RSS feed

Categorie archief: automobilisme

Dansen op een slapper wordende koord

In De Standaard van 10 augustus verscheen onderstaande opiniebijdrage van mijn hand onder de ietwat provocerende titel ‘Ecoschaamte voor Rammstein? Nu even niet’. Ik hoop dat het stuk de nuance tussen ‘periodiek teveel’ en ‘systematisch’, heel vaak: ‘systemisch teveel’, voldoende verduidelijkt.

Tot mijn oprechte verwondering waren de meeste reacties instemmend en positief – al was er wat collateral damage van klimaatsceptici (ja, ze bestaan nog altijd) die elk artikel aangrijpen om Het Grote Complot in de verf te zetten en een handvol je m’n fou-tisten die er verkeerdelijk een legitimatie voor hun houding in lazen. De afwijzende ‘ecofundamentalistische’ reacties die ik eigenlijk vooral had verwacht, bleven ver in de minderheid.

Een ervan wil ik u niet onthouden: ‘Het is voor mij duidelijk dat deze socioloog en antropoloog een reeks schaamlapjes zoekt voor zijn toch opspelende omvangrijke ecoschaamte. Natuurlijk weet hij als socioloog en antropoloog dat zelfs de grootste schaamlap de schaamte niet doet verdwijnen. Ook na het schrijven van deze tekst en het hem aangeboden forum, zal de ecoschaamte, die hij, meer dan terecht, voelde, in hem blijven woekeren.’

Ik denk dat het een thema is waarop we later nog wel eens zullen moeten terugkomen.

Liebe ist für alle da.’

Eerlijk? Ik worstel ermee. Ik verdenk mezelf van cognitieve dissonantie als ik uitleg dat ik, alle klimaatverandering ten spijt, naar Rammstein ben geweest en, meer nog, er onbeschroomd van heb genoten. Praat ik recht wat krom is? Ben ik gewoon handig geworden in het verzinnen van excuses? Bijvoorbeeld: als je de uitstoot van zo’n megaspektakel deelt door 100.000 toeschouwers, dan valt die best mee, toch? Of zijn die 100.000 juist het probleem, want evenzoveel verplaatsingen die lang niet allemaal met het openbaar vervoer of de fiets gebeurden?

Ik moet me niet heiliger voordoen dan de Paus. Ik ben deze zomer ook nog eens op vakantie geweest. Naar Spanje. Met de auto. Hoe verantwoord is dat, in een zomer die de rampzalige vorige nu al in de schaduw zet? Er zijn niet alleen meer de onmiddellijke effecten, maar ook de tweedeorde-effecten. Te weinig neerslag leidt tot meer hitte. Meer hitte leidt tot meer waterverbruik. Meer waterverbruik leidt tot een groter watertekort. Kerncentrales worden stilgelegd bij gebrek aan koelwater. Binnenscheepvaart wordt onmogelijk door te lage waterstanden. Noodgedwongen wordt teruggegrepen naar steenkool en meer wegvervoer, waardoor het broeikaseffect nog meer wordt gestimuleerd. Enzovoort. De keten van gebeurtenissen is nu echt wel in gang gezet.

Toen ik de eerste ochtend wakker werd in mijn hotel, was de parking herschapen in een opvangkamp voor mensen wier camping werd ontruimd voor een bosbrand. Er is geen ontkomen meer aan. De toerist van vandaag is zoals de hoofdpersoon in het bekende gedicht ‘De tuinman en de dood’ van Pieter Nicolaas van Eyck. De man gaat op reis om te ontsnappen aan de actualiteit en aan de realiteit, maar wordt er meedogenloos door ingehaald.

Wei- en wij-gevoel

De klimaatverandering is verpopt van mogelijkheid naar feit. Low Impact Man Steven Vromman stond jarenlang op de barricaden om de opwarming af te wenden, maar verlegt nu zijn aandacht naar overlevingsstrategieën. Voor zijn nieuwe boek twijfelt hij tussen titels als ‘Eerste hulp bij klimaatverandering’ en ‘Genoeg gelachen’.

Tegen die achtergrond ging ik dus op reis en naar een show van een band die, in tegenstelling tot Coldplay, niet eens dééd alsof hij rekening hield met het klimaat. Heb ik dan te veel gelachen?

