RSS feed

Categorie archief: ruimtelijke ordening

Het Voortuinperspectief

Commotie in Lier, de voorbije week. Blijkt dat ze daar de wet gaan doen naleven! Zoiets is in Vlaanderen nieuws. Want we hebben de mond dan wel vol van nultolerantie, maar alleen als het gaat over de misdrijven die we zelf niet begaan.

Trouwens, het verharden van een voortuin, want daar gaat het over, wat is daar nu mis mee? Kunnen ze niet beter terroristen gaan pakken?

Bwah. Er zijn wel wat argumenten om geen verharde voortuinen meer te willen.

Een moeilijke: is een voortuin met een laadpaal voor elektrische auto’s eigenlijk geen groene voortuin?

Meer verharding betekent minder groen en dus minder biodiversiteit en minder verkoeling in de stad.

Meer verharding betekent ook meer verdroging in droge tijden en meer kans op overstromingen bij de piekbuien die ons steeds vaker overkomen.

Meer verharding betekent ook meer materiaalgebruik in een wereld waar grondstoffen stilaan uitgeput geraken.

Meer verharding betekent ook meer kapotgereden trottoirs en meer onveiligheid voor (vooral de kleintjes onder de) voetgangers.

Maar ik begrijp dat dit voor de rechtgeaarde Vlaming nauwelijks argumenten zijn.

Dat heeft ook het Lierse stadsbestuur begrepen, want het speelde vooral één argument uit dat zelfs automobilisten begrijpen. Elke verharde parkeerplaats in een voortuin betekent een parkeerplaats minder op de openbare weg.

Wie nu nog volhardt in de boosheid, is écht een harde.

Het bos en de mus

In ons hoofd doen wij maar al te graag de dingen kloppen. Ook als ze dat in werkelijkheid niet doen. We praten dan, voor onszelf en voor anderen, recht wat krom is. ‘Cognitieve dissonantie’ noemde sociaal-psycholoog Leon Festinger dat menselijke mechaniekje.

Het doet zich niet alleen voor op individueel niveau. Ook op groepsniveau kunnen we er wat van. Als ons dat zo uitkomt, laten we ons met graagte belazeren.

Politici spelen daar gretig op in.

De voorbije week kreeg ik er nog een fraai voorbeeld van onder ogen. In een glossy blaadje, betaald met subsidies voor een partij die dezer dagen alle registers open trekt tegen de “subsidiecultuur”, zet een lokale schepen zichzelf in het zonnetje. Hij is fier op de gemeentelijke aankoop van een lap grond voor toekomstige boscompensatie. Maar omdat wij met een toekomstig bos vandaag weinig zijn, werd de titel van de promo aangepast: “Aankoop Proostenbos”, alsof het bos er al is, al doet het vervolg dan weer twijfel rijzen: “11 hectare extra bos voor Herentals”.

Extra bos? Het ging toch om boscompensatie? Dat staat in het artikel: “Dankzij het Proostenbos zorgen we ervoor dat bomen die in Herentals verdwijnen, ook opnieuw in onze stad zelf worden aangeplant.” Het Proostenbos is dus nog geen bos. Of juister: is het niet meer. Het moet ooit zijn verdwenen toen er van boscompensatie nog geen sprake was.

In ieder geval wordt het ook geen “extra bos”. Het zijn nieuwe bomen die in de plaats komen van oude bomen, die biologisch gesproken meestal waardevoller zijn. Maar dat staat er niet bij natuurlijk. Veel mensen denken nog altijd dat het met een boom is zoals met een auto: dat een nieuwe beter is dan een oude.

Niettemin: zullen we toch maar blij zijn met dit initiatief? We krijgen al zoveel slecht nieuws te verwerken, dan mogen we onze handjes kussen dat er geld wordt geïnvesteerd in ruimte voor groen. Beter iets dan niets, toch?

Proostenbos of Troost zonder bos?

