RSS feed

Categorie archief: ruimtelijke ordening

De harde waarheid

Geplaatst op

Nog niet zo lang gelden was het nog van betonstop hier en betonstop daar. Tot de betonstopstop, toen moest de betonstop ‘bouwshift’ heten. Klinkt sympathieker en minder bedreigend voor projectontwikkelaars die zich ei zo na in het kruis getast voelden.

Sindsdien gaat het harde leven weer z’n zalige gangetje. Of nee, het gaat harder dan ooit tevoren. We zitten volop in het carnaval voor de vasten. Feestjeuh!

Zo komt het dat er in deze regio die zo graag een land wil zijn (dat willen ze ons toch doen geloven) nog elke dag twaalf voetbalvelden aan verharding bijkomen. Bij wijze van spreken dan.

Of wacht. Niet altijd. In Herentals, met 20% verharde oppervlakte al ‘beter’ scorend dan de gemiddelde 14% procent van alle Vlaamse gemeenten, heeft een voetbalclub de metafoor letterlijk genomen. Vorige week heeft ze een voetbalveld verhard.

In de vallei van de Kleine Nete. En in de wetenschap dat de club in 2027 geherlokaliseerd zal worden. Later zullen ze over een historische fout spreken. Vandaag hebben we er nog geen woord(en) voor. Is ‘toekomstfout’ misschien een kandidaat?

Vanuit het oogpunt van de voetbalclub is het slim gespeeld. Of preciezer: sluw. Want blijkbaar is er voor deze werken geen omgevingsvergunning nodig. Een maasje in de milieuwetgeving. Eentje meer of eentje minder, wie ligt er wakker van?

Het ziet er natuurlijk niet uit. Het ziet er natuurlijk niet natuurlijk uit.

Maar geen nood, na de vergrijzing komt de vergroening. Altijd.

De rollen kunstgras liggen al klaar. Straks worden we allemaal gerold.

Druk op het jaagpad

Geplaatst op

De gelegenheid doet nogal wat.

Ze maakt de dief. Dat weet iedereen.

Maar ze maakt nog meer.

De verplaatsing bijvoorbeeld. ‘Build and they will come’ luidt het onder mobiliteitsexperten populaire gezegde. Het geldt voor fietspaden en helaas ook voor autowegen.

De gelegenheid maakt ook de snelheid. Dat krijgen we te horen wanneer er nog eens geflitst werd in een zone 30: ‘Ja maar, dat is geen zone 30 want je kan er veel sneller.’

Op jaagpaden kan de gelegenheid haar vrije gang gaan. Ze biedt ruimte voor fietsers en door de bijna complete afwezigheid van gemotoriseerd vervoer biedt ze er ook de kans om snel te gaan.

Gevolg: het is druk op onze jaagpaden. Of preciezer: er zit druk op onze jaagpaden.

Dat komt door het verdrijvingseffect, ik schreef er tien jaar geleden al over. Doordat er ongeveer overal elders bebouwing is en dus veel auto’s en dus veel conflicten zijn jaagpaden, samen met bepaalde segmenten van fietssnelwegen, de enige plekken waar fietsers eens alle remmen los kunnen gooien.

Ze doen dat dan ook almaar massaler. De wielersport is populairder dan ooit tevoren, oudere fietsers hebben het gemak en het genoegen van elektrische fietsen ontdekt en daartussen laveren ook nog eens de automobilisten op twee wielen, de heren en dames met hun speedpedelec – al besef ik dat ik met deze omschrijving sommige onder hen onrecht aandoe. Maar feit is: we zijn met almaar meer op het jaagpad en het gaat er almaar sneller aan toe.

Dat vraagt om ongelukken. Nu en dan gebeuren ze dan ook. Vorige week was er een met dodelijke afloop. Een groepje wieltoeristen reed een 73 jarige fietser aan en deze laatste overleed aan de opgelopen verwondingen. Allicht was er sprake van een groot snelheidsverschil en van oudere mensen weten we dat een valpartij die voor een jongere zonder veel erg zou aflopen hen zwaar te staan kan komen. Dubbele pech dus, maar zonder de ‘systeemfout’ (de verdrijving van verschillende soorten fietsers als gevolg van de erbarmelijke ruimtelijke ordening in dit land) zou het ongeval mogelijk nooit zijn gebeurd.

Het mag ons doen nadenken. Over onze ruimtelijke planning en de eruit voortvloeiende ruimterivaliteit op de schaarse fietsreservaten. En over de functie van jaagpaden en fietssnelwegen. Laten we niet opnieuw de fout maken om alleen maar het ‘gedrag’ van fietsers in het vizier te nemen en alle heil te verwachten van ‘meer hoffelijkheid’. Een fietsbel kan inderdaad soms wonderen doen. Maar als het zo eenvoudig was, dan was de oorlog in Oekraïne ook al afgelopen met een beleefde handdruk en een welgemeende ‘sorry’.

De juiste oplossing vinden begint met het stellen van de juiste vragen. Wat verwachten de verschillende gebruikers van jaagpaden en fietssnelwegen? In welke mate zijn die verwachtingen compatibel en honoreerbaar? Wat betekent het antwoord op voorgaande vragen voor de inrichting van de genoemde infrastructuur?

Hopelijk vatten we binnenkort toch eens dit debat aan. Het wordt met de dag dringender.

  • Lees ook het artikel dat VRTNieuws aan de problematiek wijdde.

Hekkendrang

In ‘Weg van het systeem’ stel ik vast dat ons land een schoolvoorbeeld is van het betere ‘hekkenwerk’. Onder het kopje ‘We zijn gehekt’ beschrijf ik hoe onze bewegingsvrijheid ingeperkt wordt door muren, schuttingen, afrasteringen, hekken in alle maten en materialen. Onze ‘open’ ruimte is in werkelijkheid meestal afgesloten. Anders dan de goegemeente wel eens beweert, is dat niet de schuld van de jongens en meisjes van Natuurpunt – die doen doorgaans net wel hun best om alles zoveel mogelijk open te stellen. Onze ruimte wordt geclaimd (en opgeofferd) om privébelangen veilig te stellen: privé-eigendom, financieel rendement, privacy en veiligheid .

