RSS feed

Observatie

Af en toe word ik uitgenodigd om te komen kijken. Notoir volgzaam als ik ben, doe ik dat dan. Tegen mijn aard in arriveer ik dan goed op tijd. Ik stel me incognito op. Indien voorradig achter een boom.

Maar als het groen te schraal is, ben ik wel gedwongen om me op de geasfalteerde prairie te begeven. Dan loop ik quasi achteloos voorbij. En nog eens voorbij. En nog eens. Een ijsbeer op de prairie. Ik weet: dat valt op.

Van achter getint glas word ik gade geslagen. Ik voel de blikken branden op mijn rug. Vaders en grootvaders, maar vooral moeders en grootmoeders op de bestuurderszetel hebben me in de smiezen. Ze twijfelen tussen de verleiding van hun aaifoon en die vreemde snuiter die duidelijk niets goeds in de zin heeft. Maar ze vragen niks.

Het glas is dik als hun auto’s. De motoren draaien. De klimaatverandering? Er wordt aan gewerkt, zij het voorlopig vooral met behulp van de auto-airco. Als ze straks wegrijden, zullen er kleine plasjes water achterblijven. Elke auto z’n plasje, bijna vertederend.

Het is nog een half uur voor de bel rinkelt, maar toch zijn ze er al. Veel te vroeg gekomen om straks geen tijd te verliezen. Een bijzonder concept van time management.

Ik maak foto’s. Bewijsmateriaal is belangrijk als we het straks over de chaos zullen hebben. Want daarover gaat het, hebben ze me gezegd: “de chaos”. De gemeente heeft nochtans erg haar best gedaan om er orde in te krijgen: een stoepuitstulping ter hoogte van de schooluitgang, een zebrapad, de genoemde kiss & ride, een strook met de letters ‘B U S’ op de grond.

Op die laatste staan ook auto’s geparkeerd. “Het is geen wettelijke bushalte meneer, er staat geen bord bij.” Soms zijn automobilisten opmerkelijk goed geïnformeerd over de wegcode.

Vijfentwintig minuten voor de bel en busstrook en kiss & ride zijn vol. Voortdurend komen er auto’s bij. Ze posteren zich op een afstand, als roofdieren loerend op een prooi. Als er straks een gunstigere positie vrijkomt, zullen ze de opportuniteit onmiddellijk grijpen. Flitsende oma’s, ze bestaan.

Voorlopig moeten ze het stellen met de gelijkgrondse berm en hier en daar een oprit. Het is maar voor vijf keer vijf minuten.

Een oudere dame houdt het niet meer. Ze klautert uit haar SUV en komt me dreigend tegemoet: “Geen foto’s van mijn auto, dat is verboden!” “Hier parkeren is ook verboden,” reageer ik. Ze kijkt verongelijkt. “Ik moet wel. De juffrouwen willen ze niet laten gaan.”

Het duurt even voor ik begrijp wat ze bedoelt: doordat de juffrouwen weigeren de kinderen zomaar “los te laten”, zal ze straks haar auto moeten achterlaten en helemaal naar de schoolpoort moeten wandelen.

Ze komt van drie kilometer verderop. “Te gevaarlijk om met de fiets te komen,” zegt ze gedecideerd.

“Omdat er te veel auto’s zijn?” Ze knikt, zich niet bewust van de dichtklappende val.

“U bent hier dus met de auto omdat er te veel auto’s zijn.”

De euro valt. “Geen foto’s van mijn auto,” sist ze.

“Ik maak je kenteken onleesbaar,” sus ik.

Ze klimt weer in haar auto. Een buurtbewoner sluipt naderbij. “We kennen haar,” lacht hij, “enfin, hier kent iedereen iedereen.”

Aan de poort wordt het druk. Er zijn nu ook mensen met fietsen gearriveerd. De meeste keuvelen wat. Dat werkt aanstekelijk. Sommige chauffeurs wagen zich op het terrein en komen erbij staan.

Nog tien minuten. Zo ver het oog reikt staan er auto’s. Overal, behalve op een klein stukje trottoir. Daar houden twee oranje kegeltjes de kwade geesten weg. “Wonderlijk”, zal de voorzitter van het oudercomité me later zeggen. De stoep leidt overigens nergens heen. Alles bij elkaar geen twaalf meter lang eindigt hij in een berm. Maar elke levend afgelegde meter is er één natuurlijk.    

