RSS feed

Categorie archief: Milieu

Ringland in Nederland

Geplaatst op

Toevallig (of net niet toevallig, wie zal het zeggen?), waren wij vandaag met onze eerstejaars in Maastricht. Vlaai, koffie, Limburgse gezelligheid en veel openheid over hoe de stad zich aanpast aan de 21e eeuw. Dat gebeurt zoekend en tastend, wat wil je, maar soms ook door-tastend.

Doortastend is wel het minste wat je kan zeggen van wat de Nederlanders hier de laatste jaren presteerden om de historische fout genaamd ‘A2′ weg te werken. Een snelweg dwars door het hart van de stad? In de jaren vijftig heette dat “een droom van economische vooruitgang”, tenminste voor het stadsbestuur van destijds dat met zijn lange arm tot in Den Haag de andersluidende aanbevelingen van Rijkswaterstaat wist te omzeilen om z’n zin te krijgen. Dat stadsbestuur was toen christendemocratisch, wat Melle Smets en Bram Esser ertoe brengt om het in hun boek ‘Snelwegverhalen’ (Uitgeverij 010, Rotterdam, 2011) over ‘de katholieke snelweg’ te hebben.

Het resultaat werd wijd en zijd berucht. De file door Maastricht werd een enerverende certitude voor hele drommen Nederlanders tijdens hun jaarlijkse trek naar het zuiden (en weer terug) en ook voor de bewoners langs het traject was de A2 geen zegening. Ze verwachtten een stadsboulevard, maar kregen een verkeersriool.

Maar dat is dus geschiedenis. Want de voorbije jaren werd hard gewerkt om de A2 vakkundig in twee verdiepingen onder de grond te stoppen. Helemaal onderaan is er een tunnel voor doorgaand verkeer. Daarboven zit er één voor bestemmingsverkeer. De vrijgekomen ruimte op het maaiveld wordt ingenomen door een centrale laan voor voetgangers en fietsers met links en rechts een rijweg voor de lokale ontsluiting.

Maastricht A2

Antwerpenaren zouden het resultaat misschien ‘Ringland’ noemen, al zou ‘centrumland’ natuurlijk juister zijn.

We stonden er vanmiddag naar te kijken met een mengeling van bewondering en afgunst.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

 

Pas binnenkort wordt de wandel- en fietsboulevard opengesteld, maar sommigen konden hun ongeduld niet bedwingen.

Iemand merkte op dat door deze ‘upgrade’ de waarde van de huizen wel erg moest zijn gestegen. En kijk, toevallig (of niet, wie zal het zeggen?) stond er vandaag in de NRC een stukje met de titel ‘Tunnel stuwt waarde huizen’. Blijkt dat het Centraal Planbureau heeft berekend dat niet alleen de huizen langs de weg zelf maar alle huizen in een straal van een kilometer in waarde zijn gestegen. In totaal zo’n 220 miljoen euro. “Tot 500 meter stijgen de huizenprijzen gemiddeld met 7,1 procent, van 500 tot 1000 meter met 4,2 procent.” Het Planbureau heeft er ook een verklaring voor: “de verbeterde leefbaarheid” onder de vorm van een grotere verkeersveiligheid, minder geluidsoverlast en een betere luchtkwaliteit.

Dat is logisch. En dat blijft het als je het omkeert: een verkeersonveilige, lawaaierige weg met veel luchtverontreiniging levert waardevermindering op voor al wie er in de buurt woont. De verklaring: “de onleefbaarheid”.

Daar moest ik aan denken toen ik in dezelfde NRC toevallig (of net niet, want te veel toeval wijst wel eens op het tegendeel ervan) las dat Milieudefensie (de Nederlandse evenknie van de Bond Beter Leefmilieu) en de Stichting Adem (de Nederlandse versie van ‘Ademloos’) in hoger beroep z’n fijnstofzaak verloor van de Nederlandse overheid: “Het gerechtshof in Den Haag oordeelde dinsdag in kort geding dat geen extra veiligheidsmarge in acht hoeft te worden genomen bij bijvoorbeeld de uitbreiding van snelwegen of het verhogen van de maximumsnelheid.”

De bevoegde Staatssecretaris, Stientje van Veldhoven (D66), “liet weten blij te zijn dat de huidige rekenmethode voor de luchtkwaliteit volstaat.” Een reactie die doet vermoeden dat zij het om voorzichtigheid schreeuwende boekje ‘Natuurlijk’ van de stichter van haar partij, Jan Terlouw, of niet gelezen of niet begrepen heeft.

Wat de politica vandaag beschouwt als een besparing, kost in werkelijkheid veel geld en levenskwaliteit. Vandaag én in een wijzere toekomst wanneer de fouten van vandaag zullen worden hersteld. Al zullen we het dan vergoelijkend over “de fouten uit het verleden” hebben. Want in het verleden waren er echt wel véél dommeriken. Dat kan geen toeval zijn geweest.

Advertenties

Houten (3)

Geplaatst op

De twee vorige bijdragen over Houten maakten heel wat reacties los. Hier op deze blog, in mijn mailbox en in contacten in ‘real life’ werd ik erover geïnterpelleerd. Sommigen vonden dat ik te streng was voor Houten (“geef mij maar het “saaie” Houten in plaats van 100 tinten grijs” mailde een student die een week later al terug in Houten stond).  Anderen vonden dat ik een punt had (en vonden het ‘bewijs’ na even Googelen: het thema leeft op het internet). En nog anderen zagen er de bevestiging in dat een en-en-beleid wel degelijk mogelijk is.

