RSS feed

Categorie archief: Boeken

Te simpel

Geplaatst op

In de economische krantenkaternen weten ze van wanten. Toch als het om devaluatie gaat. Van geld, maar ook van woorden. Vandaar dat een belangenconflict er binnen de kortste keren een
‘handelsoorlog’ wordt genoemd, daarmee andere, échte oorlogen ongemerkt berovend van een stukje van hun gruwelijkheid.

President Macron toont zich pas amusé dat zijn Amerikaanse evenknie op het allicht door
praktische overwegingen over campagnefinanciering ingegeven idee kwam de Amerikaanse
autofabrikanten financieel te belonen wanneer ze ‘voldoende’ elektrische auto’s bouwen.
Niet eerlijk, pruilt Macron, want dat is concurrentievervalsing: zo worden de Franse, excuseer
Europese fabrikanten benadeeld. Tot zover de berichtgeving, met als ondertoon dat de Fransman, excuseer de Europeaan, gelijk heeft. Vervalsen is nooit goed, toch?

Autoconstructeurs: de kasplantjes van de nationale politiek, hier en elders

Er zijn nochtans wel wat kanttekeningen te maken. Om te beginnen bij de onderliggende, breed gedeelde overtuiging dat het met ons klimaatbeleid wel goed komt als we met z’n allen maar elektrisch gaan rijden.
Als we de 1,3 miljard auto’s op diesel en benzine op deze planeet vervangen door exemplaren op lithium, kobalt, uranium, steenkool en gas – zijn we dan veel opgeschoten?
Paris Marx citeert in haar boek ‘Road to Nowhere’ (2022) een Scandinavische bron die becijferde dat de typische Tesla Model X-eigenaar in Noorwegen in 2016 het subsidie-equivalent ontving voor 30.000 bus- en metroritten in Oslo. Het is wat de immer inspirerende Ivan Illich met het begrip schaduwkost bedoelde, een ondergewaardeerd concept om de deugdelijkheid van beleidsmaatregelen te toetsen: wat zouden we met het uitgetrokken bedrag nog kunnen doen en zou dat geen beter resultaat opleveren? Pro memorie: het Noorse stimuleringsbeleid wordt vaak als stichtend voorbeeld aangehaald, ook door sommige milieuorganisaties.
Verder past de bedenking dat onze politici nogal selectief zijn met hun gevoel voor eerlijkheid.
Kennelijk is ongelijkheid voor autofabrikanten slecht, maar niet zo’n probleem voor mensen.
Macron stimuleert zelf de aankoop van elektrische auto’s door kopers te belonen met fiscale cadeautjes. Kopers, dat zijn per definitie mensen die er al warmpjes inzitten, geen armoezaaiers die zich geen auto of alleen maar een occasie op fossiele brandstoffen kunnen veroorloven.
Sociologen noemen dit het Matteuseffect: zij die veel hebben, zal veel gegeven worden. Dat komt dus neer op een herverdeling van overheidsmiddelen van onder naar boven – een kwestie die blijkbaar geen strijd waard is, laat staan wat aandacht in de berichtgeving.
De komende weken zal het gaan over de handelsoorlog van de Europeanen tegen de Amerikanen, de goeien tegen de slechten, tegen de vervalsing van de concurrentie en voor de eerlijkheid.

Heerlijk simpel.
En te simpel om juist te zijn. Dat ook.

De NMBS ziet het (niet meer) zitten

Geplaatst op

De NMBS heeft het zitten. Deze week belandde ze in het oog van een media- en reizigersstorm. Bleek dat de reizigers het niet pikken dat ‘hun’ oude houten bankjes van het Noordstation worden vervangen door splinternieuwe metalen exemplaren. Hoewel (zoals u inmiddels weet) metalfan, ben ik één van die verontwaardigde reizigers.

Omdat ik hou van het hout dat eerlijk is en warm. Omdat wat nieuw is niet automatisch beter is. Omdat deze oude banken niet ontworpen zijn door designers met opzichtige brilletjes, maar ‘vorm gegeven’ door vakmannen met splinters in hun handen. Deze banken houden zich verre van design porn. Ze charmeren door hun ontwapenende eenvoud en vanzelfsprekende ergonomie – ach, vergeef me als ik mijn kont te veel naar de mond spreek.

Van die prachtige banken wil de NMBS dus af. Een deel is al verkocht, een deel staat ergens in een vagevuur en een deel staat nog waar ze horen en al zeven decennia zichzelve zijn, elke dag nog mooier wordend door extra patina.

De spoorwegmaatschappij wil ze vervangen door functioneel zitmeubilair dat opgedeeld is in zitjes en daardoor afscheid neemt van elke vorm van polyvalentie: gij zult rechtop zitten, of niet zitten. Liggen is er niet meer bij. Ontspannen tegen uw lief liggen, kan niet meer. Een ijzeren stang verspert de liefde. Gij zult Apart zijn of niet zijn. En en passant verdrijven we de dakloze die hier misschien wat slaap had willen vatten.