Het is een bijzonder geval van fractaliteit: wat zich voordoet in het klein, vinden we ook terug in het groot. In naam van de vrijheid zijn we gaandeweg alles gaan omheinen: ons continent, onze landen, onze parken, onze wegen, onze bedrijven, onze scholen, onze winkels, onze huizen, onze tuinen.

Natuurlijk is het geen toeval dat dit ons pas echt is gaan opvallen toen we tijdens ‘corona’ onze eigen buurten gingen verkennen en stuitten op hek na hek.

Een gehekte school in Machelen-aan-de-Leie, het dorp van Roger Raveel, die hekken systematisch in zijn werken integreerde

Bijgevolg is het ook geen toeval dat het thema ook in andere tijdens de lockdowns geschreven boeken opduikt. Of toch alvast in één. In ‘De papieren lantaarn’ beschrijft Will Burns een wandeling in Midden-Engeland: ‘Uitgerekend de enige kant die ik op kon, de kant op die was toegestaan, werd net onder handen genomen. Zelfs hier buiten de deur, weg, zo werd ons opgedragen te denken, van de onbenullige begrenzingen van een nederzetting – de tuinen met hun heggen, de parkeerruimtes, de belijningen tussen ‘van ons’ en ‘van jou’ – zelfs hier in wat nogal zielig door moest gaan voor de vrije natuur, werd ik geaffronteerd door omheiningen, restricties, herinnerd aan het feit dat elk lapje grond bezit was, een administratief gegeven, de topografische uitdrukking van onze culturele geschiedenis en voortdurende verslaving aan bezit en verkaveling.’ En hij merkt terecht op dat niet het landschap de grenzen bepaalt, maar de grenzen het landschap.

Dit alles is het resultaat van de privatisering van de commons, de ooit gemeenschappelijke gronden (die, volgens Jason Hickel in zijn boek ‘Minder is meer’, resulteerde in meer hongersnood en zelfs aanleiding gaf tot het ontstaan van het woord ‘poverty’). In Engeland noemen ze die operatie ‘the enclosure’ – wij hebben er, bij mijn weten, geen woord voor. Maar zowel over het kanaal als bij ons was dat geen ‘natuurlijk’ gebeuren, wel het resultaat van politieke beslissingen en machtsvertoon.

Dat is goed nieuws. Want wat met menselijke beslissingen de ene kant op kan, kan ook de andere kant op. Vandaar dat mijn boek uitloopt in een pleidooi voor onthekking en een heuse ‘hekkenjacht’ – of minder provocerend uitgedrukt: voor een herwaardering van de publieke ruimte.

Meer lezen:

  • Burns Will, De Papieren Lantaarn, Nijgh & Van Ditmar, 2021
  • Hickel Jason, Minder is meer, Hoe degrowth de wereld zal redden, Epo, Berchem, 2021
  • Peeters Kris, Weg van het systeem, Wakker in een ander tijdperk, Uitgeverij Vrijdag, 2022

Oosterweel: het debat is nog niet voorbij

Onderstaande opiniebijdrage verscheen op 6 januari in De Standaard onder de titel ‘Dronken van Oosterweelde’. Wie ze al las, kan naar beneden scrollen (tot aan het kopje ‘Driewerf hoera?’ voor mijn antwoord op het wederwoord van StRaten-Generaal).

Toen werd het stil. Tot gouverneur Camille Paulus in 1996 aan de alarmbel trok. Als er niet snel iets gebeurde, zou Antwerpen ten prooi vallen aan een verkeersinfarct. De metafoor baarde de oplossing: alleen een bypass kon een infarct voorkomen. Een multimodale saus deed wonderen. Vier jaar later waren politieke partijen en middenveld het eens dat er een nieuwe Scheldekruising moest komen. Een brug of een tunnel, dat viel nog te bezien. En waar precies, dat ook nog.

Al vlug bleek dat een brug over de Schelde onhaalbaar was. Het zou dus een  brug én een tunnel worden. Maar wel een mooie brug. Het leek een kwestie van smaak. Het werd een rollercoaster.

Toen de Antwerpse gemeenteraad de maquette te zien kreeg, bestelde ze prompt een studie voor een tunnel. Minister Kris Peeters besloot dan maar de maquette te verbergen voor de leden van het Vlaamse parlement – een reflex die als een rode draad door de geschiedenis van het dossier loopt.

Het mocht niet baten. De buitenparlementaire oppositie nam het over. Een burgercollectief ging mee denken. Vernieuwend, maar ook een beetje vervelend. Zo konden de tegenstanders niet meer worden weggezet als ‘alleen maar tegen’. Er volgde een jarenlange queeste naar de juiste omgang met die nieuwe vorm van wokeness.

Het werd er niet eenvoudiger op toen StRaten-Generaal gezelschap kreeg van Ademloos. Dat maakte het probleem van het fijn stof zichtbaar met behulp van mondmaskertjes en kinderen met een beperking boven wiens school de brug zou worden gebouwd.

Een referendum en vele dure studies later meldde zich een derde speler. Wat tot dan vooral een kwestie van ‘schuiven met hinder’ was geweest, werd nu een zoektocht naar win-wins. Als we de Ring nu eens overkapten? Bovenop zou dan een nieuw, groen district kunnen komen: ‘Ringland’. Van NIMBY (Not In My Backyard) naar PIMBY (Please In My Backyard), het was een hele revolutie.

Toch duurde het nog tot 2017 vooraleer een door de Vlaamse regering aangestelde intendant een akkoord kon aankondigen. Er zou een tunnel komen, de Ring zou ‘maximaal’ overkapt worden en er zou worden gestreefd naar een ‘ambitieuze modal split’.

Helaas stond niemand er bij stil dat “maximaal” ook heel beperkt kan zijn. En dat “50% auto’s” niet per se een goeie deal is als je geen afspraken maakt over absolute aantallen. Daarvoor had men moeten raken aan het taboe van de oneindige economische groei. Wie volhoudt dat Oosterweel de oplossing voor het fileprobleem is, moet daarvoor niet alleen de klassieke economie in vraag stellen, maar ook de fundamentele filewet én het milieu-effectrapport (MER). De file zal terugkeren. Alleen zal ze breder en langer zijn. Het Oosterweelproject is een typisch geval van wat in de medische wereld ‘iatrogenese’ wordt genoemd: de remedie is erger dan de kwaal.