Op dat laatste ga ik graag nog even door. Want Houten mag dan in Nederland de titelvoerende ‘fietsgemeente’ zijn, tegelijk blijft ze ook een autogemeente. Houten hanteert vrij hoge parkeernormen en laat toe dat er vlakbij (of in) de woning kan worden geparkeerd. Doordat er gewerkt wordt met een dubbel verkeerssysteem – één voor fietsers en voetgangers en één voor automobilisten – is verkeersveiligheid voor de actieve weggebruikers nauwelijks nog een issue (voor wie zich er in wil verdiepen is er sinds kort de site http://www.verkeersveiligheidsvergelijker.nl van de Fietsersbond: open data, bij ons spreken ze erover, in Nederland doen ze het gewoon) én zijn alle bestemmingen toch vlot bereikbaar met de auto. Je moet wel wat omrijden, maar je hoeft quasi nergens te wachten op een fietser of een voetganger want je komt elkaar niet tegen.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Naar eigen zeggen zet Houten in op een laag autogebruik, niet op een laag autobezit.

Wat kan daar nou mis mee zijn?

Wat mij betreft wel één en ander. Om te beginnen is het een beetje absurd aan de ene kant het autobezit te faciliteren en aan de andere kant te verwachten dat mensen hem dan wel niet zullen gebruiken. In de praktijk blijkt het dan ook niet zo te werken.

Dat is een les die bijzonder relevant is voor ons, Vlamingen, omdat het de aanpak is die vele steden en gemeenten én het Vlaams Gewest officieel voorstaan.

Het autovriendelijke beleid zorgt ervoor dat de gemeente een hoger autobezit heeft dan vergelijkbare gemeenten. Allicht is dat deels verklaarbaar doordat de bevolking er gemiddeld wat warmer in zit. Op Wikipedia wordt Houten niet voor niets een ‘forenzengemeente’ genoemd. De meeste bewoners zwermen ’s ochtends uit om elders hun boterham te verdienen. Daaronder opvallend veel advocaten. “We moeten hier bij alles wat we doen echt wel op onze tellen passen,” glimlachte de ambtenaar die ons rondleidde.

Dat hoge autobezit vertaalt zich evenwel ook in een modal split die een hoog auto-aandeel laat zien. Inclusief de ‘passagiersritten’ bedraagt het auto-aandeel nog steeds 47,6% (bij 34% fiets en 15,1% te voet; Eva Van Eenoo deed de moeite om een en ander op te lijsten). Niet geheel onlogisch: als je investeert in een auto, is het dan niet logisch dat je hem ook wil gebruiken?

Desalniettemin: daarmee maakt Houten zijn beleidsambitie – autobezit niet ontmoedigen, autogebruik beperken – niet echt waar te maken. In vergelijking met die van Vlaamse steden en gemeenten is dit een modal split om ‘u’ tegen te zeggen, maar voor een echte fietsgemeente zou de lat toch nog wat hoger mogen liggen. We kunnen met andere woorden niet stellen dat Houten zijn beleidsambitie echt heeft waargemaakt.

Kennelijk is het niet genoeg om het fietsen veilig en aantrekkelijk te maken. Als ook de auto “in de aanbieding” staat blijft de verleiding van een salon met airco en een dolby-surround system vaak onweerstaanbaar.

Voor politici zou het natuurlijk een natte droom zijn mochten we er geraken met alleen maar honing. Houten leert ons echter dat ook azijnmaatregelen – lees: auto-ontmoedigende maatregelen – nodig zijn.

Is er dan iets mis met een hoog autobezit en dito autogebruik, hoor ik sommigen vragen. Als je mensen twee aantrekkelijke keuzes presenteert, kunnen ze zelf toch wel beslissen welke voor hen de beste is? Tja. Helaas is dat niet altijd het geval. Mensen maken vaak ‘warme’ keuzes (impulsief en/of uit gewoonte, zonder veel rationele afwegingen), geven een veel groter gewicht aan de korte termijn- dan aan de lange-termijn-effecten en aan de individuele voordelen dan aan de maatschappelijke consequenties.

Dan weegt het te weinig door dat autobezit én autogebruik enorme gevolgen hebben op het vlak van ruimtebeslag (en dus voor de allocatie van schaarse overheidsmiddelen nodig voor aanleg en onderhoud), klimaat (meer autogebruik zorgt voor meer opwarming), gezondheid (meer fijn stof, Nox, smog…), energie- en grondstoffenverbruik (we verbranden op korte tijd eindige stoffen die op miljoenen jaren werd opgebouwd – die discrepantie zal zich wreken) en de handelsbalans (het geld dat we uitgeven aan olie lekt weg uit de eigen economie, grotendeels naar regimes die het niet zo nauw nemen met democratie en mensenrechten).

Blijft de vraag wat Houten zou kunnen doen om minder een autogemeente te worden zonder dat dit afbreuk doet aan de levenskwaliteit van de bewoners. Ik heb uit mijn plaatsbezoek begrepen dat ze er in Houten zelf ook mee worstelen.

