettertjes, ‘meer informatie over Corona’. De informatie die we zochten, vonden we niet.

Mijn eega belde naar het 0800-nummer. Ik naar het ziekenhuis. Aan mijn lijn werd er nogal laconiek gerageerd: “Hij moet er wel geraken hé.” Of er daarvoor dan geen procedures waren, een ambulancedienst, ziekenvervoer, speciaal uitgeruste taxi’s?

Nee dus. Ook de Coronalijn kwam niet verder dan: “Zet hem zo ver mogelijk van je af. Zet een mondmasker op en draag handschoenen.”

Die handschoenen hadden we. Een mondmasker niet. Dat werd dus een blauwe buff. Ziekenvervoer en gangstervervoer, het is soms maar één mode-artikel verschil.

Aangekomen bij de spoed wezen bordjes ons naar een geïmproviseerde tent. Op die tent een telefoonnummer en de mededeling dat een medewerker de patiënt zou komen ophalen.

Corona[1]

Net voor ons was een vrouw binnengegaan. Ze zat er op de enige stoel.  Dus wachtten we buiten, samen met haar echtgenoot.

De man had wel zin in een sigaret. Bedreven stak hij er een op. Wat verderop stond verplegend personeel de eigen gezondheidsmissie uit te roken.

Hypothese van mij: nergens wordt er in ons land nog zoveel gepaft als aan de in- en uitgangen van ziekenhuizen.

De man had ook wel zin in een praatje. Hij had iets gelezen over beter weer en dat het dan wel snel voorbij zou zijn. “30° graden, daar kunnen die beestjes niet tegen.” Als zijn optimisme een indicatie voor zijn weerstand, dan kwam het wel goed met de kerel. Telkens hij het woord nam, kwam hij een stap dichterbij en deinsde ik achteruit. Daardoor moest mijn vader dan weer wijken.

Zo dansten we met ons drieën voor de ingang van de tent een dansje in de zon. Geloof de You Tube-filmpjes niet. De MaCorona is veel minder sexy dan hij wordt voorgesteld. Het is een danse macabre.

Veertig minuten en enkele gecrispeerde interventies van de bezorgde zoon waren nodig om zijn 81-jarige vader te laten opslokken door de tent.

De echtgenoot was intussen naar huis gereden in zijn Mercedes. De vrouw zat er nog. Kamperen voor het ziekenhuis. Het hoeven niet altijd scholen te zijn.

*

Enkele uren later mocht ik een schijnbaar opgeknapte vader oppikken aan de tent. Gerustgesteld op een manier die alleen in deze tijden kan. “Mogelijks corona,” zei hij, “maar ik mag naar huis. En iedereen was heel vriendelijk.”

Ik maakte van mijn buff een bandana en we reden naar huis. Geen betere plek om ziek te zijn dan thuis.

 

 

Beregoed

Eerlijk gezegd schrok ik me een hoedje. Ik had hem niet verwacht, die beer in onze huiskamer. Hij werd binnengedragen door mijn oudste zoon, breed glimlachend van de voorpret. Mijn blik vol onbegrip werd begrepen en hij lichtte toe: “Om het boeiend te houden voor de kindjes zetten de mensen tegenwoordig teddyberen voor het raam. Zo wordt een simpele wandeling een spannende berenjacht.”

Interludium: bij mijn studenten gaat er nu een belletje rinkelen. Zij denken nu met weemoed terug aan de tijd dat we samen naar een door een hinderlijke avondzon verbleekte powerpoint konden kijken en het hadden over begrippen als ‘lasagne’ en de ‘5km/u-architectuur’ van Jan Gehl. De verstandigsten onder hen vermoeden al de potentie van een bedrieglijk speelse examenvraag.

Deze middag, op weg naar de broodautomaat, ben ik dan ook maar eens op berenjacht geweest. Af en toe moet het kind in ons worden losgelaten.

Sommigen hebben daar een Dinky Toy op ware grootte voor nodig, anderen hebben genoeg aan een stuk of wat speelgoedberen.

“Is het gelukt?” vroeg mijn echtgenote toen ik binnenkwam.

“Jawel, drie bruin, één wit,” zei ik.

“Gesneden?” vroeg ze.

Om een lang verhaal kort te maken: het heeft eventjes geduurd vooraleer ik had begrepen dat ze niet plots sadistisch was geworden.

Studiekeuze

And now for something completely different. Or not, het is maar hoe je het bekijkt. En de dingen anders leren bekijken, laten we daar nu toevallig een opleiding voor hebben… 

De juiste studiekeuze maken is enorm belangrijk en die keuze wordt op dit moment bemoeilijkt door het Coronavirus / COVID-19 (geen infodagen, geen openlesdag, …). Daarom:

Heb jij een vraag over de PXL-opleiding Verkeerskunde en Mobiliteit?

Stuur me een privéberichtje (deanderekris@gmail.com)! Ik beantwoord alle vragen met plezier en geef graag meer informatie!

