RSS Feed

Categorie archief: ruimtelijke ordening

Net niet te klein: Central Park

Over parkjes gesproken. Ken je Central Park? Bart Dewever liep er een tijdje geleden verloren tijdens zijn ochtendjogging en sinds ik er geweest ben geloof ik dat. Central Park is écht wel groot. 341 hectare om precies te zijn. De New Yorkers vonden dat zelfs groot genoeg om het park z’n eigen ambulances te geven.

IMG_0193

Tegelijk is het eigenlijk ook niet zo groot. Wij waren er op een zonnige zondag en toen bleek het maar net op z’n belangrijke taak bemeten: overal waar we keken was het een leuke mensenboel. Het had echt niet kleiner mogen zijn.

IMG_0067

De variatie is groot: bloemperken, rotspartijen, sportterreinen (vooral voor baseball, of wat had je gedacht?), speeltuinen, meren en vijvers, fonteinen en beelden, ligweiden, kronkelige paadjes, pleinen… Het is er allemaal. Central Park is wat mij betreft op z’n best op de plekken waar het zich voordoet als ‘puur natuur’.

In werkelijkheid is het ‘man-made nature’ van het zuiverste pompwater en beantwoordt het aan het oude ideaal van de ‘veilige natuur’. De wilde natuur getemd, als het ware.

IMG_0212

Neem bijvoorbeeld ‘the ravine’ in het noorden van het park. Er is geen ravijn in de wereld dat zo goed is in het ravijn-zijn als dit ravijn, maar dan zonder de gevaarlijke trekjes die de soortgenoten doorgaans hebben.

Als doorsnee-Europeaan is het in het park als in de rest van Manhattan: het is een beetje thuiskomen. Ook al ben je er nooit eerder geweest, toch is het overheersende gevoel er één van herkenning. Komt natuurlijk door al die films en feuilletons die het park (en de stad) als decor kozen. Zelfs ik die al bijna dertig jaar nauwelijks televisie kijk, bleek er voldoende van doortrokken.

En toch had het park nog enkele verrassingen in petto.

Ten eerste: de surrealistische zichten op de stad. Hier het groen, ginds het blauwgrijze glazen en stenen gebergte dat de wolken krabt. Dat had ik natuurlijk ook wel al in films gezien, maar ‘in het echt’ is het toch nog een ander paar mouwen. Dat was de aangename verrassing.

Er was er ook een onaangename: dwars door Central Park rijden er auto’s. Dat wist ik niet. Ik leefde in de illusie dat Central Park een autovrij gebied was. Niet dus. Alleen na 19u en in het weekend is het park vrij van autoverkeer. En dan nog, want het New York Police Department (NYPD) staat overal op de uitkijk met groot én klein rollend materieel.

Het is voor dit stadsleger dat, denk ik, het woord ‘ubiquiteit’ is uitgevonden. Want het fenomeen beperkt zich allerminst tot Central Park. Niet voor niets telt de NYPD naar verluidt meer manschappen dan de hele federale politie van de VS tezamen.

IMG_0114IMG_0190

Maar wanneer het park op z’n zondags is, wordt de rondweg een heuse velodroom. Je ziet er de New Yorker rondjes fietsen (één rondje: 10 km), als hamsters in hun stadskooi. Dan en daar, en alléén dan en daar, kan het zonder je leven te riskeren.

Een kooi om vrij te kunnen zijn, dat Orwell dààr nooit op gekomen is.

IMG_0225

Wie niet graag fietst, behelpt zich met een elektrisch aangedreven skateboard of, minder uitzonderlijk, laat zich voeren met een riksja voor 5 of 6 dollar per minuut.

Te oordelen naar het succes van de taxifietsen is die prijs ‘marktconform’. Hij weerspiegelt de schaarste van dit soort plezier in een stad als deze. Lees de rest van dit bericht

Advertenties

De geest van Jane

Gevraagd naar wat mijn New Yorkse hoogtepunt is, ligt mijn antwoord voor de hand: Top of the Rock. Hoger dan die 259 meter ben ik niet geweest.