Geen debat

Jammer dus dat daarover geen debat meer kan worden gevoerd. De actiegroepen hebben ingestemd met een welbepaalde ‘oplossing’. Daar op terugkomen komt neer op woordbreuk. “Walk and don’t look back” is noodgedwongen hun devies geworden.

Als professor bestuurskunde Wouter Van Dooren (UA) dan op basis van het milieu-efffectrapport concludeert dat het project geen antwoord is op de initiële vraag, geven de actiegroepen schoorvoetend toe dat hij een punt heeft. “Maar,” zeggen ze, “we moeten nu verder gaan, er is geen tijd meer te verliezen”. Het is de perfecte illustratie van Van Doorens analyse dat er te veel beleid wordt gevoerd op routine en te weinig op doelstellingen.

Het probleem is dus niet dat het doel de middelen heiligt, wel dat het middel een doel op zichzelf is geworden. De Oosterweelverbinding moet er te allen prijze komen. Dan mag de kostprijs oplopen van een half miljard euro in 1996 tot 4,5 miljard euro vandaag, “het equivalent van 11.200 sociale woningen.” Dan is het geen beletsel als daarvoor honderdduizenden kubieke meter voor de volksgezondheid schadelijke vervuilde grond verdonkeremaand moet worden.

De geschiedenis herhaalt zich. Actiegroepen en wakkere burgers – Greenpeace, Grondrecht, Thomas Goorden – brengen de nodige correcties aan en worden weggezet als saboteurs van het algemeen belang, ook al hebben ze het recht aan hun kant.

Nieuw is wel dat dit verwijt nu komt van voormalige actievoerders. Stropers worden niet alleen de beste boswachters, het omgekeerde kan ook. Manu Claeys, ooit boegbeeld van StRaten-Generaal en nu bestuurslid van Lantis, is niet zozeer verbolgen over het milieuschandaal of over de plannen van sommigen om het bodemdecreet dan maar op maat van de overtreders te snijden en de beroepsmogelijkheden van burgers aan banden te leggen. Nee, hij is boos dat die vlegels van burgers “procedeerden tot ze een instantie vonden die hen op één punt gelijk gaf.” De ironie wil dat Claeys daarmee de facto zijn eigen historische verdienste ten grave draagt: het inzicht dat de weerstand van actiegroepen geen obstakel is, maar een kans om een dossier samen beter te maken.

Van probleem naar kans?

Wat als we Claeys’ revelatie nu toch eens toepasten en niet alleen de gronden saneerden maar ook het dossier?

Dan zouden we het kunnen hebben over de olifant in de kamer: de vanzelfsprekendheid van ongelimiteerde groei en dus ook eeuwig aanzwellende verkeersstromen. Met meer multimodaliteit zal die heus niet worden opgelost: de capaciteit van het Albertkanaal is amper verhoogd of de Antwerpse haven roept al dat er extra pijpleidingen nodig zijn én dat de E313 moet worden verbreed. Misschien is het nu het moment(um) om onze economie ten gronde te herdenken in de geest van Kateworths ‘donuteconomie’, die uitgaat van echte behoeften en rekening houdt met capaciteitslimieten.

De oefening hoeft geen tijdverlies te betekenen. Wat als we nu eens eindelijk werk maakten van de door mobiliteitsexperts al jaren gesuggereerde maatregelen: een snelheidsbeperking tot 70km/u op de Ring, een sturend tolbeleid voor Kennedy- en Liefkenshoektunnel, het laten uitdoven van de perverse subsidiëring van salariswagens, de invoering van rekeningrijden, enkele kleinere infrastructurele verbeteringen, investeringen in het openbaar vervoer. Ze kosten weinig en leveren morgen al resultaat op. Er is een goede kans dat we met een fractie van de creativiteit die aan de dag werd gelegd om de milieuwetgeving te omzeilen, komen tot betere mobiliteitsoplossingen.

Driewerf hoera?

Op 7 januari publiceerde StRaten-Generaal bij monde van Anne Boudouin, Manu Claeys en Leida Rijnhout een antwoord onder de titel ‘Laat Antwerpen één groot park worden’.

We gaan even voorbij aan de vaststelling dat niet Lantis tegenwoordig de grote verdediger is van het Oosterweelproject maar de kastanjes rustig uit het vuur kan laten halen door haar voormalige tegenstanders en kijken even naar de inhoud van de argumenten.

Eerlijk gezegd stellen die me nogal teleur. Ik overloop ze kort:

Oosterweel is meer dan een mobiliteitsoplossing. Het is deel van een stedelijk leefbaarheidsplan.’

Hiermee gaan de auteurs gewoon voorbij aan mijn fundamentele kritiek dat Oosterweel net géén mobiliteitsoplossing is. Niet alleen worden er miljarden geïnvesteerd in meer capaciteit voor autoverkeer wat zal resulteren in meer files (niet minder). De daarin geïnvesteerde middelen zijn ook nog eens verloren voor de alternatieven, want ze kunnen natuurlijk maar één keer worden aangewend. Oosterweel is met andere woorden geen oplossing, maar een verergering van het probleem.

‘Zoals Peeters schrijft, hielden bewoners en landbouwers in de Antwerpse rand in 1960 een grote ring rond Antwerpen tegen. Het gevolg is dat alle doorgaand verkeer op de Te Kleine en Slechts Halve Ring rijdt.’

Kennelijk is het de mensen van StRaten-Generaal ontgaan dat ik de passage over de bewoners en landbouwers in de rand met een zekere ironie schreef, verwijzend naar het klassieke verwijt van de overheid dat burgers die zich verzetten aan een NIMBY-syndroom lijden en het algemeen belang in de weg staan. Het staat er nog net niet, maar tussen de regels is het duidelijk: het is de schuld van die mensen dat er vandaag een Te Kleine en Slechts Halve Ring is.

‘Via een referendum, betogingen en, jawel, de gang naar de Raad van State, verkregen we in 2017 met Ademloos en Ringland dat het ‘ventiel’ voor de Te Kleine en Slechts Halve Ring zou worden vertunneld en minder rijstroken zou tellen.’

