RSS feed

Categorie archief: Monumentenbeleid

Oorlog en vrede

Eén van de voordelen van een crisis is dat ze de dingen op scherp zet. Dingen die tot voor haar komst goed verborgen of alleszins ongezien waren gebleven, worden plots helder en vallen op.

De schoonheid van ons Kerkplein bijvoorbeeld. Toen het kerkhof en de majestueuze dreef verdwenen, verscheen er dit plein dat op zijn beurt onmiddellijk en permanent onder de geparkeerde auto’s verdween. Het leven kreeg geen kans.

Het Kerkplein werd Kerkparking.

Kerkplein in Coronatijden

Nu de auto’s verdwenen, is het plein weer verschenen.

In het midden nog één relict uit pre-coronatijden: de parkeerautomaat, tegemoetkomend in het midden geplant, zodat geen automobilist één meter te ver zou moeten lopen. En strategisch beschermd door vier amsterdammertjes, zoals mijn vlag met bommen bij Stratego.

Nu de vijand is verdwenen, doet het wat pathetisch aan. De oorlog tegen het virus mag dan volop woeden, op dit plein heerst nu een hemelse vrede.

“De plint is dood”

Wie bovenstaande parafrase snapt, heeft nu gegarandeerd al geglimlacht.

Wie haar niet snapt, is waarschijnlijk gezegend met een jonge leeftijd en staat nu op het punt één de legendarische sketch “De duif is dood” van Toon Hermans te ontdekken. En zich vervolgens af te vragen wat die vorige generaties daar in Godsnaam zo grappig aan vonden.

Als het een troost mag wezen: ik vraag het me nu zelf ook af.

Het is omdat Corona door het land waait, anders zou ik mijn eigen grap niet uitleggen. Om het met president Macron te zeggen: “à la guerre comme à la guerre.”

Hoe meer het land tot stilstand komt, hoe meer de mensen bewegen, ontdekte ik deze namiddag toen ik mijn stramme leden even van onder mijn bureau joeg.

Er was opvallend veel volk op straat. Daar zat de zon zeker voor iets tussen, maar ook de pas afgekondigde ophokplicht waardoor mensen hun woon-werkverplaatsingen gaan compenseren met recreatieve verplaatsingen. Dat is de in verkeerskundige kringen welbekende (en overal elders vrijwel onbekende) BREVER-wet die volop speelt. Het goede nieuws is dat veel mensen die verplaatsingen nu te voet afleggen.

Daardoor werden alvast in mijn gemeente de parkings plots weer pleinen. Meer dan er naar kijken konden we in deze tijd van social distancing er niet mee doen, maar het was toch al een esthetisch genoegen. Met slechts een beetje verbeelding kon je zelfs een heleboel potenties zien sluimeren.

Anders was het in de winkelstraten. Ook al liepen er mensen, gezellig was het niet. “Nu kunnen we eens ervaren hoe het is mochten alle winkels vervangen worden door e-shops,” legde mijn echtgenote de vinger op de wonde. Met alleen apothekers en voedingswinkels gaan we het inderdaad niet redden.

Herentals in Coronatijden (1)

Konden we het weinig-te-beleven-gevoel op de meeste plaatsen nog verklaren door de neergelaten rolluiken, bij de lokale Action was dat niet het geval. Daar bleek de levendige plint die we op de Gecoro (Gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Ordening) enkele jaren geleden gepresenteerd kregen schielijk te zijn overleden. “De plint is dood,” inderdaad. Wat in de rendering van de architect een attractieve vitrine was en een visuele brug van buiten naar binnen, is in de praktijk gereduceerd tot een letterlijk blinde muur. Daar kan zelfs de toevoeging van het woord ‘Action’ niks aan veranderen.

Het zal wel ironisch bedoeld zijn. Maar dan wint de sketch van Toon Hermans het qua grappigheid toch nog met enkele straatlengten.