Bewust geen afbeelding van de beschreven schoolomgeving. Wel wat publiciteit voor Ford, om het een beetje goed te maken.

Een 4×4 op bijna-rupsbanden landt grommend in een laatste stukje berm, onberijdbaar voor de anderen. ‘FORD’ staat er op, maar dat moet onmiskenbaar ‘FORT’ zijn. Aan het stuur een man getatoeëerd als een varken van Delvoye. Het passagiersportier zwaait open. Er springt een frêle jonge vrouw uit. Zonnebril, zuinig bemeten kleedje met luipaardprint, tafelbierbruine benen. Er gaat een rilling door de prairie.

Dan komt de bus van “Stekelbees”. Die naam is goed gekozen. Ze blokkeert alle verkeer.

Nu duurt het niet lang meer. Alles zal gebeuren vanuit de stilstaande fase. En dan, plots, nog voor het signaal gegeven is, verschijnen de eerste juffen met kinderen. Er wordt van alles uitgewisseld. Boekentassen, werkjes, nieuwsjes, kinderen. Geen drugs, weet ik wel zeker, al zou het een perfecte dekmantel zijn.

Waar er zoveel onschuld is, zou niemand iets vermoeden.

*Dit stukje verscheen eerder in een licht andere vorm in De Verkeersspecialist.

Van villa tot ruïne en weer terug: de villa Cavrois

Zo ironisch kan geschiedenis zijn.

Eind jaren 20 van de vorige eeuw. Een rijke textielbaron in het Noorden van Frankrijk beslist om een nieuwe woning te laten bouwen voor zijn gezin. Daarvoor koopt hij een flinke lap grond in het landelijke Croix. Dat kan, omdat de heer Cavrois zich een auto kan veroorloven, waardoor hij – anders dan zijn 700 arbeiders – ver genoeg van de fabrieksrook kan gaan wonen om er geen last van te hebben. De lusten blijven wel zijn kant uitkomen: voldoende opdat de “gezinswoning” een modern kasteel kan worden.

Een 60 meter lange gevel, 2800 m2 oppervlakte, de allermodernste snufjes in alle kamers, exclusieve materialen – dat alles in het kader van een park met een imposante waterpartij.

Ontwerper van dit Gesamtkunstwerk: de modernistische architect Robert Mallet-Stevens, die enkele jaren later zijn volledige archief zou vernietigen en zelfmoord plegen – een tragedie die niet had misstaan in Charlotte Van Den Broecks boek ‘Waagstukken’ over falende architecten.

Het een fortuin kostende bouwwerk wordt opgetrokken in een tijd waarin arbeiders, zijn arbeiders, nog wonen in krappe tweekamerhuisjes zonder elementaire voorzieningen. De schijnbare vanzelfsprekendheid waarmee dat gebeurt kan alleen maar worden verklaard door de curieus te noemen overtuiging dat enerzijds het eigen ‘teveel’ loon naar werken is en dat anderzijds de tekorten van de arbeiders, ondanks een labeur dat vele malen zwaarder en ongezonder is, eveneens van een correcte remuneratie getuigt.

De weduwe Cavrois sterft in 1985, waarna de villa wordt verkocht aan de meest biedende: een projectontwikkelaar die in naam van waardecreatie aan waardevernietiging doet. Hij laat het verworven goed over aan weer, wind, vandalen, krakers en plunderaars (die – o ironie – gebouw en inboedel wél naar waarde weten te schatten) om zo gemakkelijker een sloopvergunning te krijgen. Laten slopen om officieel te mogen slopen, het is een bekende strategie.

Intussen is het teveel zelf een tekort geworden: zulke staaltjes modernistische architectuur zijn er niet veel meer. Het besef rijpt dat slopen echt wel (een) zonde zou zijn. Bewuste burgers slagen er in 1990 in de villa Cavrois te laten beschermen als ‘monument’. Tien jaar later wordt de ruïne Cavrois aangekocht door de Franse staat. Lees: de overheid vult de onzichtbare hand van de vrije markt om erger te voorkomen.

Duurde de oorspronkelijke bouw drie jaar, de reconstructie neemt vijftien jaar in beslag. Privéluxe wordt publieke zorg. De nakomelingen van de textielarbeiders van Cavrois betalen via hun belastingen nogmaals mee aan het gebouw, maar daar krijgen ze wel iets voor terug: sinds 2015 kan de villa worden bezocht – tegen betaling weliswaar.