De herhaling van de Te Kleine en Slechts Halve Ring valt op. Schijnbaar hebben Claeys en co ook mijn passage over de metafoor gemist. Kennelijk is een Ring pas een Ring als hij rond is als een ring. (Ga dat even vertellen in Maastricht, waar de eens ronde ring niet langer rond is)

Ook merkwaardig is de nieuwe ventielmetafoor die er volledig aan voorbij gaat dat, om bij dezelfde beeldspraak te blijven, de ‘druk’ steeds hoger wordt. Het denken van StRaten-Generaal blijft merkwaardig binnen de lijntjes kleuren. Van ‘outside the box’ denken is geen sprake meer. De redenering is dat er nu eenmaal hinder is (die door de schuld van de randbewoners niet ver genoeg van de stad kan worden gepositioneerd) en dat die dan maar zo goed en zo kwaad als het kan moet worden beperkt. Dat levert hoogstens ‘leefbaarheid’ op (zie hoger), maar geen leefkwaliteit. Of dat lijkt toch niet de ambitie.

‘Het Toekomstverbond tekent met oog op een modal shift ook voor een significante snelheidsverlaging op de Antwerpse ring, voor sturende tolheffing aan de Scheldetunnels en voor investeringen in het openbaar vervoer. Bizar dat Peeters die maatregelen nog oplijst als strijdpunten. Ze zijn verworven, dankzij de Antwerpse burgerbewegingen.’

Ook hier missen de woordvoerders van de StRaten-Generaal het punt: de aangehaalde niet-infrastructurele maatregelen zouden vandaag al kunnen worden geïmplementeerd. Maar dat gebeurt niet. Omdat ze de infrastructurele ingrepen misschien overbodig zouden maken? Wat houdt Lantis tegen om nu al een snelheidsbeperking toe te passen en met een sturende tol (gratis Liefkenshoektunnel?) aan de slag te gaan? Het is dus een kwestie van volgorde (en van gezond verstand, zou je denken). De bewering over ‘investeringen in het openbaar vervoer’ (er staat wellicht bewust niet: ‘meer’ investeringen) is helemaal van de pot gerukt. Er wordt momenteel bespaard op openbaar vervoer, ook rond Antwerpen. Of wordt ook hiervoor eerst gewacht op de afwerking van de werf?

De auteurs bekennen zich ook als fans van de ‘donuteconomie’. Maar: ‘De Oosterweelverbinding heeft niet als doel groei te promoten, maar overlast weg te leiden van de lokale bevolking in een stad naast een grote haven.’

Met andere woorden: we faciliteren met het miljarden kostende project wel het gemotoriseerde verkeer dat het gevolg is van de groei-economie (en we betonneren het voor decennia). Liefst had men die last wat verder van de stad gesitueerd, maar ja, die randbewoners ook die geen snelweg door hun tuin willen! Dus maken we er maar een tunnel van om de overlast weg te leiden. Het idee dat men ook de bron van de overlast zou kunnen aanpakken, is zelfs geen gedachte waard.

Dan de uitsmijter: ‘Daarom deze oproep aan Greenpeace en Grondrecht (…): blijf gaan voor een gezond milieu in élke zin van het woord, maar schuif het wantrouwen opzij en ga aan tafel zitten met alle andere betrokkenen. Help de werken aan Oosterweel, het haventracé, de ringparken én de modal shift weer op gang, in het belang van allen.’

Eigenlijk staat hier: we willen praten, maar alleen op voorwaarde dat het project zelf niet in vraag wordt gesteld. De oproep om het wantrouwen opzij te schuiven klinkt ook nogal wrang: was het niet Lantis (en dus ook de erin vertegenwoordigde burgerbewegingen) dat creatief aan de slag ging met de definitie van wat een werf is? (er wordt nu gedacht aan een aanpassing van de wet zodat het milieumisdrijf er niet langer één is, al kan het ook zijn dat de werf nu toch in drie zal worden geknipt: driewerf hoera?) De actiegroepen krijgen ook het verwijt dat ze de werf hebben doen stilleggen (weliswaar omdat die vermaledijde milieuwetgeving werd overtreden) en dat dit slechter zou zijn voor het milieu en de gezondheid, alsof tijdelijke bewarende maatregelen en een sanering geen mogelijkheden zouden zijn. Perfide is de zinssnede: ‘in het belang van allen’ – dat lijkt te impliceren dat wat Greenpeace, Grondrecht en Thomas Goorden deden nu vanuit een ander (eigen?)belang handelen.

Het meest wrang is de verwijzing naar de modal shift: momenteel gaat die rond Antwerpen richting auto, weg van het openbaar vervoer.

Eerlijk, na lectuur van dit antwoord zie ik de situatie alleen maar somberder in. StRaten-Generaal heeft het project minder veranderd dan andersom. Erger nog: het heeft de logica en werkwijze van zijn vroegere tegenstander schijnbaar volledig overgenomen.

2022: ‘Mag het iets meer zijn?’

Een nieuw jaar, een lege emmer om opnieuw te vullen?

Was het maar waar. Mentaal kunnen we ons emmertje leeggieten (niet vanzelfsprekend, maar een wandeling en een goed boek kunnen wonderen doen), maar met het emmertje van de wereld is dat een stuk moeilijker. En helaas is dat al aardig vol. Van de negen planetaire grenzen die de aardwetenschapper Johan Röckstrom in 2009 in Nature benoemde, zijn er drie overschreden (de opwarming van de aarde, het verlies aan biodiversiteit, de stikstofkringloop) en drie bijna overschreden (de oceaanverzuring, de waterschaarste, het landgebruik). Van twee hebben we voorlopig te weinig gegevens om er een uitspraak over te doen (chemische verontreiniging, aërosolen in de atmosfeer), maar de jongste onthullingen over pakweg PFOS zijn niet direct bemoedigend.

Hoopgevend tegen de achtergrond van al dit slechte nieuws is dat de enige grens waarbij we ons binnen een veilige marge bevinden, degene is waar we ons sinds de jaren negentig van vorige eeuw collectief voor inzetten: die van de ozonlaag. Als we er samen onze schouders onder zetten, kan er véél.