Klik hier voor het volledig PXL-opleidingsaanbod: www.pxl.be/opleidingen

#blijfinuwkot #samentegencorona #hogeschoolpxl

Symboliek op haar mooist

Symboliek is op haar mooist als zij onbedoeld is en toch klopt.

Zoals hier, waar een oproep om voor elkaar te zorgen in éénzelfde gebaar een zebrapad uitdeelt, perfect in de looplijn.

Corona symboliek (1)Corona symboliek (2)

Van A naar A: lessen uit Corona (1)

Maanden geleden schreef ik hier over de sluiting van onze wijkwinkel. Het stukje eindigde met de voorspelling: “Het wordt nu een stuk stiller in onze woonwijk. En weer wat drukker op de weg.”

En zo geschiedde. Van achter het raam aan mijn bureau zag ik de mensenstroom letterlijk van de ene dag op de andere stilvallen. Sindsdien lagen onze stoepen er leeg en verlaten bij. Al een geluk dat er nog honden zijn die hun baasjes naar buiten dwingen, anders zagen we niemand meer.

Sinds een week is daar verandering in gekomen. Er is weer leven op straat. Niet dat het weer de gezellige passage van voorheen is, maar er zijn weer mensen. De meeste per twee, soms een vader en een moeder met een roedel kinderen, af en toe een eenzaat die zichzelf uitlaat.

Waar ze naartoe gaan?

Nergens heen. Echt nergens heen. Het is één van de grootste fouten in verkeersonderzoeken, die veronderstelling dat mensen altijd ergens heen gaan. Dat ze altijd van A naar B gaan en weer terug. Of van A naar B via C. Het is de erfenis van ons functionalistische denken: het idee dat wij altijd doelbewust onderweg zijn.

Vaker dan we beseffen zijn we gewoon op weg van A naar A. We gaan dan een luchtje scheppen of maken een ommetje. We verpoppen van voetganger tot wandelaar. Niet de bestemming maar de verplaatsing staat dan centraal. De kwaliteit ligt dan niet in het vlot ergens geraken, maar precies in het onderweg zijn.

Dat ‘onderweg zijn’ heeft verschillende aspecten. Om te beginnen de beweging zelf. Wie beweegt, blijft gezond. Lichamelijk én geestelijk. Het is geweten, maar te weinig. Een prettig neveneffect van Covid-19: de lucht is zuiverder en dus is beweging in de open lucht nog gezonder.

Molekens nieuwbouw

Contextloos ontworpen én vergund: nieuwbouw die buiten verhouding staat met de bestaande bebouwing

Voorts de omgeving. Hoe kwalitatiever die is, hoe interessanter de verplaatsing, hoe langer ze mag duren, hoe langzamer ze mag gaan. Wat dat betreft hebben we het getroffen in onze tuinwijk. Ook al slaat de verharding ook hier hard toe (pun intended), verschrompelen de hagen tot Herashekwerk en zorgt de zorgeloos contextloze aanpak van de verbouwingsarchitecten (en degenen die de ontwerpen beoordelen) ervoor dat het karakter van de wijk in sneltempo smelt, het blijft een wijk waarover bezoekers steevast hun waardering uitdrukken – al zegt dat misschien meer over de wijken waar die bezoekers wonen.

Tot slot het ontmoeten. Ook dat aspect staat vandaag onder druk. We zijn in de merkwaardige paradox terecht gekomen dat ‘sociaal zijn’ vandaag krek het tegenovergestelde vraagt van wat wij er tot nu toe onder begrepen.

Het goede nieuws is: vrijwel iedereen houdt zich eraan. De wandelaars groeten elkaar vanop veilige afstand en gaan hoffelijk opzij als dat nodig is. Dat laatste is opvallend vaak het geval. Stoepen zijn zo al niet berekend op mensen die naast elkaar lopen (kennelijk hebben straatontwerpers nog een andere opvatting van ‘sociaal zijn’), laat staan in tijden van Corona.

Misschien kunnen we tussentijds al een paar lessen trekken:

  1. Verkeersonderzoek moet meer aandacht geven aan de kwaliteit van onze verplaatsingen, in plaats van eenzijdig te focussen op vlotheid en snelheid.
  2. Corona is niet alleen slecht voor de gezondheid. Het zet ons alvast aan tot meer lichaamsbeweging. Mogelijk zal dit hier en daar leiden tot blijvende gedragsverandering.
  3. Onze onmiddellijke omgeving is belangrijker dan we dachten. We moeten daar dus (meer) zorg voor dragen. Een kwalitatieve omgeving is niet alleen belangrijk in onze (historische) stads- en dorpskernen, ze is dat overal.
  4. Trottoirs moeten misschien meer ontworpen worden voor wandelaars dan voor voetgangers, meer als conversatieroutes dan als marcheerstroken.

