RSS feed

Categorie archief: kunst

Pietje

Het was niet mijn opzet. Het is toeval dat dit blogstukje, zoals het vorige, over kunst gaat. Het komt door mijn vriend Jan. Hij werd in luttele dagen weggemaaid door het spook dat corona heet. Vorige maandag werd zijn urne bijgezet in het graf van zijn ouders op het Schoonselhof.

Het was niet zo afgesproken, maar we stonden er met precies het toegestane aantal gemaskerden om hem zachtjes uit te zwaaien. Toen het zand was gaan liggen, wisten we niet zo goed wat te doen. De draad lag daar, maar het was nog te vroeg om hem weer op te pakken. In normale omstandigheden zouden we het dichtstbijzijnde café hebben opgezocht en daar bij een gitzwarte koffie elkaars steunberen zijn geweest. Maar het spook stelt zijn wetten en eigenlijk was het goed zo: Jan zou ook niet op café zijn gegaan. Kroegen waren nooit zijn biotoop.

We deden dus wat Jan ook zou hebben gedaan: we liepen verder het kerkhof op, even de beroemdheden gedag gaan zeggen. In andere omstandigheden zou Jan daarvoor onze ideale gids zijn geweest, nu moesten we het rooien met onze eigen schamele kennis. Rouwen is voelen hoe diep het gemis is. Je begint met een voorzichtige teen erin te steken, vervolgens een been – en je voelt geen bodem. Het is te vroeg om er een steentje in te gooien. Je wilt de seconden voor de doffe plof niet weten.

Op het erepark had de stad Antwerpen het vluchtige karakter van ons bestaan nog eens extra in de verf gezet met bordjes die aankondigden dat, tenzij de nabestaanden contacten zouden nemen, een flink aantal graven zou worden geruimd. Niet alleen beroemdheden zijn vergankelijk, ook hun roem zelf is dat.

Maar er lagen er nog genoeg voor een stevige danse macabre. Velen die mij aanstaarden als de gaten die ze zijn in mijn cultuur. Maar sommigen ook bekend en vreemd vertrouwd, wat blijkbaar hoort bij het ouder worden: Herman de Coninck (ik heb er ooit nog een kwartier naast gestaan, op een opening van de Boekenbeurs, hij – de lenige liefde in persoon – met een kind op de schouders, ik met de mond vol tanden), Oscarwinnares Nicole Van Goethem, Rika – zo maken ze ze niet meer – De Backer, nonkel Bob (ooit hielp ik hem nog zijn poppenkast te laden – ik weet niet wat ik had verwacht, maar de Volkswagen Fastback was een ontgoocheling), Marc Van Eeghem – op de dag af drie jaar overleden, genoeg om enkele nog levende collega’s te verleiden voor een drink op zijn graf -, Hugo Schiltz geflankeerd door een Vlaamse leeuw en een Franstalig opschrift, de vrouwen van Herbert Flack op hem wachtend onder een warme gloed van rouge, Paul – bloem ploem – Van Ostaijen, Willem Elsschot, gesneuveld tussen daad en droom. En verder, want deze blog hoort natuurlijk over mobiliteit te gaan (al is doodgaan de ultieme vorm van mobiliteit – neerwaarts voor wie sceptisch is, opwaarts voor wie er in gelooft) onder meer Jan Van Rijswijck, de man van de laan, Lode Craeybeckx, de man van de tunnel en nog enkele kleinere straatnamen.

Bij het zien van Marcel van Maeles graf sprong mijn hart een beetje op. Hij is altijd één van mijn favoriete dichters geweest en ik heb hier nog ergens een van zijn beroemde gebottelde gedichten staan. Bijna had ik gedaan wat er op zijn steen staat: ‘Neem plechtig uw hoofd af’. De grap(j)as. Hij ligt daar trouwens in goed gezelschap. Vlakbij ligt Jef Nijs, die als vader van Jommeke één van mijn eerste favoriete auteurs was. Best mogelijk dat zijn ‘grasmobiel’ mij mee naar de mobiliteit heeft geleid, terwijl zijn ‘Kinderen baas’ natuurlijk een verre voorloper van de door mij gekoesterde ‘kindnorm’ is.

Het is er een gezellige bedoening, met ook JMH Berckmans, onder een berg steenkool – Vietnamees, lees ik ergens, “het hardste en donkerste” dat zijn vrienden in de haven konden vinden – en enkele lege bierblikjes. Jupiler, maar volgens mij had dat Cara moeten zijn. We passeren Hubert Lampo, auteur van ‘De komst van Joachim Stiller’, waardoor voor mij de Kloosterstraat nooit nog dezelfde zal zijn (al had ook Elsschot al zijn duit in het zakje gedaan) en dan Julien Schoenaerts, onder gouden kasseien. This must be Belgium.