De eerste stap om een probleem op te lossen, is dat het herkend en erkend wordt als een probleem. Wat dat betreft is vorig jaar een cruciaal jaar geweest. De zomer van 2021 maakte alvast de klimaatverandering ook bij ons tastbaarder dan ooit. Meer nog: ze maakte ook pijnlijk duidelijk hoe ze onlosmakelijk is verbonden met alle andere planetaire grenzen, inbegrepen de tiende, noodzakelijk voor het vredevol voortbestaan van onze soort: die van de sociale rechtvaardigheid.

Nu de overgrote meerderheid de problemen (h)erkent, kunnen we vol gaan voor de oplossing ervan. Zoals zo vaak begint die niet met de juiste antwoorden, maar met de juiste vragen.

Bijvoorbeeld:

Hebben we meer e-commerce nodig?

Meer nacht- en weekendwerk?

Meer goedkope werkkrachten?

Meer computerchips?

Meer wegen en beton?

Meer zeldzame aarden?

Meer auto’s?

Meer goedkope vluchten?

Meer macht voor investeerders en overheden om snel projecten te realiseren?

Meer export en meer import?

Meer pijpleidingen?

Meer grijs?

Meer consumenten?

Meer fiscale gunstregimes voor farmaciebedrijven, voor stervoetballers, voor autofabrieken…?

Moeten we meer stationsloketten sluiten in naam van meer efficiëntie?

En ook:

Hebben we meer handen nodig in de zorg?

Meer betaalbare woningen?

Meer bevrijde tijd?

Meer democratie?

Meer speelruimte voor kinderen?

Meer natuur en meer groen?

Meer rust en stilte?

Meer sociale contacten?

Meer openbaar vervoer?

Meer omgevingen waar kinderen zich veilig kunnen verplaatsen?

Meer circulaire economie?

Meer lokale productie en lokale handel?

Meer burgers?

Meer warme weken?

Meer diensten en winkels met mensen die ons echt kunnen helpen?

Meer ontharding, meer verzachting, meer verdichting en meer verluchting?

Om maar te zeggen: de vraag hoeft er geen te zijn van ‘meer of minder’, laat staan van meer moeten of mogen.

De vraag kan ook zijn ‘welk meer’ we eigenlijk willen.

Mijn wens aan u, aan ons, voor 2022: laat ons meer ‘omdenken’.

We gaan er meer aan hebben dan gewoon hetzelfde te blijven denken.

De vlucht voor de realiteit

Geplaatst op

Vandaag verscheen in De Standaard een opinietekst van mijn hand onder de titel ‘Ziedaar de tragedie van ons beleid’. Ik neem hem hier integraal over.

Onze goede vriend ‘wetenschapsfilosoof’ Maarten Boudry schreef op Twitter alvast volgende warme aanbeveling: “OMG, het wereldrecord wij-bakken is weer verbroken! (door @De_andere_Kris in @destandaard). Voeg in gedachten na elke zin toe: “Behalve ik! Behalve ik!” Die irritante stijlfiguur van de huichelachtige zelfkastijding WIL echt maar niet doodgaan.”

Wie niet op vakantie kan, krijgt dezer dagen het alternatief van ramptoerisme aangeboden. We worden overstelpt met berichten over het ‘extreme weer’ of het ‘noodweer’, zelden over ‘de klimaatverandering’. De N-VA heeft het consequent over ‘de watersnood’. Sommige feiten hebben een ideologische bijklank gekregen, louter omdat bepaalde ideologieën ze ontkennen. Ze wél vermelden wordt een politiek statement.

Taal is per definitie framing. Geert Buelens wees al op het hardnekkige gebruik van het woord ‘natuurramp’ (DS 19 juli), dat een perfide omkering van de rollen inhoudt. Plots zijn wij geen daders meer, maar slachtoffers.

We zijn keien in het ontkennen van de werkelijkheid, zelfs al staat die ons aan de lippen. De realiteit wél benoemen wordt afgedaan als respectloos voor de getroffenen, want dat komt neer op ‘politieke recuperatie’. Zo wordt elk debat over het te voeren klimaatbeleid in de kiem gesmoord. Zo blijft buiten beeld dat onze beleidsverantwoordelijken al jaren niet doen wat nodig is, ook al weten ze drommels goed dat het anders moet.We missen het momentum voor moeilijke beslissingen. We ruimen puin en gaan over tot de ‘heropbouw’, met veel kans dat we ook de fouten reconstrueren

Jaren geleden bekende toenmalig milieuminister Bruno Tobback: ‘Ik ken de oplossingen voor het probleem, alleen weet ik niet hoe ik daarna herverkozen raak.’ Hij deed niet wat hij moest doen en werd er electoraal (toch) niet beter van. Ziedaar de tragedie van de Vlaamse sociaal­democraten.

In de aanloop naar de verkiezingen van 2019 viel iedereen over de groenen heen. Zij pleitten als enigen voor de uitdoving van salariswagens en de invoering van rekeningrijden, en werden de kop van Jut. Maar enkele weken geleden noemde Vlaams minister van Financiën Matthias Diependaele (N-VA) zo’n kilometerheffing en een taks op elektrische wagens ‘onvermijdelijk’ – weliswaar toen hij dacht dat er geen pers in de zaal was. De waarheid moest achter gesloten deuren blijven.

De hypocrisie ging vrij ongemerkt voorbij. Zelfs de groenen kwamen in het Vlaams Parlement niet verder dan een applaus voor de minister. Ziedaar de tragedie van de Vlaamse groenen: ze willen aardiger gevonden worden door hun politieke opponenten dan door de kiezers.

Zwaar op de maag

Soms kunnen politici wel beginselvast zijn, bijvoorbeeld wanneer wanhopige hongerstakers de dood in de ogen kijken. Niet in de vorm van empathie voor mensen die na jarenlange slavernij in de zwarte economie geregulariseerd willen worden, wel in een stoere afwijzing van de ‘chantage’. Niemand vraagt zich af of er niets fundamenteel mis is met politici die principes wel met andermans leven, maar niet met hun eigen politieke leven willen betalen.

