RSS feed

Tagarchief: Fietsersbond

Opzijopzijopzij!

New York hotelfiets

Wat ik vorig jaar nog vergat te vertellen: tijdens mijn New York-trip fietste ik er ook. Het tegendeel zou hebben verrast, ik weet het. Het was een zondag en dus (naar het woord van Enrique Penalosa) een beetje minder zwemmen tussen de haaien dan in de week.

New York fietspad met taxi

“To be doored” zeggen ze in het Engels. Letterlijk: gedeurd worden. Fietsers weten waarover het gaat.

Burgemeester De Blasio mag dan uit de nasleep van klimaatstorm Sandy de les hebben getrokken dat inzetten op de fiets de stad meer veerkracht geeft, gaandeweg is zijn dadendrang wat getaand. Waar er echte keuzes moeten worden gemaakt, geeft hij forfait. Van waar kennen we dat nog?

IMG_1723

Geen wonder dus dat de meeste fietsers die je in de straten van pakweg Manhattan ziet voorlopig nog stoere, vaak gehelmde binken zijn die zich op hun fixed gears gedragen als vehicular cyclists – automobilisten op twee wielen. Het zijn pioniers en dus een beetje helden. En gekken, want dat helpt ook.

 

 

Toch leerde fietsen in New York me vooral iets over mezelf. De door ons hotel ter beschikking gestelde fietsen waren op ‘convenience’ ontworpen dikbandige exemplaren mét een bekerhouder aan het stuur, maar geen bel. Dat laatste ontdekte ik al na één minuut – en daarna ongeveer elke minuut opnieuw, telkens mijn vinger spontaan op zoek ging naar het trekkertje.

New York convenience fietsen

 

Blijkbaar ben ik een ongedurig spurtertje dat zich meer bezondigt aan de Herman Van Veen-doctrine (“Opzijopzijopzij”) dan het zelf ooit had vermoed. Zelfs op een zonnige zondag in een stad die ik als toerist ging verkennen. Best confronterend, geef ik ongaarne toe. New York hield me een spiegel voor en wat ik zag was niet zo fraai.

Sindsdien probeer ik er op te letten en dwing ik mezelf tot meer geduld en gezapigheid onderweg. Niet omdat ik versneld een “ouwe zak” wil worden. Wel omdat een menselijke snelheid aanhouden de communicatie met andere fietsers en met voetgangers een stuk gemakkelijker maakt.

Niet-fietsers doen er soms smalend over dat fietsers zich niet aan ‘de’ regels houden. Wat ze niet snappen is dat ‘de’ regels er vooral zijn omwille van de auto (en dus vaak ook op diens maat gesneden zijn) en dat fietsers zelf weinig regels nodig hebben. Dat maakt van hen geen anarchisten. Integendeel. Ze zijn in al hun flexibiliteit gewoon een stuk meer zelforganiserend en lossen hun conflicten al onderhandelend op. Dat gebeurt niet tijdens lange diners in exquise restaurants, maar in een oogwenk (sic) met eenvoudig oogcontact, een hoofdbeweging, een beetje lichaamstaal: “ik heb je gezien”, “ga jij maar voor”, “mag ik?”, “ik kom langs je rechterkant”, “ok!”, “dank je” – en ook wel: “sorry!”, want de onfeilbaarheid is nog altijd alleen de paus voorbehouden.

Zo subtiel onderhandelen kan natuurlijk alleen maar als de snelheid niet te hoog ligt. Snellere fietsers hebben een bel nodig, gaan roepen of dwingen hun “voorrang” af met lef en branie. Da’s minder sympathiek en het leidt ertoe dat pakweg wielertoeristen zich beloond zien met een koosnaam als ‘wielerterroristen’.

Hoe meer ik er over nadenk, hoe meer ik me ervan bewust word dat fietsen aan een  ‘communicatief tempo’ heel wat kwaliteiten in zich bergt. Die zijn vandaag zo vanzelfsprekend dat we ze wellicht pas zullen opmerken wanneer ze zullen verdwenen zijn als gevolg van onze zucht naar snelheid. Want geloof me, fietsers zijn net mensen.

Radio 1 Nederland

In de hectiek van een actualiteitenprogramma een oproep tot traagheid komen doen, voor de gelegenheid speciaal aan- en afgevoerd met een taxi, zo contradictorisch kan het leven van een mobiliteitsveranderaar zijn…

Ik sprak er deze week over in Utrecht voor de Nederlandse Fietsersbond en in de marge daarvan ook op de Nederlandse Radio 1.