Probleempje. Op de vlakte die het Proostenbos in werkelijkheid is, zit vandaag nog een modelvliegtuigclub. Die moet dus opkrassen. “Maar geen nood,” zegt de schepen, “we laten de club natuurlijk niet in de steek en zoeken naar een oplossing.” En ook: “We hebben nog wel enkele jaren tijd.” Waaruit de goede verstaander kan besluiten: het bos is geen bos, het is ook geen extra bos, het is bos dat verdwenen is en dat er ten vroegste over enkele jaren opnieuw zal zijn, zij het in een minder kwalitatieve vorm.

Toch zijn we blij. Omdat we blij willen zijn. Er zijn er niet zoveel die aan close reading doen, laat staan aan close reading van partijpropaganda.

Het is bovendien niet uitgesloten dat we over enkele jaren opnieuw blij zullen zijn wanneer een schepen uitpakt met een oplossing voor de modelvliegtuigclub. Mogelijk gaat de persmededeling dan zo: “De modelvliegtuigclub krijgt een gloednieuw onderkomen op het Huppeldepupveld. Vandaag staan daar nog bomen, maar geen nood: ze worden gecompenseerd in onze eigen gemeente!”

Zo krijgt de circulaire samenleving beetje bij beetje vorm. En wij blij, ook al is het met een dode mus.

PS. Voor wie zich mocht afvragen wat dit alles met ‘mobiliteit’ te maken heeft: we kunnen er uit leren dat bomen én bossen mobieler zijn dan we doorgaans denken.

Het Belgische Houten

Geplaatst op

Ooit schreef ik in deze uithoek van het internet over Houten (onder meer hier en hier), de Nederlandse gemeente vlakbij Utrecht die helemaal rond de fiets werd geconcipieerd. Wist ik veel dat er op nauwelijks enkele tientallen kilometer van waar ik woon ook een Houten ligt, zij het dan één in zakformaat – al doe ik die laatste daarmee onrecht, want de wijk lag er al jaren voor fietsstad Houten werkelijkheid werd. Houten in pocketformaat is ook Houten avant la lettre.

Vorige zondag volgde ik de ingeving om op zoek te gaan naar enkele pareltjes van de zogenaamde ‘Turnhoutse school’. Op mijn lijstje noteerde ik onder meer de Parkwijk, in de veronderstelling dat ik ze eigenlijk al wel kende. Was ik er in het verleden niet heel vaak langs gereden als ik de route via Tielen prefereerde boven die via Kasterlee?

Jawel. Alleen had ik steevast naar de linkerkant van de weg gekeken, in plaats van naar de rechterkant. De Parkwijk is niet de villawijk die ik in gedachten had, wel een “paradepaardje van volkshuisvesting”, zoals ik achteraf las in het boek ‘Architectuur in de gouden sixties / De Turnhoutse school’.

Net als Houten wordt de Parkwijk omhelsd door een ringweg die voor auto’s de enige manier is om de wijk te bereiken. Auto’s kunnen naar de wijk rijden, maar niet erdoor.

Het maakt dat de wijk wonderbaarlijk autoluw is, al is de auto nadrukkelijk aanwezig: de architecten kozen ervoor om de meeste woningen te voorzien van individuele garages die, in combinatie met een bakstenen tuinmuur, zorgen voor een patio bij elk huis. Op die manier kreeg het vele publieke groen aan de ene kant een privaat complement aan de andere kant.

Hier en daar heeft het strakke modernisme het moeten afleggen tegen iets minder minimalistische stijlen

Zo werd tegemoet gekomen aan de behoeften aan privacy zonder dat daarvoor de hele woonwijk moest herschapen worden in een letterbak.

De nadruk op die garages, in de jaren zestig in een sociale woonwijk een innovatie, en op de patio’s bracht de architecten er toe om de brievenbus en dus ook het adres aan deze kant te situeren. Een kapitale fout, zo blijkt, want op die manier werd wat intuïtief wordt aangevoeld als de achterkant plots de voorkant.