De hoge parkeernormen vervangen door een ‘mobiliteitsnorm’ zou een eerste stap kunnen zijn. Dan krijg je vanzelf meer middelen en ruimte voor aantrekkelijke alternatieven als autodelen en een beter openbaar vervoer.

Verder zou Houten bij nieuwe ontwikkelingen kunnen voorzien in geclusterd parkeren op afstand. Dan staat de auto niet langer in de aanbieding (en in de weg), heb je minder verharde oppervlakte nodig en bied je de bewoners nog meer kansen op sociale contacten (zie de onderzoeken van Appleyard).

Tenslotte, maar dat heeft Houten zelf niet in de hand, zou rekeningrijden ook hier een goeie incentive kunnen zijn om mensen te helpen meer volhoudbare keuzes te maken.

Zo. Benieuwd naar jullie reacties.

‘Betonstop’ versus ‘meer beton’

Tim Vekemans is architect-vennoot bij het architectuurbureau RE-ST dat een onderzoek voert naar de onderbenutting van onze weginfrastructuur onder de werktitel ‘wegweg.be’.  Behalve goede vrienden zijn we af en toe ook ‘partners in crime’. Hier resulteerde dat in een gezamenlijke opiniebijdrage en de eer voor mij om als ‘peter’ van het project te mogen optreden.

De tekst hieronder verscheen eerder deze week in een lichtjes andere vorm in De Standaard. De VRP gaf er ons de ‘Openruimtebeker’ van de maand mei voor.

Openruimtebeker

“Ruimtelijke ordening en mobiliteit zijn de jongste maanden niet uit de actualiteit weg te slaan. Files, verkeersonveiligheid, emissies, onbetaalbare woningen, de spanning tussen de ruimtelijke behoeften van natuur en economie… Bij nader inzien woedt er niet één debat. Het zijn er twee. In het ene debat wordt er een lans gebroken voor een switch van uitbreiding naar inbreiding, van verdunning naar verdichting. Alvast in woorden lijkt er over deze richting stilaan eensgezindheid te zijn. In het andere debat wordt er meer warm en koud geblazen. De ene dag wordt gekozen voor meer duurzame verplaatsingen met mobiliteitsvergoedingen en -budgetten, de andere dag worden miljardeninvesteringen in nieuwe wegcapaciteit aangekondigd. Niet eens zo vrij vertaald: ‘bestonstop’ versus ‘meer beton’.

Probeer ze niet te rijmen, dat lukt niet. Ruimtelijke ordening en mobiliteit zijn een Siamese tweeling. Het lot van de ene helft is verbonden met dat van de andere. Meer wegcapaciteit stimuleert ons om verder van ons werk te gaan wonen en langere afstanden af te leggen. Omgekeerd vereisen verkavelingen ver-van-alles-af meer wegcapaciteit. Mobiliteit en stedenbouw zonder ‘grenzen’ leiden tot stilstand, onleefbaarheid en onbetaalbaarheid. Dat is algemeen geweten, maar we willen het nog steeds niet geweten hebben. Daarom voeren we de ene dag een debat over mobiliteit, de andere over ruimtelijke ordening.

De rode draad in deze debatten is nochtans dezelfde: hoe doen we meer met minder? Het gaat om leren leven binnen een gegeven schaarste aan ruimte. Zoals het leven zelf, is dat een proces van oefenen en dus ook mogen falen. In het ruimtelijke debat is vandaag al een hele weg afgelegd. De vraag is niet langer of we onze ruimte anders moeten organiseren, maar hoe we dat moeten doen. Toch wordt de ruimtelijke verdichting nog te vaak gezien als een probleem van de gebouwde ruimte en dus als een louter stedenbouwkundige en architecturale kwestie.

Daarbij wordt de olifant in de kamer over het hoofd gezien: onze weginfrastructuur. Ook die zou een stevige verdichting kunnen gebruiken. Niet in de klassieke betekenis, want met 72.000 km wegen op 13.533km2 hebben we al ongeveer het dichtste wegennet ter wereld. In onze op groei gefocuste maatschappij weerhoudt het ons er niet van meer weginfrastructuur nog altijd te zien als een synoniem voor vooruitgang. Dus blijven we ‘investeren’ in de uitbreiding van ons wegennet, ook al slagen we er niet eens in dat behoorlijk te onderhouden. Zo morsen we met ruimte én met mobiliteit. Dat de eerste de beste mannetjeswolf die zich in onze contreien vertoont onmiddellijk doodgereden wordt, mag met nog slechts 3% tot confetti versnipperde natuur dan ook geen toeval heten, wél symbolisch.

Infrastructurele verdichting, in de zin van ‘meer mobiliteit met minder infrastructuur’, is de noodzakelijke pendant van de verdichting van onze gebouwde ruimte. En omgekeerd. Ons wegennet is systematisch overgedimensioneerd. In de praktijk betekent dat: meer verharding die geld kost en blijft kosten door onderhoud, verkeersonveiligheid, een problematische waterhuishouding, meer klimaatopwarming (want meer reflectie) en een gehypothekeerde verblijfskwaliteit. Wie het teveel aan wegverharding aanpakt, boekt winst op vele fronten. Hogere snelheden veronderstellen meer ruimte. Daardoor dient zich bijvoorbeeld een unieke kans tot ontharding aan met de verlaging van de snelheidsnorm op onze gewestwegen van 90 naar 70km/u en de geleidelijke veralgemening van de zone 30 binnen de bebouwde kom.