In de praktijk is het niet Jean-met-de pet maar Jean-met-de-goede-smaak die zich komt vergapen aan het ambacht van de architect. De sociale ongelijkheid en onrechtvaardigheid waardoor dit mogelijk werd blijven onbelicht.

Op de website over ‘renaissance d’un monument’ interpreteert de kleindochter van de bouwheer het project als een “hommage à mon grand-prère”.

Ze heeft gelijk. Alles wat blijft is bewondering voor de visionaire ontwerper en zijn puissant rijke opdrachtgever. Terwijl – zeg nu zelf – een kasteel bouwen in 1929 niet bepaald getuigt van veel sociale vooruitstrevendheid. Integendeel, de heer Cavrois was zijn tijd ver achteruit.

Het proletariaat dat het gebouw bij elkaar werkte en wiens kleinkinderen er nadien opnieuw voor betaalden in de hoedanigheid van belastingbetaler, wordt ook in de geschiedschrijving bestolen.

Wat ze zelf zeggen

Anno 2020 zetten we geen zwaar vervuilende fabrieken meer naast woonwijken of geen woonwijken meer naast zwaar vervuilende fabrieken. Dat wél doen is om problemen vragen, ontdekten ze deze zomer nog eens in Hoboken.

Een grotere scheiding van functies (“hier fabrieken, ginder woningen”) heeft echter ook nadelen. Zo leidt die tot langere woon-werkafstanden en dus tot meer autogebruik. Vrij vertaald: tot duizenden minifabriekjes die hun schadelijke emissies via een horizontale schoorsteen uitstoten middenin dichtbevolkte gebieden. Kan het nog ironischer?

Snelheidsbeperkingen kunnen een eenvoudige, goedkope en ‘snelle’ maatregel zijn om een en ander te tackelen, schreef ik al in een vorig stukje. Vreemd dus, schreef ik, dat als je deze maatregel voorstelt het bij het Agentschap Wegen en Verkeer oorverdovend stil blijft.

Die stelling moet ik een beetje nuanceren. Vandaag onthulden twee ministers van de Vlaamse Regering en één van de Brusselse Gewestregering het eerste van 280 snelheidsborden die vanaf dinsdag 1 september de nieuwe snelheidslimiet van 100km/u op de Brusselse Ring (de R0) zullen aangeven. Mooi.

Hoewel ik eerder al eens op de aangekondigde maatregel commentaar gaf bij Bruzz , was ik dat eventjes vergeten. Een Jambonneke doen, heet dat tegenwoordig. Gelukkig wordt daar in deze contreien niet zwaar aan getild.

Intussen ontdekte ik op de website van het Vlaams Verkeerscentrum (!) een recente studie over de impact van snelheidsbeperkingen (respectievelijk op de Ring van Brussel, Antwerpen en Gent) op de luchtkwaliteit. Je zou zeggen: wat we zelf zeggen, zal wel waar zijn zeker?

Maar blijkbaar geloven onze bewindslieden hun eigen studies niet. Uit de studie bleek dat het op vlak van luchtkwaliteit ‘best scorende’ snelheidsregime voor de zone ‘Vlaamse Rand’ (Brussel) niet 100km/u is maar 90km/u voor personenwagens en 70km/u voor vrachtwagens (blz. 82). Dat men toch voor een ander (niet onderzocht) scenario is gegaan, heeft wellicht te maken met het (veronderstelde) maatschappelijk draagvlak en met de effecten op de doorstroming. Dat betekent dat het voorruitperspectief uiteindelijk toch weer zwaarder heeft gewogen dan dat van de omwonenden: een lagere snelheidslimiet zou minder schadelijke emissies genereren (en minder lawaai, en minder CO2 en meer verkeersveiligheid) maar tot iets meer files leiden – althans volgens de modelsimulaties.

In de studie wordt ook gesuggereerd dat de beperkte negatieve impact op de doorstroming (waarvoor verder geen verklaring wordt gegeven) mogelijk zou kunnen worden gecompenseerd “door de snelheidsbeperking over een langer traject uit te spreiden”. Lijkt logisch: meer gelijkmatige snelheden zorgen voor minder harmonica-effecten en dus minder kans op spookfiles.