Het herinnert aan het apocriefe verhaal over Winston Churchill. Toen die tijdens de Tweede Wereldoorlog geconfronteerd werd met het voorstel om te besparen op cultuur, zou hij geantwoord hebben: ‘No way, what else are we fighting for?’ Wat mij betreft is het ook in de nieuwe ecologische context de nagel op de kop: overleven heeft slechts zin als we ook nog kunnen leven.

Was ik er dan van doodgegaan als ik niet naar Rammstein was gegaan? Natuurlijk niet. Maar tegelijk voelde ik de adrenaline door mijn aderen stromen toen het weigevoel een wij-gevoel werd en de massa zich even wentelde in luidkeelse samenhorigheid. Zou het kunnen dat ik niet de enige was die hier brandstof (sic) heeft getankt om er weer voor even tegen te kunnen?

We zijn murw van de nieuwsbulletins die ons dag na dag, uur na uur, treffen als mokerslagen: versneld smeltende gletsjers, afstervende koraalriffen, mislukte oogsten, oncontroleerbare branden, uitdrogende rivieren en daarbovenop rondwarende virussen, de ellende van Oekraïne en de dreiging van een nieuwe wereldoorlog. Als almaar meer mensen zich daarvoor afsluiten, is dat niet een teken van ontkenning maar van erkenning van de realiteit. Het is een manier om overeind te blijven. Ecomoeheid, klimaatmoeheid, nieuwsmoeheid … we moeten erover waken dat we niet collectief doorschieten naar levensmoeheid.

Georganiseerd escapisme

Een context van elkaar opvolgende desastreuze gebeurtenissen is de nieuwe condition humaine waarin we ons een (levens)houding zullen moeten aanmeten die het ons mogelijk maakt om gelukkig te zijn. Niet ondanks, maar omdat. Geluksgevoel hoeft geen schuldgevoel te genereren. Integendeel: het levert juist het motief om ervoor te blijven gaan. Daarvoor doen we het, voor minder niet. Schrap alle Rammsteins uit ons leven en het ziet eruit als een van hun apocalyptische ensceneringen.

Dat besef brengt ons bij het inzicht dat het sporadische teveel ook deel uitmaakt van het Genoeg waarmee we, na een korte periode te hebben vertoefd in de illusie van de oneindige groei en overvloed, zullen moeten leren leven. Opnieuw, want onze voorouders pasten het principe al toe. Elke cultuur kent zijn ventielen waarbij de grenzen eventjes ophouden te bestaan en de regels wat losser mogen: religieuze en andere feestdagen, carnaval, ‘the burning man’, vakantie en … festivals. Een voor een zijn het intervallen van georganiseerd tijdelijk escapisme en zorgen ze voor voldoende ‘teveel’.

We hebben er allemaal nood aan. Arbeiders. Bedienden. Zelfstandigen. Soldaten aan het front. Verplegend personeel. Mensen met een te grote ecologische voetafdruk. Mensen die stempelen of leven van een uitkering. Wat die twee laatste betreft: is het niet merkwaardig dat het recht van de eerste categorie slechts door een minderheid in vraag wordt gesteld en van de tweede nu zelfs door sociaaldemocraten?

Het teveel wordt maar decadentie in zijn volgehouden, vanzelfsprekende vorm. In zijn hoedanigheid van uitzondering is ze juist een verschijningsvorm van het noodzakelijke: de maatschappelijke en mentale buffer die we niet kunnen missen. ‘Het socialisme zal gezellig zijn of niet zijn,’ wist Steve Stevaert al. Met het ecologisme is dat niet anders. Het is dansen op een slapper wordende koord. Want wie ophoudt met dansen, valt onherroepelijk in de diepte.

Dancing in the street / Danser dans la rue

Aan de overkant is het gras niet altijd groener. Soms is het zelfs gewoon zwart. Zo ging ons geplande bezoek aan de befaamde ‘Dune du Pilat’, de hoogste duin van Europa, letterlijk in vlammen op: net ernaast woedde een gigantische bosbrand. Toeristen vandaag zijn zoals de tuinman in het bekende gedicht ‘De tuinman en de dood’: ze gaan op reis om te ontsnappen aan de actualiteit en dus ook de realiteit, maar worden er onherroepelijk door ingehaald.