Poort De Haan

Haltes zijn voor de tram en voor de bus alleen maar haltes. Even vertragen, een klein oponthoud – en dan weer verder. Een noot op een onveranderlijke notenbalk. Altijd hetzelfde liedje.

Voor mensen zijn haltes veel meer dan dat: minstens scharnieren van het ene dagdeel naar het andere, vaak overgangen, soms plotwendingen, ja zelfs poorten naar een ander leven.

Van thuis naar het werk en van het werk naar huis voor de pendelaar, als een ouderwetse schakelaar.

Van de sleur naar vakantie en terug voor de toerist – een heen-en-weer van verlangen naar weg zijn en weer thuis zijn.

Van geen leven naar een leven of vice versa voor de vluchteling.

En alles daartussen.

Want wie vertrok als toerist kan onderweg zomaar een vluchteling zijn geworden. Het kan de eerste de beste overkomen.

De Duitse Jood Albert Einstein bijvoorbeeld. Bij zijn aankomst uit Amerika hoorde hij dat Hitler aan de macht was gekomen. Hij besloot niet verder te reizen, de carnavalstijd zou wel eens voorbij kunnen zijn.

En inderdaad: in de maanden daarna vielen de maskers definitief af. Wat eerst nog schijnbaar scherts was geweest, werd plots schrijnende ernst.

Een tijdperk van nieuwsoortige eindhaltes met bijhorende poorten was aangebroken.

Wie verlucht de verdichting?

Vandaag verscheen er een opiniebijdrage van Tim Vekemans en mezelf in De Standaard. We schreven ze als leden van onze lokale Gecoro, omdat we denken dat wat we in Herentals vaststellen niet wezenlijk verschilt van wat er elders gebeurt. En zou kunnen gebeuren.

Hieronder onze bijdrage in extenso – in De Standaard viel er een, wat mij betreft: belangrijke, passage weg over de Vervoersregio’s.

Lier (16)

Zijn lokale overheden helemaal overgeleverd aan de (on)wil van de Vlaamse regering of kunnen ze zelf het heft in handen nemen?

“Recent maakten academici en planologen een balans op van de staat van onze ruimtelijke ordening.

Achteromkijkend zagen ze een woekerende stedenbouw, die de facto vooral een plattelandsbouw is. Vooruitkijkend zagen ze een Vlaamse regering die de noodzakelijke bouwshift onbetaalbaar maakt en het gewestplan als aanjager van verdere verrommeling ongemoeid laat. Maar is dat reden voor pessimisme?

CARNAVAL VOOR DE VASTEN

De woonproductie in Vlaanderen draait inderdaad op volle toeren. De officiële verdichtingsdoelstelling functioneert als een vrijbrief voor stapel-gekke architectuur. Dat levert, voorlopig toch nog, veel financiële winst op en weinig ruimtelijke kwaliteit. Laat staan dat het aanbod beantwoordt aan de woonwensen. Veel jonge koppels willen wel degelijk in de stad wonen. Op voorwaarde dan wel dat er een kleine tuin is. Maar in de praktijk is van het verdichten met de voeten op de grond nauwelijks sprake.

Als leden van de Herentalse Gemeentelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening (Gecoro) spreken we uit ervaring. De afgelopen jaren zagen we hoe ons provinciestadje piekte in de interesse van de vastgoedsector. Niet onlogisch, gelet op de lokale troeven: industrie, diensten, natuur, een goed bediend pendelstation, een snelweg – we hebben het allemaal. Projectontwikkelaars en kandidaatbouwers gaan van minder likkebaarden.

Een inventaris van de projecten leert ons dat wij de vorige legislatuur een woonaanbod hebben besproken dat, rekening houdend met de verwachte en gewenste demografische groei, volstaat om tegemoet te komen aan de woonbehoefte voor de volgende vijftig jaar. Tachtig procent van dat geplande aanbod zijn appartementen. Zonder tuin dus. Een betaalbaar woonaanbod dat kan concurreren tegen de landelijk gelegen vrijstaande woning is niet in zicht. We zijn dus bezig de leegstand van morgen te bouwen. Iedereen weet dat de vasten er aan komt, maar in afwachting vieren we carnaval.