Die keuzes zijn geen toeval. Ze zijn het product van een specifieke maatschappijvisie, één die onze samenleving ziet als een optelsom van individuen, of juister nog: als een nevenschikking. Zo sijpelt de capsulaire beschaving van het automobilisme ook het openbaar vervoer binnen. Straks leven we weer wat minder samen en wat meer naast elkaar.

In het beste geval verdragen we elkaar nog. In geen geval dragen we elkaar nog.

‘We zijn gehekt,’ schreef ik in ‘Weg van het systeem’ en dat laat zich dus gevoelen tot op dit microniveau. Tegelijk riep ik op tot een ‘hekkenjacht’ en die schijnt hier te zijn begonnen. De NMBS heeft de gemeenschapszin van haar reizigers onderschat en het lijkt er op dat ze gaat buigen.

De vervangingsoperatie is voorlopig stopgezet. Er wordt onderzocht of de reeds verkochte banken kunnen worden teruggehaald.

Laat ons daar niet laatdunkend over doen, maar verheugd zijn dat de maatschappij niet ongevoelig is voor wat haar reizigers vinden. Geef toe: een NMBS die luistert naar haar reizigers, het zou een nieuw gegeven kunnen zijn. En in dit geval zou ‘nieuw’ wel beter zijn.

PS. Maandag wijd ik in De Standaard nog andere gedachten aan deze bankjescrisis, die over veel meer gaat dan alleen maar bankjes.

Boem Donderslag

Geplaatst op

Een beetje off topic op een mobiliteitsblog, maar ik vind dat het moet kunnen, tenslotte ben ik hier de baas (please, gun mij dit uithoekje): een stukje over mijn Rammsteinerlebnis, een ‘exclusieve’ prelude op mijn bijdrage morgen (woensdag 10 augustus) in De Standaard. Die zal een klein beetje meer ‘on topic’ zijn, beloofd!

Het was eens wat anders voor de omgeving van Park De Nieuwe Koers in Oostende. In plaats van vliegtuigen en het daarbij horende lawaai streken de heren van Rammstein er vorige week neer, eveneens met het daarbij horende  – welja, wat was het eigenlijk?

Vanuit de spelonk van hun garage zagen de wijkbewoners de colonne metalfans voorbijtrekken met een mix van fascinatie en verbazing over al dan niet bewuste keuzes op het vlak van bedekte én onbedekte lichaamsdelen. Degenen die zich Plato herinnerden van op school vroegen zich vast af of dit nu de échte wereld was of slechts een schimmige representatie van iets anders.

Zelf liep ik er ook tussen, maagdelijk onbeschilderd. Voor een beetje tattoeëerder ben ik het wandelende equivalent van wat een wit doek is voor een kunstschilder. Maar niemand maakte er een probleem van, mede dankzij mijn T-shirt. Vrij naar wat Henry Ford over de Ford T zei: elke kleur was goed, als het maar zwart was.

Op sleeptouw genomen door een enthousiaste dochter en niet onbekend met de door Rammstein gekoesterde controverse wist ik niet wat ik mocht verwachten. En nu het voorbij is, weet ik niet met zekerheid wat ik kreeg.

Was dit alleen maar Tomorrowland voor een publiek met een andere smaak? Of was er toch meer aan de hand? Verknipten ze betekenissen op postmodernistische wijze tot er alleen nog confetti overbleef en was het dat wat ze letterlijk over hun publiek uitkieperden: zwarte zinloosheid? Zinderende vragen die alleen maar de bonusvraag opleverden of de antwoorden er wel toe doen. Wat als het alleen maar Spielerei is geweest en zo ja: zou dat, in deze beroerde, beroerende tijden, erg zijn?

De band slaagde waar menig leerkracht Duits faalde: ze maakte Goethes taal hip bij een breed publiek, overigens zonder het ranzige randje te verwijderen dat er na Twee Wereldoorlogen en de Holocaust onherroepelijk aan kleeft. Als de mannen van Rammstein iets kunnen, dan is het wel met symbolen en dus betekenissen spelen.

Ze doen dat met zo’n branie dat het niet anders kan of de betekenissen gaan wel eens hun eigen leven leiden. Zo reminisceerde de centrale stalen toren boven het podium voor een ingezetene van dit land letterlijk én figuurlijk aan de Ijzertoren, wat een bevreemdend effect opleverde toen er aan het begin van de show een digitale Belgische vlag aan werd gehesen.  Als ze het hadden geweten, hadden ze er vast om gelachen: nationalisme is altijd één van hun favoriete speeltjes geweest.

Wie dus ergens in de show een Oekraïense vlag had verwacht, was eraan voor de moeite. Aan dat soort eenduidigheid hebben die van Rammstein een broertje dood.