Je zou nu denken: als zoiets uit je eigen, met Vlaams belastinggeld betaalde studie blijkt, dan ga je daar toch enthousiast op door? Minder broeikaseffect, minder fijn stof, minder lawaai, minder gezondheidseffecten, dat zijn resultaten die de meest optimistische ‘ecorealist’ ten vroegste over een jaar of tien denkt te kunnen voorleggen…

Toch ziet het ernaar uit dat het bij de “100km/u” op de Brusselse Ring ophoudt.

Voorlopig dan toch. Want bij deze een voorspelling, zonder model: op termijn zullen de snelheidslimieten nog meer moeten zakken. Moeten, zoals in ‘van moetens’. Ook dat kunnen we, gek genoeg, lezen in de studie op de website van het Vlaams Verkeerscentrum. Pagina 79: “De Europese richtlijn 2008/50/EG betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa bepaalt dat de luchtkwaliteit waar zij goed is, in stand moet worden gehouden en in andere gevallen moet verbeteren (stand still beginsel). (…) Op 25 oktober 2019 keurde de Vlaamse Regering het Luchtbeleidsplan 2030 goed om de luchtverontreiniging in Vlaanderen aan te pakken en zo de impact van luchtverontreiniging op onze gezondheid en het leefmilieu verder te verminderen. Betreffende mobiliteit werd hierin volgende maatregel vooropgesteld: ‘We onderzoeken snelheidsaanpassingen’. Om de lokale luchtkwaliteit langs snel- en ringwegen te verbeteren en de negatieve blootstellingsimpact te verminderen zou een snelheidsbeperking een eenvoudige en goedkope manier kunnen zijn om de emissies van het verkeer te verminderen.”

Dat laatste zou ik zelf kunnen hebben gezegd. Maar nu ze het zelf hebben gezegd, is het nog net iets sterker.

Veilige Maria, bid voor ons!

Als zelfs de Mariabeelden zich in een fluohesje tooien, dan is er iets loos met de verkeersveiligheid…

Uit het ‘Verklarend woordenboek van de mobiliteit’

De ‘Parkeernis’, afgekort de P-nis.

Mijn pad

Wat gebeurt er als de steenkoolindustrie er het pikhouweel bij neerlegt?

Wij deden deze zomer de vergelijkende test en kwamen tot de volgende vaststellingen:

  • In de omgeving van Charleroi (België): weinig tot niets.
  • In de omgeving van Lens (Frankrijk): ze doen aan reconversie, bijvoorbeeld door de bouw van een museum. In Lens werd dat het Louvre-Lens.

Missie geslaagd, wat mij betreft. Het museum is de moeite voor zijn (wisselende) collectie en exposities (momenteel de zeer boeiende tentoonstelling ‘Soleils noirs’ over evoluerende functie van de kleur ‘zwart’ in de kunst) én voor zijn architectuur.

De door de architecten van SAANA ontworpen gebouwen, licht en luchtig in glas en gepolijst aluminium, weerspiegelen de onmiddellijke omgeving. Dat is een groot geluk, want de voormalige steenkoolmijn is nu een prachtig groen park – een ontwerp van de Franse landschapsarchitecte Catherine Mosbach.

Met wat knipogen naar Le Corbusier…
… en voor wie wil ook een knipoog naar de Songlines van de Aboriginals…

Maar de eigenlijke aanleiding om er een blogstukje aan te wijden, is het vroegere ‘Groot Kolenspoor’ dat nu een wandel/fietspad is tussen de museumsite en het centrum van Lens.

Op zich niets spectaculairs (dat is het nu net). Maar kijk eens hoe subtiel er hier gespeeld is met ver- en ontharding. Door enkele minimale ingrepen is wat een banaal betonpad had kunnen zijn een boeiend spoor geworden dat gebruikers zachtjes suggereert wat het gewenste gebruik is. Auto’s voelen zich hier niet welkom, fietsers begrijpen meteen dat dit geen fietssnelweg is. Het park omarmt het pad.

Ook ik omarmde het meteen: dit mijnpad was mijn pad – vooral omdat het ons laat zien hoe arm onze verbeelding is geworden als het gaat over hoe een pad, een straat, een weg eruit kan zien. Toen ik dit zag, ontvouwde zich in mijn geest een schitterende caleidoscoop van nieuwe mogelijkheden. Nieuwe paden naar de toekomst, daar kunnen we er niet te veel van hebben.