BOUWPAUZE

In de nieuwe legislatuur lijkt de dossierstroom niet te vertragen. Kennelijk warmt niet alleen het klimaat op. Ook de vastgoedmarkt doet dat. Bij gebrek aan overzicht en coördinatie. Of bij ontstentenis van planning en beleid, zo u wil.

Dat is niet typisch voor onze gemeente. Evenmin is het zo dat de beleidsmakers de bui niet zien hangen.

Maar door in vergunningswetgeving gebetonneerde tijdsdruk worden ze in de achtervolging gedwongen. Tijd om na te denken over kwaliteitseisen of een instrumentarium om de ontwikkelingen in de gewenste richting te duwen is er niet.

Daarom trokken enkele gemeenten recent aan de noodrem. Toen het kleine Wuustwezel enkele jaren geleden dreigde te verdrinken in de grote bouwdossiers, kondigde het een ‘bouwpauze’ af. Vandaag volgt Malle dit voorbeeld en ook in onze eigen gemeente gaan er stemmen op voor een ‘time out’. Moedig en bepaald disruptief in een tijd die geobsedeerd is door het vermijden van ‘tijdverlies’.

Maar meer tijd nemen kan ook tijdswinst betekenen: tijd om twee keer na te denken, de markt een beetje te laten afkoelen en de geesten te laten rijpen – zowel aan de aanbod- als aan de vraagzijde.

Het effect zou trouwens nog groter zijn mochten meer gemeenten dit voorbeeld volgen. Van concurrenten die vandaag tegen elkaar worden uitgespeeld zouden ze plots collega’s in ruimtelijke planning worden. Misschien kunnen de nieuwe Vervoersregio’s hiervoor als platform dienen? Tenslotte zijn de ruimtelijke ontwikkelingen van vandaag de mobiliteitsproblemen van morgen – en als we het goed doen: de mobiliteitsoplossingen.

WAT WE ZELF DOEN…

De groep mensen die niet meer dan 400 à 700 euro per maand kan spenderen aan zijn woonbehoefte groeit gestaag. In Vlaanderen wonen bijna evenveel mensen in een sociale woning als er op de wachtlijst staan. Voor meer dan 155.000 gezinnen is het aanbod in de immo-etalages financieel niet haalbaar. En het wordt niet beter. Tegen 2060 zal naar verwachting de helft van de Belgen alleenstaand zijn en moeite hebben met zijn woonfactuur. Huurmarkt, koopmarkt en huisvestingsmaatschappijen slagen er onvoldoende in aan die vraag te voldoen. En het beleid slaagt er niet in ze te corrigeren.

Schijnbaar onderschatten lokale beleidsmakers hun eigen mogelijkheden. Nochtans kunnen ze ook zelf ruimte maken voor betaalbare woningen. Bijvoorbeeld door eigen gebouwen en goed gelegen gronden te ontwikkelen. In overleg met kerkfabrieken en andere lokale (grond)eigenaars wordt dat perspectief nog groter.

Ze zouden het verdichten binnen het bestaande areaal kunnen stimuleren, zoals het herbestemmen of opsplitsen van onderbenutte gebouwen en woningen. En verder kunnen ze ook werk maken van de opschaling van wat intussen bekend staat als het ‘begijnhofmodel’: wonen via erfpacht met overdracht naar erfgenamen. Stuk voor stuk initiatieven die zouden resulteren in een woonaanbod dat beter beantwoordt aan de feitelijke woonwens. Zonder te botsen met betaalbaarheids- en duurzaamheidseisen.