CD&V-voorzitter Joachim Coens liet weten dat de hongerstaking hem ‘zwaar op de maag had gelegen’. Niet elke partij denkt even diep na over haar woordkeuze. Rik Torfs tweette dat het gebeuren niets te maken had met de barmhartige samaritaan, maar vermeldde niet welke passage van het evangelie dan wél van toepassing is. Ziedaar de tragedie van de Vlaamse christendemocraten: ze zijn hun evangelie kwijt.

Staatssecretaris Sammy Mahdi klopte zich op de borst voor zijn standvastigheid. Daarmee gaf hij voeding aan de ­(extreem)rechtse riedel dat een collectieve regularisatie een ‘aanzuigeffect’ zou hebben op nieuwe vluchtelingen – een bewering die niet bewaarheid werd in de slipstream van vorige regularisaties (DS 1 juli). Maar dat zijn ­natuurlijk alleen maar feiten.

Tegelijk suggereerde hij dat ­‘extreemlinkse’ organisaties de hongerstakers voor hun karretje hadden gespannen. Daarmee bevestigde hij een andere (extreem)rechtse mantra, namelijk dat vluchtelingen een vijfde colonne zijn: altijd een instrument in handen van vijandige krachten (islamisten, mensensmokkelaars, communisten), nooit in staat om voor zichzelf te denken. Daarmee wordt in één beweging het (extreem)rechtse idee bevestigd dat er altijd sprake is van een complot én worden vluchtelingen ontmenselijkt. Ook hier werkt de omkering: slachtoffers worden ­daders. Zonder dat daar enig bewijs voor wordt gevraagd.

Crisissysteem

Terug naar de principes. Wat als er wordt gesproken over het opschorten van patenten voor vaccins? Of wanneer een minimumbelasting voor multinationals ter sprake komt? Of een vermogensbelasting? Dan hoeven multinationals en superrijken niet eens zelf te dreigen met een stopzetting van hun activiteiten of een verhuizing. Dan doen politici en media dat wel in hun plaats. Dan heet het niet ‘chantage’, maar ‘realisme’.

Er wordt amper verborgen dat we met twee maten en twee gewichten meten. De cognitieve dissonantie legt de lat niet hoog. We horen graag wat ons goed uitkomt. We denken dat het ons comfort oplevert. Wat het ons écht oplevert zien we nu in Pepinster, Verviers, Esneux en Chaudfontaine. Hoe zou het nog zijn met de ‘betaalbaarheid’ van het klimaatbeleid waarmee minister Zuhal Demir (N-VA) graag schermt? Heeft ze al nieuwe berekeningen gevraagd?

We leggen geen verbanden, we verbieden zelfs dat iemand ze legt. We mogen niet wakker (‘woke’) zijn, liever wiegen we onszelf in slaap. We hopen dat het wel overwaait – of voorbijstroomt. We missen de kans om te leren uit onze fouten. We missen het momentum voor moeilijke beslissingen. Stug doen we verder waarmee we bezig waren. We ruimen puin en gaan over tot de ‘heropbouw’, met veel kans dat we ook de fouten reconstrueren. Kennelijk verkiezen we een shift van gebouwen boven een bouwshift.

Intussen blijven de systeemfouten buiten beeld. Dat de burgerbescherming werd uitgekleed, bijvoorbeeld. Dat was niet zomaar een ongelukkige politieke keuze, wel de logische consequentie van jaren neoliberaal beleid. Dat ontmantelt systematisch de overheid en schreeuwt daarna moord en brand over het niet-functioneren van de overheid. Waarmee het instemming verwerft voor de volgende besparingsronde. Al moet in dit geval worden opgemerkt dat verantwoordelijk minister Jan Jambon zo pragmatisch was om zijn eigen gemeente te ontzien – in Brasschaat staat de burgerbescherming nog altijd paraat. Ziedaar het probleem van het Vlaams-nationalisme: het rijmt alleen met zichzelf en vloekt met al de rest.

We krijgen de ene crisis na de andere, maar we zien het verband niet. Wat zeg ik? We krijgen de ene crisis boven op de andere. Veelzeggend was dat premier De Croo (Open VLD) vorige week het Overlegcomité over het coronabeleid moest opschorten omdat de overstromingen alle aandacht opeisten. Slechts één crisis tegelijk, alstublieft! We kunnen ook maar solidair zijn met één categorie slachtoffers tegelijk. Toen de PS en Ecolo hun politieke lot verbonden aan dat van de hongerstakers, vonden politiek commentatoren dat ongepast tegenover de slachtoffers van de overstromingen. En hier was toch geen electoraal garen bij te spinnen? We kunnen ons zelfs niet meer voorstellen dat politieke partijen écht aan hun principes gehecht zouden zijn. Het doet me denken aan een burgemeester die me ooit verweet dat ik ‘zelfs principieel was als het in mijn eigen nadeel was’. Dat ‘principieel zijn’ begint waar je er zelf geen voordeel meer bij hebt, begreep hij niet.

Deze week confronteerde ons met een gezondheids-, een vluchtelingen- en een klimaatcrisis. Wat de vraag oproept: een systeem dat crisis na crisis genereert, is dat een systeem in crisis of een crisissysteem? We kennen het antwoord, maar durven het niet te zeggen. We zitten namelijk ook met een crisis van de democratie.

Het IJzeren Gordijn (bis)

Geplaatst op

Mijn eerste colleges verkeerskunde kreeg ik van Willy Miermans, nu professor emeritus, toen nog gewoon eminent. Aan de hand van dia’s liet de socioloog ons kijken naar de N78, de gewestweg die in het oosten van Limburg van noord naar zuid snijdt. De grootouders van mijn eega hielden het destijds al decennia vol aan die weg en hij was me dan ook tamelijk vertrouwd. Toch zou ik na die lessen de N78 nooit nog met dezelfde ogen bekijken.
Intussen zijn we 25 jaar verder en zou je denken dat de inzichten van vele verkeerskundigen hun weg naar de Gewestweg hebben gevonden.