Noodgedwongen beperkten we onze passage dus tot een bezoek aan het stadje Arcachon. We hadden onze geldbeugel al open. Als je beloond zal worden met een fraai voetgangersgebied ben je bereid om ook voor parkeren op afstand een centje neer te tellen. Maar de gemeente had onze centen kennelijk niet nodig want zelfs in het hoogseizoen mag er ’s avonds gratis worden geparkeerd.

Onmiddellijk viel ons de ruimteverdeling op. De beleidskeuze voor parkeren à volonté en eenrichtingsverkeer voor auto’s én fietsers resulteerde in een maximalisering van het aantal parkeerplaatsen en een minimalisering van de plaats voor de voetganger. Deze toeristen sjokten dus noodgedwongen polonaisegewijs achter elkaar aan.

Let ook op het kleurgebruik. Daar doet internationaal gesproken elke wegbeheerder nog altijd z’n zin mee. Bij ons wordt rood asfalt doorgaans gereserveerd voor fietspaden. Hier wordt het gebruikt voor de stoep. Het oker, bij ons almaar vaker gebruikt voor fietssuggestiestroken, markeert hier de in- en uitritten.

Om het nog gezelliger te maken, liet men de trottoirs op- en neergaan op het ritme van in- en uitritten. De polonaise én de cake walk dus. Faut le faire, zeggen ze in Frankrijk.

Op gezette afstanden is er een zebrapad aangebracht en is er daarvoor zelfs een met gidslijnen voor slechtzienden uitgeruste uitstulping voor voorzien. Maar gezien ook hier automobilisten dit soort voorzieningen ‘innemen’ als hen dat uitkomt, zag de wegbeheerder zich gedwongen om boombakken toe te voegen. Dat is goed nieuws bij slecht nieuws: het resulteert in toch nog een beetje groen in de straat.

Aan het waarborgen van de zichtbaarheid en het zicht van de voetganger werd niet gedacht: de hiervoor wettelijk voorziene 5 meter bij ons werd hier aan de verkeerde kant toegevoegd. Of werd de rijrichting na de heraanleg omgekeerd?

Ook positief: de kwaliteit van de verharding. Het valt me telkens weer op hoeveel subtieler de Fransen met asfalt kunnen werken dan de aannemers bij ons. Tot in de kleinste hoekjes en kantjes is elke oneffenheid weggewerkt tot een biljartlaken dat bij ons hoogstens voor automobilisten is gereserveerd.

Let er ook even op hoe goed de verschillende soorten (en kleuren) asfalt hier op elkaar aansluiten. Bij ons leidt het al te vaak tot hinderlijke en zelfs gevaarlijke randjes, hier kan het blijkbaar naadloos.

Maar dat is een dansvloer natuurlijk aan zichzelf verplicht.

Ontwerpfoutje

Net terug van onze zomerreis. Een roadtrip door Spanje, waarover later wellicht meer.

Voor deze keer neem ik jullie mee naar Bilbao, de stad bekend van het ‘Bilbao-effect’ – het effect dat ten onrechte doorgaans wordt verengd tot de inplanting van een starchictect-gebouw. Daar schreef ik al eens eerder over. Wie mijn verslag van toen leest, zal begrijpen dat ik er nog eens terug wou komen. Deze keer niet met onze studenten, maar met mijn eega. De liefde is niet zozeer delen, maar vooral optellen en als het even kan ook vermenigvuldigen.

We logeerden in een hotel in de bovenstad, wat concreet betekende dat het tegen de heuvel was aangebouwd. Onze huurauto sliep op -5, wij op +6. Knap ingenieurswerk zorgde voor een snelle verticale verbinding: op een zucht overbrugden we het hoogteverschil.

Alleen hadden de ontwerpers last van wat overdreven voorruitperspectief. Kennelijk gingen ze er van uit dat de hotelgasten voor al hun verplaatsingen de auto zouden gebruiken. Want als voetganger het hotel veilig en wel bereiken, bleek geen sinecure.

De architecten situeerden de in- en uitgang voor voetgangers pal naast die voor de auto’s. Dat is vragen om problemen en die kwamen er dan ook. Twee stromen die elkaar moeten kruisen, dat geeft conflicten.