LUSTENFONDS

Wij zijn niet naïef. Verdichten kost geld. Geld waarover de lokale overheden niet beschikken. Flankerend aan de verdichting  moeten er mobiliteitsmaatregelen worden genomen. Er moeten parken en dorpstuinen aangelegd worden en overbodige verhardingen en nutteloze gebouwen gesloopt. Enzovoort. De lijst van noodzakelijke aanpassingen aan onze publieke ruimte is lang. De rekening ook. Die moet dringend worden gedeeld. Het opdrijven van dichtheden kan niet enkel in de private kassa verzilverd worden.

Maar dat dit een heikele kwestie is, is zeker. Niet voor niets gaf de Vlaamse regering forfait.

Maar wat als we dit nu eens beschouwden als een geluk bij een ongeluk? Net bij de lokale overheden komen alle lasten en lusten samen en worden ze dus ook aan den lijve gevoeld.

Stel dat de door de overheid doorgerekende lasten niet zouden verdwijnen in een anonieme Vlaamse begroting, maar lokaal zouden verschijnen als door elkeen waarneembare lusten. Zou het draagvlak dan niet groter worden?

Een lokaal ‘Lustenfonds’ zou de verluchting kunnen financieren die met elke verdichting moet samengaan.

Zo’n verschuiving van een cultuur waar burgers, overheden en ontwikkelaars soms verbeten strijd leveren naar één waarin ze samen bouwen aan de steden en dorpen van morgen. Het zou in deze tijden van polarisatie voorwaar een verademing zijn.

 

Only in Belgium

Surrealism meets realism, zou je kunnen zeggen.

Hier kan je heerlijk ‘uit de wind zitten’, bij voorkeur in een geel truitje.

De Eddy Merckx-bank in Brussel

 

Het Fietsbollennetwerk

Enkele maanden geleden vroeg het blad ‘Publieke Ruimte’ mij wie volgens mij een onderscheiding verdient voor zijn of haar inzet voor een kwaliteitsvollere publieke ruimte. Ik noemde de usual suspects, Jane Jacobs en Jan Gehl, en de te onbekend gebleven Dries Jageneau – een Antwerpenaar die als ambtenaar en als activist (“toen dat nog kon”, schreef Dirk Lauwers onlangs) de eerste kiemen legde voor de Renaissance van Antwerpen als verblijfsstad.

Toen ik gisteren met mijn eega langs het Fietsknooppuntennetwerk naar Gestel fietste (op aangeven van een tip van Elvis Peeters in De Standaard – zeg nooit dat romanschrijvers geen invloed hebben, zelfs al weten ze hun pseudoniemen slecht te kiezen), besefte ik dat ik nog iemand vergeten ben: ook Hugo Bollen verdient een onderscheiding.

“Hugo wie?”, hoor ik u al vragen en dat illustreert natuurlijk mijn punt. Hugo Bollen is de voormalige mijningenieur die in de nasleep van de ‘reconversie’ na de sluiting van de Limburgse steenkoolmijnen, het systeem van de fietsknooppunten bedacht. Als de man wat minder bescheiden was geweest, hadden we het vandaag wellicht over het ‘fietsbollennetwerk’ gehad. Schaarse interviews met de man, die nadien nog directeur was van het Regionaal Landschap Kempen en Maasland (RLKM), vind je hier en hier. De man kreeg nog niet eens een Wikipediapagina.

Zonder Hugo Bollen was er vandaag geen sprake geweest van het fietsknooppuntennetwerk, dat intussen succesvol uitgerold werd over heel Vlaanderen met uitlopers tot in Nederland, Duitsland en zelfs Wallonië en Kroatië. Het knooppuntennetwerk gaf een enorme boost aan het recreatieve fietsen en ontsloot tegelijk een schatkamer aan landschappelijke parels voor het grote publiek.