De verwarring duurt tot vandaag voort, stelde ik vast. Ze heeft niet alleen gevolgen voor de occasionele bezoeker. De twijfel verdunt de va-et-vient in die mate, dat de voorkanten, met grote glaspartijen uitkijkend op een wandelpad en brede stroken publiek groen, niet echt als voorkanten kunnen functioneren.

De straten met garages zijn dan weer ‘straten zonder ogen’, waardoor er hier te weinig is wat er aan de andere kant te veel is: sociale controle.

Net zoals in Houten kunnen kinderen in de Parkwijk naar school lopen zonder ook maar één straat met auto’s te moeten oversteken. De kindnorm in de praktijk dus.

Al vroeg ik me wel af of sommige kinderen niet af en toe verloren lopen: in haar drang naar ‘homogeniteit’ ontbreekt het de wijk aan architecturale oriëntatiepunten die amper worden opgevangen door de groenaanleg.

Onverwacht kreeg ik deze zondagmiddag ook een antwoord op de vraag wat nu de écht essentiële winkels zijn. Ze staan aan de rand van de Parkwijk keurig op een rijtje: een apotheek, een broodjeszaak, een krantenwinkel, een bank, een opticien, een supermarkt en – Houtenaars, let nu even goed op – een frituur.

“Alle essentiële winkels op een rijtje,” stelde ik vergenoegd vast. ‘En dus geen boekenwinkel,” kon mijn zoon niet nalaten droog op te merken. Bijna alle essentiële winkels dus.

Opdat de wijk helemaal als een dorp zou kunnen functioneren werd ook aan een postkantoor, een school en een kerk annex ontmoetingsruimte en feestzaal gedacht. De oorspronkelijk voorziene crêche kwam er uiteindelijk niet, maar zelfs met die tekortkoming laat de Parkwijk de meeste recente verkavelingen een stevig poepje ruiken.

The proof of the pudding is in the eating en in coronatijden wordt er helaas weinig gegeten. Een enkele jogger en fietser niet te na gesproken, was het stil in de wijk, ook al scheen de zon. Hier en daar stond een voor- of was het een achterdeur open naar de patio. Soms bleek die verhard of uitgegroeid tot een kleine opslagplaats van rommel en afval, maar hier en daar leek er zich ook een miniparadijsje te verschuilen.

Leegstand met patio

Veel woningen staan intussen leeg: het voorspel van een geplande grootscheepse renovatie die jaren (“misschien wel tien jaar”, lees ik op de website van de huisvestingsmaatschappij) lijkt te gaan aanslepen. Onbegrijpelijk in een land waar de wachtlijsten groeien als kool. En onaanvaardbaar: een leegstaande sociale woning is de facto een asociale woning.

  • Literatuur: DE BONT YVES & STRAUVEN FRANCIS (red.), ‘Architectuur in de gouden sixties / De Turnhoutse school’, 2014 (2012), een uitgave van Ar-Tur

Voortuindefensie

In het verleden schreef ik hier over de bijzondere kunst van de inritdefensie (met een heel eigen heraldiek).

Een eerder recente maar niet minder intrigerende tak van deze militaire discipline is de voortuindefensie. Het gaat er soms erg ‘hard’ aan toe!

Met een huisgemaakte ‘boobytrap’

Hoe zit dat met de toekomst?

Wenste ik jullie al een gelukkig nieuw jaar? Inwendig natuurlijk wel. Maar bij deze heeft u ook de uitwendige versie. Moge 2021 niet de heruitgave van 2020 worden en al helemaal niet die van 2019. Wat ik hiermee bedoel, hoop ik vakkundig te zullen hebben uitgelegd in mijn volgende boek. De bevalling daarvan is nog volop bezig, maar ik heb goede hoop dat de geboorte voor 2021 zal zijn.

Aangezien jullie daar natuurlijk allemaal op zitten te wachten, kan ik u misschien blij maken met een kleine wachtverzachter: een hoofdstukje in een boek dat al wél het levenslicht zag.