Vooraan Julien Schoenaerts, ernaast Hubert Lampo

En dan, als je denkt dat het niet surrealistischer kan, is daar het graf met het logo van Volkswagen. Vlakbij nonkel Bob, jawel, hij zal zijn auto toch niet…? Maar nee, het blijkt de tombe te zijn van avantgardistisch kunstenaar Wout Vercammen, vriend en nu dus buurman van JMH en kompaan van Panamarenko en co in de jaren zestig.

Thuisgekomen tik ik geïntrigeerd door het logo zijn naam in Google. Nog voor de zoekmachine mijn domheid definitief kan ontbloten valt mijn frank: VW = WV, de initialen van de kunstenaar.

Waarmee alweer is aangetoond: kunstenaars doen anders kijken, zelfs over hun graf heen. Op die manier hebben ze de dood dan toch nog bij zijn pietje.

What’s in a name?

Het verhaal werd deze week nog eens opgerakeld door Geert Van der Speeten in De Standaard: hoe het kunstwerk ‘Fettecke’ van Joseph Beuys door een overijverige poetsvrouw per ongeluk werd opgeruimd. De dame had het voor vuil aanzien.

Te harer verdediging dient opgemerkt dat ze, anders dan Van der Speeten beweert, geen vrouw was maar een man (“ein Hausmeister”) én dat het kunstwerk bestond uit 5 kilo boter die door Beuys vakkundig was uitgesmeerd tegen de plinten van een kunstruimte in de Kunstakademie Düsseldorf om er jarenlang als ‘levende installatie’ te liggen smelten en verrotten.

Omdat ik het verhaal kende (zij het ook in de clichématige versie dat de opruimer vrouwelijk was geweest), was het met de grootste behoedzaamheid dat mijn echtgenote en ik mij enkele zomers geleden door het museum voor moderne kunst van Dusseldorf bewogen. We deden ons best om alles wat kunst was als dusdanig te herkennen, te begrijpen en te appreciëren.

Maar toen we ons na anderhalf uur geïnteresseerd slenteren vermoeid lieten zakken in een uitnodigende sofa liep het toch nog vreselijk mis. Een toegesnelde suppooste van het kordate Merkeltype, snauwde ons toe dat we ons op een kunstwerk bevonden. Nou moe.

De bewuste bank (en het onbewuste koppel: zich niet bewust hoe het deel uitmaakt van Mondriaans kunst)

Ik moest er deze week aan terugdenken toen de discussie – een debat kan je het niet noemen – losbarstte over de Brusselse plannen om ‘rekeningrijden’ in te voeren.

“Stadstol!” riepen politici aan Vlaamse kant. Tot twee jaar geleden liepen ze zelf nog met ongeveer dezelfde plannen rond, maar toen hen de politieke moed bleek te ontbreken veranderden ze het geweer van schouder. Enthousiasme werd verontwaardiging. Wat eerst onvermijdelijk en nodig was, werd nu plots onaanvaardbaar en onverantwoordelijk. “Stadstol” dus, en ook wel: “platte belastingverhoging!”

Het is een prachtig voorbeeld van het zogenaamde Thomastheorema: wanneer mensen situaties als werkelijk definiëren, zijn die ook werkelijk in hun consequenties. Of in mensentaal: de definitie beïnvloedt het handelen.

Vandaag kennen we iemands mening over de Brusselse plannen al van zodra hij het heeft over ‘rekeningrijden’ dan wel ‘stadstol’. Elk woord zet een heel andere ketting van associaties in gang en leidt dus tot heel andere reacties – een proces dat door Jan Blommaert uitstekend beschreven werd in zijn boekje ‘U zegt wat wij denken, Een praktische handleiding voor framing’ (Epo, 2019).

Het maakt dus uit hoe je iets noemt. Als je iets kunst noemt, is het kunst in zijn consequenties. Als je het afval noemt ook. Met rekeningrijden en stadstol is dat niet anders.