Zijn bijdrage aan de fietscultuur in Vlaanderen (en daarbuiten)  én de waardering voor onze publieke ruimte kan dus niet worden overschat. In 2015 kreeg Bollen weliswaar van de Koning en de Koningin de eretitel ‘Commandateur in de Leopoldsorde’, maar behalve nog een Nederlandse designprijs in 2013, vind ik geen spoor terug van enige Vlaamse prijs die de man zou hebben gekregen – laat staan een prijs van de fietsbeweging of de verenigingen die zich ontfermen over monumenten en landschappen.

Laat dit dus een warme oproep zijn om deze vergetelheid op korte termijn recht te zetten.

Spa zonder bruis

Ooit was Spa een trefpunt voor keizers en koningen (m/v), maar die glorieperiode ligt al even achter ons. De enige koning die vandaag nog Spa frequenteert, heet Auto.

Hij zwaait er de scepter en wordt er overeenkomstig in de watten gelegd. Kennelijk zit de angst dat ook deze koning uiteindelijk zal wegblijven er dik in.

Het beleid om dat te voorkomen, mag succesvol worden genoemd. Er zijn vandaag in Spa meer auto’s dan mensen. Alles wat ooit een ‘place’ was, is nu een rustplaats voor auto’s. Zover je blik reikt, is het blik, blik, blik.

En nog is het niet genoeg. De oude thermen worden binnenkort verbouwd tot een hotel met een ondergrondse parking.

De Avenue Reine Astrid die momenteel wordt heraangelegd, geeft royaal (sic) ruimte aan de automobiel: haakse parkeervakken, overgedimensioneerde kruispunten met overbodige voorsorteerstroken die de oversteekbaarheid voor voetgangers tot nul herleiden.

Die voetgangers worden verondersteld zich zigzaggend tussen de obstakels te bewegen en ook fietsers wordt het authentieke Francorchampsgevoel niet ontzegd. Wat leken respectloos ‘onmogelijke hoeken’ zouden noemen bij een fietspad dat zich schikt naar de grillen van Koning Auto, zijn natuurlijk ‘chicanes’ – zij het zonder zachte banden om wie uit de bocht vliegt op te vangen.

Alle gekheid op een stokje: het mag anno 2019, in tijden van globalisering en oneindige mogelijkheden op vlak van communicatie en kennisuitwisseling, toch wel bevreemdend worden genoemd dat steden en gemeenten waar fietsbeleid een nieuw gegeven is er toch telkens in slagen alle fouten van hun voorgangers opnieuw te maken.

Spa mag dan een specialist in water zijn, het warm water hoeft het echt niet meer uit te vinden. Misschien is een Franstalige versie uitbrengen van het Vlaamse Fietsvademecum toch niet zo’n slecht idee.

In de begroting in te schrijven onder de rubriek ‘burenhulp’.

Vlucht gemist

Geplaatst op

Hoera, het is vakantie!

Voor de kinderen dan toch. En voor sommige volwassenen. Voor sommige volwassenen is de vakantie al voorbij. Voor anderen moet ze nog komen. En voor nog anderen zal ze niet komen.

Of juister: zal het vakantiegevoel niet komen. We spreken, gemakshalve en dus begrijpelijkerwijze, zoveel in algemene termen dat we een belangrijk deel van de werkelijkheid erbij inschieten.

Bijvoorbeeld dat ook niet alle kinderen aan een vakantiegevoel toekomen. Alle mooie beloften van minister Homans over een halvering van de kinderarmoede tegen 2020 ten spijt, worden halfweg 2019 nog altijd 10 procent van de Vlaamse kinderen in een kansarm gezin geboren. Tel daarbij het gegeven dat bijna 20 procent van de Vlamingen zich geen week vakantie buitenshuis kan veroorloven en we beseffen dat we het hier niet over kleine aantallen hebben.

Wetende dat dit stukje eigenlijk over ‘overtoerisme’ zou gaan, kan dit een vreemde intro lijken. Enkelen zullen zeggen: een politiek correcte intro.