Oorverdovende stilte

In vogelvlucht woon ik twee kilometer van wat ooit, toen snelwegen nog synoniem waren met Vooruitgang en Voorspoed, de Koning Boudewijnsnelweg werd genoemd. In mijn perceptie woon ik zo ongeveer op de pechstrook van wat tegenwoordig een stuk zakelijker en saaier E313 heet. Als de wind uit het zuiden komt toch. Het asfalt is dan bulderasfalt, het tegendeel van fluisterasfalt.

Soms probeer ik mezelf ’s ochtends in bed wijs te maken dat ik dicht bij de Niagara Falls logeer. Meestal moet ik gewoon onder ogen zien dat het, om het maar eens met Maarten ’t Hart te zeggen, ’t woeden der gehele wereld is dat zich opdringt: de E313 verbindt de Rotterdamse en de Antwerpse haven met het Ruhrgebied en de rest van de Blue Banana. Het is een komen en gaan van spullen en materialen zonder dewelke wij naar verluidt ongelukkig zouden zijn.

Ik ben lang niet de enige die ’s ochtends de keuze heeft tussen verkoeling en lawaai enerzijds of hitte en stilte anderzijds. Een kilometer of 30 verderop in Borgerhout liggen er nog meer mensen wakker van, las ik deze week.

In de Tuinwijk aldaar kunnen mensen – o ironie – zelfs niet meer in hun tuin zitten omdat het lawaai niet te harden is. Dat is geen flauwe overgevoeligheid van de bewoners. Naar schatting 200 vervroegde overlijdens kunnen elk jaar op het conto van verkeerslawaai worden geschreven. Het is een sluipmoordenaar die (via de omweg van stress en bloed- en hartvatenaandoeningen) niet eens z’n best doet om niet op te vallen.

In Borgerhout hadden ze er een tijdje geleden nog goede hoop op dat er een oplossing zou komen: er zou een geluidsscherm komen en dat zou misschien niet voor leefkwaliteit zorgen, maar dan toch al voor leefbaarheid. Dat viel tegen: de plastic schermen bleken het probleem erger te maken, niet te verminderen, typisch zo’n verhaal waar je ecomodernisten noch ecorealisten over zult horen. Dat technologie kan falen, past nu eenmaal niet in het plaatje.

Ook de E313 heeft een achterdeur

De mensen die het zich kunnen veroorloven zullen de komende jaren uit de Borgerhoutse Tuinwijk verhuizen. De anderen betalen tandenknarsend onze welvaart met hun welzijn. Wie de grootste voordelen krijgt van ons economische regime voelt de nadelen ervan nauwelijks. En omgekeerd.

Het is niet dat er geen eenvoudige oplossing bestaat voor het probleem, maar het is er een die ingenieurs zelden zullen suggereren: laat het verkeer langzamer rijden – “stiller” zoals ze bij ons zeggen.

Mits gehandhaafd is zo’n maatregel op alle vlakken effectiever en efficiënter dan een geluidsscherm. Hij kan morgen worden ingevoerd en is ook nog eens goed voor het klimaat, de luchtkwaliteit, de verkeersveiligheid en zélfs de doorstroming. Win-win-win-win, waardoor de maatregel geld opbrengt in plaats van kost.

Raar maar waar: als je zo’n maatregel voorstelt in Vlaanderen, dan is de stilte, jawel, oorverdovend. Want anders dan pakweg in Nederland en in Duitsland, waar snelheidsbeperkingen omwille van milieu en gezondheid tot het normale repertorium zijn gaan behoren, primeert bij ons nog altijd het voorruitperspectief.

Het neusmondmasker

De kracht van taal, hoe vaak wordt ze niet onderschat? Dan worden de schouders opgehaald als weer eens een politicus het heeft over ‘opkuisen’, ‘kansenparels’ of over ‘kopvodden’. “Het zijn maar woorden”, heet het dan vergoelijkend, “die kunnen geen kwaad.”

Dat is natuurlijk niet waar. Woorden maken wel degelijk een verschil. Ten kwade én ten goede.

Zelfs onze overheid, die de laatste tijd niet echt uitblonk in heldere communicatie, lijkt zich er soms van bewust te zijn. Bijvoorbeeld als het gaat over de nieuwste variant van de ‘kopvod’. Nauwelijks enkele maanden geleden was gezichtsbedekking nog het ultieme bewijs van niet-integratie, vandaag geldt het als het ultieme bewijs van burgerzin. Steeds vaker heeft de overheid het niet meer over “het mondmasker” maar over “het mondneusmasker”: dat maakt meteen duidelijk hoe dat attribuut best gedragen wordt.