Kijk even mee:

Bij het inrijden zijn de automobilisten voornamelijk bezig met het vinden van de (vormelijk verborgen) ingang én het niet hinderen van het achteropkomende autoverkeer. Bij het uitrijden moeten ze vanuit stilstand vertrekken op een steile helling en zijn ze dus nog minder bedacht op voetgangers. Te oordelen naar de geur van verbrand rubber is dat niet voor alle chauffeurs even vanzelfsprekend, zelfs niet – zoals ik kon vaststellen – wanneer ze zich verplaatsen in een stoere Jeep.

Om het nog eens extra ingewikkeld te maken, werd de ticketautomaat links aan de kant geplaatst, zodat automobilisten plots ook links moeten rijden.

Voetgangers van hun kant worden verondersteld de paal en de vuilbak te ontwijken én ook nog eens bedacht te zijn op de aanwezigheid van auto’s. Niet vanzelfsprekend, al helemaal niet als hun mobieltje ook nog eens iets te vertellen heeft.

Met ‘pleisters’ werd geprobeerd de ontwerpfout te verbeteren: door het aanbrengen van een zebrapad en een muurtje. Maar zo werd een fout gestapeld op een andere fout. Het zebrapad maakt autobestuurders niet alleen attent op de mogelijke aanwezigheid van voetgangers. Het suggereert voorrang en – vooral – een looplijn voor de voetgangers. Een looplijn die hen linea recta naar een afsluitend muurtje voert.

Het resultaat? Een permanente bron van ergernis. Automobilisten die zich ergeren aan argeloze voetgangers. Voetgangers die boos worden op onoplettende chauffeurs. Waarbij de rollen geregeld omwisselden, want zoals dat gaat werd de chauffeur even later de voetganger en vice versa.

Ook hier was het dus geen kwestie van een gebrek aan hoffelijkheid of van slechte intenties. Het is de keuze-architectuur die niet goed zit en de verschillende verkeersdeelnemers drijft tot risicovol gedrag.

Ik hoef er niet bij te vertellen dat we ons verblijf betaalden met ongevraagd advies.

Faire remix (2)

Geplaatst op

Te oordelen naar een aantal reacties op mijn post van gisteren, is een vervolgbericht op z’n plaats.

Sommigen lazen mijn stukje als een pleidooi tégen hoffelijkheid. Dat was het natuurlijk niet. Het punt is: als de regels niet billijk en zelfs gevaarlijk zijn, dan is het onzin (en als je je daar van bewust bent: hypocriet) om te roepen dat zich aan de regels houden ons allemaal ten goede zou komen. Anne Baudouin gebruikte in een reactie op mijn FB-pagina een interessant woordje: ‘autocode’. Een flink deel van onze wegcode vandaag is inderdaad niets meer of minder dan dat. Het is niet fair om het debat te beperken tot een oproep om zich allemaal – voetganger, fietser, automobilist – aan die autocode te houden. Zoals het door voetgangers of automobilisten evenmin als fair zou worden aangevoeld wanneer de wegcode exclusief vanuit het belang van de fietsers zou zijn opgesteld. Dat was wat ik wou duidelijk maken.

Ik legde het uit aan de hand van het voorbeeld van de fietsstraat. Maar laat ik nog eens een ander voorbeeld aanhalen.

Wat denkt u hiervan?

De vrachtwagenchauffeur houdt zich perfect aan de regels (al is parkeren ‘op’ het fietspad uiteraard nooit toegestaan, maar we geven hem hier het voorbeeld van de twijfel: de markeringen zijn weg).

Alleen is het parkeerreglement hier opgemaakt met uitsluitend het belang van vrachtwagenchauffeurs voor ogen, niet dat van fietsers of voetgangers. Anders zou het fietspad breder zijn geweest en zou parkeren hier verboden zijn geweest. De fietser heeft geen andere keuze dan zich in de onthoofdingszone te bewegen. Hij kan alleen maar hopen dat wie uitstapt eerst lang genoeg in zijn zijspiegel kijkt.

Gemaximaliseerde kans voor de fietser om ‘gedeurd’ te worden

We zouden kunnen opperen dat een hoffelijke trucker hier niet zou parkeren, ook al laat het reglement hem toe dat wel te doen.