Maar mijn échte persoonlijke hoogtepunt beleefde ik op het niveau van het trottoir. Ik had het gevoel een halve eeuw te zijn teruggeworpen in de tijd toen ik plots oog in oog stond met de geest van Jane Jacobs.

Die zag er voor de gelegenheid uit als een kleurige, aanstekelijk swingende, aan de beste momenten van de Netflixserie ‘Treme’ (over wat orkaan Katrina deed met New Orleans) herinnerende proteststoet.

Nooit was het zo duidelijk dat een stad nood heeft aan van hectiek bevrijde plekken, plaatsen waar de efficiëntie kan worden ingeruild voor de essentie.

Voorwerp van de strijd? Een buurtparkje dat dreigt te verdwijnen onder “another building”, zoals één van de demonstranten het verwoordde.

Je hoort en leest het her en der: sinds 9/11 zijn de New Yorkers hun parken echt gaan (her)waarderen. Daar (én in de kerken) vonden ze elkaar spontaan in hun collectieve rouw en verdriet. Nooit was het zo duidelijk dat een stad nood heeft aan van hectiek bevrijde plekken, plaatsen waar de efficiëntie kan worden ingeruild voor de essentie.

Niettemin duurt de strijd tussen de visies van Jane Jacobs en Robert Moses nog altijd voort en kan je er dus zomaar op botsen op de hoek van twee bouwblokken.

Het mag dan treurig zijn dat het evidente vandaag nog altijd niet vanzelfsprekend is, ik werd eerlijk gezegd helemaal warm van binnen. Grassroots zijn immers belangrijk  onder de vorm van een parkje, maar ze zijn het misschien nog meer onder de vorm van politiek en maatschappelijk activisme.

Old New York & New New York

Er is het oude New York dat we allemaal kennen van de films en de iconische foto’s: de stad van de steen en staal en glas geworden hoog-moed. Aan die stad wordt nog altijd voortgebouwd. Uit blinde gewoonte, denk ik, omdat nog niet iedereen de tijd heeft gevonden om twee keer na te denken. Het is de stad die reikt naar de hemel en het contact met de werkelijkheid ergens onderweg is kwijtgeraakt.

Daarnaast is er het nieuwe New York, de stad die zichzelf heruitvindt en zo goed en zo kwaad als het gaat terugbrengt naar een mensenmaat. Beetje bij beetje, vierkante meter per vierkante meter. Deze stad is er één van bottom-up en wortelt stevig in het leven en de realiteit van alledag.

Hier en daar komen die twee werelden samen, zoals op onderstaande foto.

Op de achtergrond prijkt de Flat Iron Building, opgetrokken in 1902 en met zijn 87 meter één van de eerste wolkenkrabbers van de stad (en, om de symboliek nog wat op te voeren, decennia later een tijdlang het kantoor van stadsingenieur Robert Moses). Dat zijn de oude vormen en gedachten.

Op de voorgrond ontkiemen de parasols als kleine paddenstoelen van hoop, op een ondergrond van beton en asfalt die tot voor kort nog het speelterrein van de auto was. Geïnspireerd door de Kopenhaagse stadsarchitect Jan Gehl wordt de straat er ge(re)animeerd met mensen in plaats van blik.

Oud en Nieuw New York

“A breath of fresh air/ No smoking” staat er op het bordje. Ter plaatse klinkt dat een ietsiepietsie ironisch wanneer de hitte van de verbrandingsmotoren en hun uitlaatgassen bijna lijfelijk te voelen is.

Maar de (in)gezetenen zijn erger gewend. Ze laten het niet aan hun hart komen en genieten ervan dat hun stad met eenvoudige middelen (wat verf, bloembakken, straatmeubilair, enkele kiosken met drank en voedsel) meer en meer plekjes vrij maakt om hen tot rust te laten komen. Broodnodig in a city that never sleeps.

De stad van de overmaat

De maat van The Big Apple is die van de overmaat, van in het (dus niet zo) kleine tot in het (heel heel) grote. Hoogbouw wordt, in velerlei opzichten overbodig, de hemel ingeprezen omdat het bij zou dragen aan een zuinig ruimtegebruik. Maar wie naar New York kijkt, kan er niet omheen: er wordt daar met ruimte gemorst bij het leven.