Ze gunden me “één minuut” om me tot de natie te richten en dit sujet maakte er dankbaar gebruik van om een oproep te richten tot de Nederlanders – al mogen mijn landgenoten zich evenzeer aangesproken voelen:

“Liefste Noorderburen

Een Belg die de Nederlanders de les komt lezen over fietsen? Veel gekker moet het niet worden.

Maar als observator van op afstand zie ik dingen die jullie, met de neus er bovenop, misschien niet zien.

Wat als iemand zou beweren dat hij (of zij) een vervoermiddel heeft uitgevonden dat bijna gratis is, geen energie verbruikt, geen uitstoot kent en bovendien gezond en veilig is?

Zouden we hem of haar geloven? Het klinkt inderdaad te mooi om waar te zijn.

En toch is de waarheid nog mooier: de uitvinding bestaat reeds en ze heet fiets. De fiets is bij uitstek democratisch, sociaal  én emanciperend. De fiets zorgt ervoor dat iedereen mee kan doen in de Nederlandse samenleving.

Anders gezegd: de fiets is het moderne touwtje uit de brievenbus van Jan Terlouw.

De fiets verbindt letterlijk en figuurlijk alle Nederlanders, mannelijke en vrouwelijke, rijke en arme, jonge en oude, ja, zelfs oude en nieuwe Nederlanders.

Daarom deze warme oproep om deze gelukkige vervoerswijze niet te offeren op het altaar van de snelheid.

Laat de speedpedelec aan de ene kant en de ‘zelfrijdende wagen’ aan de andere kant de fiets niet de wet spellen. Koester de klassieke tweewieler en zorg ervoor dat de nieuwe vervoerswijzen zich aanpassen aan de fiets en niet omgekeerd.

Omarm de gezapige, menselijke snelheid.

Want een zekere traagheid garandeert het voortbestaan van het zachte cement van jullie samenleving: oogcontact, een knikje, een woordje onderweg –  kortom: wat aandacht voor elkaar.

Tot ergens onderweg op de fiets. Ik zal glimlachen.”

Advertenties

De Vlaamse Mobilistenbond

Ook al opgemerkt hoe de automobilistenclubs van dit land om de haverklap gratis airplay oogsten met zogenaamde onderzoeksresultaten? Doorgaans gaat het over niet meer dan een bevraging en wordt de ervaring van de realiteit gemakshalve verwisseld met de realiteit zelf. Als de bevraging uitwijst dat velen pakweg een verkeerssituatie onveilig vinden, dan is de conclusie al snel dat de verkeerssituatie onveilig is.

Overigens doen de resultaten mij vermoeden dat de bevraagde, schijnbare modusneutrale ‘Vlamingen’ of ‘Belgen’ vaak vooral ‘automobilisten’ zijn. Al kan het niet meer zijn dan een vermoeden: over de samenstelling en representativiteit van de steekproef wordt, net als over de bevragingsmethodiek, meestal geen informatie gegeven.

De voorbije week sloeg de VAB toe met een bevraging van 1000 Vlamingen. Aangezien ze het rijcomfort op de gewestwegen beoordeelden, zullen het niet zomaar Vlamingen zijn geweest, wel ‘autorijdende’ Vlamingen. Slechts 52 procent van deze chauffeurs beoordeelde het rijcomfort positief.*

Gelukkig kunnen onze politici soms verbazend kort op de bal spelen. Vlaams minister van Mobiliteit Weyts liet meteen weten het probleem te onderkennen én er een oplossing voor te hebben. Hij verhoogde het investeringsbudget voor de wegen met 100 miljoen euro, een stijging met niet minder dan 33%. Ze komt  bovenop de eerder aangekondigde extra enveloppe van 50 miljoen euro “voor het wegwerken van de laatste zwarte punten.” Extra budgetten vrijmaken voor auto-infrastructuur, blijkbaar is het een makkie.

Het deed me denken aan een artikel dat ik enkele dagen eerder las in het maartnummer van Lokaal, het blad van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten. Titel: ‘De blikken doos moet wijken voor het stalen ros’. Zou het?