Al is het geen luisterboek, toch luistert het naar de naam ‘Waar gaan we naartoe? 43 inspirerende stemmen denken na over de toekomst’. Voor alle zekerheid heb ik maar niet nageteld of ze mij hebben meegeteld. Ik ben geneigd te denken van wel, want in de inleiding word ik geciteerd in dezelfde paragraaf waarin ook Mahatma Ghandi en Abraham Lincoln de revue passeren.

Hoewel. Met zo’n Amerikaan naar wie een automerk werd genoemd, is het bruggetje naar de mobiliteit natuurlijk snel gemaakt.

Alle gekheid op een stokje: het boek behandelt een breed spectrum van thema’s (mijn bijdrage wordt gevolgd door een over de vraag of imperfectie het nieuwe schoonheidsideaal wordt – ook daar moet niets achter worden gezocht) en een vrolijke veelheid van meningen over de toekomst. Gelukkig niet over ‘waar het naartoe gaat’ (al zijn er wel een paar auteurs die over een glazen bol beschikken), wel over de vraag waar we naartoe willen.

Met de meeste kan men het aangenaam eens of oneens zijn. Voor de lezers van deze blog zijn alvast relevant: Leo Van Broeck (Waar wonen we in de toekomst?), Gino Van Ossel (Waar winkelen we in de toekomst?), Tony Verhelle (Wat is de toekomst van de auto?), Toni De Coninck (Hoe zullen we reizen in 2030?) en mijn huisvlijt: Hoe verplaatsen we ons in de toekomst? Al vind ik zelf dat mobiliteit veel ruimer mag worden beschouwd en dat bijvoorbeeld ook bijdragen over vluchtelingen, vrije tijd en fast fashion daarvoor relevant zijn.

Maar vorm vooral uw eigen mening. Wie onder de kerstboom een boekenbon vond, heeft bij deze alvast een suggestie om hem in te ruilen voor een fraai uitgegeven kleinood dat stof tot nadenken garandeert.

  • CEULEMANS HADEWIJCH, VANDERPUTTE LOUISE, VERHAGEN MARC (red.), Waar gaan we naartoe? 43 inspirerende stemmen denken na over de toekomst, Uitgeverij Luster, Antwerpen, 2020, 270 blz. Leuk: voor elk verkocht exemplaar schenkt de uitgeverij een euro aan het Kinderarmoedefonds. En een tip: koop uw exemplaar bij de onafhankelijke boekhandel (de lijst vindt u hier) en u ontdekt dat er buiten het standaardaanbod (pun intended) nog heel wat meer te belezen valt.

De wijk genomen

Zullen we dit jaar maar eens beginnen met een flashback? Naar het stuk dat, hoewel pas op 26 november gepost, uiteindelijk het meest gelezen bericht van 2019 zou worden, enfin, toch op deze blog. Het vertelde over onze wijkwinkel en hoe die werd gesloten omwille van een te laag rendement.

We zijn nu een dik jaar verder en we zien tot wat dit rendementsdenken heeft geleid: de winkel staat er nog, leeg en verlaten. Een bord met ‘te koop’ of ‘te huur’ erop, laat staan een affiche met een ‘vergunningsaanvraag’, is er nog niet verschenen.

Mijn gok: daarvoor is de aftakeling nog niet ver genoeg gevorderd. Zo werkt immers speculatie in de immobiliënsector: door zorgvuldige verwaarlozing worden de geesten en het gebouw rijp gemaakt voor de sloop – en daarmee voor een winstgevend bouwproject. Waardevermeerdering door waardevermindering, in deze neoliberale wereld is het de logica zelve. Vorig Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck schreef het al: “Er zijn drie soorten van inkomen: uit fysieke arbeid, uit geestelijke arbeid en uit nietsdoen. Dit laatste klinkt absurd, maar het is de motor die in het hart zit van het door de beurs gestuurde kapitalisme.” (in het voorwoord van de nog immer actuele heruitgave van Renaat Braems ‘Het lelijkste land ter wereld’, 2018)

Terwijl het verval dus zijn constructieve werk doet, blijven wij, wijkbewoners verweesd achter. De winkel heeft de wijk genomen, maar vooral haar bewoners – als u begrijpt wat ik bedoel.

