RSS feed

Tagarchief: Fietsersbond

In de steek gelaten

Gisteren hadden we onze tweede Critical Mass in Herentals. Herentals? Dat is een stadje in de provincie Antwerpen dat zichzelf de Keizerstede noemt – onder meer verwijzend naar Rik Van Looy die, hoewel nog kras in leven, een tijdje geleden een standbeeld kreeg op de Grote Markt.

En een Critical Mass? Dat is een maandelijkse bijeenkomst van fietsers – de laatste vrijdag van de maand, om 18u – die in groep hun plaats in de publieke ruimte willen opeisen. In dit geval dus om duidelijk te maken dat het standbeeld voor Rik Van Looy vanuit het standpunt van de gewone fietser een beetje dubbel is.

Op de eerste editie was er dik 80 man. Op de tweede editie zo’n 15. Maar de eerste keer regende het niet en waren de verkiezingen nog niet voorbij. Dat scheelt.

Eerste Critical Mass in Herentals

Beeld van de eerste Critical Mass in Herentals (september 2018)

Alleen is het als fietser in onze stad niet makkelijk om je plaats op de weg op te eisen. Met twee is het vaak nog moeilijker, toch als je een babbeltje wil slaan en naast elkaar wil fietsen. Met vijftien was het nauwelijks makkelijker.

Automobilisten weten niet dat fietsers binnen de bebouwde kom naast elkaar mogen fietsen en jagen ze dus op of drijven ze willens en wetens in de goot. Noem het instantmarginalisering.

Voor de Vlaamse Stichting Verkeerskunde (VSV), sedert drie jaar verantwoordelijk voor de sensibiliseringscampagnes van de (Vlaamse) overheid, blijft dit een hardnekkige blinde vlek. Wat zou er nochtans logischer zijn dan automobilisten voor eens en altijd diets te maken dat fietsers binnen de bebouwde kom naast elkaar mogen fietsen en dat automobilisten bij het inhalen minstens één meter afstand moeten houden? Niet dus. Nog eerder worden fietsers vanop autostradeborden gesensibiliseerd om zich te laten zien.

Zelfs de Fietsersbond komt kennelijk niet op het idee om de overheid op deze nalatigheid te wijzen, laat staan om zelf in het gat te springen. Te gemakkelijk gaat de Bond mee in de klaagzang dat fietsers zich niets van de regels aantrekken en doet ze ijverig aan overcompensatie met helmen en fluohesjes. Zo wordt de fietser in plaats van koning vooral de nar van de straat.

Sommige automobilisten kennen de regels natuurlijk wél, maar trekken zich er toch niks van aan. Ze weten dat ze niets te vrezen hebben. Ongestraft kunnen ze de Wet van de Sterkste laten gelden: te snel rijden in zone 30, rakelings inhalen, fietsers de bocht afsnijden, spatbordkleven… Er is geen politie die hen er op zal aanspreken. In grote delen van dit land is er, als het gaat over de bescherming van de fietser, al vele jaren sprake van een feitelijke abdicatie van de handhavers.

De politie heeft geen tijd, voor het parket is het geen prioriteit. Curieuze vaststelling: na een zwaar ongeval is er plots wél altijd tijd, zowel bij de politie als bij de parketten. Een balorige burger zou de vraag kunnen opwerpen of  preventie alles welbeschouwd dan toch niet efficiënter zou kunnen zijn.

Gisteren fietsten we dus door de regen, af en toe natgespat door een ongeduldige automobilist die ons even verder dan zelf weer domweg de weg versperde. We wilden de straat ‘opeisen’, maar waren al lang blij dat we aan het slot nog met even veel waren.

Twee weken geleden verklaarden alle partijen nog de fietser tot Koning te willen kronen. In afwachting voelen we ons vooral paria’s, nu eens wachtend in de uitlaatgassen, dan weer laverend tussen het geweld van overbodige paardenkrachten.

  • Dit bericht werd op 10/11 gecorrigeerd op aangeven van Stef Willems, woordvoerder van het Vias-Institute. Verkeerdelijk stelde ik het Vias verantwoordelijk voor de sensibiliseringscampagnes in plaats van de Vlaamse Stichting Verkeerskunde. De enige campagne die het Vias nog voert is de BOB-campagne.
Advertenties

Niets op de trein

Te oordelen naar het aantal en de omvang van de vertragingen de afgelopen week waren er weer veel reizigers die hun fiets meenamen op de trein. Als we de NMBS mogen geloven, ligt het immers daaraan dat het met de stiptheid van kwaad naar erger gaat.