Helaas. Sindsdien is de weg alleen maar verder van het paadje afgeraakt. Ik beweer wel eens dat het laaghangend fruit inzake verkeersveiligheid stilaan is geplukt, maar dat is zonder de Rijksweg gerekend.
70km/u in bebouwde kom? Ja hoor! Een snelheidslimiet van 70km/u, hier en daar zelfs 90km/u, in combinatie met langsparkeren? Check! Te smalle fietspaden! Hebbes! Te smalle parkeerstroken? Vink maar aan! Te smalle parkeerstroken langs te smalle fietspaden, zonder schrikstrook? Okido! Niet-conflictvrij geregelde verkeerslichten? Aanwezig! Een aanliggend fietspad waarlangs 70 km/u mag worden gereden? Present!

Doorheen de jaren is de weg een snoer van functies geworden: supermarkten, bouwmarkten,
tuincentra, restaurants, dancings, autodealers, tankstations, banken en verzekeringskantoren,
bruidswinkels, scholen, zonnebanken, fitnesscentra, villa’s, appartementen, ze zijn er allemaal. Het is perfect mogelijk een heel leven te leiden zonder ooit de Rijksweg te verlaten.

Dat wordt dan misschien wel een kort leven. De N78 geniet een macabere reputatie. In de lengte zijn er om de zoveel meter voor elke functie apart in- en uitritten met druk in- en uitrijdend autoverkeer. Carmageddon, maar dan in het echt. En in de breedte? Tja, in de breedte worden mensen verondersteld aan de kant te blijven waar ze zijn geboren.

Maasmechelen, waar Donald Trump van zou likkebaarden

Alvast in een deel van Maasmechelen dwingen ze dat ook echt af. Daar hebben ze het gebrek aan doorstroming door te veel dodelijke ongevallen aangepakt met de inplanting van een zeshonderd meter lang ondoordringbaar hekwerk. Oversteken is er fysiek onmogelijk.
‘Een verkeersveilige schoolomgeving’ noemden ze het project in 2014. Een kwarteeuw eerder heette dat nog gewoon ‘IJzeren Gordijn’.

Ik weet niet of dat nu vooruitgang is.

Het Voortuinperspectief

Commotie in Lier, de voorbije week. Blijkt dat ze daar de wet gaan doen naleven! Zoiets is in Vlaanderen nieuws. Want we hebben de mond dan wel vol van nultolerantie, maar alleen als het gaat over de misdrijven die we zelf niet begaan.

Trouwens, het verharden van een voortuin, want daar gaat het over, wat is daar nu mis mee? Kunnen ze niet beter terroristen gaan pakken?

Bwah. Er zijn wel wat argumenten om geen verharde voortuinen meer te willen.

Een moeilijke: is een voortuin met een laadpaal voor elektrische auto’s eigenlijk geen groene voortuin?

Meer verharding betekent minder groen en dus minder biodiversiteit en minder verkoeling in de stad.

Meer verharding betekent ook meer verdroging in droge tijden en meer kans op overstromingen bij de piekbuien die ons steeds vaker overkomen.

Meer verharding betekent ook meer materiaalgebruik in een wereld waar grondstoffen stilaan uitgeput geraken.

Meer verharding betekent ook meer kapotgereden trottoirs en meer onveiligheid voor (vooral de kleintjes onder de) voetgangers.

Maar ik begrijp dat dit voor de rechtgeaarde Vlaming nauwelijks argumenten zijn.

Dat heeft ook het Lierse stadsbestuur begrepen, want het speelde vooral één argument uit dat zelfs automobilisten begrijpen. Elke verharde parkeerplaats in een voortuin betekent een parkeerplaats minder op de openbare weg.

Wie nu nog volhardt in de boosheid, is écht een harde.

Het bos en de mus

In ons hoofd doen wij maar al te graag de dingen kloppen. Ook als ze dat in werkelijkheid niet doen. We praten dan, voor onszelf en voor anderen, recht wat krom is. ‘Cognitieve dissonantie’ noemde sociaal-psycholoog Leon Festinger dat menselijke mechaniekje.

Het doet zich niet alleen voor op individueel niveau. Ook op groepsniveau kunnen we er wat van. Als ons dat zo uitkomt, laten we ons met graagte belazeren.

Politici spelen daar gretig op in.

De voorbije week kreeg ik er nog een fraai voorbeeld van onder ogen. In een glossy blaadje, betaald met subsidies voor een partij die dezer dagen alle registers open trekt tegen de “subsidiecultuur”, zet een lokale schepen zichzelf in het zonnetje. Hij is fier op de gemeentelijke aankoop van een lap grond voor toekomstige boscompensatie. Maar omdat wij met een toekomstig bos vandaag weinig zijn, werd de titel van de promo aangepast: “Aankoop Proostenbos”, alsof het bos er al is, al doet het vervolg dan weer twijfel rijzen: “11 hectare extra bos voor Herentals”.

Extra bos? Het ging toch om boscompensatie? Dat staat in het artikel: “Dankzij het Proostenbos zorgen we ervoor dat bomen die in Herentals verdwijnen, ook opnieuw in onze stad zelf worden aangeplant.” Het Proostenbos is dus nog geen bos. Of juister: is het niet meer. Het moet ooit zijn verdwenen toen er van boscompensatie nog geen sprake was.

In ieder geval wordt het ook geen “extra bos”. Het zijn nieuwe bomen die in de plaats komen van oude bomen, die biologisch gesproken meestal waardevoller zijn. Maar dat staat er niet bij natuurlijk. Veel mensen denken nog altijd dat het met een boom is zoals met een auto: dat een nieuwe beter is dan een oude.

Niettemin: zullen we toch maar blij zijn met dit initiatief? We krijgen al zoveel slecht nieuws te verwerken, dan mogen we onze handjes kussen dat er geld wordt geïnvesteerd in ruimte voor groen. Beter iets dan niets, toch?

Proostenbos of Troost zonder bos?

Probleempje. Op de vlakte die het Proostenbos in werkelijkheid is, zit vandaag nog een modelvliegtuigclub. Die moet dus opkrassen. “Maar geen nood,” zegt de schepen, “we laten de club natuurlijk niet in de steek en zoeken naar een oplossing.” En ook: “We hebben nog wel enkele jaren tijd.” Waaruit de goede verstaander kan besluiten: het bos is geen bos, het is ook geen extra bos, het is bos dat verdwenen is en dat er ten vroegste over enkele jaren opnieuw zal zijn, zij het in een minder kwalitatieve vorm.