Soms wordt het verschil niet bewust gemaakt. Dan verraadt achteloos woordgebruik hoe de spreker écht denkt. Dan hebben beleidsmakers het bijvoorbeeld over ‘verkeersvrije’ straten, terwijl ze eigenlijk ‘autovrije’ straten bedoelen. Daarmee verraden ze dan misschien niet zozeer dat voetgangers en fietsers voor hen geen verkeer zijn, wel dat ze naar de publieke ruimte kijken vanuit een voorruitperspectief. Het verklaart dan vaak het soort beslissingen dat ze (niet) nemen.

Uitlaat of schoorsteen? Het is maar hoe je het bekijkt…

Denk bijvoorbeeld aan het ‘knippen’ van straten – een type ingreep die sinds het begin van de coronacrisis terecht meer in beeld is gekomen. Vaak is het ‘knippen’ van verkeer dan het voorwerp van hevige discussies tussen voor- en tegenstanders. De eersten pleiten dan voor verkeersveiligheid en leefkwaliteit, de laatsten hebben het dan al snel over ‘onbereikbaarheid’. Waarmee ze dan eigenlijk bedoelen dat automobilisten een omwegje zullen moeten maken. Maar aangezien ‘verkeer’ voor hen gelijkstaat aan ‘autoverkeer’ is een knip hetzelfde als een muur die dwars over de straat wordt gebouwd. Toen enkele jaren geleden in Lier een ‘knip’ werd geïnstalleerd op de Grote Markt, verschenen er raamaffiches die fulmineerden tegen “de Berlijnse Muur”.

Woorden kunnen wel degelijk een verschil maken. En dus is het verstandiger om het voortaan niet meer te hebben over een ‘knip’ maar over een ‘filter’. Je kunt immers nog door, alleen wordt het verkeer gefilterd: doorgaand gemotoriseerd verkeer wordt tegengehouden, fietsers en voetgangers en vaak hulpdiensten kunnen nog probleemloos passeren. Zo wordt het debat over de wenselijkheid van zo’n ingreep meteen een stuk zindelijker, want zo worden er geen doembeelden opgeroepen die helemaal niet stroken met wat werkelijk wordt voorgesteld.

In het mobiliteitsbeleid laten wij veel kansen liggen om de kracht van taal ten goede aan te wenden.

Vanmorgen las ik in De Standaard hoe de Oostendse burgemeester Bart Tommelein een groot voorstander is van een algemene neusmondmaskerplicht: “Je geeft best een duidelijke boodschap: ja of nee.” Hmm, merkwaardig om dat te horen uit de mond van een overtuigd liberaal, dacht ik. En blijkbaar dacht journalist Simon Andries dat ook, want de volgende zin luidde: “Het blijft raar om dat uit de mond van een liberaal te horen.”

De ene keer is er al wat meer vertrouwen in het gezond verstand van onze burgers dan de andere keer. Minister van mobiliteit Lydia Peeters vond het recent niet nodig om controles te doen op de werking van de roetfilter bij diesels – nochtans bepalend voor het al dan niet voldoen aan de emissienormen. Naar eigen zeggen rekende ze op “de burgerzin” van de automobilisten.

Te oordelen naar de zwarte walmen die mij onderweg geregeld in het gezicht slaan (leve het neusmondkapje, al helpt het naar verluidt geen moer tegen fijnstof), is dat met wisselend succes.

Vandaar mijn voorstel: als we die dieselroetfilter voortaan eens een ‘uitlaatmasker’ noemden? Zou dat de dieselrijders niet makkelijker het verband laten leggen tussen gezondheid enerzijds en de staat van hun voertuig anderzijds?

Laat de Blue Deal geen blauwtje lopen

Vandaag verscheen er onder de titel ‘Waterbeleid zoekt zijn weg’ een stuk van mijn ‘partner in crime’ architect Tim Vekemans en mezelf in De Standaard. Het gaat over de Blue Deal van minister Demir en hoe de voorbeeldfunctie daarin de rode draad zou moeten zijn. Te beginnen bij het dossier van de Groene Delle in Limburg. Voor wie (nog) niet geabonneerd is op De Standaard, volgt hieronder de integrale bijdrage.