De oplossing ligt dus voor de hand: een verbod om tijdens de spitsuren nog fietsen mee te nemen op de trein.

Dat het voornemen niet in goede aarde viel, verraste de NMBS. Nee, aan cijfers om een en ander te staven had men niet gedacht. Aan een goede communicatie van de voorziene begeleidende maatregelen om de pil wat te vergulden evenmin.

Resultaat? De NMBS maakte alweer een slechte beurt en werd uiteindelijk teruggefloten door haar voogdijminister en plots was er het lumineuze idee om over het ‘probleem’ te overleggen met de Fietsersbond.

Dat had de NMBS misschien ook beter gedaan toen ze besliste zich terug te trekken uit BlueBike (“Help! Ons project heeft succes!”) of toen ze besliste over de verdeling van de investeringskredieten tussen autoparkeerplaatsen en fietsenstallingen.

Fiets op de trein (2)

Sommigen vragen zich af hoe het mogelijk is dat zo’n groot bedrijf, met professionele woordvoerders en een eigen communicatiedienst, er telkens weer in slaagt zichzelf zo in de voet te schieten.

De verklaring is echter niet ver te zoeken. Zo lang de NMBS niet in staat is te denken vanuit de (potentiële) reiziger, zal dit patroon zich herhalen. Klinkt dat doemdenkerig?

Dan zal ik de formulering omkeren. De dag dat de NMBS vanuit haar klanten gaat denken, zal ze ontdekken dat

  • in Vlaanderen 22% van de reizigers de fiets voor z’n voortransport gebruikt, in Nederland is dat meer dan de helft van de reizigers
  • in Vlaanderen 6% van de reizigers de fiets voor z’n natransport gebruikt, in Nederland is dat het dubbele aandeel (cijfers Fietsberaad)

Als neveneffect zou ze nadien dan tot de vaststelling komen dat daarop inspelen enorme positieve effecten kan hebben voor de organisatie zelf. Een fietsvriendelijker NMBS- beleid zal niet alleen zorgen voor meer reizigers (stel je voor dat mensen plots hun elektrische fiets aan het station zouden durven stallen: het bereik van het station zou op slag toenemen met een factor 2 tot 3), maar ook voor een zuiniger ruimtegebruik rond de stations (minder autoparkeerplaatsen, dus meer ruimte die gevaloriseerd kan worden voor andere functies, dus meer geld in het laatje en weerom meer reizigers) en een betere bereikbaarheid van de stations (en dus weerom meer reizigers).

Het valt dan alleen nog te hopen dat de NMBS er voor die tijd niet achter komt dat het spoorvervoer zonder reizigers nog vlotter gaat. Van fiets naar niets, tenslotte scheelt het maar één letter.

Opzijopzijopzij!

New York hotelfiets

Wat ik vorig jaar nog vergat te vertellen: tijdens mijn New York-trip fietste ik er ook. Het tegendeel zou hebben verrast, ik weet het. Het was een zondag en dus (naar het woord van Enrique Penalosa) een beetje minder zwemmen tussen de haaien dan in de week.

New York fietspad met taxi

“To be doored” zeggen ze in het Engels. Letterlijk: gedeurd worden. Fietsers weten waarover het gaat.

Burgemeester De Blasio mag dan uit de nasleep van klimaatstorm Sandy de les hebben getrokken dat inzetten op de fiets de stad meer veerkracht geeft, gaandeweg is zijn dadendrang wat getaand. Waar er echte keuzes moeten worden gemaakt, geeft hij forfait. Van waar kennen we dat nog?

IMG_1723

Geen wonder dus dat de meeste fietsers die je in de straten van pakweg Manhattan ziet voorlopig nog stoere, vaak gehelmde binken zijn die zich op hun fixed gears gedragen als vehicular cyclists – automobilisten op twee wielen. Het zijn pioniers en dus een beetje helden. En gekken, want dat helpt ook.