IMG_0155 (2)

Niet alleen zijn er grote delen van de stad waar laagbouw en braakliggende gronden aan de orde van de dag zijn, ook en vooral zijn er de immense oppervlaktes die, niettegenstaande een bijzonder performant openbaar vervoerssysteem (de Subway), opgeofferd worden aan King Car (broertje van King Kong, ook thuis in New York).

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Geloof het of niet: straatparkeren is in deze stad nog steeds gratis. De parkeerdruk is echter – maar eigenlijk moet ik zeggen: daardoor – zo hoog dat parkeergarages nog gouden zaken doen.

IMG_1977

Daarnaast zijn er de ruimtevretende Expressways van Robert Moses zaliger die de stad letterlijk aan stukken rijten en ondanks (eigenlijk moet ik zeggen: door) hun enorme spanwijdtes het verkeer niet kunnen slikken.

Tel daarbij dat de meeste auto’s en vrachtwagens ‘oversized’ zijn en je komt aan hectaren en hectaren asfalt en beton die handen vol geld kosten in aanleg en onderhoud.

Het mag dus geen verwondering wekken dat ze in zo’n lamentabele toestand verkeren dat wij Belgen het over een ‘failed state’ zouden hebben. Maar de Amerikanen hebben zich er schijnbaar in geschikt, al zal Trumps verkiezingsbelofte om te investeren in de infrastructuur van het land hier en daar wel in goede aarde zijn gevallen. Dat is dan weer tot overmaat van ramp.

The dwarfing of New York

Nu ik al enkele dagen met een jetlachje om de mond door het leven ga, stellen mensen mij de vraag wat ik het indrukwekkendst vond aan New York. Soms wordt de vraag geformuleerd als een meerkeuzevraag en word ik verondersteld te kiezen uit de hoogste buildings: de Empire State Building, de Rockefellertoren of One World? Niet alleen de bouwheren, maar ook de toeristen zitten blijkbaar nog altijd gevangen in het San Gimignano-syndroom: het gaat er om de grootste te hebben.

IMG_0905

Laat ik er niet flauw over doen. Natuurlijk was ik onder de indruk van de omvang van de gebouwen. Natuurlijk betaalde ook ik een aanzienlijk toegangsgeld om met een lift naar the Top of the Rock, het dakterras van de Rockefellertoren, te worden geschoten. Ook ik vergaapte mij daar aan de betonnen jungle aan mijn voeten en duizelde bij het idee dat ooit Zeppelins aanmeerden (en dus mensen in- en uitstapten?) op de Empire State Building even verderop.

Maar de les voor mij was er toch vooral één van bescheidenheid en relativiteit. Het niet aflatende pogen om het hoge (om de leuze van mijn secundaire school even te parafraseren) mondt uiteindelijk vooral uit in z’n tegendeel: met elke nieuwe hoge toren worden de andere hoge torens kleiner.

IMG_0756

Noem het de New Yorkse paradox: hoe hoger de gebouwen worden, hoe kleiner de stad wordt. En de mens.

Over honden, katten en mensen

Geplaatst op

Hondenweer. En dus is er geen kat op straat. Toch?

Detmold bij regen (7)

Niet zo in Detmold in het Duitse Noordrijn-Westfalen. Daar regende het afgelopen maandagochtend (en maandagmiddag en maandagavond en dinsdagochtend en…) oude wijven en toch waren de centrumstraten vol mensen. Het stadje bleek dus de ‘regentoets’ met glans te doorstaan en ik vroeg mij af waarom.

Het antwoord lag, zoals zo vaak, gewoon op straat. Of toch daar in de buurt.

Om te beginnen was er de beschutting. Behalve dat mensen over paraplu’s bleken te beschikken (een uitvinding die in geschiedschrijvingen van onze mobiliteit systematisch over het hoofd wordt gezien), was ook de stad zelf voorzien op regen: er waren arcades, afdaken, luifels en daken die eenvoudig overhingen als de randen van een hoed – simpele dingen, maar wel zaken die op dagen als deze het verschil maken tussen nat en droog.