Overigens kan dat proces ook gebruikt worden om inconsequenties bloot te leggen. Probeer eens deze oefening: als ‘rekeningrijden’ het systeem is waarbij betaald moet worden naarmate men meer (auto)rijdt, dan kunnen we ‘betalend parkeren’ naar analogie daarvan ‘rekeningparkeren’ noemen: het systeem waarbij betaald moet worden naarmate men meer stilstaat. Vergelijken we nu de Brusselse plannen voor rekeningrijden (oneerlijk! alleen de Brusselaars zijn ter compensatie vrijgesteld van autobelasting) met de het rekeningstilstaan in Antwerpen (oneerlijk! elk Antwerps gezin krijgt twee bewonerskaarten die het recht geven op gratis parkeren & de Parking moet altijd betalen voor de parking!), dan is het zonneklaar: er wordt hier gemeten met twee maten en twee gewichten – laten we een kat een kat noemen.

Het No BAUhaus

Vorige week pleitte de voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen onder meer in deze krant (DS 15/10) voor “een nieuw Europees Bauhaus”. Ze refereerde daarmee naar de legendarische opleiding voor beeldend kunstenaars, ambachtslieden en architecten die eerst in Weimar, later in Dessau en tenslotte in Berlijn werd georganiseerd. Opgejaagd door het nazisme werd de beweging internationaler dan ze ooit had durven dromen. Met beroemde namen als Henry Van de Velde, Walter Gropius, Ludwig Mies van der Rohe, Paul Klee, Kandinsky en Piet Mondriaan, werd ze de feitelijke wegbereider voor het modernisme en inspireert ze tot vandaag architectuur, kunst en design. Haar missie destijds? De verschillende kunsten herenigen in de bouwkunst en daardoor kunstenaars weer in het hart van de samenleving brengen. Het Bauhaus wou kunst(enaars) niet langer beschouwen als een ‘luxueus extraatje’, wel als een deel van de essentie.

Of von der Leyen dat ook zo ziet, is niet helemaal duidelijk. Ze schetst het Europees Bauhaus als een vehikel dat letterlijk en figuurlijk vorm moet geven aan de ‘Green Deal’. Die moet tegen 2050 van Europa het eerste klimaatneutrale continent maken. Daarvoor is niet alleen een nieuw economisch model nodig, zegt ze, maar ook een nieuwe uitstraling en esthetiek.

Voorwaar een wervende gedachte, van het soort waaraan het Europa de laatste decennia al te vaak ontbreekt. Hoera dus. Driewerf hoera zelfs, om alle twijfels weg te nemen.

Maar misschien kan het idee nog wat finetuning gebruiken. Wat de missie betreft: waarom zouden we de ‘bouwkunst’ van Gropius en het ‘economisch model’ van von der Leyen niet vervangen door ‘levenskunst’? Het begrip is breder en dus omvattender. Bouwkunst gaat in essentie over de omgeving waarin wij wonen, werken en recreëren – kortom: leven. Bovendien veronderstelt die andere economie echt wel een andere manier van leven. En niet noodzakelijk een slechtere.

In ‘levenskunst’ zit ook het woord ‘kunst’. Dat is interessant omdat zo de brug wordt geslagen naar de kunstenaars – een mensentype dat ook in de huidige crisis weer het gelag dreigt te betalen.

Meer dan aan toekomstvoorspellers hebben wij nood aan toekomstvoorstellers. Niet eens in de eerste plaats omdat de eersten er steevast naast zitten. Vooral omdat die ons de toekomst ontnemen door haar te presenteren als iets wat reeds vastligt en waarover derhalve niet meer moet worden gedebatteerd. “There Is No Alternative!” Thatchers  mantra is de vaste onderlegger geworden van onze neoliberale samenleving, een schaamteloos appèl om vooral het bestaande systeem niet in vraag te stellen. Zo kunnen we blijven denken dat het systeem het slachtoffer is van de crisis. En niet de oorzaak.

Zo wordt elk democratisch debat gesmoord nog voor het begint. Wie toch wil discussiëren, wordt weggezet als wereldvreemd en onrealistisch.

Toekomstvoorspellers laten ons hoogstens de keuze hoe we het onafwendbare willen ondergaan.

Nee, dan liever de toekomstvoorstellers, de mensen die verschillende toekomsten zien en in staat zijn die te verbeelden. Wie ‘verbeelding’ zegt, zegt ‘kunstenaars’, de visionairen die zich niet beperken tot het ‘mogelijke’ en het denkbare systematisch oprekken. Ze maken het onvoorstelbare voorstelbaar en promoveren het tot een mogelijkheid. Voor wie denkt dat het onmogelijke per definitie niet mogelijk is: had u de wereld zoals hij er vandaag uitziet een jaar geleden voor ‘mogelijk’ gehouden?