 

 

Toch leerde fietsen in New York me vooral iets over mezelf. De door ons hotel ter beschikking gestelde fietsen waren op ‘convenience’ ontworpen dikbandige exemplaren mét een bekerhouder aan het stuur, maar geen bel. Dat laatste ontdekte ik al na één minuut – en daarna ongeveer elke minuut opnieuw, telkens mijn vinger spontaan op zoek ging naar het trekkertje.

New York convenience fietsen

 

Blijkbaar ben ik een ongedurig spurtertje dat zich meer bezondigt aan de Herman Van Veen-doctrine (“Opzijopzijopzij”) dan het zelf ooit had vermoed. Zelfs op een zonnige zondag in een stad die ik als toerist ging verkennen. Best confronterend, geef ik ongaarne toe. New York hield me een spiegel voor en wat ik zag was niet zo fraai.

Sindsdien probeer ik er op te letten en dwing ik mezelf tot meer geduld en gezapigheid onderweg. Niet omdat ik versneld een “ouwe zak” wil worden. Wel omdat een menselijke snelheid aanhouden de communicatie met andere fietsers en met voetgangers een stuk gemakkelijker maakt.

Niet-fietsers doen er soms smalend over dat fietsers zich niet aan ‘de’ regels houden. Wat ze niet snappen is dat ‘de’ regels er vooral zijn omwille van de auto (en dus vaak ook op diens maat gesneden zijn) en dat fietsers zelf weinig regels nodig hebben. Dat maakt van hen geen anarchisten. Integendeel. Ze zijn in al hun flexibiliteit gewoon een stuk meer zelforganiserend en lossen hun conflicten al onderhandelend op. Dat gebeurt niet tijdens lange diners in exquise restaurants, maar in een oogwenk (sic) met eenvoudig oogcontact, een hoofdbeweging, een beetje lichaamstaal: “ik heb je gezien”, “ga jij maar voor”, “mag ik?”, “ik kom langs je rechterkant”, “ok!”, “dank je” – en ook wel: “sorry!”, want de onfeilbaarheid is nog altijd alleen de paus voorbehouden.

Zo subtiel onderhandelen kan natuurlijk alleen maar als de snelheid niet te hoog ligt. Snellere fietsers hebben een bel nodig, gaan roepen of dwingen hun “voorrang” af met lef en branie. Da’s minder sympathiek en het leidt ertoe dat pakweg wielertoeristen zich beloond zien met een koosnaam als ‘wielerterroristen’.

Hoe meer ik er over nadenk, hoe meer ik me ervan bewust word dat fietsen aan een  ‘communicatief tempo’ heel wat kwaliteiten in zich bergt. Die zijn vandaag zo vanzelfsprekend dat we ze wellicht pas zullen opmerken wanneer ze zullen verdwenen zijn als gevolg van onze zucht naar snelheid. Want geloof me, fietsers zijn net mensen.

Radio 1 Nederland

In de hectiek van een actualiteitenprogramma een oproep tot traagheid komen doen, voor de gelegenheid speciaal aan- en afgevoerd met een taxi, zo contradictorisch kan het leven van een mobiliteitsveranderaar zijn…

Ik sprak er deze week over in Utrecht voor de Nederlandse Fietsersbond en in de marge daarvan ook op de Nederlandse Radio 1.

Ze gunden me “één minuut” om me tot de natie te richten en dit sujet maakte er dankbaar gebruik van om een oproep te richten tot de Nederlanders – al mogen mijn landgenoten zich evenzeer aangesproken voelen:

“Liefste Noorderburen

Een Belg die de Nederlanders de les komt lezen over fietsen? Veel gekker moet het niet worden.

Maar als observator van op afstand zie ik dingen die jullie, met de neus er bovenop, misschien niet zien.

Wat als iemand zou beweren dat hij (of zij) een vervoermiddel heeft uitgevonden dat bijna gratis is, geen energie verbruikt, geen uitstoot kent en bovendien gezond en veilig is?

Zouden we hem of haar geloven? Het klinkt inderdaad te mooi om waar te zijn.

En toch is de waarheid nog mooier: de uitvinding bestaat reeds en ze heet fiets. De fiets is bij uitstek democratisch, sociaal  én emanciperend. De fiets zorgt ervoor dat iedereen mee kan doen in de Nederlandse samenleving.

Anders gezegd: de fiets is het moderne touwtje uit de brievenbus van Jan Terlouw.

De fiets verbindt letterlijk en figuurlijk alle Nederlanders, mannelijke en vrouwelijke, rijke en arme, jonge en oude, ja, zelfs oude en nieuwe Nederlanders.