Maar dat is hij nu net niet. Hoe meer aandacht er tegenwoordig gaat naar de problematiek van het teveel (zie ook mijn vorige stukje), hoe meer het me opvalt hoe weinig aandacht er gaat naar de tekorten. En nog minder naar het verband tussen die twee.

Dat verband heeft een naam. Het heet ‘ongelijke verdeling’. En dat is allerminst politiek correct. In het huidige dominante discours is de mantra dat elkeen het lot heeft dat hij verdient (zie kansarmoede, zie vluchtelingen, zie mensen met allochtone roots) is het hoogstens een gegeven, want gelegitimeerd door verondersteld talent en dito inspanningen (met consequente schrapping van de factoren ‘toeval’ en ‘omstandigheden’), nooit een probleem. Wie ook maar durft te opperen dat we een deel van het ‘teveel’ zouden kunnen aanwenden om iets te doen aan de ‘tekorten’, wordt weggezet als een communist. En dus als een aanhanger van Mao, Lenin en Stalin. Iedereen die voor herverdeling pleit, is één (Pol) pot nat.

Quod non, natuurlijk. Ten bewijze een citaatje van de huidige directeur van onze Nationale Bank, in een vorig leven christendemocratisch politicus: “Het is schokkend dat er nog zoveel armoede in zo’n rijke samenleving blijft bestaan. Hoewel de vermogensongelijkheid in België kleiner is dan in de meeste andere eurolanden, bezitten de 10% rijkste gezinnen ruim vijfhonderd keer zoveel als de 20% armste gezinnen.” (blz. 66)

Dat lijkt te suggereren dat er toch nog wel wat marge is om aan herverdeling te doen.

Terug naar de mobiliteit en waar ik naartoe wil.

Deze zomer gaat het in de media opvallend vaak over de problematiek van het “overtoerisme”, het fenomeen waarbij trekpleisters dreigen te bezwijken onder hun eigen aantrekkelijkheid. Met de autovrije stad Venetië als ultieme voorbeeld (think about it) en met enkele cruiseschip-incidenten en ‘Grand Hotel Europa’ het magistrale boek van Leonard Pfeijffer als trigger. Terecht dus.

Veel minder aandacht gaat er intussen naar die bijzondere vorm van mobiliteitsarmoede die maakt dat een belangrijk deel van de mensen niet met vakantie of op reis kan. Waardoor we onszelf niet eens de vraag stellen of dit wel rechtvaardig is, laat staan het ongemakkelijke antwoord daarop accepteren en er conclusies aan verbinden.

Overigens is – je zult het altijd zien – de werkelijkheid nog genuanceerder: er is een deel van de mensen dat niet op reis kan, maar moet. Dat zijn de vluchtelingen. Pfeijffer ontleedt in zijn roman met chirurgische precisie hoe wij geconditioneerd zijn om de ene soort reizigers (toeristen) als een lust te beschouwen en de andere (economische en niet-economische vluchtelingen) als een last: “Toerisme vormt een ongemakkelijk contrast met de andere vorm van migratie die het gevolg is van de globalisering en die we zonder reserve als problematisch beschouwen. Terwijl we onze grenzen zo gastvrij mogelijk openen voor buitenlanders die komen om hun geld uit te geven, willen we ze sluiten voor buitenlanders die komen om geld te verdienen.” (blz. 115)

Op z’n zachtst gezegd zijn we dus nogal selectief in onze beoordeling van wat een probleem is en wat niet, wat aan banden moet worden gelegd en wat niet.

“Ik heb mijn vlucht gemist.” Als je deze woorden nog eens hoort, realiseer je dan dat ze meer dan één werkelijkheid kunnen dekken.

———————————–

Leestips voor de vakantie:

  • VANACKERE STEVEN, De eerste steen, Zeven hoofdzonden in politiek en samenleving, Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, Vijfde druk, maart 2014, 222 blz.
  • PFEIJFFER ILJA LEONARD, Grand Hotel Europa, Uitgeverij De Arbeiderspers Amsterdam/Antwerpen, 2018, 547 blz.