Nooit hadden we meer nood aan verbeelding dan vandaag. Nooit kwamen kunstenaars ons meer van pas dan vandaag.

“Groene” woonwijk met wijds zicht op blinde industriegevel

Daar is trouwens nog een reden voor. Dankzij corona en de herontdekking van onze eigen omgeving, beseffen we dat schoonheid niet gereserveerd moet worden voor vakantiereservaten die alleen per vliegtuig kunnen worden bereikt. Geef kunstenaars dus de ruimte en laat de esthetica los op alles wat ons omringt. Waarom zouden industrieterreinen niet mooi mogen zijn?

Dus een nieuw Bauhaus dat ook een ‘schoonheidsinstituut’ mag zijn, ja gerne!

Zeker als die nieuwe beweging net zoals de oude een sociaal programma zou omarmen. Gropius en co gingen voor minder ongelijkheid en meer sociale rechtvaardigheid. Ze wilden levenskwaliteit zoveel mogelijk democratiseren.

Ik mag hopen dat we die ambitie niet opgegeven hebben. We kunnen het ‘Less is more’ van Mies van der Rohe alvast actualiseren. Als wat geldt voor onze goudvoorraden ook geldt voor alle andere voorraden, namelijk dat ze eindig zijn, moeten we ook ‘More is less’ durven te zeggen. Tussen het teveel en het tekort bestaat een sterk verband. Dat wat we besteden aan het teveel (geld, grondstoffen, ruimte), kunnen we niet meer inzetten voor het tekort. Het Europese Bauhaus zal het dus ook moeten hebben over een herverdeling van de middelen waarover we beschikken.

Dat klinkt behoorlijk revolutionair. Laat dat dan de aanleiding zijn om nog eens na te denken over de naamgeving. De modernisten hadden hun verdiensten, maar ‘meer modernisme is zeker niet wat we vandaag nodig hebben.

Die breuk mag zichtbaar zijn in de naam. Na de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog was het logisch om het vooral te hebben over ‘bouwen’. In de huidige context van woekerend beton is het minstens even logisch om het ook te hebben over ‘niet-bouwen’. Bijgevolg hebben we ook behoefte aan een esthetica van het weglaten. Als u zich daar niets bij kan voorstellen: vraag het eens aan de kunstenaars die poëzie schrijven. Zij kennen de meerwaarde van dat ene woord minder en de charme van de witregel. Ook afwezigheid is een vorm van aanwezigheid. En ook over die vorm mag worden nagedacht.

Moet de naam voor het nieuwe Europese Bauhaus dus niet eerder ‘No-BAUhaus’ luiden? ‘No Business As Usual’, dat is toch wat Ursula von der Leyen ons met haar Green Deal wou vertellen?

Welaan dan, Europese Commissie, maak zelf een zin met “vlag” en “lading”.

  • Deze tekst verscheen, in een licht andere vorm, als opiniebijdrage in De Standaard van 20 oktober 2020

Van villa tot ruïne en weer terug: de villa Cavrois

Zo ironisch kan geschiedenis zijn.

Eind jaren 20 van de vorige eeuw. Een rijke textielbaron in het Noorden van Frankrijk beslist om een nieuwe woning te laten bouwen voor zijn gezin. Daarvoor koopt hij een flinke lap grond in het landelijke Croix. Dat kan, omdat de heer Cavrois zich een auto kan veroorloven, waardoor hij – anders dan zijn 700 arbeiders – ver genoeg van de fabrieksrook kan gaan wonen om er geen last van te hebben. De lusten blijven wel zijn kant uitkomen: voldoende opdat de “gezinswoning” een modern kasteel kan worden.

Een 60 meter lange gevel, 2800 m2 oppervlakte, de allermodernste snufjes in alle kamers, exclusieve materialen – dat alles in het kader van een park met een imposante waterpartij.

Ontwerper van dit Gesamtkunstwerk: de modernistische architect Robert Mallet-Stevens, die enkele jaren later zijn volledige archief zou vernietigen en zelfmoord plegen – een tragedie die niet had misstaan in Charlotte Van Den Broecks boek ‘Waagstukken’ over falende architecten.

Het een fortuin kostende bouwwerk wordt opgetrokken in een tijd waarin arbeiders, zijn arbeiders, nog wonen in krappe tweekamerhuisjes zonder elementaire voorzieningen. De schijnbare vanzelfsprekendheid waarmee dat gebeurt kan alleen maar worden verklaard door de curieus te noemen overtuiging dat enerzijds het eigen ‘teveel’ loon naar werken is en dat anderzijds de tekorten van de arbeiders, ondanks een labeur dat vele malen zwaarder en ongezonder is, eveneens van een correcte remuneratie getuigt.