Daarom deze warme oproep om deze gelukkige vervoerswijze niet te offeren op het altaar van de snelheid.

Laat de speedpedelec aan de ene kant en de ‘zelfrijdende wagen’ aan de andere kant de fiets niet de wet spellen. Koester de klassieke tweewieler en zorg ervoor dat de nieuwe vervoerswijzen zich aanpassen aan de fiets en niet omgekeerd.

Omarm de gezapige, menselijke snelheid.

Want een zekere traagheid garandeert het voortbestaan van het zachte cement van jullie samenleving: oogcontact, een knikje, een woordje onderweg –  kortom: wat aandacht voor elkaar.

Tot ergens onderweg op de fiets. Ik zal glimlachen.”

De Vlaamse Mobilistenbond

Ook al opgemerkt hoe de automobilistenclubs van dit land om de haverklap gratis airplay oogsten met zogenaamde onderzoeksresultaten? Doorgaans gaat het over niet meer dan een bevraging en wordt de ervaring van de realiteit gemakshalve verwisseld met de realiteit zelf. Als de bevraging uitwijst dat velen pakweg een verkeerssituatie onveilig vinden, dan is de conclusie al snel dat de verkeerssituatie onveilig is.

Overigens doen de resultaten mij vermoeden dat de bevraagde, schijnbare modusneutrale ‘Vlamingen’ of ‘Belgen’ vaak vooral ‘automobilisten’ zijn. Al kan het niet meer zijn dan een vermoeden: over de samenstelling en representativiteit van de steekproef wordt, net als over de bevragingsmethodiek, meestal geen informatie gegeven.

De voorbije week sloeg de VAB toe met een bevraging van 1000 Vlamingen. Aangezien ze het rijcomfort op de gewestwegen beoordeelden, zullen het niet zomaar Vlamingen zijn geweest, wel ‘autorijdende’ Vlamingen. Slechts 52 procent van deze chauffeurs beoordeelde het rijcomfort positief.*

Gelukkig kunnen onze politici soms verbazend kort op de bal spelen. Vlaams minister van Mobiliteit Weyts liet meteen weten het probleem te onderkennen én er een oplossing voor te hebben. Hij verhoogde het investeringsbudget voor de wegen met 100 miljoen euro, een stijging met niet minder dan 33%. Ze komt  bovenop de eerder aangekondigde extra enveloppe van 50 miljoen euro “voor het wegwerken van de laatste zwarte punten.” Extra budgetten vrijmaken voor auto-infrastructuur, blijkbaar is het een makkie.

Het deed me denken aan een artikel dat ik enkele dagen eerder las in het maartnummer van Lokaal, het blad van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten. Titel: ‘De blikken doos moet wijken voor het stalen ros’. Zou het?

De coördinator van het Vlaamse Fietsberaad, Wout Baert, stelt er minister Weyts deze vraag: ‘Het Vlaamse budget voor fietsinfrastructuur bedraagt ongeveer 90 miljoen euro. Zit daar nog rek op?’ Waarop de excellentie diplomatisch antwoordt: “We zijn erin geslaagd dat bedrag aan te houden in budgettair barre tijden. De komende jaren moeten we naar een groei gaan, al wil ik daar geen bedrag op plakken.”

Voor de ene modus zijn de tijden blijkbaar al wat “barrer”dan voor de andere. Is het voor de fiets al een hele prestatie dat het budget niet kromp, voor de auto is een toename van de middelen met meer dan anderhalve keer het fietsbudget de vanzelfsprekendheid zelve.

Als er al een modal shift zit aan te komen, dan niet ten gevolge van een budget shift. Zeker als het over de verdeling van de middelen gaat is het naar het STOP-principe nog altijd zoeken met een vergrootglas.

Voort

Maar genoeg geschamperd. Er is ook goed nieuws. Terwijl de minister zich uitslooft met het in de verf zetten van de vele wegenwerven, verrast de VAB met de nuchtere analyse dat “in plaats van de infrastructuur van de wegen te wijzigen met allerlei kunstgrepen maximaal moet worden ingezet op trajectcontrole” – ook in zones 30.