De coördinator van het Vlaamse Fietsberaad, Wout Baert, stelt er minister Weyts deze vraag: ‘Het Vlaamse budget voor fietsinfrastructuur bedraagt ongeveer 90 miljoen euro. Zit daar nog rek op?’ Waarop de excellentie diplomatisch antwoordt: “We zijn erin geslaagd dat bedrag aan te houden in budgettair barre tijden. De komende jaren moeten we naar een groei gaan, al wil ik daar geen bedrag op plakken.”

Voor de ene modus zijn de tijden blijkbaar al wat “barrer”dan voor de andere. Is het voor de fiets al een hele prestatie dat het budget niet kromp, voor de auto is een toename van de middelen met meer dan anderhalve keer het fietsbudget de vanzelfsprekendheid zelve.

Als er al een modal shift zit aan te komen, dan niet ten gevolge van een budget shift. Zeker als het over de verdeling van de middelen gaat is het naar het STOP-principe nog altijd zoeken met een vergrootglas.

Voort

Maar genoeg geschamperd. Er is ook goed nieuws. Terwijl de minister zich uitslooft met het in de verf zetten van de vele wegenwerven, verrast de VAB met de nuchtere analyse dat “in plaats van de infrastructuur van de wegen te wijzigen met allerlei kunstgrepen maximaal moet worden ingezet op trajectcontrole” – ook in zones 30.

Kijk, dat is nog eens een verademing – te meer omdat het niet langer een toevalstreffer lijkt te zijn: de Vlaamse Automobilisten Bond onderscheidt zich wel vaker in positieve zin van concurrent Touring door genuanceerde standpunten die verder kijken dan de eigen modus lang is.

Wetende dat mensen zich meer en meer multimodaal verplaatsen, getuigt het van verstand én welbegrepen eigenbelang. De specimen die zich nog louter en alleen met de auto verplaatsen, worden langzaam maar zeker rariteiten. De toekomst is aan mobiliteitsorganisaties die niet langer unimodaal denken maar multimodaal. ‘Weg van modaliteit’, zeg maar.

Nogal wiedes dat ik er te vroeg mee ben. Vanzelfsprekend dat Fietsersbonden en Voetgangersbewegingen en OV-clubs zullen roepen dat het nog altijd heel hard nodig is om op te komen voor ‘hun’ verplaatsingswijze. Maar toch. Toch durf ik al eens dromen van een heuse VMB: een Vlaamse Mobilisten Bond.

Al mag het ook een Belgische, een Europese of een mondiale zijn natuurlijk.

 

 

* Bij zo’n cijfer kan ik dan nooit nalaten mij af te vragen: hoeveel procent tevredenen zou dezelfde vraag bij fietsers hebben opgeleverd? Minder, denk ik dan, maar naar de mening van fietsers lijkt veel minder vraag te zijn. Ik vind op het net alleen een tien jaar oud cijfer terug: 42% tevreden fietsers.

Gelukkig zonder fietspaden

Net toen de komkommers tot hun volle wasdom waren gekomen, publiceerde ik een polemisch stukje onder de titel ‘Van fietspadlobby naar fietslobby’. Het werd mijn meest gelezen blogpost ooit en toen De Standaard hem publiceerde op haar opiniepagina’s kwamen er reacties van de Fietsersbond, de voorzitter van de programmaraad van het Fietsberaad (en burgemeester van Deinze) Jan Vermeulen en de Gentse schepen voor mobiliteit Filip Watteeuw.

De laatste gaf me gelijk. De twee anderen vonden dat ik de bal missloeg. Met argumenten, zij het met argumenten die elkaar neutraliseerden: de Fietsersbond stelde al lang geen fietspadlobby meer te zijn, Jan Vermeulen vond dan weer dat Fietsersbond & co best nog wel een tijdje ‘fietspadlobby’ zouden blijven.

Los daarvan begrijp ik de verschillende standpunten: politici kunnen alle steun van het middenveld gebruiken om fietsvoorzieningen erdoor te krijgen (Vermeulen) of de rol van de auto terug te dringen (Watteeuw) en de Fietsersbond doet begrijpelijkerwijze (want in wisselende contexten van ‘haalbaarheid’) nu eens het ene en dan weer het andere. Maar volgens mij te weinig (zichtbaar) het andere.

De eenzame fietser (1)

Het volstaat niet om de scherpe kantjes te vijlen van het automobilismeparadigma. Aangezien het oude paradigma zichzelf letterlijk en figuurlijk vastrijdt, leven we in een tijdsgewricht waarin we vorm moeten geven aan een nieuw mobiliteitsparadigma (dat, zoals ik schreef in mijn boek ‘Weg van mobiliteit’, wat mij betreft mobiliTijd kan heten). In die paradigmastrijd is een belangrijke rol weggelegd voor Fietsersbonden en aanverwante.