Detmold bij regen

Dat gold overigens niet alleen voor het hoofd, maar ook voor de voeten. Het stadscentrum bleek te beschikken over een efficiënt afvoersysteem van overtollig water en over comfortabel, effen plaveisel waardoor plasvorming tot een minimum werd beperkt.

En voor zich iemand het hoofd breekt over wat er tussen hoofd en voeten zit: ook daar zat het snor, louter dankzij de afwezigheid van auto’s en dus van opspattend water.

Maar alleen met een droogtegarantie krijg je natuurlijk nog geen volk op straat. De belangrijkste factor is natuurlijk: een omgeving die boeit. Mensen moeten een reden hebben om de regen te trotseren.

Detmold bij regen (5)

Nu, die waren er in het historische centrum van Detmold in overvloed: een breed pallet aan kleinhandel (weinig of geen ‘ketens’, kleine percelen en dus een snelle ‘afwisseling’, een hoge graad van serendipiteit), gezellige café’s en eetgelegenheden met parasols die zomaar groepsparaplu’s werden, vage grenzen tussen ‘binnen’ en ‘buiten’, gedetailleerde gevels.

Maar ook dat zou nog niet voldoende zijn om mensen behalve ‘moet’- ook ‘wens’-verplaatsingen te laten maken. Detmold gooide dus nog wat extra’s in de schaal: korte afstanden van de frequent bediende bus- en tramhaltes en de randparkings tot het winkelcentrum en een grote fijnmazigheid voor voetgangers: kleine bouwblokken met veel doorsteekjes, een doorwaadbaar park, wisselende perspectieven, een flinke scheut groen en hier en daar een monument of een kunstwerk – ook dit alles is  niet spectaculair, maar wel bepalend voor het onderscheid tussen een stad waar je wil zijn en één waar je alleen maar moet zijn.

En toch was met dit alles de code nog niet helemaal gekraakt. Hoe kon het immers dat ondanks het grauwe weer de stad en dus ook de mensen – of was het andersom? – toch vrolijk bleef?

Detmold bij regen (4)

Het was mijn eega die het raadsel ontsluierde: dankzij het gebruik van lichtgekleurde materialen bleef Detmold zelfs op donkere dagen als deze nog stralen.

In het centrum dan toch. Vanaf de binnenring rouwde het asfalt als overal elders. Maar gelukkig was er daar dan weer het opspattend water van het autoverkeer, zodat je er niet te veel op kon letten…

Gehry am Rhein

Geplaatst op

Mag ik nog even terugkomen op onze studiereis naar Baskenland?

Van het Guggenheimmuseum beweerde ik dat het niet de enige verklaring is voor het Bilbao-effect.

Behalve de argumentatie dat de bouw van het museum kaderde in een heel breed programma voor de make over van Bilbao, is er voor deze stelling ook een bewijs uit het ongerijmde. Daarvoor moeten we naar het Duitse Dusseldorf, waar Gehry zijn titaniumtruukje nog eens dunnetjes overdeed.

Dusseldorf Gehry

 

Maar geef toe: heb jij ooit gehoord van het Dusseldorfeffect? Komt het doordat het gebouw in kwestie de belastingsdiensten huisvest? Helpt alvast niet echt om een levendige plint te krijgen.

Maar het komt natuurlijk vooral doordat de Duitsers dachten dat het voldoende was wat spektakelarchitectuur naast elkaar te schikken.

Wandelen in de oude Rijnhaven is als bladeren in een glossy architectuurmagazine. Interessant, maar na een tijdje leg je het verveeld weg. Omdat je je begint te storen aan de nietjes. En omdat je aanvoelt dat, om te blijven boeien, het spektakel niet van de gebouwen moet komen, maar van de gebruikers – of, nog beter, van hun interactie met die gebouwen.

Dusseldorf haven

De Gehrygebouwen kregen de bijnaam ‘de buigende torens’ – en daar is iets van.

Waarmee ik overigens niet gezegd wil hebben dat er in Dusseldorf niets te beleven valt. Maar daarvoor moet je niet in de oude haven zijn.