Wat als we het probleem eens herformuleerden: hoe kunnen we onze mobiliteitsbehoefte oplossen binnen de oppervlakte van de bestaande weginfrastructuur door ze anders en beter te benutten? Wat als we zouden beginnen met een kritische scan van het gebruik en de dimensionering van ons wegennet? Enkele eerste onderzoeken in samenwerking met architectuurstudenten in Limburg, in zowel steden als ruraal gebied, levert alvast veelbelovende resultaten op. Een ‘slimmer’ gebruik van wat we al hebben, of zelfs minder asfalt en beton, betekent minder verharding en dus meer ruimte die vrijkomt voor ander gebruik. Infrastructurele ‘verdichting’ kan leiden naar ‘verluchting’ en zo het maatschappelijk draagvlak voor de stedenbouwkundige verdichting verbreden. Denser wonen kan alleen kwaliteitsvol bij de gratie van een kwaliteitsvolle publieke en open ruimte.

Karrespooraanleg

Ook in Borgloon gingen ze al met ‘ontharding’ aan de slag…

Bezondigen wij ons aan wishful thinking? Niet echt. Het gebeurt immers al in de praktijk. Internationaal is er de ‘reclaim the streets’-beweging. In de steden zien we een groeiend draagvlak om straten niet enkel te reserveren voor verkeersfuncties. Dat resulteert in tal van nieuwe praktijken, gaande van speelstraten over schoolstraten naar fietsstraten tot leefstraten, tuinstraten, toekomststraten…Telkens wordt harde infrastructurele ruimte, hetzij tijdelijk hetzij definitief, teruggegeven aan meer zachte functies: spelen, ontmoeten, flaneren, wandelen, fietsen, sporten, natuur… Ook buiten de steden beweegt er wat. In het Kempische Kasterlee bijvoorbeeld gaat men nog een stap verder. Na intensief overleg met de buurtbewoners zal de Goorseweg, gelegen in waardevol bosrijk gebied, de komende weken herleid worden tot een tweesporenweg. De weg blijft er bruikbaar voor fiets en auto, maar dan met de helft minder beton. Het is een concept dat zowel buiten als binnen de stad toepasbaar is en kan helpen in de transitie naar een mobiliteitsontwikkeling die wegneutraal is tot, in sommige gevallen, een ‘wegweg’-effect. Sommige wegen kunnen we gerust geheel of gedeeltelijk teruggeven aan de natuur. Zonder aan mobiliteitscomfort in te boeten en met een bonus in de vorm van meer ruimtelijke kwaliteit. Zoals verdichting niet gaat over minder maar over meer woonkwaliteit, zo gaat ‘ontwegging’ niet over minder maar over meer mobiliteit.

Kijk even rondom u. Wedden dat u voorbeelden ziet van overgedimensioneerde en/of oneigenlijk gebruikte verkeersinfrastructuur? Zo zouden we om onze landbouwwegen veilig te maken en sluipverkeer te weren de mogelijkheden van ontharding kunnen ontdekken. Anders dan men intuïtief zou denken resulteert dit niet in minder maar in meer mobiliteit. Recente experimenten zoals dat in Bonheiden, waar landelijke wegen werden herbestemd tot een netwerk van fietsstraten, leverden spectaculair meer functioneel én recreatief fietsverkeer op. Bestemmingen die tot voor kort onbereikbaar waren voor kinderen omdat de weg er naartoe te onveilig was, zijn nu vlot bereikbaar. Resultaat: meer mobiliteit voor kinderen én voor hun ouders, die niet langer tot taxi-ouder gedegradeerd worden. Infrastructureel ‘opruimen’ levert dus ecologische, economische én sociale winst op.

Tot slot een laatste ‘wat als’-oefening. Stel u voor dat we binnenkort samen de ‘schup in de grond’ steken. Deze keer echter niet als voorbode van meer maar van minder beton. Hoe disruptief, innoverend, smart én consequent met de huidige ruimtelijke retoriek zou dat niet zijn?”

 

 

 

Over een Heilig Huisje en z’n koterij

Wat is het verschil tussen een rijstrook en een loonstrookje? Antwoord: in België is er geen verschil. Een flink deel van onze ochtend- en avondfiles bestaat uit auto’s met daarin mensen die gedeeltelijk uitbetaald worden in aluminium, chroom, rubber, leder en fossiele brandstoffen. Dat maakt van de betrokkenen ‘captive users’, mensen die geen andere keuze hebben dan gebruik te maken van het vervoer dat hen ‘gratis’ ter beschikking wordt gesteld. Wie gedacht had dat gratis vervoer verdwenen was samen met de gratis bussen in Hasselt, is er aan voor de moeite. De federale overheid besteedt meer geld aan de subsidiëring van autosolisme voor een minderheid (20% van de werknemers) dan aan een fatsoenlijk aanbod van openbaar vervoer voor iedereen.