Show, schreef ik. Het is een understatement voor een twee uur durend Gesamtkunstwerk met muziek, architectuur, toneel, film (inclusief aftiteling op het einde) en acrobatie – een spektakel dat nog het best kan worden omschreven met de term ‘immersief’. Er was geen ontkomen aan. Rammstein drong zich op langs alle zintuigen. De muziek was voelbaar tot in onze ingewanden, het vuur maakte van tattoeages brandmerken. We keken niet naar een spektakel. We werden er onderdeel van.

Ik dacht terug aan het boek ‘De barbaren’ van Alessandro Baricco. Dat verscheen al meer dan vijftien jaar geleden, maar ik las het pas onlangs. Daarin beantwoordt de Italiaanse auteur de vraag of de nieuwe generatie, die de oppervlakkigheid kiest boven de diepgang en snelheid boven traagheid, de ‘cultuurbarbaren’ zijn waarvoor velen hen verslijten. Zijn antwoord: de zogenaamde barbaren hebben gewoon een andere manier gevonden om met de dingen om te gaan. Mensen met kieuwen in plaats van longen, noemt hij ze. Eén van de kenmerken van hun benaderingswijze is de ‘spectaculariteit’. Die garandeert hen de versnelling waar ze naar op zoek zijn en die vermijdt dat ze tot stilstand komen. Met een metafoor: ze vermijdt dat de geworpen steen niet naar de diepte zinkt maar over de waterspiegel ketst – over almaar grotere oppervlakken. In het geval van Rammstein is dat een breed scala aan vormen en stijlen: metal, techno, gothic, Wagneriaanse opera, barok, art deco, het is een soep vol vette knipogen. Zo kan je die ‘oppervlakkigheid’ dus ook bekijken: als een onophoudelijke, intensieve, horizontale reis van betekenis naar betekenis, die voor elke reiziger een ander verhaal oplevert in variërende gradaties van politiek en ander fatsoen.

Podium, schreef ik. Het is een eufemisme voor een pop up van een installatie die er nu eens uitzag als een old skool olieraffinaderij inclusief affakkelingsinstallatie, dan weer als een scène uit een strip van Blake & Mortimer, met zanger Lindemann in de rol van de sardonische slechterik Olrik. Zanger, acteur, performer: het liefst is hij zijn eigen paradoxale zelf, de dienstweigeraar die met een vlammenwerper te keer gaat, de ex-DDR-burger die de draak steekt met totalitaire taal door er schaamteloos mee te stoeien. En het werkt. Als er iets is waar totalitairen een hekel aan hebben, is het dubbelzinnigheid en de onzekerheid die ze met zich mee brengt. Geen wonder dat ze in Wit-Rusland niet meer mogen optreden.

Daar, denk ik, ligt de kracht van Rammstein. Lindemann en co bewegen zich voortdurend in niemandslanden, spelen een geraffineerd hinkelspel tussen pathos en melodrama, pyrotechniek en pyromanie, het poëtische en het prozaïsche, het platte en het verhevene, bombast en subtiliteit, het utopische en het distopische, kunst en kitsch, verheerlijking en parodie, links en rechts, ironie en cynisme, droom en nachtmerrie, links en rechts en vooral de schemergebieden daartussen. Alle vloeien ze in elkaar over, zoals de kleuren in een schilderij van Mark Rothko. Er valt geen vinger op te leggen waar de ene ophoudt en de ander begint en nog minder uit te leggen waarom het geheel zoveel meer aanspreekt dan elke veeg apart.

Mark Rothko, zonder titel (Guggenheim, Bilbao)

Vast staat dat het de overgangsgebieden en twijfelwerelden zijn die intrigeren en fascineren. Niet  het voorspelbare en vast omlijnde dat, in deze vloeibare tijden, al lang niet meer tot onze ervaringswereld behoort. Daarom denk ik dat wat wij vorige week in Oostende veel meer beleefden dan zomaar een spektakel ‘over the top’. Wat we hoorden, zagen en voelden was de tijdsgeest aan het werk, bevrijdend en beklemmend tegelijk. Boem Paukeslag. Paul Van Ostaijen schreef het honderd jaar geleden al: ‘alle begrippen vallen’.

Vorige week vielen ze niet alleen. Ze vielen ook uit elkaar. In het opwarrelende stof herkenden we hem als een donderslag bij heldere hemel: de tijdsgeest. Of de Zeitgeist, jawohl.

Het heeft geen zin om er vandaag nog naar op zoek te gaan. Er vliegen weer vliegtuigen over De Nieuwe Koers. De wijkbewoners wrijven zich de oren uit. Welke is nu de echte wereld?

Maison m’as-tu vu?

Geplaatst op

Met de uitbreiding van het spoorwegennet en, meer nog, met de intrede van de automobiel werden veel gevels die tot dan blind waren geweest plots zichtgevels. Ze werden de uitgelezen dragers voor reclame. Eerst voor olie- en benzinemerken en automerken – Panhard, Citroën, Simca, Hotchkiss -, lees ik in ‘Hartstochtjes’ van Kees van Kooten, daarna voor aperitieven, chocolade, koekjes en babyvoeding.