Toen de winkel dicht ging, bleven wij verweesd achter. Hoewel: ‘opgezadeld’ is een betere omschrijving. We werden opgezadeld met meer gemotoriseerd verkeer, want een wijkwinkel minder betekent in de praktijk natuurlijk langere verplaatsingen naar andere winkels. En dus ook meer autoverplaatsingen. En alles wat daarmee samenhangt: meer verkeersonveiligheid, meer lawaai, meer luchtverontreiniging, meer klimaatopwarming, meer verbruik van grondstoffen, meer slijtage van met belastinggeld onderhouden infrastructuur.

Voorlopige conclusie: de sluiting van de winkel mag dan ‘marktconform’ zijn geweest, maatschappijconform was hij in geen enkel opzicht.

Nu boeken!

Het is nog niet echt de tijd van de goede voornemens. Toch heb ik er al één. En ik ga er direct werk van maken, zie.

Mijn goede voornemen? Iets meer te schrijven over boeken. Boeken verdienen dat, toch zeker de goede. Hun schrijvers verdienen dat ook, voor de rest verdienen ze bitter weinig. Als geen ander weet ik hoeveel tijd er in een boek kruipt, ten koste van gezin, familie, vrienden, tijd die vrij had kunnen zijn – al ben ik zo’n schrijver die z’n schrijftijd ervaart als vrije tijd, zelfs al drupt het zweet soms over mijn voorhoofd.

De aanleiding om er vandaag mee te beginnen? Geduld, geduld, ik kom er zo dadelijk toe.

Eerst gaan we twintig jaar terug in de tijd. Toen verscheen mijn eerste (mobiliteits)boek, ‘Het voorruitperspectief’, bij Garant Uitgevers, kind van de vorige week overleden Huug Van Gompel. Het boek maakte wel wat los, mag ik nu wel zeggen in retroperspectief. Een spoor ervan was onlangs nog te vinden in het uitmuntende boek ‘Het recht van de snelste’ van Thalia Verkade in samenwerking met ‘fietsprofessor’ Marco Te Brömmelstroet. Leken die wegwijs willen geraken in de wereld van de mobiliteit: lees dat boek! Professionals die denken het allemaal te weten: lees ook dat boek!

Daarmee zijn we al twee boeken ver, maar nog niet bij het boek waarover ik het eigenlijk wou hebben. Daarvoor moeten we terug naar Het Voorruitperspectief. Dat ging over hoe het perspectief vanuit de auto het dominante perspectief is, zowel in onze samenleving als in de verkeerskunde, en wat daarvan de niet altijd zo positieve gevolgen zijn.

Wetende dat verkeerskunde en ruimtelijke planning een Siamese tweeling zijn, is het goed nieuws dat vandaag ook de ruimtelijke planning haar versie van ‘Het voorruitperspectief’ krijgt: ‘Het bouwperspectief’.

De auteurs van RE-ST-architecten hebben het echter wat positiever aangepakt en voor de titel ‘Zwerfruimte / Wanderspace’ (het boek is meteen tweetalig) gekozen. (In die optiek had mijn boek ‘Nabijheid’ moeten heten, maar ik had niet de luxe om mijn boek eruit te kunnen laten zien als een voorruit. ‘Zwerfruimte’ ziet er uit als een baksteen en is daardoor meteen ook een leuk hebbeding.)

Omdat ik het voorrecht had om het boek mee te zien groeien, heb ik het reeds achter de kiezen en zou ik u het van harte kunnen aanbevelen.

Maar omdat u dat vast veel beter zelf kan beoordelen, beveel ik u alleen maar aan om vanavond in te loggen op de boekpresentatie. Het is dan wel handig om nu al (sic) in te schrijven. Deelnemen is kosteloos, al waarschuw ik u nu al: de kans is groot, dat u het boek nadien bestelt. Architecten die vertellen over de merites van het niet-bouwen, klinkt het niet intrigerend genoeg?