Dat brengt ons dan bij een andere, bredere en wellicht betere invulling van wat ‘hoffelijkheid’ kan betekenen: het is rekening houden met het belang (de veiligheid, het comfort,…) van de ander, ook als dat niet strookt met je eigen belang. Van dat soort hoffelijkheid kan er gewoon niet genoeg zijn, als een soort contextgebonden aanvulling van de wegcode met ‘gezond verantwoordelijkheidsgevoel’.

Dan is er niks mis mee als iemand zich er in een fietsstraat beter bij voelt als hij even afstapt om een automobilist ‘niet op te houden’. Al kan daar wel de kanttekening bij gemaakt dat dit ‘ophouden’ erg relatief is. In de context van een bebouwde kom (en al helemaal in een stedelijke) is de fietser in de regel sneller dan de automobilist.

Faire remix

Geplaatst op

We hadden het over de wenselijkheid om aan de straten in onze wijk een fietsstraatstatuut te geven.

‘Eigenlijk zijn het al fietsstraten,’ betoogde ik, ‘het is hier een zone 30 en de meeste straten zijn te smal om als automobilist veilig en legaal een fietser in te halen.’

‘Waarom zouden we het dan doen,’ wierp iemand tegen, ‘dan verandert er toch niks?’

‘Toch wel,’ corrigeerde ik mezelf, ‘want in een fietsstraat is een fietser niet langer verplicht om helemaal rechts op de rijbaan te rijden. Hij hoeft zich niet meer te laten marginaliseren.’

Zoals wel vaker gebeurt, begon de DJ in mijn hoofd, een mannetje dat nooit vrijaf neemt, naderhand de conversatie te remixen.

Dat leverde volgend inzicht op: eigenlijk is het misdadig dat onze vanuit het voorruitperspectief opgestelde wegcode fietsers systematisch verplicht om rakelings langs geparkeerde auto’s te rijden, net daar waar ze de meeste kans maken om tegen een kwansuis geopend autoportier te knallen of om ten val te komen door venijnige goten.

Hoffelijkheid, dikwijls een dooddoener voor wie de machtsverhoudingen in ons verkeer in stand wil houden.

Het doet de vraag rijzen hoe een louter vanuit fietsperspectief opgestelde wegcode er zou hebben uitgezien. En ook de vraag wat de reactie van automobilisten zou zijn geweest mochten die vervolgens voortdurend om de oren worden gekletst met het ‘faire’ argument dat als iedereen zich eens aan de regels zou willen houden er geen verkeersproblemen meer zouden zijn.

Wijd er eens een gedachtenexperimentje aan. Het is vakantie, u heeft er de tijd voor.

Druk op het jaagpad

Geplaatst op

De gelegenheid doet nogal wat.

Ze maakt de dief. Dat weet iedereen.

Maar ze maakt nog meer.

De verplaatsing bijvoorbeeld. ‘Build and they will come’ luidt het onder mobiliteitsexperten populaire gezegde. Het geldt voor fietspaden en helaas ook voor autowegen.

De gelegenheid maakt ook de snelheid. Dat krijgen we te horen wanneer er nog eens geflitst werd in een zone 30: ‘Ja maar, dat is geen zone 30 want je kan er veel sneller.’

Op jaagpaden kan de gelegenheid haar vrije gang gaan. Ze biedt ruimte voor fietsers en door de bijna complete afwezigheid van gemotoriseerd vervoer biedt ze er ook de kans om snel te gaan.

Gevolg: het is druk op onze jaagpaden. Of preciezer: er zit druk op onze jaagpaden.

Dat komt door het verdrijvingseffect, ik schreef er tien jaar geleden al over. Doordat er ongeveer overal elders bebouwing is en dus veel auto’s en dus veel conflicten zijn jaagpaden, samen met bepaalde segmenten van fietssnelwegen, de enige plekken waar fietsers eens alle remmen los kunnen gooien.

Ze doen dat dan ook almaar massaler. De wielersport is populairder dan ooit tevoren, oudere fietsers hebben het gemak en het genoegen van elektrische fietsen ontdekt en daartussen laveren ook nog eens de automobilisten op twee wielen, de heren en dames met hun speedpedelec – al besef ik dat ik met deze omschrijving sommige onder hen onrecht aandoe. Maar feit is: we zijn met almaar meer op het jaagpad en het gaat er almaar sneller aan toe.