Voorruitperspectief Parkeren voor de deur Schaarbeek

Al naargelang van de bron gaat er jaarlijks tussen 2 en 4 miljard euro op aan de subsidiëring van iets wat we in alle andere contexten beweren te willen ontmoedigen. De OESO hield het op een kost voor de belastingbetaler van een dikke 2300 euro per salariswagen per jaar. Gerekend aan een conservatieve schatting van 600.000 salariswagens is dat het equivalent van 4.392.000 gratis jaarabonnementen voor De Lijn. Niet dat ik een pleitbezorger ben van gratis openbaar vervoer, maar het geeft een idee van de schaduwkost.

Een flauw idee, eigenlijk, want de kost is in werkelijkheid veel hoger. Behalve het geld dat naar salariswagens gaat en niet naar (pakweg) een goed OV-aanbod, betekent elke automobilist meer een potentiële OV-klant minder en dus minder inkomsten én minder rendement voor dat openbaar vervoer. Tel er dan nog even de externe kosten bij (gezondheid, klimaat, milieu, verkeersonveiligheid, extra kosten voor aanleg en onderhoud van infrastructuur) en het plaatje is helder: salariswagens zijn een onverdedigbaar fenomeen. En ‘dus’ onhoudbaar in een parlementaire democratie die er moeite mee heeft om de financiële touwtjes aan elkaar te knopen.

Enfin, dat zou je denken. In werkelijkheid volstaat het dat één grote minderheidspartij salariswagens tot taboe verklaart om deze transfers van iedereen naar enkelen, van duurzame vervoerswijzen naar een schadelijk vervoerssysteem een levensverzekering te bezorgen. We kunnen blijkbaar zekerder zijn van ons recht op wagenziekte dan op ons recht op medische verzorging.

Fier kloppen we ons op de borst wanneer de economie weer groeit, maar niemand stelt zich de vraag waaruit die groei bestaat. Meer auto’s, meer brandstof- en bandenverbruik, meer ongevallen, meer luchtverontreiniging en meer puffertjes – het is allemaal goed voor de economische groei. Maar – ik hoop dat ik hiermee geen geheim verklap – dus niet voor ons. Steeds meer groei is groei die welvaart opeet in plaats van te creëren.  De OESO schat de externe kosten van alleen al ons salariswagensysteem op 1% van het BBP. Hoe moeten we zo’n groei noemen? Lintwormgroei?

Dat systeem blijft dus in tact. Het heilige huisje blijft overeind. Dat is het slechte en schandalige nieuws. No tax shift, no modal shift.

Het goede nieuws is dat het heilige huisje er wat koterij bijkrijgt. Niet mooi, maar wel beantwoordend aan de groeiende vraag van een samenleving die aanvoelt dat het zo niet verder kan.

Om even vlotjes van metafoor te wisselen, de olifant in de kamer heeft twee muizen gebaard: het mobiliteitsbudget en de mobiliteitsvergoeding. Allebei hebben ze dezelfde finaliteit, maar omdat we in dit land nu eenmaal niet goed zijn in keuzes maken (en omdat sociale secretariaten en boekhouders ook nog iets om handen moeten hebben), zetten we ze broederlijk naast elkaar. Zo kunnen onze werkgevers weldra kiezen hoe ze hun werknemers aan zich binden: met alleen een auto, met een mix van vervoerswijzen en eventueel wat cash, of met een vrij te besteden sloef geld.

Daar zit maatschappelijke winst in: eindelijk keuzevrijheid voor de werknemers (gesteld dat er veilige fietsvoorzieningen zijn en/of een deugdelijk OV-aanbod, anders is de keuze natuurlijk geen keuze), eindelijk een incentive om met mobiliteit niet nodeloos te morsen en een klein stukje van het salariswagenbudget dat naar de duurzame modi gaat. Vandaar dat ik daarstraks op de radio zei: “Ik ben een beetje blij.”

Een beetje, niet héél blij. Niet alleen blijft het heilige huisje overeind, zal het gegarandeerd groter blijven dan de nieuwe aanbouwsels én zal het nog verder groeien. Ook belichamen het mobiliteitsbudget en de mobiliteitsvergoeding elk op hun manier weer nieuwe onrechtvaardigheden. Het eerste omdat wie ver van z’n werk woont daar nu voor wordt beloond. De tweede omdat wie in het verleden het meest vervuilde (dikste kar, grootste verbruik en afstanden) daar nu voor wordt betaald. Dit soort perverse effecten duiden we wel eens aan als het ‘Mattheüseffect’.

Mattheüs leefde 2000 jaar geleden en was helaas geen Romein. Anders hadden we van hem iets kunnen leren.

De betutteling voorbij

Politici die nog verontwaardiging kennen, ik hou er wel van. Het wijst erop dat het hen om de inhoud te doen is, niet om hun positie. Dat lijkt me gezond.

Gwendolyn Rutten (Open VLD) is zo’n politica die geregeld verontwaardigd is. En dat laat ze dan weten. Via Twitter bijvoorbeeld. Meestal komt het erop neer dat ze ‘goesting’ heeft in iets en dat iemand anders daar vraagtekens bij heeft geplaatst. Om te erven zonder daar belastingen op te hoeven betalen bijvoorbeeld. Of om de open haard aan te steken. “Betutteling!” riep ze deze week nog toen het smogalarm stemmen deed opgaan om het verbranden van hout aan banden te leggen. Dat het smogalarm ook leidde tot een officieel advies aan ouderen, jonge kinderen en personen met onder meer hart- en vaatziekten ‘geen zware inspanningen te doen’, toch een erg concrete vorm van vrijheidsbeperking, was voor haar dan weer geen aanleiding om van betutteling te spreken.