Waterbeleid zoekt zijn weg

Lieven Sioen stelde de vraag of het dossier ‘Groene Delle’ onderdeel zal worden van de nieuwe Blue Deal van de Vlaamse Regering (DS 29.07.2020). Het zou een retorische vraag moeten zijn. In Limburg zijn er nog voldoende grondreserves voor industrie en er is geen objectieve reden waarom de Vlaamse regering de eigen beleidsdoelstellingen zou moeten verloochenen. Integendeel. Als minister Demir de ‘Groene Delle ‘ spaart als nat natuurgebied heeft ze de gedroomde mascotte voor haar Waterplan beet.

Twee jaar geleden schreven we een opiniebijdrage onder de titel ‘Waar een wil is kan een weg weg’ (DS 21.3.2018). Eerlijk: de geesten rijpten sneller dan wij durfden hopen. Maar of de Blue Deal meer wordt dan een voornemen, staat of valt met de medewerking van de steden en gemeenten. Dan is het ernstig nemen van de eigen voorbeeldfunctie een must.   

Trendbreuk

Hoe snel het nu ook gaat, de Blue Deal komt niks te vroeg. Behalve over corona ging het de laatste maanden over droogte- en hitterecords, dreigende tekorten aan drinkwater, overstromingen bij piekonweders en de versnellende afname van de biodiversiteit. Meer verharding betekent niet een beter maar een harder leven. Het verband tussen de symptomen van het ‘teveel’ (versleten infra, wateroverlast, hitte-eilandeffect) en die van de ‘tekorten’ (natuur, open ruimte, verkoeling, water) wordt almaar duidelijker.

Terecht verplicht de minister de gemeenten om een ‘Hemelwaterdroogteplan’ op te maken tegen 2024. Het zet ontharding als thema op de agenda en dwingt besturen er over na te denken. Het helpt dat de minister 75 miljoen euro reserveert voor concrete projecten en nog meer middelen in het vooruitzicht stelt.

Wordt dit de trendbreuk in ons ruimtegebruik waar we al jaren naar op zoek zijn? Mentaal alvast wel. Niemand beweert nog dat ontharding een fetisj is van verdwaasde ecologisten. In de praktijk is het nog afwachten. Als de ‘Groene Delle’ voor de Vlaamse Regering zelf al geen vanzelfsprekendheid is, wat mogen we dan verwachten van de andere overheden?

Ontkokering

Met plannen alleen komen we er niet. De kans is reëel dat ontharding dan als een gadget wordt beschouwd dat als het pas (of geld) geeft eens uit de kast wordt gehaald.

We moeten vermijden te blijven steken in ‘windowdressing’ en dat het verplichte Hemelwaterdroogteplan een nieuw voorbeeld wordt van onze Vlaamse ‘afvinkcultuur’:  “We hebben een goedgekeurd plan, we zijn in orde. Terug naar Business As Usual.” We zagen het eerder gebeuren bij mobiliteitsplannen en ruimteplannen. Veel gemeenten ondergingen de ‘planlasten’ en liepen domweg de lusten mis.

De Blue Deal hoort geen statisch plan te worden. Wel een dynamische filosofie die vanaf nu elk (bouw)project bezielt. Dat kan door telkens een verhardingsbalans toe te voegen: voor elke nieuwe verharding zal bestaande moeten verdwijnen. Denk aan de boscompensatieregeling, maar dan minder virtueel: stel je voor hoe het nieuwe project in de dorpskom een gat zou slaan in het lint er naartoe…

Zoals water overal zijn weg zoekt, zo zal een goede Blue Deal alle beleidsdomeinen overspoelen. In het onderwijs is de ontharding van speelplaatsen nu al een trend, met positieve effecten op het welzijn van de leerlingen. We kunnen onze scholen nog meer coronaproof maken door lokale parken en dorpstuinen in te schakelen.

Meer ruimte voor bomen (opslag CO2, schaduw, beschutting) geeft het klimaatbeleid een boost. Het hergebruik van breekmaterialen wordt vanzelfsprekend door een uitgekiend recyclagebeleid.

Binnen het stedenbouwkundig beleid moet ontharding het uitgangspunt vormen voor kernversterking. Weerstanden tegen verdichting kunnen weggewerkt worden met extra groene en blauwe publieke ruimte. Waterbeleid is ten gronde grondbeleid. 

Corona als kans

De 300 Vlaamse gemeenten krijgen er jaarlijks gemiddeld één kilometer weg bij. Een stijgende curve die we, in actuele termen, best zo snel mogelijk afvlakken en ombuigen om financieel niet kopje onder te gaan: we komen vandaag al niet toe met ons ‘onderhoudsgeld’.