In Frankrijk vind je er hier en daar nog de relicten van en net zoals van Kooten durf ik er dan al eens voor aan de kant te gaan staan. Zoals laatst in de Franse Ardennen, waar ik dit mooie exemplaar aantrof. Voor Dubonnet nog wel, het favoriete drankje van Queen Elisabeth II én haar moeder.

Het betreft dus een gevel met koninklijke allures.

Let op het spook…

Maar ‘koninklijk’ betekent nog niet ‘royaal’. Het is een fabeltje dat de eigenaars van zo’n reclamegevel daarvoor rijkelijk werden vergoed.

Van Kooten had een gesprek met een voormalige pignoniste (letterlijk: ‘gevelaar’) en die is formeel: ‘Geen sou, kregen die mensen. Weet u hoe het ging? Een ploegje pignonistes slenterde met een meneer van het reclamebureau een tijdje rond tot ze laten we zeggen de vier geschiktste blinde muren hadden gevonden en dan zeiden ze tegen de huiseigenaren dat die muur er niet best uitzag en dat ze niet vreemd moesten opkijken als daar vandaag of morgen vocht doorheen kwam slaan, tenzij hij nu snel werd overgeschilderd en dat zij dat karweitje wel wilden klaren, voor niks. En dan gaf bijna iedereen zijn toestemming. Ja, als het om een Dubonnet-reclame ging dan kregen ze wel eens een litertje cadeau van het partijtje weggeefflessen achter in de schildersauto (…). (…) maar de meeste Fransen hoefden er niks voor te hebben, dat was het gekke! Die mensen waren veel te trots op hun muur met reclame, want daarmee onderscheidde hun huis zich van de rest en kon je het al aan het begin van het dorp herkennen.’ (blz. 73)

De kwaliteit van de verf was in ieder geval dik in orde: vele decennia later onderscheiden die huizen zich inderdaad nog altijd van de rest.

  • Meer lezen? VAN KOOTEN KEES, Hartstochtjes, De Bezige Bij, Amsterdam, 2012, 217 blz.

Wanneer wordt een boek een boek?

Geplaatst op

‘Wanneer wordt een boek een boek? Het moment waarop de schrijver het manuscript indient? Zodra het eerste exemplaar van de pers rolt of wanneer het boek voor het eerst over de toonbank gaat?’

Boekhandelaar Steven Van Ammel vraagt het zich af in een van zijn onvolprezen stukjes in De Standaard der Letteren (zaterdag 2 april): literatuur over literatuur, metaliteratuur van de bovenste plank.

Wanneer wordt een boek een boek? Voor mij is dat op elk van de momenten die hij noemt. Intussen heb ik de geboorte van ‘Weg van het systeem’ zo al ruim drie keer gevierd – al komt er telkens ook wat rouw aan te pas, want telkens weer is daar het besef dat ik er nu niks meer aan kan veranderen, dat het proces van verbeteren voorbij is. In het slechtste geval voor altijd. In het beste geval tot de tweede druk.

Van Ammel vergeet nog een moment te noemen waarop een boek een boek wordt – en misschien wel het belangrijkste: het moment waarop het boek gelezen wordt. Zonder lezers geen boek. Multatuli, ‘ik wil gelezen worden’, het geldt voor elke schrijver.

Daarom ben ik verheugd over de berichtjes van lezers die nu beginnen binnen te sijpelen. De eerste recensies van vrienden, kennissen, onbekenden – soms alleen maar van de eerste bladzijden, soms al van het hele boek.

Voor wie nog niet zo ver is, heeft de uitgever een leesfragment op z’n website gezet. U vindt het hier en in het beste geval smaakt het naar meer en wordt mijn boek weer een beetje meer een boek.

Hekkendrang

Geplaatst op

In ‘Weg van het systeem’ stel ik vast dat ons land een schoolvoorbeeld is van het betere ‘hekkenwerk’. Onder het kopje ‘We zijn gehekt’ beschrijf ik hoe onze bewegingsvrijheid ingeperkt wordt door muren, schuttingen, afrasteringen, hekken in alle maten en materialen. Onze ‘open’ ruimte is in werkelijkheid meestal afgesloten. Anders dan de goegemeente wel eens beweert, is dat niet de schuld van de jongens en meisjes van Natuurpunt – die doen doorgaans net wel hun best om alles zoveel mogelijk open te stellen. Onze ruimte wordt geclaimd (en opgeofferd) om privébelangen veilig te stellen: privé-eigendom, financieel rendement, privacy en veiligheid .

Het is een bijzonder geval van fractaliteit: wat zich voordoet in het klein, vinden we ook terug in het groot. In naam van de vrijheid zijn we gaandeweg alles gaan omheinen: ons continent, onze landen, onze parken, onze wegen, onze bedrijven, onze scholen, onze winkels, onze huizen, onze tuinen.

Natuurlijk is het geen toeval dat dit ons pas echt is gaan opvallen toen we tijdens ‘corona’ onze eigen buurten gingen verkennen en stuitten op hek na hek.