Maar ook anderen kunnen verontwaardigd zijn. (Ex?)-expolitica Mieke Vogels (Groen) bijvoorbeeld. Het Laatste Nieuws noteerde vorige week: haar verontwaardiging is nog intact. De oudstrijdster van mei ’68 stelde zich de vraag wat er eigenlijk nog mocht: suiker, vlees, een complimentje geven? Mogen we nog ademen misschien? (Antwoord: ja, maar met mate. Zie hoger.)

Anneleen Van Bossuyt (N-VA) blijft zoals de rest van haar partij verontwaardigd over het Gentse mobiliteitsplan, al klinkt het nu al wel dat doorgaand autoverkeer niet thuishoort in de stad. Alleen moeten we dat niet verbieden.

Van Bruno Tobback (SP.a) kennen we dan weer van de legendarisch geworden uitspraak dat hij perfect weet wat er moet gedaan worden om het klimaat te redden, maar dat hij, als hij dat zou doen, niet meer verkozen zou worden. Intussen weten we: die inhoudelijke abdicatie bracht hem evenmin iets op.

Luchtkwaliteit

‘Verboden te verbieden’ – de oude leuze is nog springlevend. In een wereld die zichzelf decennialang heeft ingeprent dat the sky the limit is en alles moet kunnen, is het erkennen van grenzen blijkbaar moeilijk. Sedert het Rapport van Rome in 1972 proberen we er omheen te leven. Eerst door de feiten te negeren. Vervolgens door ze te minimaliseren en te nuanceren. Dan door ze een andere definitie te geven en met creatieve oplossingen te komen. Denk aan het concept ‘duurzame groei’: voilà, water en vuur verzoend. We kunnen weer verder.

Onlangs kreeg de ‘grensverleggende’ visionair Elon Musk, bij de lancering van zijn hergebruikraket luidop dromend van een Planeet B (in casu het romantische Mars) voor wanneer de aarde uitgewoond is, zelfs applaus van uitgerekend de Bond Beter Leefmilieu. Die was zich er kennelijk niet van bewust dat ze daarmee de facto het ecologische concept van ‘Spaceship Earth’ (gepopulariseerd door de Amerikaanse architect Buckminster Fuller) ten grave droeg. Van de vrienden moet je het hebben.

Ben ik streng? Laat ik dat dan meteen nuanceren. Want als ik eerlijk ben, herken ik me er wel in.  Ook bij mij valt de ene waarheid al wat makkelijker dan de andere. De gezelligheid van een haardvuur. Een lekker stukje vlees. Nieuwe wegen verkennen met de auto als panopticon. Wie houdt er niet van? Allemaal kennen we onze zondige geneugten.

Nu de eindigheid van de ecosystemen steeds pijnlijker zichtbaar en voelbaar worden is dat hard ontwaken. Daarmee leren leven, letterlijk: leren leven, is geen sinecure. Dat vergt aanpassing. Om te beginnen een erkenning van het probleem, of beter: van de problemen.  Daarna een verandering van gedrag, of beter: van ons gedrag.

Voor sommige praktijken zitten we amper in de eerste fase. Voor andere hebben we aarzelend fase twee aangevat.

Tijden waarin de dingen hun vanzelfsprekendheid verliezen, zijn geen makkelijke tijden. Dat zijn tijden die mentaal belastend zijn. Extreem belastend. Een mens is een gewoontedier. Wij zijn niet gemaakt, laat staan geschikt, om bij alles na te denken.

Denken. Durven. Doen. De natuurlijke volgorde is anders. Die wijzigen is geen kleine verandering. Hier en daar een heilige niet te na gesproken – u weet wel, zo’n vervelende figuur die ons pijnlijk confronteert met ons tekortschieten en ons excuus ‘dat het niet anders kan’ genadeloos onderuit haalt – verwacht niemand dat we plots alles anders gaan doen. En dus onszelf niet meer zijn.

Want ook de noodzakelijke gedragsveranderingen draaien uiteindelijk om de identiteitsvraag: wie zijn we en wie willen we zijn? Zijn we de koningen van de schepping? Of alleen maar een onderdeeltje tussen alle andere? Zijn we het hoogtepunt van de biologische evolutie of integendeel het diepte- en meteen ook het eindpunt? Zijn we de heersers van de aarde? Of er alleen maar de doodgravers van?

We zitten in een overgangstijd. We leven op losse schroeven. Onze enige zekerheid is de onzekerheid. Dat is even boeiend als vermoeiend. En niet vrijblijvend.

Zou het voor onze comfortzone best allemaal wat langzamer mogen gaan, voor de wereld ziet het ernaar uit dat het niet snel genoeg kan gaan. Het is vijf voor twaalf, al staat de Doomsday Clock op twee voor twaalf. Dat klinkt alsof alles al verloren is, maar het mooie aan die klok is dat ze ook achteruit kan worden gezet. Dat is dan ook keuze waar we voor staan: het is aanpassen of uitsterven.