Dat vraagt om ongelukken. Nu en dan gebeuren ze dan ook. Vorige week was er een met dodelijke afloop. Een groepje wieltoeristen reed een 73 jarige fietser aan en deze laatste overleed aan de opgelopen verwondingen. Allicht was er sprake van een groot snelheidsverschil en van oudere mensen weten we dat een valpartij die voor een jongere zonder veel erg zou aflopen hen zwaar te staan kan komen. Dubbele pech dus, maar zonder de ‘systeemfout’ (de verdrijving van verschillende soorten fietsers als gevolg van de erbarmelijke ruimtelijke ordening in dit land) zou het ongeval mogelijk nooit zijn gebeurd.

Het mag ons doen nadenken. Over onze ruimtelijke planning en de eruit voortvloeiende ruimterivaliteit op de schaarse fietsreservaten. En over de functie van jaagpaden en fietssnelwegen. Laten we niet opnieuw de fout maken om alleen maar het ‘gedrag’ van fietsers in het vizier te nemen en alle heil te verwachten van ‘meer hoffelijkheid’. Een fietsbel kan inderdaad soms wonderen doen. Maar als het zo eenvoudig was, dan was de oorlog in Oekraïne ook al afgelopen met een beleefde handdruk en een welgemeende ‘sorry’.

De juiste oplossing vinden begint met het stellen van de juiste vragen. Wat verwachten de verschillende gebruikers van jaagpaden en fietssnelwegen? In welke mate zijn die verwachtingen compatibel en honoreerbaar? Wat betekent het antwoord op voorgaande vragen voor de inrichting van de genoemde infrastructuur?

Hopelijk vatten we binnenkort toch eens dit debat aan. Het wordt met de dag dringender.

  • Lees ook het artikel dat VRTNieuws aan de problematiek wijdde.

Maison m’as-tu vu?

Geplaatst op

Met de uitbreiding van het spoorwegennet en, meer nog, met de intrede van de automobiel werden veel gevels die tot dan blind waren geweest plots zichtgevels. Ze werden de uitgelezen dragers voor reclame. Eerst voor olie- en benzinemerken en automerken – Panhard, Citroën, Simca, Hotchkiss -, lees ik in ‘Hartstochtjes’ van Kees van Kooten, daarna voor aperitieven, chocolade, koekjes en babyvoeding.

In Frankrijk vind je er hier en daar nog de relicten van en net zoals van Kooten durf ik er dan al eens voor aan de kant te gaan staan. Zoals laatst in de Franse Ardennen, waar ik dit mooie exemplaar aantrof. Voor Dubonnet nog wel, het favoriete drankje van Queen Elisabeth II én haar moeder.

Het betreft dus een gevel met koninklijke allures.

Let op het spook…

Maar ‘koninklijk’ betekent nog niet ‘royaal’. Het is een fabeltje dat de eigenaars van zo’n reclamegevel daarvoor rijkelijk werden vergoed.

Van Kooten had een gesprek met een voormalige pignoniste (letterlijk: ‘gevelaar’) en die is formeel: ‘Geen sou, kregen die mensen. Weet u hoe het ging? Een ploegje pignonistes slenterde met een meneer van het reclamebureau een tijdje rond tot ze laten we zeggen de vier geschiktste blinde muren hadden gevonden en dan zeiden ze tegen de huiseigenaren dat die muur er niet best uitzag en dat ze niet vreemd moesten opkijken als daar vandaag of morgen vocht doorheen kwam slaan, tenzij hij nu snel werd overgeschilderd en dat zij dat karweitje wel wilden klaren, voor niks. En dan gaf bijna iedereen zijn toestemming. Ja, als het om een Dubonnet-reclame ging dan kregen ze wel eens een litertje cadeau van het partijtje weggeefflessen achter in de schildersauto (…). (…) maar de meeste Fransen hoefden er niks voor te hebben, dat was het gekke! Die mensen waren veel te trots op hun muur met reclame, want daarmee onderscheidde hun huis zich van de rest en kon je het al aan het begin van het dorp herkennen.’ (blz. 73)

De kwaliteit van de verf was in ieder geval dik in orde: vele decennia later onderscheiden die huizen zich inderdaad nog altijd van de rest.