——————————

  • Het Voorruitperspectief was na 10 jaar helaas al uitverkocht. Stukken ervan kunnen gelezen worden op het internet. Een samenvatting vindt u onder meer hier, inclusief een heerlijk foute foto van de andere andere Kris Peeters.
  • Het boek ‘Het recht van de snelste’ werd uitgegeven door De Correspondent en kan daar worden besteld. Maar het is altijd sympathieker om de lokale onafhankelijke boekhandelaar een graantje te laten meepikken. Idem voor wie ‘Zwerfruimte’ wil aanschaffen. Dat boek wordt uitgegeven door Nai010. Klik hier voor (onder meer) een leuk introductiefilmpje.

Laat het hard gaan

Jaren geleden deed ik in dit obscure hoekje van het internet het voorstel om werk te maken van een voortuinreconquista. Er gebeurde niets.

Of schijnbaar niets. Want na een lezing vertelde iemand mij: “Gij hebt een Jerommekesslag”. Het klonk als een diagnose en ik denk dat ze troostend was bedoeld. De man refereerde naar de gespierde stripfiguur uit Suske en Wiske die af en toe een vuistslag uitdeelt. Het eerste prentje gebeurt er niks. Op het volgende zijn er enkele kleine scheurtjes te zien in het lijdend voorwerp. En tegen dat we onderaan de pagina zijn beland is het in scherven uit elkaar gevallen.

In dit geval duurde mijn Jerommekesslag zeven jaar. Ik geef ook toe: omdat ik er niet helemaal gerust in was, gaf ik sindsdien nog wel enkele kleine klopjes. Onder meer met enkele artikels (hier en hier) in De Standaard, tezamen met architect Tim Vekemans, die van ontharding intussen zijn tweede roeping lijkt te maken.

Nadat minister Schauvliege voorzichtig aanzette met het opzetten van zogenaamde proeftuinen (met o.m. Remove, een project van RE-ST, Voorland en Trage Wegen waarvan ik peter mocht zijn) lijkt haar opvolgster, minister Demir, de strijd met de verdroging en de waterschaarste, en dus de strijd voor de ontharding, tot volwaardig beleid te bevorderen. Recent lanceerde ze haar Blue Deal.

Het zou een trendbreuk kunnen zijn, ware het niet dat intussen de verharding nog altijd hard gaat in dit land. Gewoonlijk volgt er na zo’n zin iets over zes voetbalvelden per week die onder Vlaams beton verdwijnen en dat is deze keer niet anders. Alleen zijn die zes voetbalvelden een onderschatting. Ze houden immers geen rekening met de illegale verharding van voortuinen en opritten die er in tussentijd bijkomt en die door de meeste lokale besturen (volgens de enen groot- en volgens de anderen lafhartig) door de vingers wordt gezien.

Er waren nog stenen over, zodat ook nog wat in de hoogte moest worden gewerkt.

Als ik mijn waarnemingen in mijn eigen omgeving mag extrapoleren naar de rest van Vlaanderen, dan mogen er nog enkele voetbalvelden bij worden geteld. Soms letterlijk: denk aan de velden die verdwijnen onder het kunstgras. Meestal in het geniep: een klein betonnetje, een kwakje asfalt, een partijtje betonstraatstenen, wat verloren gelopen kasseien – vele kleintjes maken één groot.

Als iedereen zijn steentje bijdraagt, komen we er niet.

Zo verdwijnen aan de lopende band voortuinen, worden groene wijken grijs. Kiezel lijkt trouwens de nieuwste trend te zijn. Mocht Vlaanderen ooit toe zijn aan een rebranding, dan moet ‘Kiezelstan’ zeker in overweging worden genomen.