“De plint is dood”

Wie bovenstaande parafrase snapt, heeft nu gegarandeerd al geglimlacht.

Wie haar niet snapt, is waarschijnlijk gezegend met een jonge leeftijd en staat nu op het punt één de legendarische sketch “De duif is dood” van Toon Hermans te ontdekken. En zich vervolgens af te vragen wat die vorige generaties daar in Godsnaam zo grappig aan vonden.

Als het een troost mag wezen: ik vraag het me nu zelf ook af.

Het is omdat Corona door het land waait, anders zou ik mijn eigen grap niet uitleggen. Om het met president Macron te zeggen: “à la guerre comme à la guerre.”

Hoe meer het land tot stilstand komt, hoe meer de mensen bewegen, ontdekte ik deze namiddag toen ik mijn stramme leden even van onder mijn bureau joeg.

Er was opvallend veel volk op straat. Daar zat de zon zeker voor iets tussen, maar ook de pas afgekondigde ophokplicht waardoor mensen hun woon-werkverplaatsingen gaan compenseren met recreatieve verplaatsingen. Dat is de in verkeerskundige kringen welbekende (en overal elders vrijwel onbekende) BREVER-wet die volop speelt. Het goede nieuws is dat veel mensen die verplaatsingen nu te voet afleggen.

Daardoor werden alvast in mijn gemeente de parkings plots weer pleinen. Meer dan er naar kijken konden we in deze tijd van social distancing er niet mee doen, maar het was toch al een esthetisch genoegen. Met slechts een beetje verbeelding kon je zelfs een heleboel potenties zien sluimeren.

Anders was het in de winkelstraten. Ook al liepen er mensen, gezellig was het niet. “Nu kunnen we eens ervaren hoe het is mochten alle winkels vervangen worden door e-shops,” legde mijn echtgenote de vinger op de wonde. Met alleen apothekers en voedingswinkels gaan we het inderdaad niet redden.

Herentals in Coronatijden (1)

Konden we het weinig-te-beleven-gevoel op de meeste plaatsen nog verklaren door de neergelaten rolluiken, bij de lokale Action was dat niet het geval. Daar bleek de levendige plint die we op de Gecoro (Gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Ordening) enkele jaren geleden gepresenteerd kregen schielijk te zijn overleden. “De plint is dood,” inderdaad. Wat in de rendering van de architect een attractieve vitrine was en een visuele brug van buiten naar binnen, is in de praktijk gereduceerd tot een letterlijk blinde muur. Daar kan zelfs de toevoeging van het woord ‘Action’ niks aan veranderen.

Het zal wel ironisch bedoeld zijn. Maar dan wint de sketch van Toon Hermans het qua grappigheid toch nog met enkele straatlengten.

Communiceren in tijden van Corona

Nu Corona niet langer in de eerste plaats een bier is, zelfs geen klein bier, bevinden we ons in een onuitgegeven situatie. Logisch dus dat sommige mensen last hebben om zich daaraan aan te passen.

Sommige mensen. Niet alle mensen. En zelfs niet de meeste mensen. Net daardoor vallen ze zo hard op. De meeste mensen houden zich braaf aan de regels van de social distancing. Slechts een minderheid doet dat niet.

Eerder dan de indruk te wekken dat die minderheid veel te groot is, zouden we beter dik in de verf zetten dat de meeste mensen écht wel het goede voorbeeld geven. Omdat positieve berichtgeving in tijden van Corona altijd wel van pas komt, jawel. Maar vooral omdat die boodschap veel meer mensen tot de gewenste gedragsverandering zal brengen.

Hoe dat komt? Eenvoudig: we houden er niet van uit de groep te vallen en we willen maar wat graag aardig gevonden worden.

In de verkeerskunde kennen we dat mechanisme ook – al zondigen we er nog vaak tegen in goed bedoelde communicatie. Zoals hier bijvoorbeeld:

Communicatie over boetes

Prachtig dat deze politiezone snelheidscontroles uitvoert én daarmee uitpakt: door erover te communiceren wordt de subjectieve pakkans groter en is er meer kans dat automobilisten hun snelheid gaan matigen.

Maar (even abstractie makend van de overload aan informatie op het bord) de communicatie gaat wel de mist in met de vermelding van het aantal boetes. 5254 wagens werden gecontroleerd en 1173 daarvan reden te snel.  Dat had ook als volgt gecommuniceerd kunnen worden: “Bijna 80% respecteerde de snelheidslimiet. Proficiat!”

Als hardrijder loop ik hier dan wel een felicitatie mis en val ik uit de groep. En ik ontdek dat te snel rijden blijkbaar toch minder normaal is dan ik dacht…

De kans dat ik mijn rijgedrag zal aanpassen, zal ook daardoor net iets groter zijn dan bij de boodschap dat er nog meer dan duizend waren zoals ik. Als we dan toch conformisten zijn, kunnen we er maar beter voor zorgen dat mensen zich conformeren aan het goede.