Kijk, dat is nog eens een verademing – te meer omdat het niet langer een toevalstreffer lijkt te zijn: de Vlaamse Automobilisten Bond onderscheidt zich wel vaker in positieve zin van concurrent Touring door genuanceerde standpunten die verder kijken dan de eigen modus lang is.

Wetende dat mensen zich meer en meer multimodaal verplaatsen, getuigt het van verstand én welbegrepen eigenbelang. De specimen die zich nog louter en alleen met de auto verplaatsen, worden langzaam maar zeker rariteiten. De toekomst is aan mobiliteitsorganisaties die niet langer unimodaal denken maar multimodaal. ‘Weg van modaliteit’, zeg maar.

Nogal wiedes dat ik er te vroeg mee ben. Vanzelfsprekend dat Fietsersbonden en Voetgangersbewegingen en OV-clubs zullen roepen dat het nog altijd heel hard nodig is om op te komen voor ‘hun’ verplaatsingswijze. Maar toch. Toch durf ik al eens dromen van een heuse VMB: een Vlaamse Mobilisten Bond.

Al mag het ook een Belgische, een Europese of een mondiale zijn natuurlijk.

 

 

* Bij zo’n cijfer kan ik dan nooit nalaten mij af te vragen: hoeveel procent tevredenen zou dezelfde vraag bij fietsers hebben opgeleverd? Minder, denk ik dan, maar naar de mening van fietsers lijkt veel minder vraag te zijn. Ik vind op het net alleen een tien jaar oud cijfer terug: 42% tevreden fietsers.

Gelukkig zonder fietspaden

Net toen de komkommers tot hun volle wasdom waren gekomen, publiceerde ik een polemisch stukje onder de titel ‘Van fietspadlobby naar fietslobby’. Het werd mijn meest gelezen blogpost ooit en toen De Standaard hem publiceerde op haar opiniepagina’s kwamen er reacties van de Fietsersbond, de voorzitter van de programmaraad van het Fietsberaad (en burgemeester van Deinze) Jan Vermeulen en de Gentse schepen voor mobiliteit Filip Watteeuw.

De laatste gaf me gelijk. De twee anderen vonden dat ik de bal missloeg. Met argumenten, zij het met argumenten die elkaar neutraliseerden: de Fietsersbond stelde al lang geen fietspadlobby meer te zijn, Jan Vermeulen vond dan weer dat Fietsersbond & co best nog wel een tijdje ‘fietspadlobby’ zouden blijven.

Los daarvan begrijp ik de verschillende standpunten: politici kunnen alle steun van het middenveld gebruiken om fietsvoorzieningen erdoor te krijgen (Vermeulen) of de rol van de auto terug te dringen (Watteeuw) en de Fietsersbond doet begrijpelijkerwijze (want in wisselende contexten van ‘haalbaarheid’) nu eens het ene en dan weer het andere. Maar volgens mij te weinig (zichtbaar) het andere.

De eenzame fietser (1)

Het volstaat niet om de scherpe kantjes te vijlen van het automobilismeparadigma. Aangezien het oude paradigma zichzelf letterlijk en figuurlijk vastrijdt, leven we in een tijdsgewricht waarin we vorm moeten geven aan een nieuw mobiliteitsparadigma (dat, zoals ik schreef in mijn boek ‘Weg van mobiliteit’, wat mij betreft mobiliTijd kan heten). In die paradigmastrijd is een belangrijke rol weggelegd voor Fietsersbonden en aanverwante.

Dat fietsers beter af zijn in een wereld zonder fietsvoorzieningen (met geen of minder auto’s) dan in een wereld met fietsvoorzieningen (maar veel auto’s), is één van mijn basisargumenten om te stellen dat we komaf moeten maken met het voorlopig nog dominante automobilisme.

Recent vond ik een mooi historisch ‘bewijs’ van de juistheid van dat argument, in het zeer lezenswaardige boek ‘Jaren van verandering, Nederland tussen 1945 en 2014’ van de Nederlandse planoloog Han Lörzing. Hij schetst het verkeerslandschap in de jaren 50 als volgt:

Fietsen was voor de meeste Nederlanders een uitstekend alternatief voor het openbaar vervoer, het was veel goedkoper en vaak sneller. Zolang er weinig auto’s op straat reden, had de fietser het rijk bijna alleen. Het was een indrukwekkend gezicht, al die fietsers die als koningen van de weg in grote groepen door de straten reden. En dat terwijl de fietsvoorzieningen zoals wij die tegenwoordig vanzelfsprekend vinden, nog grotendeels ontbraken. Het aantal straten met vrijliggende fietspaden was klein, er waren nauwelijks fietsstroken op het wegdek geschilderd (en al helemaal niet in die mooie rode en groene kleuren van nu), fietstunnels en fietsviaducten waren vrijwel afwezig en van afzonderlijke verkeerslichten voor fietsers had nog niemand gehoord. Desondanks, of misschien wel juist daarom, was het heerlijk fietsen in die jaren. Automobilisten hielden weliswaar weinig rekening met fietsers, maar ze waren met weinigen en konden door de onophoudelijke stroom fietsen in de spitsuren gemakkelijk geïntimideerd worden. De jaren vijftig staan in de collectieve herinnering voor gebrek aan avontuur en onvrijheid, maar zeker voor een jonge fietser in die tijd was de straat een feest van avontuur en vrijheid.” (blz. 287-288)

Duidelijk toch?

Daarmee is meteen ook wat tegengewicht gegeven aan al die noorderburen die het ‘fietsland’ zien in Nederland, maar niet het ‘autoland’. Een mooi voorbeeld van Gestaltpsychologie dat Escher tot een pracht van een prent had kunnen inspireren.

Escher

  • LORZING HAN, Jaren van verandering, Nederland tussen 1945 en 2014, Athenaeum – Polak&Van Gennep, Amsterdam 2014, 543 blz.

De kar is vertrokken

Geplaatst op

Kijk een fietsstraat

Bijna een jaar geleden postte ik een stukje over ‘fietsstraten’ met daarin de stelling dat veel van onze zone 30-straten eigenlijk al fietsstraten zijn en het dus ook maar beter officieel kunnen worden. Argumenten:

– de fiets is logisch in een woonkern (dorp/stad) en mag daar dus de norm zijn;

– de fiets draagt bij aan de leefkwaliteit van woonkernen en doet er, in tegenstelling tot de auto, geen afbreuk aan. Hij moet dus de norm zijn;

– we hoeven geen 100 jaar meer te wachten tot alle straten zijn ingericht als ‘zone 30’;

– gedaan met de hypocrisie over de ‘oncontroleerbaarheid’ van de snelheidslimiet in zone 30, want overtredingen van het inhaalverbod zijn met het blote oog vast te stellen;

Het werd één van de drukst gelezen stukjes op mijn blog, maar verder bleef het opmerkelijk stil. Er kwamen zelfs geen tegenargumenten. High tech-maatregelen en high brow-debatten over 50 tinten rood zijn blijkbaar meer sexy dan een voorstel dat simple comme bonjour is.

Maar ideeën moeten rijpen. In het recentste nummer van ‘Lokaal’, het blad van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, lees ik in een artikel van freelance journaliste Dorien Baens: “Er gaan stemmen op om een zone 30 en een fietsstraat in de toekomst samen te laten vallen. Zo wordt er een zone gecreëerd waar auto’s met lage snelheid rijden en geen fietsers mogen inhalen. Snelheidscontroles in een zone 30 zijn dan misschien niet meer noodzakelijk. Zeker in kerngebieden en schoolomgevingen valt er voor dit voorstel veel te zeggen.”

De kar is dus vertrokken. Waarop wacht de Fietsersbond om erop te springen?

Agenda

IMG_5671

 

Zonet van Google het volgende vernomen:

Vrijdag 01 februari 2013: Jaarfeest Fietsersbond Azura

Gemeenteschool A. Vesalius, Gemeenteplein 3, Edegem, vanaf 20u (zaal 1ste verdieping).
Fietsparkeren onder de zaal.

Gezellige verbroedering tussen de fietsers van de Antwerpse Zuidrand (Aartselaar, Boechout-Vremde, Edegem, Hove, Kontich, Mortsel), met hapjes én inhoud:

Programma

  • Kris Peeters (mobiliteitsdeskundige):
    “De rol van de fiets in het ontwarren van onze mobiliteitsknoop: groeiend of beperkt ?”
  • Azura-actualiteit
  • Een ludieke noot verzorgd door Tom en Leo
  • Fietserscafé

Naar verluidt zijn ook niet-leden van de Fietsersbond welkom – al zou ik geen enkele van mijn lezers er ook maar van verdenken geen lid te zijn.