Nieuwe publieke ruimte

Geplaatst op

“Straten en pleinen zijn onze publieke ruimte.” Stadsplanners worden niet moe het te herhalen. Helaas kan veel toehoorders niet hetzelfde uithoudingsvermogen worden toegedicht.

“Allemaal goed en wel,” zeggen die dan gepikeerd, “maar wat als het regent?”

De goed geïnformeerde stadsplanner antwoordt dan dat het in ons land maar 8% van de tijd regent. 92% van de tijd is het dus droog.

“Ja,” zegt die kritische toehoorder dan (kennelijk niet minder goed geïnformeerd), “maar wat als het klimaat verandert en het gaat effectief méér  en heviger regenen?”

Te oordelen naar veel ontwerpen staan veel stadsplanners daarop met hun mond vol tanden. Wat niet wil zeggen dat nog niemand er over nagedacht heeft.

Kijken we maar eens naar Schotland, waar de boven aangehaalde 8% eerder betrekking heeft op de tijd dat het niet regent.  Het enige dat er altijd droog blijft is de humor. Hoe lossen ze het daar op?

Ik ontdekte het een tijdje geleden, op een zondagmiddag op wandel in Glasgow. Het regende en het was koud. Alles was dus normaal en bijgevolg had onze als lokale gids fungerende Erasmuszoon er op geanticipeerd: onze wandeling voer langs de Kelvingrove Art Gallery.

Aan de buitenkant is het in al zijn voorname indrukwekkendheid niet bepaald een uitnodigend museumgebouw, maar eenmaal binnen bleek die grootschaligheid een goede reden te hebben.

De Centrale Hal (voor de liefhebbers: in Spaanse barokstijl, met gebruikmaking van een lokale rode zandsteen) bleek er te fungeren als een overdekt marktplein. Hier niet de gewijde stilte van de op zijn tippen lopende kunstkenner, wel het vrolijk rumoer van heel veel gezinnen met kinderen.

Dat de inkom gratis was, hielp natuurlijk, maar ook verder was er alles aan gedaan opdat iedereen zijn heug en meug kon vinden: kinderanimatie, een orgelconcert, een les ‘volksdansen’ – in dat ene uur dat we er waren zagen we het allemaal de revue passeren. Kennelijk is dit museum een perfecte ontmoetingsplek voor de Glasgowers: weer of (vaker) geen weer, er is voor alle leeftijden altijd wat te beleven. Geen wonder dat de Kelvingrove Art Gallery elk jaar meer dan een miljoen bezoekers mag ontvangen.

Het staat als een paal boven water dat dit gebouw maatschappelijk rendeert en mogelijk doet het dat ook economisch, want geloof me: van zoveel convivialiteit wordt een mens vrijgevig.

Als we onze steden klimaatrobuuster willen maken, zullen we wellicht ook in de richting van dit soort ‘nieuwe’ publieke ruimten moeten gaan denken.

Ook in München lijken ze dat al te hebben begrepen. Ook daar was het zondag en aan de frisse, natte kant toen ik in de Neue Pinakotek belandde. En ook daar bleek er geen drempel te zijn voor de goegemeente en fungeerde de centrale hal als een plein waar gezinnen met kinderen elkaar ontmoetten.

Deze diashow vereist JavaScript.

Het museum was er niet gratis, maar veel scheelde het niet. Op zondag bedraagt de inkomprijs 1 euro per persoon. Voldoende om een en ander niet te vanzelfsprekend te gaan vinden.

Nog dichter bij huis, vond ik een mooie variant in de nieuwe bibliotheek van de gemeente Tilburg. Die is ondergebracht in de voormalige locomotiefhallen vlakbij het (recent vernieuwde) station. Blijkt al uit de openingstijden, 7 dagen op 7 open en elke weekdag open tot 22u, dat de bib meer wil zijn dan een grote boekenverzameling, eenmaal binnen blijft er van het stoffige imago van de bib van weleer niets meer over.