Toch zijn we blij. Omdat we blij willen zijn. Er zijn er niet zoveel die aan close reading doen, laat staan aan close reading van partijpropaganda.

Het is bovendien niet uitgesloten dat we over enkele jaren opnieuw blij zullen zijn wanneer een schepen uitpakt met een oplossing voor de modelvliegtuigclub. Mogelijk gaat de persmededeling dan zo: “De modelvliegtuigclub krijgt een gloednieuw onderkomen op het Huppeldepupveld. Vandaag staan daar nog bomen, maar geen nood: ze worden gecompenseerd in onze eigen gemeente!”

Zo krijgt de circulaire samenleving beetje bij beetje vorm. En wij blij, ook al is het met een dode mus.

PS. Voor wie zich mocht afvragen wat dit alles met ‘mobiliteit’ te maken heeft: we kunnen er uit leren dat bomen én bossen mobieler zijn dan we doorgaans denken.

Het Belgische Houten

Geplaatst op

Ooit schreef ik in deze uithoek van het internet over Houten (onder meer hier en hier), de Nederlandse gemeente vlakbij Utrecht die helemaal rond de fiets werd geconcipieerd. Wist ik veel dat er op nauwelijks enkele tientallen kilometer van waar ik woon ook een Houten ligt, zij het dan één in zakformaat – al doe ik die laatste daarmee onrecht, want de wijk lag er al jaren voor fietsstad Houten werkelijkheid werd. Houten in pocketformaat is ook Houten avant la lettre.

Vorige zondag volgde ik de ingeving om op zoek te gaan naar enkele pareltjes van de zogenaamde ‘Turnhoutse school’. Op mijn lijstje noteerde ik onder meer de Parkwijk, in de veronderstelling dat ik ze eigenlijk al wel kende. Was ik er in het verleden niet heel vaak langs gereden als ik de route via Tielen prefereerde boven die via Kasterlee?

Jawel. Alleen had ik steevast naar de linkerkant van de weg gekeken, in plaats van naar de rechterkant. De Parkwijk is niet de villawijk die ik in gedachten had, wel een “paradepaardje van volkshuisvesting”, zoals ik achteraf las in het boek ‘Architectuur in de gouden sixties / De Turnhoutse school’.

Net als Houten wordt de Parkwijk omhelsd door een ringweg die voor auto’s de enige manier is om de wijk te bereiken. Auto’s kunnen naar de wijk rijden, maar niet erdoor.

Het maakt dat de wijk wonderbaarlijk autoluw is, al is de auto nadrukkelijk aanwezig: de architecten kozen ervoor om de meeste woningen te voorzien van individuele garages die, in combinatie met een bakstenen tuinmuur, zorgen voor een patio bij elk huis. Op die manier kreeg het vele publieke groen aan de ene kant een privaat complement aan de andere kant.

Hier en daar heeft het strakke modernisme het moeten afleggen tegen iets minder minimalistische stijlen

Zo werd tegemoet gekomen aan de behoeften aan privacy zonder dat daarvoor de hele woonwijk moest herschapen worden in een letterbak.

De nadruk op die garages, in de jaren zestig in een sociale woonwijk een innovatie, en op de patio’s bracht de architecten er toe om de brievenbus en dus ook het adres aan deze kant te situeren. Een kapitale fout, zo blijkt, want op die manier werd wat intuïtief wordt aangevoeld als de achterkant plots de voorkant.

De verwarring duurt tot vandaag voort, stelde ik vast. Ze heeft niet alleen gevolgen voor de occasionele bezoeker. De twijfel verdunt de va-et-vient in die mate, dat de voorkanten, met grote glaspartijen uitkijkend op een wandelpad en brede stroken publiek groen, niet echt als voorkanten kunnen functioneren.

De straten met garages zijn dan weer ‘straten zonder ogen’, waardoor er hier te weinig is wat er aan de andere kant te veel is: sociale controle.

Net zoals in Houten kunnen kinderen in de Parkwijk naar school lopen zonder ook maar één straat met auto’s te moeten oversteken. De kindnorm in de praktijk dus.

Al vroeg ik me wel af of sommige kinderen niet af en toe verloren lopen: in haar drang naar ‘homogeniteit’ ontbreekt het de wijk aan architecturale oriëntatiepunten die amper worden opgevangen door de groenaanleg.

Onverwacht kreeg ik deze zondagmiddag ook een antwoord op de vraag wat nu de écht essentiële winkels zijn. Ze staan aan de rand van de Parkwijk keurig op een rijtje: een apotheek, een broodjeszaak, een krantenwinkel, een bank, een opticien, een supermarkt en – Houtenaars, let nu even goed op – een frituur.

“Alle essentiële winkels op een rijtje,” stelde ik vergenoegd vast. ‘En dus geen boekenwinkel,” kon mijn zoon niet nalaten droog op te merken. Bijna alle essentiële winkels dus.

Opdat de wijk helemaal als een dorp zou kunnen functioneren werd ook aan een postkantoor, een school en een kerk annex ontmoetingsruimte en feestzaal gedacht. De oorspronkelijk voorziene crêche kwam er uiteindelijk niet, maar zelfs met die tekortkoming laat de Parkwijk de meeste recente verkavelingen een stevig poepje ruiken.

The proof of the pudding is in the eating en in coronatijden wordt er helaas weinig gegeten. Een enkele jogger en fietser niet te na gesproken, was het stil in de wijk, ook al scheen de zon. Hier en daar stond een voor- of was het een achterdeur open naar de patio. Soms bleek die verhard of uitgegroeid tot een kleine opslagplaats van rommel en afval, maar hier en daar leek er zich ook een miniparadijsje te verschuilen.

Leegstand met patio

Veel woningen staan intussen leeg: het voorspel van een geplande grootscheepse renovatie die jaren (“misschien wel tien jaar”, lees ik op de website van de huisvestingsmaatschappij) lijkt te gaan aanslepen. Onbegrijpelijk in een land waar de wachtlijsten groeien als kool. En onaanvaardbaar: een leegstaande sociale woning is de facto een asociale woning.

  • Literatuur: DE BONT YVES & STRAUVEN FRANCIS (red.), ‘Architectuur in de gouden sixties / De Turnhoutse school’, 2014 (2012), een uitgave van Ar-Tur