Een gehekte school in Machelen-aan-de-Leie, het dorp van Roger Raveel, die hekken systematisch in zijn werken integreerde

Bijgevolg is het ook geen toeval dat het thema ook in andere tijdens de lockdowns geschreven boeken opduikt. Of toch alvast in één. In ‘De papieren lantaarn’ beschrijft Will Burns een wandeling in Midden-Engeland: ‘Uitgerekend de enige kant die ik op kon, de kant op die was toegestaan, werd net onder handen genomen. Zelfs hier buiten de deur, weg, zo werd ons opgedragen te denken, van de onbenullige begrenzingen van een nederzetting – de tuinen met hun heggen, de parkeerruimtes, de belijningen tussen ‘van ons’ en ‘van jou’ – zelfs hier in wat nogal zielig door moest gaan voor de vrije natuur, werd ik geaffronteerd door omheiningen, restricties, herinnerd aan het feit dat elk lapje grond bezit was, een administratief gegeven, de topografische uitdrukking van onze culturele geschiedenis en voortdurende verslaving aan bezit en verkaveling.’ En hij merkt terecht op dat niet het landschap de grenzen bepaalt, maar de grenzen het landschap.

Dit alles is het resultaat van de privatisering van de commons, de ooit gemeenschappelijke gronden (die, volgens Jason Hickel in zijn boek ‘Minder is meer’, resulteerde in meer hongersnood en zelfs aanleiding gaf tot het ontstaan van het woord ‘poverty’). In Engeland noemen ze die operatie ‘the enclosure’ – wij hebben er, bij mijn weten, geen woord voor. Maar zowel over het kanaal als bij ons was dat geen ‘natuurlijk’ gebeuren, wel het resultaat van politieke beslissingen en machtsvertoon.

Dat is goed nieuws. Want wat met menselijke beslissingen de ene kant op kan, kan ook de andere kant op. Vandaar dat mijn boek uitloopt in een pleidooi voor onthekking en een heuse ‘hekkenjacht’ – of minder provocerend uitgedrukt: voor een herwaardering van de publieke ruimte.

Meer lezen:

  • Burns Will, De Papieren Lantaarn, Nijgh & Van Ditmar, 2021
  • Hickel Jason, Minder is meer, Hoe degrowth de wereld zal redden, Epo, Berchem, 2021
  • Peeters Kris, Weg van het systeem, Wakker in een ander tijdperk, Uitgeverij Vrijdag, 2022

Het woord dat er niet in staat

Geplaatst op

‘Staat in mijn boek.’

Mijn huisgenoten hebben intussen een bloedhekel aan dit zinnetje waarmee ik de laatste twee jaar menige tafeldiscussie meende te kunnen verkorten. Want mijn boek gaat ook deze keer over mobiliteit, maar tegelijk ook niet. En dus over veel meer.

Met ‘Het voorruitperspectief’ (Uitgeverij Garant, 2000) bracht ik in kaart hoe wij gewend zijn vanuit de auto te denken, vaak zonder ons daar bewust van te zijn, en welke verreikende gevolgen dat heeft voor ons verkeer.

In ‘De file voorbij’ (Uitgeverij Vrijdag, 2010) probeerde ik duidelijk te maken dat er met ons mobiliteitssysteem veel meer mis is dan alleen maar het fileprobleem: het ongemak waarbij mobiele mensen wat langer onderweg zijn dan ze aanvankelijk dachten – en soms zelfs dat niet (want de meeste files zijn structureel en dus perfect voorspelbaar).

Met ‘Weg van mobiliteit’ (Uitgeverij Vrijdag, 2014) ging ik op zoek naar mobiliteit waar we niet een heel klein beetje (of soms veel) slechter van worden, maar waarvan we effectief gelukkiger worden. Het leidde me tot het concept van ‘mobilitijd’: mobiliteit vervat in ons tijdsbudget op de korte termijn (de Breverwet) en op de lange termijn (duurzaamheid of ‘volhoudbaarheid’).

De voorruit, de file, ons mobiliteitssysteem – er zit voorwaar logica in mijn oeuvre: het gaat steeds breder. In ‘Weg van het systeem’ trek ik die lijn door. Het boek gaat over onze door de economie gedicteerde maatschappij – in plaats van andersom – en hoe die ons regelrecht naar de afgrond leidt.

Sinds vorige week hoef ik daar, vrees ik, helemààl geen tekeningetje meer bij te maken. Toen één van mijn gezinsgenoten wat plagerig vroeg of het woord ‘Oekraïne’ voorkomt in mijn boek, moest ik ontkennend antwoorden. Maar eigenlijk staat het er dus wél in.

Want de Oekraïne-oorlog is de perfecte illustratie van het punt dat ik wil maken. Het systeem waarin wij leven is geen systeem in crisis, het is een crisissysteem: een systeem dat crisissen genereert. Ooit volgden crisissen elkaar op. Tegenwoordig stapelen ze zich op: de energiecrisis, de klimaatcrisis, de biodiversiteitscrisis, de gezondheidscrisis, de Oekraïnecrisis – en ik vergeet er nog wel een paar.