  • Meer lezen? VAN KOOTEN KEES, Hartstochtjes, De Bezige Bij, Amsterdam, 2012, 217 blz.

Jazz

Geplaatst op

Met een fietsaandeel boven de 30% in de modal split kan Groningen zich kronen tot één van ’s werelds absolute fietskampioenen.

Dat merk je als je onderweg bent in de stad. Als voetganger is het opletten geblazen. Als fietser ook.

Wie het Groningse verkeer observeert ziet het ene conflict na het andere. Tussen fietsers. Tussen voetgangers. Tussen fietsers en voetgangers. Maar zelden zijn die conflicten problematisch, laat staan levensbedreigend zoals in een autostad.

Integendeel, bijna altijd zijn ze vriendelijk en een vorm van sociaal contact. Elkaar even in de ogen kijken. Een knikje. Een lichte beweging met een hand of een arm. Meestal is het voldoende om elkaar te begrijpen: rij maar door, kom maar langs, ik hou wel even in, mag ik voor?

Is communiceren met de auto en vanuit de auto per definitie van een basaal, dierlijk niveau (met licht- en geluidssignalen of theatrale lichaamstaal), te voet en met de fiets (mits niet te snel) is het warm, subtiel en menselijk.

Wie er niet aan is gewend zal het wanordelijk vinden, maar dat is slechts schijn. Het is een orde van een andere orde. Niet het resultaat van ingewikkelde regels, wel een vrije, contextafhankelijke interpretatie van enkele basisafspraken.

Eigenlijk is het improvisatie.

Feitelijk is het jazz met de voeten – op de grond of op pedalen.

Groningen is jazz.

Parkeervlek

Mijn vakantiefoto’s zien er soms wat anders uit dan die van andere mensen. Beroepsmisvorming heet dat. Al kan je het ook een gebrek aan selectieve blindheid noemen.

Ooit was ik ook zo’n fotograaf die moeite deed om alles wat lelijk was – en geparkeerde auto’s waren daar vaak bij – angstvallig buiten beeld te houden opdat het landschap of monument er op z’n voordeligst uit sprong.

Tegenwoordig fotografeer ik zelfs wat er niet meer is.

Al is er hier, bij nader inzien, meer te zien dan alleen maar een verdwenen boom. De natuurlijke luchtzuivering maakte plaats voor systematische bodemverontreiniging.

Met de ‘niet-plaats’ of ‘non-lieux’, een door de Franse socioloog Marc Augé gemunte term, wordt een plek bedoeld die eigenlijk geen plek meer is, bij gebrek aan eigenschappen die haar onderscheiden van een andere. Shoppingcentra en luchthavens zijn klassieke non-lieux: drop er iemand en de betrokkene zal niet weten waar hij of zij zich bevindt. Ook veel parkeerplaatsen zijn eigenlijk parkeer-niet-plaatsen.

Al zal de cynicus opmerken dat de vlek van deze niet-plaats opnieuw een plek maakt: “Zoals deze olievlek is er maar één. In Reims!”

De taal van Michel Vaillant

Geplaatst op

Het voorruitperspectief heeft ons een taal opgedrongen die nu zelfs het uitzicht van onze fietsvoorzieningen bepaalt. Een fietsweg werd een ‘fietsostrade’ en dus een kaarsrecht traject met verlichtingspalen erlangs. Alleen de vangrails ontbreken nog.

Meestal toch. Want de afgelopen week ging de Vlaamse Waterweg nog dat ene stapje verder. Om fietsers naar haar jaagpad te leiden (en hen te behoeden voor een val in het kanaal) vond het agentschap er niet beter op dan nog eens een sterk staaltje autodenken uit de kast te halen. Letterlijk dan nog wel.

Het resultaat is een bocht waar Michel Vaillant van gaat likkebaarden dankzij ‘verkeerstaal’ die niet oproept tot de gewenste vertraging maar juist snelheid en versnelling suggereert.

Ironisch genoeg toonde de Vlaamse Waterweg aan de andere oever dat het ook anders en beter kan. Met een balustrade die uitnodigt om op te leunen en rustig te genieten van het uitzicht wordt hetzelfde doel gediend, maar zoveel zachter en effectiever.