De weduwe Cavrois sterft in 1985, waarna de villa wordt verkocht aan de meest biedende: een projectontwikkelaar die in naam van waardecreatie aan waardevernietiging doet. Hij laat het verworven goed over aan weer, wind, vandalen, krakers en plunderaars (die – o ironie – gebouw en inboedel wél naar waarde weten te schatten) om zo gemakkelijker een sloopvergunning te krijgen. Laten slopen om officieel te mogen slopen, het is een bekende strategie.

Intussen is het teveel zelf een tekort geworden: zulke staaltjes modernistische architectuur zijn er niet veel meer. Het besef rijpt dat slopen echt wel (een) zonde zou zijn. Bewuste burgers slagen er in 1990 in de villa Cavrois te laten beschermen als ‘monument’. Tien jaar later wordt de ruïne Cavrois aangekocht door de Franse staat. Lees: de overheid vult de onzichtbare hand van de vrije markt om erger te voorkomen.

Duurde de oorspronkelijke bouw drie jaar, de reconstructie neemt vijftien jaar in beslag. Privéluxe wordt publieke zorg. De nakomelingen van de textielarbeiders van Cavrois betalen via hun belastingen nogmaals mee aan het gebouw, maar daar krijgen ze wel iets voor terug: sinds 2015 kan de villa worden bezocht – tegen betaling weliswaar.

In de praktijk is het niet Jean-met-de pet maar Jean-met-de-goede-smaak die zich komt vergapen aan het ambacht van de architect. De sociale ongelijkheid en onrechtvaardigheid waardoor dit mogelijk werd blijven onbelicht.

Op de website over ‘renaissance d’un monument’ interpreteert de kleindochter van de bouwheer het project als een “hommage à mon grand-prère”.

Ze heeft gelijk. Alles wat blijft is bewondering voor de visionaire ontwerper en zijn puissant rijke opdrachtgever. Terwijl – zeg nu zelf – een kasteel bouwen in 1929 niet bepaald getuigt van veel sociale vooruitstrevendheid. Integendeel, de heer Cavrois was zijn tijd ver achteruit.

Het proletariaat dat het gebouw bij elkaar werkte en wiens kleinkinderen er nadien opnieuw voor betaalden in de hoedanigheid van belastingbetaler, wordt ook in de geschiedschrijving bestolen.

Mijn pad

Wat gebeurt er als de steenkoolindustrie er het pikhouweel bij neerlegt?

Wij deden deze zomer de vergelijkende test en kwamen tot de volgende vaststellingen:

  • In de omgeving van Charleroi (België): weinig tot niets.
  • In de omgeving van Lens (Frankrijk): ze doen aan reconversie, bijvoorbeeld door de bouw van een museum. In Lens werd dat het Louvre-Lens.

Missie geslaagd, wat mij betreft. Het museum is de moeite voor zijn (wisselende) collectie en exposities (momenteel de zeer boeiende tentoonstelling ‘Soleils noirs’ over evoluerende functie van de kleur ‘zwart’ in de kunst) én voor zijn architectuur.

De door de architecten van SAANA ontworpen gebouwen, licht en luchtig in glas en gepolijst aluminium, weerspiegelen de onmiddellijke omgeving. Dat is een groot geluk, want de voormalige steenkoolmijn is nu een prachtig groen park – een ontwerp van de Franse landschapsarchitecte Catherine Mosbach.

Met wat knipogen naar Le Corbusier…
… en voor wie wil ook een knipoog naar de Songlines van de Aboriginals…

Maar de eigenlijke aanleiding om er een blogstukje aan te wijden, is het vroegere ‘Groot Kolenspoor’ dat nu een wandel/fietspad is tussen de museumsite en het centrum van Lens.

Op zich niets spectaculairs (dat is het nu net). Maar kijk eens hoe subtiel er hier gespeeld is met ver- en ontharding. Door enkele minimale ingrepen is wat een banaal betonpad had kunnen zijn een boeiend spoor geworden dat gebruikers zachtjes suggereert wat het gewenste gebruik is. Auto’s voelen zich hier niet welkom, fietsers begrijpen meteen dat dit geen fietssnelweg is. Het park omarmt het pad.