We staan er bij en kijken er naar. Wat vandaag gebeurt is door niemand gewild. En toch gebeurt het. Waarom? Omdat het systeem ons ertoe drijft. En omdat wij weigeren het systeem zelf in vraag te stellen en het dus toelaten ons te dirigeren.

Zelfs middenin de zoveelste crisis is onze grootste verzuchting het systeem zo snel mogelijk weer op te lappen. Van links tot rechts hebben we het over de noodzakelijke ‘relance’ en het herstel van de oude orde. Kennelijk is het aartsmoeilijk om de mentale sprong te maken van ‘systeemfout’ naar ‘fout systeem’.

Anders dan velen zullen denken is het antwoord niet de revolutie. Of toch niet het soort revoluties waar mensen aan denken bij dat woord. Daarom heet het boek ‘Weg van het systeem’, niet ‘Weg met het systeem’.

De weg ‘weg van het systeem’ is een democratische weg, de weg van de tegenspraak en de gerede twijfel, waar ‘alleswetende’ despoten en dito experts geen kans maken: de ware expert weet wat hij niet weet en dat hij niet alleen weet.

De democratische weg loopt via het publieke domein (de plek waar mensen elkaar nog écht tegenkomen en leren kennen, elkaar nog in de ogen kijken in plaats van in het ontmenselijkende scherm dat van mensen doel maakt – voor verwijten, voor scheldtirades, voor bommen) en de daarbij horende gezonde frictie naar de zekerheid en de geborgenheid van de eigen keuken thuis.

Als we al revolutionairen nodig hebben, dan geen salonrevolutionairen, maar keukenrevolutionairen. Word ik nu al te cryptisch? Excuus, in dat geval. Vanaf 16 maart ligt mijn boek (normaal gesproken) in de boekhandel en geeft het in 328 bladzijden al zijn geheimen prijs: van extreme vloeibaarheid over de vloer van Latour tot de Dovydoctrine, binnenkort kunt er van meespreken.

En hopelijk bent u dan helemaal ‘weg van het boek’.

Droommoord in Antwerpen

Geplaatst op

Alle wegen leidden vorige donderdag naar de Roma. Enfin, toch in de navel van Vlaanderen die Antwerpen heet.

‘Durven dromen’ was het motto waaronder het Actiecomité ‘Pak ze aan, de Turnhoutsebaan’ daar een avond organiseerde. Om dat te onderstrepen had kunstenares Fenna Bouve zichzelf weer eens overtroffen met een fauvistische impressie van een Turnhoutsebaan-buiten-de-lijntjes: iets met een kabelbaan, een Turnhoutsebeek, een glijbaan met ballenbad en een tijger.

Een tijger? Jawel hoor. Esso liet ons lang geloven dat we die in benzinetanks moeten stoppen, maar gelukkig steken we ze tegenwoordig steeds vaker in denktanks. In het slechtste geval worden het dan vergadertijgers, in het beste geval zijn het poeslieve beesten die ons op betere gedachten brengen.

In opdracht van de Denktank van de Turnhoutsebaan (waarvan ik, in weerwil van wat drie kranten beweren, geen deel uitmaak) had Maarten Bral van het bureau Landschaap ook een wensbeeld in elkaar geknutseld: iets met een tram, groen, een fietspad en ruimte voor terrasjes. Utopisch? Alleen als je niet bereid of in staat bent Koning Auto en zijn Koninkrijk weg te denken.

In het gelegenheidspanel legde Thalia Verkade (auteur van ‘Het recht van de snelste’, een boek dat u moet lezen) uit hoe ze zichzelf bevrijdde van het voorruitperspectief en hoeveel meer mogelijkheden er plots zijn als je de ‘straat’ niet langer beschouwt als een verkeersriool. Gisèle Vervoort van Kind en Samenleving vulde dat verder in met een pleidooi voor het perspectief van het kind. En zelf (ja, panellid was ik wel) kon ik dat alles alleen maar onderschrijven en suggereren om ons denken verder open te gooien door te kiezen voor andere woorden (wat als we de Turnhoutsebaan al eens de TurnhoutseLaan gingen noemen?), verkeerskunde te zien als de kunst van het ontmoeten in plaats van die van het ontwijken (meer hierover in mijn binnenkort te verschijnen boek ‘Weg van het systeem’) en misschien nog wat verder outside the box te denken door, zoals Fenna, wat mosterd te gaan halen in pretparken: kijk eens hoe de ‘trams’ eruit zien in de Fantasia- en Bobbejaanlanden van deze wereld. Wetende dat snelheid ruimte vreet, is het misschien geen dwaas idee om ‘snelheid’ (zo vlug mogelijk van A naar B: ideaal voor een metro – snel, maar onderweg is er letterlijk niks te beleven) bovengronds te vervangen door ‘traagheid’ (minder snel, maar je kunt genieten van alles tussen A en B en kunt op- en afstappen in A1, A2, A3…). In de praktijk zal het ‘verlies’ aan reistijd trouwens meevallen: de TurnhoutseLaan intra muros is amper een kwartier stappen lang.