Maar daaraan wil Demir iets doen. Of daar lijkt het toch op. Na vele jaren van ‘aankondigingspolitiek’ wordt een mens al wat zuiniger met zijn enthousiasme . Ik doseer mijn blijheid: alvast de retoriek is veranderd en een nieuwe taal is doorgaans een voorbode van een nieuwe praktijk. Demir kondigde aan (ai…) te overwegen (ai, ai) een reglement te maken dat in heel Vlaanderen de volledige verharding van voortuinen zou verbieden.

Laat ik bij deze mijn steun uitspreken. Het moet dringend vooruitgaan: de vooruitgang kan pas beginnen wanneer de achteruitgang is stopgezet.

Zeven jaar is lang, ook voor een Jerommekesslag.

Het No BAUhaus

Vorige week pleitte de voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen onder meer in deze krant (DS 15/10) voor “een nieuw Europees Bauhaus”. Ze refereerde daarmee naar de legendarische opleiding voor beeldend kunstenaars, ambachtslieden en architecten die eerst in Weimar, later in Dessau en tenslotte in Berlijn werd georganiseerd. Opgejaagd door het nazisme werd de beweging internationaler dan ze ooit had durven dromen. Met beroemde namen als Henry Van de Velde, Walter Gropius, Ludwig Mies van der Rohe, Paul Klee, Kandinsky en Piet Mondriaan, werd ze de feitelijke wegbereider voor het modernisme en inspireert ze tot vandaag architectuur, kunst en design. Haar missie destijds? De verschillende kunsten herenigen in de bouwkunst en daardoor kunstenaars weer in het hart van de samenleving brengen. Het Bauhaus wou kunst(enaars) niet langer beschouwen als een ‘luxueus extraatje’, wel als een deel van de essentie.

Of von der Leyen dat ook zo ziet, is niet helemaal duidelijk. Ze schetst het Europees Bauhaus als een vehikel dat letterlijk en figuurlijk vorm moet geven aan de ‘Green Deal’. Die moet tegen 2050 van Europa het eerste klimaatneutrale continent maken. Daarvoor is niet alleen een nieuw economisch model nodig, zegt ze, maar ook een nieuwe uitstraling en esthetiek.

Voorwaar een wervende gedachte, van het soort waaraan het Europa de laatste decennia al te vaak ontbreekt. Hoera dus. Driewerf hoera zelfs, om alle twijfels weg te nemen.

Maar misschien kan het idee nog wat finetuning gebruiken. Wat de missie betreft: waarom zouden we de ‘bouwkunst’ van Gropius en het ‘economisch model’ van von der Leyen niet vervangen door ‘levenskunst’? Het begrip is breder en dus omvattender. Bouwkunst gaat in essentie over de omgeving waarin wij wonen, werken en recreëren – kortom: leven. Bovendien veronderstelt die andere economie echt wel een andere manier van leven. En niet noodzakelijk een slechtere.

In ‘levenskunst’ zit ook het woord ‘kunst’. Dat is interessant omdat zo de brug wordt geslagen naar de kunstenaars – een mensentype dat ook in de huidige crisis weer het gelag dreigt te betalen.

Meer dan aan toekomstvoorspellers hebben wij nood aan toekomstvoorstellers. Niet eens in de eerste plaats omdat de eersten er steevast naast zitten. Vooral omdat die ons de toekomst ontnemen door haar te presenteren als iets wat reeds vastligt en waarover derhalve niet meer moet worden gedebatteerd. “There Is No Alternative!” Thatchers  mantra is de vaste onderlegger geworden van onze neoliberale samenleving, een schaamteloos appèl om vooral het bestaande systeem niet in vraag te stellen. Zo kunnen we blijven denken dat het systeem het slachtoffer is van de crisis. En niet de oorzaak.

Zo wordt elk democratisch debat gesmoord nog voor het begint. Wie toch wil discussiëren, wordt weggezet als wereldvreemd en onrealistisch.

Toekomstvoorspellers laten ons hoogstens de keuze hoe we het onafwendbare willen ondergaan.