Ook ik omarmde het meteen: dit mijnpad was mijn pad – vooral omdat het ons laat zien hoe arm onze verbeelding is geworden als het gaat over hoe een pad, een straat, een weg eruit kan zien. Toen ik dit zag, ontvouwde zich in mijn geest een schitterende caleidoscoop van nieuwe mogelijkheden. Nieuwe paden naar de toekomst, daar kunnen we er niet te veel van hebben.

Terug naar de essentie

Geplaatst op

Behalve veel nadelen heeft Covid-19 ook één groot voordeel: het zet de dingen op scherp. En niet alleen de dingen, ook ons. Het dwingt ons na te denken over de keuzes die wij in andere tijden maken zonder nadenken, gewoontedieren die we zijn. Welke van onze verplaatsingen zijn essentieel en welke zijn bijkomstig? Het antwoord blijkt te veranderen doorheen de tijd, dit wil zeggen: hoe meer tijd er over heen gaat, hoe meer verplaatsingen we essentieel gaan vinden. De definitie van “essentie” is duidelijk onderhevig aan erosie.

Idem dito wat producten betreft. Ivan Illich maakte daarover in zijn nog immer actuele ‘Ontscholing van de maatschappij’ een rake observatie: de reële behoefte aan een product is omgekeerd evenredig aan de nood aan reclame om het product verkocht te krijgen. Volgens dit criterium moeten we besluiten dat de werkelijke behoefte aan auto’s heel gering is. Er wordt verschrikkelijk veel publiciteit voor gemaakt.

Dat begon de laatste weken op te vallen in het straatbeeld. Daar waar gewoonlijk de nieuwste modellen schaamteloos zichzelf aanprijsden met vooral emotionele argumenten, pelden de door de corona verveelde billboards zichzelf terug in de tijd.

Hier en daar zijn we nu terug bij de essentie aanbeland: het lege blad dat voorzichtig een nieuw begin lijkt te suggereren.

Pollocklangsdering

Elders komt er een verrassing tevoorschijn, zoals hier naast de ring van Herentals.

Het doet wat denken aan het eertijdse achteruit afspelen van vinylplaten waarbij zogenaamd satanische boodschappen tevoorschijn kwamen. Als we de auto-advertenties terugbladeren, verschijnt plots de grijns van een kakelverse Jackson Pollock.

Best duivels als je weet dat ‘Jack the Dripper’ omkwam in een autocrash.

Vierkant tegen

Vandaag liet ik in De Standaard wat stoom af… Daar werd het gepubliceerd onder de titel  ‘Voor eigen rekening rijden’.

Is het Zwart Vierkant van de Russische schilder Kazimir Malevitsj kunst? Sommigen zullen gedecideerd knikken. Het doek hangt in verschillende versies in de meest gerenommeerde musea ter wereld, het prijkt in vrijwel elke canon van de 20ste-eeuwse schilderkunst én er zit een uitgepuurde gedachte achter.
Voor anderen is het uitdrukkelijk géén kunst, maar precies de opheffing ervan. Voor hen bevindt het werk zich op het punt waar kunst ophoudt kunst te zijn, waar kunst een kunstje wordt.

Bernard Dewulf-gewijs moest ik daaraan denken toen ik hoorde van wat nu al bekend staat als ‘de bocht van Ben’ (DS 10 april). Alleen is er hier minder twijfel over het kunstzinnige karakter. Had de Rus nog een hele theorie klaar om zijn move te duiden, het suprematisme, minister van Mobiliteit Ben Weyts (N-VA) kon niet meer dan een indruk van haastige improvisatie wekken.Was het doek van Malevitsj nog zwart, dat van Weyts bleef leeg. 

Als, zoals Otto von Bismarck beweerde, politiek de kunst van het mogelijke is, dan liet de minister deze week officieel de kunst achter zich. Met zijn abdicatie in de strijd om onze automobiliteit te verzoenen met de hedendaagse normen inzake bewegingsvrijheid, elementair economisch rendement, klimaat, luchtkwaliteit en gezondheid, trad hij toe tot het supprimatisme: de strekking die de politiek overbodig maakt en dus supprimeert doordat de leiders volgers worden.

Eerder had Bruno Tobback (SP.A) zich er al tot bekend met de vleugellamme woorden: ‘Ik weet heel goed wat ik moet doen, maar als ik dat doe, word ik niet meer verkozen.’
Als de keuze er een wordt tussen de eigen toekomst en die van de wereld, hebben ze geen boodschap aan het heldendom, maar kiezen ze resoluut voor het kleinburgerlijke opportunisme. Pakweg ‘rekeningrijden’ wordt dan ‘voor eigen rekening rijden’.