Gunnen we onszelf nog wat meer tijd of niet? Noem het twee soorten betutteling waaruit we kunnen kiezen. De ene met, de andere zonder toekomst. De vrijheid van een ander leven versus de vrijheid van een zelfgekozen einde. Dat klinkt méér als een dilemma dan het in de feiten is. Want dat andere leven, een nieuwe manier van leven binnen de grenzen van de schaarste, hoeft niet minder vrij, laat staan minder gelukkig te zijn. Alvast voor wat betreft ‘mobiliteit’ heb ik geprobeerd dat aan te tonen in mijn boek ‘Weg van mobiliteit’. Anderen doen en deden dat voor andere terreinen zoals economie, energie, ruimte…

In de 21e eeuw is leven, om het even met Sloterdijk te zeggen, meer dan ooit een kwestie van oefenen. We zijn broddelaars onder elkaar. Moge dit ons aanzetten tot bescheidenheid, tot vergevensgezindheid, tot de bereidheid om te leren uit de eigen fouten en die van anderen. En vooral tot begrip voor en steun in de strijd die we allemaal voeren: het afscheid van oude praktijken die we liefhadden en de zoektocht naar nieuwe praktijken. Voorbij de ogenschijnlijke betutteling ontvouwt zich een vrijheid van onbegrensde nieuwe experimenten en mogelijkheden.

En hé, onbegrensdheid, daar was het ons toch allemaal om begonnen?

Van utopie naar dystopie (en terug)

Alle cargates ten spijt hielden de autoconstructeurs ook in 2017 onbeschaamd hun communicatielijn aan: elke nieuw model is zuiniger, veiliger en milieuvriendelijker en toch sneller, comfortabeler en groter.

Neem bijvoorbeeld de nieuwe Volvo S90. Volgens de advertentie verbruikt die tussen de 2 en de 7,3 liter. Die 2 liter slaat dan op het plug-in hybride model en vergeet te vermelden dat er dan ook nog elektriciteit benodigd is – en energie voor het opwekken van die elektriciteit. De 7,3 liter is dan weer het resultaat dat werd neergezet in een 20 minuten durende test in een laboratorium, nadat alle toeters en bellen (velgen, zetelverwarming, airco,…) werden verwijderd, alle gaten dichtgetaped, met opgewarmde motor, bij constante (gunstige) temperatuur, luchtdruk en vochtigheid en bij een gemiddelde snelheid van… 34km/u.

Kortom, een Volvo zonder ‘luxury’ dus en zonder uitgepuurde lijnen onder een stolpje van fake reality.

Omdat het moet van de wetgever wordt er vermeld dat het een NEDC-test betreft, wat in gewone mensentaal wil zeggen dat Volvo zich nog gerept heeft om haar nieuwe model onder de oude meetmethode te laten vallen: gunstiger voor Volvo, ongunstiger voor haar klanten.

Business op z’n Zweeds? Nee hoor, business as usual. Ze doen het allemaal.

Volvoreclame (3)

Hoe groter de auto, hoe kleiner de lettertjes, lijkt het wel. “Vanaf 37.530 euro”, maar het afgebeelde model is 7000 euro duurder.

Terwijl de marketingafdelingen van elke autobouwer ons doen geloven dat deze tegengestelde uitkomsten moeiteloos worden verzoend dankzij technologisch vernuft, overtuigen hele legers lobbyïsten in de Europese coulissen politici ervan dat dit een onhaalbare opgave is en dat dus de milieu- en veiligheidseisen naar beneden moeten worden bijgesteld. Met succes, want ook in 2017 werden de aanbevelingen van de technische werkgroepen telkens aardig bijgesteld in het voordeel van de constructeurs. En dus in het nadeel van alle anderen, inclusief de mensen die helemaal nooit met een Volvo zullen rijden.

Maar eigenlijk wou ik het niet eens daarover hebben. Aanleiding voor dit stukje is de merkwaardige setting waarin Volvo tegenwoordig zijn auto’s plaatst. Hierboven: een grijze wereld. De auto is grijs, het asfalt is grijs, de muur is grijs. Zelfs de voetganger is grijs. Vermoedelijk is het de net uitgestapte automobilist, want in de Volvo zit niemand en de lichten zijn nog aan. De man kijkt nog even naar zijn auto. Liefkozend wellicht, maar ook hier betreft het duidelijk een laboratoriumsituatie. In de echte wereld zal zijn blik bezorgd zijn: is de auto wel op slot, kan ik hem hier wel achterlaten? Want de omgeving is nu niet bepaald de meest gezellige: behalve kleurloos is ze ook verlaten. Er is geen mens op straat en de muur is blind. Van de sociale controle zal het niet moeten komen.

Is die setting toeval, een folietje van een fotograaf verzot op 50 tinten grijs en de textuur van bakstenen muren?

Helaas. De advertentie voor de Volvo XC90 bewijst dat het geen toevalsmisser is.

Volvoreclame (5)

Ook hier is het decor eerder onherbergzaam dan gezellig. Asfalt, glas, beton – ziedaar de kille hoofdbestanddelen van het decor dat Volvo zelf mocht kiezen. Tweehonderd meter eenzaamheid. Er is geen levende ziel op straat en dat is ook weinig verwonderlijk, want er valt alle-Fika-nog-aan-toe niks te beleven.