Enfin, met de welgekomen ondersteuning van Mauro Pavlovski, de stadsdichter en 180 enthousiastelingen in de zaal kon je het af en toe in de Roma horen knetteren.

Domper op de feestvreugde

Enige domper op de feestvreugde was een vraag uit de zaal: wat als het nu echt allemaal zo mooi en kwaliteitsvol wordt dat de gentrificatie toeslaat?

Gisèle Vervoort antwoordde terecht dat je daar een beleid voor kan voeren. Iets met prijsregulering, sociale huisvesting en het voorkomen van speculatie. Eén cruciale factor vermeldde ze niet, maar je voelde dat iedereen die er spontaan bij dacht: beleidsverantwoordelijken die daar werk van willen maken.

Het palindroom als beleidsstijl

En kijk, de volgende dag was daar de Antwerpse schepen van mobiliteit Koen Kennis die, bevraagd door journalisten, de onuitgesproken vrees van de aanwezigen legitimeerde met een onverholen poging tot droommoord. Het palindroom als beleidsstijl, het bestaat.

Om te beginnen riep hij op tot ‘realisme’ – je weet wel, het keurslijf van de verbeeldingskracht en de bekende bazooka van de aartsconservatief. Niet dat het ‘realisme’ van Kennis veel te maken heeft met de werkelijkheid. Integendeel: het maakt abstractie van aspecten als luchtverontreiniging, klimaatverandering, verkeersonveiligheid en daaruit voortvloeiende mobiliteitsarmoede. Het was overigens het ‘realisme’ van Kennis dat leidde tot een verbanning van de Turnhoutsebaanfietsers naar achterafstraatjes, voor de gelegenheid omgeturnd in ‘omgekeerde fietsstraten’: straten waar de fietsers niet eens de auto’s kunnen inhalen.

Voorts zag de schepen ook het spook van de gentrificatie. Weinig aan te doen, stelde hij beteuterd vast: anders dan in pakweg Nederland heeft de overheid bij ons weinig in de pap te brokken, het is de privé die hier het schone weer maakt. Ik viel van mijn stoel toen ik het las: had Kennis’ partijgenoot en Vlaams minister Matthias Diependaele niet pas nog een lans gebroken om een half miljard euro bestemd voor sociale woningen van de overheid naar de privé te versluizen?

En nu?

Kennelijk hebben sommige beleidsmensen het moeilijker met mensen die dromen dan met beleid dat leidt tot nachtmerries. Het zal niet de laatste moordpoging op de droom van de TurnhoutseLaan zijn geweest.

Daarom enkele suggesties voor de toekomst:

1) laat de heraanleg van de TurnhoutseLaan niet over aan alleen de schepen van mobiliteit, want dan krijg je het door Zuhal Demir zo verfoeide ‘kokerbeleid’. Betrek ook en vooral de schepenen van jeugd, van senioren, van onderwijs, van middenstand, van sociale zaken, van groen, van milieu en ruimtelijke ordening. Betrek ook de Vlaamse ministers (het is tenslotte een straat van het Vlaams Gewest) van mobiliteit, sociale integratie en stedenbeleid en tutti quanti. Betrek natuurlijk ook de bewoners van de straat en de bewoners van de buurt. Betrek met andere woorden iedereen, behalve ‘TINA’ (‘There Is No Alternative’).

2) laat de heraanleg van de TurnhoutseLaan zowel infrastructureel zijn als niet-infrastructureel: ze moet gepaard gaan met beleid op het vlak van verkeersreglementering, logistieke organisatie, handhaving, sociale huisvesting, ruimtelijke planning, enzovoort.

3) zoom uit: niet alle oplossingen voor de problemen van de Turnhoutsebaan zullen te vinden zijn op de Turnhoutsebaan. Vaak zullen ze er, letterlijk en figuurlijk, buiten liggen.

Maar goed, de mensen van het Actiecomité ‘Pak ze aan, de Turnhoutsebaan’ zijn verstandig genoeg om dat ook te weten. Ze zullen vooral volhoudend genoeg moeten zijn.

En tot slot: alles wat geldt voor Antwerpen, geldt ook voor de rest van Vlaanderen. Het is niet voor niks de navel.

Op naar ‘sociale parkings’?

Geplaatst op

We leven in surrealistische tijden. Blijkt dat de minister van sociale huisvesting z’n geld niet opkrijgt en hij stelt voor om het dan maar ter beschikking te stellen van projectontwikkelaars: ‘Die weten er wel weg mee.’

Niks nieuws onder de zon. We kennen het patroon: eerst de bevoegde overheidsdiensten de handen op de rug binden, ze vervolgens opdragen te zwemmen, dan vaststellen dat ze bijna verdrinken en tot slot grootmoedig de hulp inroepen van de redders uit de privésector.