Zelf zullen de heren het vast rechtvaardigen als ‘realisme’, al is ‘naturalisme’ als term
waarschijnlijk adequater: hun desertie draagt actief bij aan de miserabilisering van degenen die hen toevertrouwd waren. In het geval van Weyts is daar zelfs een cijfer op geplakt, meer bepaald in het Vlaamse Luchtkwaliteits- en Klimaatplan: zonder rekeningrijden kunnen we de broodnodige besparing van 12 procent autokilometers wel op onze buik schrijven.

Luchtkwaliteit.JPG

Toegegeven: 12 procent zegt niks. We kunnen ons er weinig bij voorstellen. Daarom heeft het Lot (en dit is geen inbeelding, we bevinden ons immers midden in een Grieks drama) voorzien in de meest passende metafoor. Terwijl de minister van Mobiliteit plechtig declameerde dat hij de burgers niets door de strot zou duwen, inhaleerden wij het resultaat van het eindelijk geofficialiseerde forfaitbeleid: lucht die door de Vlaamse luchtkwaliteitsapp BelAir als ‘uitermate slecht’ werd bestempeld.

Riep daar iemand om minder ‘pretpedagogie’ en duidelijkere rapporten? Welnu, bij deze heeft minister Weyts het zijne gekregen. Wat rest, is het zwarte gat van de geschiedenis.

Bon, misschien schilderde die Malevitsj minder abstract dan wij altijd hebben aangenomen.

Uitgelezen kunst

Een bekentenis. In een vorig bericht heb ik overdreven. Een klein beetje maar.

Maar toch. Overdrijven is altijd overdreven, vind ik.

Daarom deze rechtzetting: in Kassel was er één installatie die wel degelijk indruk op mij maakte: the Parthenon of Books van Marta Minujin.

Kassel Parthenon of books (1)

De ‘replica’ van het beroemde bouwwerk op de Akropolis in Athene is opgetrokken uit boeken die ooit ergens ter wereld werden verboden – of nog verboden zijn. Doordat het om gedoneerde boeken gaat, zaten er nogal wat dubbels tussen (opvallend veel ‘Duivelsverzen’ en ‘1984’ bijvoorbeeld), maar niettemin is het een prachtig monument van dubbel-zinnigheid: van op afstand het symbool van democratie, wijsheid en beschaving, van dichtbij een symbool van dictatuur, domheid en barbarij.

Kassel ParthenonIMG_0670IMG_0679

Goeie kunst is altijd een beetje schizofreen.

Ik begin er ook over omdat er dezer dagen in de boekhandels een dystopisch boek over boekverbrandingen in de boekhandels ligt. Dat is een beetje veel ‘boek’ in één zin, maar laten we het er op houden dat de vorm in dit geval de inhoud afdekt.

‘Fahrenheit 451’ van Ray Bradbury, want daarover hebben we het, dateert al uit 1953 en ik las het zelf een jaar of acht geleden, maar het is me bijgebleven én het werd zopas herdrukt. Allicht omdat het, helaas, nog altijd, nou ja, brandend actueel is. En omdat het gewoon een ijzersterk boek is.

Waarschuwing: kijk nu niet op Wikipedia, want daar wordt het hele verhaal al verklapt. Ik beperk mij tot de aanzet van het verhaal: hoofdpersonage Guy Montag is een ‘brandweerman’ met als opdracht het opsporen en in brand steken van het gevaarlijkste bezit dat mensen kunnen hebben: boeken.

“Een boek is een geladen geweer in het huis van je buurman. Verbrand het. Haal de kogels uit het wapen. Sla een bres in de menselijke geest. Wie weet wie niet het doelwit zou kunnen worden van een belezen mens! Ik? Ik zou hem nog geen halve minuut dulden.”

Vanzelfsprekend gaat de protagonist aan het twijfelen en dat zorgt, behalve voor een gezonde dosis spanning, vooral voor snedige analyses en beschouwingen.

Dit is het moment om ‘Fahrenheit 451’ in verband te brengen met mobiliteit, want daarop zitten jullie natuurlijk te wachten. Welaan dan. Wat had u gedacht van dit citaat, een scherpe schets van wat ik in ‘De file voorbij’ zelf beschreef onder het kopje ‘Jack The Ripper en de fout van de V85’:

“Zelfs al was de straat volkomen verlaten, dan kon je er natuurlijk nog niet van op aan dat je hem veilig kon oversteken, want er kon eensklaps een auto opduiken vanachter de helling die vier zijstraten verder lag en bij je zijn en langs je heen schieten eer je een dozijn keer had kunnen ademhalen.” 