“Is dat erg,” vroeg een professor emeritus mij vorige week, “dat is toch ideaal als je voor de deur wordt opgehaald en afgezet?”

Hij was al één station verder: bij hem zat er ook al niemand meer in de Volvo. Die zou dan zelfrijdend en eigengereid op weg zijn om iemand op te halen. In dat scenario klopt het beeld al half.

Het trottoir zou dan inderdaad verlaten zijn. Maar de weg niet. De weg zou één permanente stroom van auto’s zijn. Het trottoir zou opgebroken zijn en geannexeerd voor een weg vol Volvo’s: volle Volvo’s, maar ook lege – allemaal doelbewust op weg naar hun bestemming. Het summum van efficiëntie!

Daarmee wordt rücksichtslos voorbijgereden aan de noodzaak van het overbodige: toevallige ontmoetingen, serendipiteit, het geluk om mensen ‘per ongeluk’ te ontmoeten, een blik of een glimlach uit te wisselen,  elkaar te leren kennen – zonder dat dit vooraf geprogrammeerd was.

Bij nader inzien is de utopie van Volvo en soortgenoten eigenlijk een dystopie: een stad die getroffen lijkt door een neutronenbom. De gebouwen staan nog overeind, de infrastructuur is nog in tact. Maar alle leven is er uit weggezogen, elke vorm van menselijke aanwezigheid is vakkundig uitgewist.

Is het dat wat we willen? We kunnen elkaar misschien eens de vraag stellen bij ons volgende bezoek aan de kerstmarkt.

Prettig kerstfeest!

Net niet te klein: Central Park

Over parkjes gesproken. Ken je Central Park? Bart Dewever liep er een tijdje geleden verloren tijdens zijn ochtendjogging en sinds ik er geweest ben geloof ik dat. Central Park is écht wel groot. 341 hectare om precies te zijn. De New Yorkers vonden dat zelfs groot genoeg om het park z’n eigen ambulances te geven.

IMG_0193

Tegelijk is het eigenlijk ook niet zo groot. Wij waren er op een zonnige zondag en toen bleek het maar net op z’n belangrijke taak bemeten: overal waar we keken was het een leuke mensenboel. Het had echt niet kleiner mogen zijn.

IMG_0067

De variatie is groot: bloemperken, rotspartijen, sportterreinen (vooral voor baseball, of wat had je gedacht?), speeltuinen, meren en vijvers, fonteinen en beelden, ligweiden, kronkelige paadjes, pleinen… Het is er allemaal. Central Park is wat mij betreft op z’n best op de plekken waar het zich voordoet als ‘puur natuur’.

In werkelijkheid is het ‘man-made nature’ van het zuiverste pompwater en beantwoordt het aan het oude ideaal van de ‘veilige natuur’. De wilde natuur getemd, als het ware.

IMG_0212

Neem bijvoorbeeld ‘the ravine’ in het noorden van het park. Er is geen ravijn in de wereld dat zo goed is in het ravijn-zijn als dit ravijn, maar dan zonder de gevaarlijke trekjes die de soortgenoten doorgaans hebben.

Als doorsnee-Europeaan is het in het park als in de rest van Manhattan: het is een beetje thuiskomen. Ook al ben je er nooit eerder geweest, toch is het overheersende gevoel er één van herkenning. Komt natuurlijk door al die films en feuilletons die het park (en de stad) als decor kozen. Zelfs ik die al bijna dertig jaar nauwelijks televisie kijk, bleek er voldoende van doortrokken.

En toch had het park nog enkele verrassingen in petto.

Ten eerste: de surrealistische zichten op de stad. Hier het groen, ginds het blauwgrijze glazen en stenen gebergte dat de wolken krabt. Dat had ik natuurlijk ook wel al in films gezien, maar ‘in het echt’ is het toch nog een ander paar mouwen. Dat was de aangename verrassing.

Er was er ook een onaangename: dwars door Central Park rijden er auto’s. Dat wist ik niet. Ik leefde in de illusie dat Central Park een autovrij gebied was. Niet dus. Alleen na 19u en in het weekend is het park vrij van autoverkeer. En dan nog, want het New York Police Department (NYPD) staat overal op de uitkijk met groot én klein rollend materieel.

Het is voor dit stadsleger dat, denk ik, het woord ‘ubiquiteit’ is uitgevonden. Want het fenomeen beperkt zich allerminst tot Central Park. Niet voor niets telt de NYPD naar verluidt meer manschappen dan de hele federale politie van de VS tezamen.

IMG_0114IMG_0190

Maar wanneer het park op z’n zondags is, wordt de rondweg een heuse velodroom. Je ziet er de New Yorker rondjes fietsen (één rondje: 10 km), als hamsters in hun stadskooi. Dan en daar, en alléén dan en daar, kan het zonder je leven te riskeren.

Een kooi om vrij te kunnen zijn, dat Orwell dààr nooit op gekomen is.

IMG_0225

Wie niet graag fietst, behelpt zich met een elektrisch aangedreven skateboard of, minder uitzonderlijk, laat zich voeren met een riksja voor 5 of 6 dollar per minuut.

Te oordelen naar het succes van de taxifietsen is die prijs ‘marktconform’. Hij weerspiegelt de schaarste van dit soort plezier in een stad als deze. Lees de rest van dit bericht