Deze diashow vereist JavaScript.

Ondergebracht in de voormalige locomotiefhallen vlakbij het (recent vernieuwde) station is er een enorm gevoel van ruimte. Een gezellige koffiebar, een trap die als zittribune kan dienen, planten, lees- en babbelhoekjes, open en gesloten vergaderruimten, labo’s, een scala aan tafels die al dan niet aanmoedigen om de stilte te verbreken – een variatie aan sferen in verschillende gradaties van levendigheid.

Alleen zonde dat het die dag mooi weer was.

Ruimterivaliteit

Geplaatst op

Great minds think alike. Geen idee wie dat ooit gezegd heeft, maar hij (m/v/o) heeft gelijk.

Stuttgart en Munchen 2019 (723)

‘Klein Versailles’ heet deze historische site in München. Monumentaal en prachtig, maar ontsierd door de alomtegenwoordigheid van auto’s (bemerk de parkeerhaag in de verte).

Nog maar net had ik bedacht met welke foto ik een eerste beschouwing over onze studiereis naar München en Stuttgart zou openen (de bovenstaande) of daar viel een mailbericht van collega Joris Willems in mijn postvak: hij had een collage gemaakt van enkele plaatsen ‘vroeger en nu’ in München. De boodschap: kijk eens wat ‘minder’ auto’s met een stad kunnen doen. Uit zijn foto’s blijkt dat de Beierse hoofdstad sinds het referentiejaar (1986) veel vooruitgang heeft gemaakt, louter en alleen door van parkings weer pleinen te maken. Vorsprung ohne Technik als het ware.  De kwaliteit van de publieke ruimte is er telkens gigantisch op vooruitgegaan.

Dat loont zich. Zowel op zondag als in de week wordt het openbaar domein de living van de stad van zodra het ook maar even ‘droog’ is.

 

Deze diashow vereist JavaScript.

Maar er ligt nog veel werk op de plank. Hoewel we het belevingscentrum van de lokale autobouwer, ‘BMW Welt’, niet bezochten, had ik toch het gevoel veel tijd in de échte BMW Welt te hebben doorgebracht. Dat is er één waar auto’s nog heel veel ruimte in beslag nemen, de andere weggebruikers naar de zijkant duwen (‘marginaliseren’) en de openbare weg beschouwen als een racecircuit. Zelden heb ik in een stad zoveel patserauto’s gezien die met elkaar in een permanente strijd leken verwikkeld.

Stuttgart en Munchen 2019 (274)

De Innerring. Nog altijd dag en nacht een barrière.

München bleek nog niet zo ver te staan als wat ik op basis van enkele enthousiaste presentaties enkele jaren geleden op een VeloCitycongres was gaan denken. Ja, er is een grote zone waar de voetganger heer en meester is. En ja, de stad mag bogen op haar Englischer Garten, het grootste stadspark ter wereld en een paradijs voor zachte mobiliteit en recreatie. Maar het blijven toch aparte systemen en werelden: die van de voetgangers (het historische stadscentrum), die van de voetgangers en de fietsers (het park), die van het openbaar vervoer (vooral onder de grond) en die van de auto’s (al de rest).

Stuttgart en Munchen 2019 (701)

Frictie tussen fietsers, auto’s en vrachtwagens en dus ook met voetgangers…

Waar die systemen elkaar tegenkwamen was het overheersende gevoel er een van conflict en strijd. ‘Ruimterivaliteit’ noemde een kabinetsmedewerker van de groene burgemeester van Stuttgart dat met Duitse trefzekerheid.

Stuttgart en Munchen 2019 (302)

“Und Ich?” Wanneer de noodkreet voor ruimte een beetje pathetisch wordt.