Spring die fiets op en peddel naar de onafhankelijke boekhandel waar nog 1000 bloemen mogen bloeien. (Of hoe een leestip toch nog een kleine reistip werd.)

Lees de rest van dit bericht

Allemaal vluchtelingen

Sommigen zullen denken dat het vorige blogbericht voor één keer niets met mobiliteit te maken had. Het pleit voor hen dat ze denken. Maar ze denken verkeerd.

Het ging over vluchtelingen en laat vluchtelingen net de meest extreme vorm van mobiliteit belichamen. En dus misschien wel het meest de essentie ervan raken.

Mensen verplaatsen zich omdat ze daar behoefte aan hebben. Omdat er op een andere plaats iets is wat ze op de ene plaats niet hebben: veiligheid, voedsel, werk, geliefden, vertier. De mobiliteit van vluchtelingen verschilt in wezen dus in niets van die van anderen.

Die anderen zijn overigens maar al te vaak ook vluchtelingen, zéker in deze tijd van het jaar. In dichte drommen ontvluchten zij de geestdodende repetitiviteit van hun werk, de kopzorgen, het gebrek aan levenskwaliteit op de plek waar ze wonen. Ze gaan op zoek naar ruimte, natuur, gezonde lucht, water waarin je nog kan zwemmen, een plek waar hun kinderen veilig kunnen spelen, rust en stilte – al die dingen die ze als vanzelfsprekend zichzelf zijn gaan ontzeggen, maar waarvan ze vinden dat ze er één keer per jaar toch wel recht op hebben.

Brussel (33)

En dus eisen ze voor zichzelf het recht op absolute mobiliteit op: de wachtrijen op de luchthavens moeten zo kort mogelijk zijn, de tunnels in Oostenrijk en Zwitserland berekend op onze massale doortocht, de grenscontroles tot een minimum beperkt, de prijzen voor het gebruik van infrastructuur matig en liefst gratis, de parkeerplaatsen op de bestemmingen overvloedig… Barrières moeten zoveel mogelijk geslecht, grenzen gesloopt. Want het is allemaal ‘welverdiend’ en als ze op het vliegtuig niet naast elkaar kunnen zitten (omdat ze uit principe weigeren enkele euro’s meer te betalen) of door een ongeval enkele uren vertraging oplopen, dan worden dat nieuwsitems.

Dat ze voor zichzelf, dat we voor onszelf opeisen wat ze, wat we anderen blijkbaar niet of node gunnen, daar moeten we vooral vandaag niet op wijzen. Want hé, ze en we zijn met vakantie. Mag het even?

Sorry dus voor deze kleine inconvenience.

Lees de rest van dit bericht

Het shockingcenter

De vijfjaarlijkse Documenta, nummer 14 ondertussen, trok ons deze zomer naar het Duitse Kassel. En om meteen maar te openen met een spoiler: we kwamen terug van een kale reis.

Er was nauwelijks iets wat ons echt ‘raakte’, ons oplaadde met nieuwe vragen of manieren om naar de werkelijkheid te kijken – wat mij betreft de essentie van goeie kunst. In de plaats kregen we vooral statements die stijf stonden van het eigen eendimensionale gelijk.

Of gewoon gratuite waren.  Zo stond er bijvoorbeeld ‘Beingsafeisscary’ op de fries van één van de sleutelgebouwen. Best provocerend in deze tijden, maar er was schijnbaar niemand die er de ironie van inzag dat om dit gebouw te betreden twee keer moest worden aangeschoven: één keer om je rugzakje in te leveren (er zou een bom in kunnen zitten) en één keer om (oppervlakkig) gefouilleerd te worden vooraleer het pand te betreden. Notbeingsafeisapparentlyscarier.

Kassel (3)

Best mogelijk natuurlijk dat het aan ons lag, maar gesprekken met andere Documentabezoekers en een kritische recensie in de NRC gaven aan dat we niet alleen stonden.

De meest ontwrichtende, in het gezicht slaande confrontatie was trouwens een toevalstreffer:

IMG_0746

 “Wij shoppen niet, wij kopen ons gelukkig” staat er schaamteloos te lezen op de gesloten gevel van het shoppingcenter.

Dat de homo shoppicus niet ziet hoe de kans op echte zingeving letterlijk over straat loopt onder de vorm van mensen op de vlucht voor oorlog, honger en ellende is één ding. Maar dat hij daar dan ook nog eens schaamteloos fier mee uitpakt, dàt vond ik shockerend.