Dat fietsers beter af zijn in een wereld zonder fietsvoorzieningen (met geen of minder auto’s) dan in een wereld met fietsvoorzieningen (maar veel auto’s), is één van mijn basisargumenten om te stellen dat we komaf moeten maken met het voorlopig nog dominante automobilisme.

Recent vond ik een mooi historisch ‘bewijs’ van de juistheid van dat argument, in het zeer lezenswaardige boek ‘Jaren van verandering, Nederland tussen 1945 en 2014’ van de Nederlandse planoloog Han Lörzing. Hij schetst het verkeerslandschap in de jaren 50 als volgt:

Fietsen was voor de meeste Nederlanders een uitstekend alternatief voor het openbaar vervoer, het was veel goedkoper en vaak sneller. Zolang er weinig auto’s op straat reden, had de fietser het rijk bijna alleen. Het was een indrukwekkend gezicht, al die fietsers die als koningen van de weg in grote groepen door de straten reden. En dat terwijl de fietsvoorzieningen zoals wij die tegenwoordig vanzelfsprekend vinden, nog grotendeels ontbraken. Het aantal straten met vrijliggende fietspaden was klein, er waren nauwelijks fietsstroken op het wegdek geschilderd (en al helemaal niet in die mooie rode en groene kleuren van nu), fietstunnels en fietsviaducten waren vrijwel afwezig en van afzonderlijke verkeerslichten voor fietsers had nog niemand gehoord. Desondanks, of misschien wel juist daarom, was het heerlijk fietsen in die jaren. Automobilisten hielden weliswaar weinig rekening met fietsers, maar ze waren met weinigen en konden door de onophoudelijke stroom fietsen in de spitsuren gemakkelijk geïntimideerd worden. De jaren vijftig staan in de collectieve herinnering voor gebrek aan avontuur en onvrijheid, maar zeker voor een jonge fietser in die tijd was de straat een feest van avontuur en vrijheid.” (blz. 287-288)

Duidelijk toch?

Daarmee is meteen ook wat tegengewicht gegeven aan al die noorderburen die het ‘fietsland’ zien in Nederland, maar niet het ‘autoland’. Een mooi voorbeeld van Gestaltpsychologie dat Escher tot een pracht van een prent had kunnen inspireren.

Escher

  • LORZING HAN, Jaren van verandering, Nederland tussen 1945 en 2014, Athenaeum – Polak&Van Gennep, Amsterdam 2014, 543 blz.

De kar is vertrokken

Geplaatst op

Kijk een fietsstraat

Bijna een jaar geleden postte ik een stukje over ‘fietsstraten’ met daarin de stelling dat veel van onze zone 30-straten eigenlijk al fietsstraten zijn en het dus ook maar beter officieel kunnen worden. Argumenten:

– de fiets is logisch in een woonkern (dorp/stad) en mag daar dus de norm zijn;

– de fiets draagt bij aan de leefkwaliteit van woonkernen en doet er, in tegenstelling tot de auto, geen afbreuk aan. Hij moet dus de norm zijn;

– we hoeven geen 100 jaar meer te wachten tot alle straten zijn ingericht als ‘zone 30’;

– gedaan met de hypocrisie over de ‘oncontroleerbaarheid’ van de snelheidslimiet in zone 30, want overtredingen van het inhaalverbod zijn met het blote oog vast te stellen;

Het werd één van de drukst gelezen stukjes op mijn blog, maar verder bleef het opmerkelijk stil. Er kwamen zelfs geen tegenargumenten. High tech-maatregelen en high brow-debatten over 50 tinten rood zijn blijkbaar meer sexy dan een voorstel dat simple comme bonjour is.

Maar ideeën moeten rijpen. In het recentste nummer van ‘Lokaal’, het blad van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, lees ik in een artikel van freelance journaliste Dorien Baens: “Er gaan stemmen op om een zone 30 en een fietsstraat in de toekomst samen te laten vallen. Zo wordt er een zone gecreëerd waar auto’s met lage snelheid rijden en geen fietsers mogen inhalen. Snelheidscontroles in een zone 30 zijn dan misschien niet meer noodzakelijk. Zeker in kerngebieden en schoolomgevingen valt er voor dit voorstel veel te zeggen.”