De doorbraak van het thuiswerk verschuift onze mobiliteitsbehoeften van woon-werk- naar recreatieve verplaatsingen. Daardoor is er meer nood aan wandelpaden, trage wegen en fietswegen.  De kaarten voor meer mobiliteit met minder (brede) wegen lagen nog nooit zo goed. Een nieuwe verbeelding van hoe een weg er uitziet kan dit proces faciliteren – weg van het cliché dat een straat een stuk verharding is dat overal even breed en grijs is. “Karrensporen” en plattelandswegen met groene uitsparingen waar gemotoriseerd verkeer niet noodzakelijk overal kan kruisen, zijn een prikkelend perspectief. De vervanging van parkeernormen door mobiliteitsnormen maakt zowel geld als ruimte vrij voor de zachte alternatieven. Ontharding heeft ook een figuurlijke component.

In elk mobiliteitsplan zal een hoofdstuk ‘ontharding’ moeten staan. Denk aan de potentie om de verkeersveiligheid te verhogen door overgedimensioneerde kruispunten en te brede, tot snelheid ‘uitnodigende’, straten aan te pakken. De lijst van kansen is lang.

De voortuinreconquista

Terecht ziet de minister belangrijke beleidsinstrumenten in waterscans en een meldingsplicht voor wie water oppompt. Maar vooral de gemeenten zullen een sleutelrol spelen. Op korte termijn kunnen we resultaten boeken met de vergroening van opritten en voortuinen. Door de perverse regel af te schaffen die mensen dwingt hun garage achteraan op het perceel te zetten. Door van de ‘voortuinreconquista’ een lokaal en wervend project te maken door vraag en aanbod samen te brengen: degenen die opkijken tegen het extra groenonderhoud enerzijds en degenen die op zoek zijn naar een speeltuin voor hun groene vingers. Het maakt de Blue Deal concreet, zichtbaar en begrijpbaar.

Maar éérst dus die rode kaart van de Groene Delle vermijden.

Kris Peeters, lector PXL Limburg Afdeling Verkeerskunde en Mobiliteit en peter van het RE-MOVEproject

Tim Vekemans, architect (RE-ST) en lid van team RE-MOVE dat werkt aan een methodiek voor ontharding van gemeentewegen

(C)lockdown

Geplaatst op

Daar zitten we dan. Aan de rand van een nieuwe lockdown, al hoedt iedereen zich ervoor het zo te noemen. Een Clockdown dan maar? Vanaf morgen kennen we in deze provincie een avondklok.

De jongste jaren hield ik er al ergens rekening mee dat ik het fenomeen nog zou beleven. Maar zo snel had ik het niet verwacht.

De rechtvaardiging ervan is mij ook niet geheel duidelijk. Vermijden dat mensen na sluiting van de cafés feestjes bouwen op het publiek domein?

Zeker buiten de Grote Stad lijkt het me dan een disproportionele maatregel. En een selectieve, gezien intussen de vliegtuigen op de luchthaven van Deurne ongestoord storend mogen aan- en afvliegen.

Maar ik bekijk het van de zonnige kant (te meer daar die van de maan ons voortaan ontzegd wordt).

Wat mij betreft is met deze clockdown het belangrijkste argument tegen een veralgemening van het alcoholslot definitief onderuit gehaald – te meer daar dat argument gewoonlijk uit de hoek kwam van waar nu die avondklok is gekomen.

Wat dat argument was? Dat door een veralgemeend alcoholslot “iedereen wordt gestraft omdat enkelen zich niet aan de regels houden”.

Sowieso was dat een beetje met de haren getrokken. Bij een avondklok wordt inderdaad iedereen gestraft (want beperkt in zijn bewegingsvrijheid), terwijl bij een veralgemeend alcoholslot de nuchtere chauffeur zijn gewone gangetje kan gaan. Niks straf, wel een beloning: meer verkeersveiligheid en dus minder slachtoffers.

Maar kennelijk is de ene pandemie de andere niet. Anders konden provinciegouverneurs in wier provincie er opmerkelijk veel verkeersslachtoffers vallen (en laat de Provincie Antwerpen nu toevallig in dat geval zijn) zomaar een alcoholslot opleggen of, ik zeg maar wat, horecazaken sluiten die zich niet aan de wet op de beteugeling van de dronkenschap houden.