In het Vlaams Parlement leidde een en ander tot hevige debatten, vooralsnog zonder conclusie. Daarom wat ongevraagd advies voor onze heren en dames volksvertegenwoordigers. Wat als we de terminologie eens aanpasten en in plaats van over ‘sociale huisvesting’ zouden spreken over het ‘parkeren van mensen’ op ‘sociale parkings’?

Klinkt weinig respectvol, zegt u? U heeft een punt. Maar het zou wel zorgen voor voldoende woningen. Lees maar eens volgend citaat van Donald Shoup, in zijn boek met het heerlijke oxymoron ‘The high cost of free parking’ als titel:

‘But the market fails to provide many things at a price everyone can afford. For instance, it fails to provide affordable housing for many families. Advocates for affordable housing usually find themselves in an uphill battle, but without a second thought cities have imposed requirements to ensure affordable parking. Rather than charge fair-market prices for on-street parking, cities insist on ample off-street parking for every land use. As a result, most of us drive almost everywhere we go.’

Met andere woorden: als we zouden denken over sociale huisvesting zoals we denken over parkings, dan zouden we ze gewoon opleggen aan projectontwikkelaars. Zonder er extra miljarden naast te leggen, by the way. Het wonen zou gewoon wat duurder worden voor alle anderen.

Een circuit als een leven

Geplaatst op

‘Schrijven is een verfijnde vorm van stilte.’ En of dat waar is.

Mijn boek is eindelijk klaar, maar toch is er behalve opluchting toch ook al gemis. Ik vul het op door mezelf toe te staan wat ik lange tijd niet meer heb gedaan: fictie lezen. Lange tijd moest alles ‘in functie staan van’ – en nu dus niet meer. De speeltijd is aangebroken.

Dat is wennen. En dus kies ik mijn lectuur toch nog altijd een beetje in functie van mijn corebusiness.

Zo belandde ik bij Alessandro Baricco. Een tip van een oud-student. En wat voor één! Bedankt, Wim!

‘Het verhaal’ is een boek dat davert en dendert. Alleen al de ouverture – zo heet het begin echt – over de allereerste snelheidsrace voor auto’s. In 1903. Van Parijs naar Madrid. Al haalden ze nooit Madrid.

Tegen dat de vierwielige monsters voorbij Bordeaux waren, waren er zoveel doden gevallen – coureurs, technici, publiek, argeloze dorpelingen – dat de Franse President zich genoopt zag de wedstrijd stil te leggen.

Baricco beschrijft het in een zinderende stijl. Na de eerste pagina’s ben ik mijn handen gaan wassen omdat ze naar smeerolie roken.

Racewagen Bugatti – Louwman Museum Den Haag

Verder gaat het boek niet over auto’s – hoogstens indirect. De hoofdpersoon heet Ultimo, het eerste kind van een Italiaans landbouwersgezin dat ook het laatste moest zijn. Soms is het boek hilarisch grappig, soms bloedernstig, vaker nog iets tussen de twee. Humor met weerhaakjes, ik houd er wel van.

De vader van Ultimo verkoopt z’n koeien en begint een garage. Dat was twintig jaar later een goeie move geweest, maar in de bergen boven Turijn passeert er begin 20e eeuw nauwelijks een auto. De vader laat zich dan maar inhuren als technicus-bijrijder van een rijke graaf die gebeten is door de racerij. De zoon volgt in de slipstream, maar heeft niet zozeer oog voor de wagens – wel voor de wegen. Een kwestie van Gestaltpsychologie, zeg maar.

Het zijn verwarrende tijden. De wereld verandert, de eerste Wereldoorlog breekt uit en dat is niet zomaar een oorlog, het is een totaal nieuw soort oorlog. Ultimo is op zoek naar orde. In de wereld. In zijn hoofd. In zijn hoofd ontstaat het plan om de wereld te ordenen met een weg zonder begin of einde – een circuit, quoi: toen nog nieuw, want races werden gewoon op straat gehouden – die een materialisering is van zijn levensloopt.

Ofwel heeft u nu het gevoel dat ik prietpraat vertel. Dan is dit boek niks voor u. Ofwel bent u nu geïntrigeerd en dan heeft u wat korte nachten voor de boeg.

Voor de twijfelaars geef ik nog mee dat een andere hoofdrol is weggelegd voor een Russische prinses (‘Elizaveta’) en de Mille Miglia en dat Baricco en passant het ontstaan van zowel het futurisme als van het fascisme verklaart – overigens zonder ook maar één van die twee woorden te gebruiken.

De allerbeste fictie doet ons dingen begrijpen waartoe de meest superieure non-fictie nooit in staat is. Baricco heeft me daar weer aan herinnerd.

=> BARICCO ALESSANDRO, Dit verhaal, De Bezige Bij, Antwerpen, 2007 (2005), 271 blz.