De kar is dus vertrokken. Waarop wacht de Fietsersbond om erop te springen?

Agenda

IMG_5671

 

Zonet van Google het volgende vernomen:

Vrijdag 01 februari 2013: Jaarfeest Fietsersbond Azura

Gemeenteschool A. Vesalius, Gemeenteplein 3, Edegem, vanaf 20u (zaal 1ste verdieping).
Fietsparkeren onder de zaal.

Gezellige verbroedering tussen de fietsers van de Antwerpse Zuidrand (Aartselaar, Boechout-Vremde, Edegem, Hove, Kontich, Mortsel), met hapjes én inhoud:

Programma

  • Kris Peeters (mobiliteitsdeskundige):
    “De rol van de fiets in het ontwarren van onze mobiliteitsknoop: groeiend of beperkt ?”
  • Azura-actualiteit
  • Een ludieke noot verzorgd door Tom en Leo
  • Fietserscafé

Naar verluidt zijn ook niet-leden van de Fietsersbond welkom – al zou ik geen enkele van mijn lezers er ook maar van verdenken geen lid te zijn.

Agenda: 22 januari in Tervuren

Op 22 januari spreek ik in Tervuren. De organisatoren (de Fietsersbond van Tervuren, in samenwerking met de KWB en Transitie) hebben de moeite genomen om een mooi samenvattingetje van mijn mobiliteitsverhaal te schrijven.

Lees het na op http://www.fietsersbond.be/tervuren/krispeeters . En kom daarna op de lezing controleren of het een beetje klopt natuurlijk. Ik beloof mijn best te doen om de synopsis onvolledig te laten zijn.

In afwachting heb ik alvast mijn sprekershemdje klaargelegd…

IMG_3538

 

 

 

Mobiliteitsdagboek: 31 januari

Voortraject met de fiets

Antwerpendag. Dat betekent ’s ochtends de fiets op en naar het station spurten. Als ik het goed time ben ik de grote meute schoolkinderen net voor. Ben ik aan de late kant, dan zit ik er midden in. Dat maakt dan dat ik er iets langer over doe, maar verder valt het best mee: de meeste scholieren zijn gedisciplineerder dan hun reputatie. Vanmorgen weer geen politieagent aan het kruispunt met de drukke Ring. Doorgaans staat er één om de fietsers een veilige oversteek te garanderen aan de bypass die voor de auto’s buiten de verkeerslichten werd aangelegd. Enfin, dat denk ik toch. Sommige agenten lijken eerder prioriteit te geven aan het garanderen van de vlotte doorstroming van het autoverkeer. Maar vanochtend was er dus niemand en dat vind ik een probleem: een agent die er soms wel en soms niet staat, daar kan je niet op rekenen voor de veiligheid van je spruit.

Trein

De trein was stipt op tijd vandaag en zat helemaal vol: optimaal rendement! Meestal geniet ik van de rit die ik gebruik om rustig de krant door te nemen. Buffertijd tussen thuis en werk, voor mij alleen.

Natraject met de fiets

In Berchem Station loop ik naar fiets 2, een afdankertje, want alles wat beter is wordt of gestolen of gemolesteerd. Vervolgens het natraject, door Berchem en Antwerpen. Dat doe ik vaak met een treinvriendin die dezelfde kant uit moet. Omdat het autoverkeer in de stad een stuk agressiever is, fiets ik hier een stuk assertiever: ik eis m’n plek op straat op. Maar vrijwel elke dag is er wel één die het daar niet op begrepen heeft. Ook vandaag weer, een white van man die luid claxonerend inhaalt. Dat fietsers binnen de bebouwde kom het recht hebben om naast elkaar te fietsen is volgens mij nauwelijks bekend. Daar zou de Fietsersbond toch eens wat aan moeten doen.

’s Avonds doe ik hetzelfde traject in omgekeerde zin. Het is koud, maar deugddoend koud.

Cijfers

Verplaatsingen: 2, telkens fiets-trein-fiets (in verplaatsingsonderzoeken wordt meestal alleen gevraagd naar het hoofdvervoermiddel, waardoor het belang van de fiets of te voet gaan stelselmatig wordt onderschat)

Fiets: 10km (motief: woon-werk)

Trein: 70km (motief: woon-werk)

Onverhard perron voor geharde reizigers…