Nee, dan liever de toekomstvoorstellers, de mensen die verschillende toekomsten zien en in staat zijn die te verbeelden. Wie ‘verbeelding’ zegt, zegt ‘kunstenaars’, de visionairen die zich niet beperken tot het ‘mogelijke’ en het denkbare systematisch oprekken. Ze maken het onvoorstelbare voorstelbaar en promoveren het tot een mogelijkheid. Voor wie denkt dat het onmogelijke per definitie niet mogelijk is: had u de wereld zoals hij er vandaag uitziet een jaar geleden voor ‘mogelijk’ gehouden?

Nooit hadden we meer nood aan verbeelding dan vandaag. Nooit kwamen kunstenaars ons meer van pas dan vandaag.

“Groene” woonwijk met wijds zicht op blinde industriegevel

Daar is trouwens nog een reden voor. Dankzij corona en de herontdekking van onze eigen omgeving, beseffen we dat schoonheid niet gereserveerd moet worden voor vakantiereservaten die alleen per vliegtuig kunnen worden bereikt. Geef kunstenaars dus de ruimte en laat de esthetica los op alles wat ons omringt. Waarom zouden industrieterreinen niet mooi mogen zijn?

Dus een nieuw Bauhaus dat ook een ‘schoonheidsinstituut’ mag zijn, ja gerne!

Zeker als die nieuwe beweging net zoals de oude een sociaal programma zou omarmen. Gropius en co gingen voor minder ongelijkheid en meer sociale rechtvaardigheid. Ze wilden levenskwaliteit zoveel mogelijk democratiseren.

Ik mag hopen dat we die ambitie niet opgegeven hebben. We kunnen het ‘Less is more’ van Mies van der Rohe alvast actualiseren. Als wat geldt voor onze goudvoorraden ook geldt voor alle andere voorraden, namelijk dat ze eindig zijn, moeten we ook ‘More is less’ durven te zeggen. Tussen het teveel en het tekort bestaat een sterk verband. Dat wat we besteden aan het teveel (geld, grondstoffen, ruimte), kunnen we niet meer inzetten voor het tekort. Het Europese Bauhaus zal het dus ook moeten hebben over een herverdeling van de middelen waarover we beschikken.

Dat klinkt behoorlijk revolutionair. Laat dat dan de aanleiding zijn om nog eens na te denken over de naamgeving. De modernisten hadden hun verdiensten, maar ‘meer modernisme is zeker niet wat we vandaag nodig hebben.

Die breuk mag zichtbaar zijn in de naam. Na de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog was het logisch om het vooral te hebben over ‘bouwen’. In de huidige context van woekerend beton is het minstens even logisch om het ook te hebben over ‘niet-bouwen’. Bijgevolg hebben we ook behoefte aan een esthetica van het weglaten. Als u zich daar niets bij kan voorstellen: vraag het eens aan de kunstenaars die poëzie schrijven. Zij kennen de meerwaarde van dat ene woord minder en de charme van de witregel. Ook afwezigheid is een vorm van aanwezigheid. En ook over die vorm mag worden nagedacht.

Moet de naam voor het nieuwe Europese Bauhaus dus niet eerder ‘No-BAUhaus’ luiden? ‘No Business As Usual’, dat is toch wat Ursula von der Leyen ons met haar Green Deal wou vertellen?

Welaan dan, Europese Commissie, maak zelf een zin met “vlag” en “lading”.

  • Deze tekst verscheen, in een licht andere vorm, als opiniebijdrage in De Standaard van 20 oktober 2020

Gescoord!

Jaren geleden had ik dit pareltje al eens gezien. Alleen was ik vergeten waar. Een paar weken geleden voerde een omleiding me er opnieuw langs. Deze keer ben ik gestopt om een fotootje te maken. Mij hebben ze geen twee keer liggen.

Wat voor bijzonders er hier te zien is? Van alles en niks, zoals ze bij ons zeggen.

Niks bijzonder: de cul de sac met de te grote verharde oppervlakte in verhouding tot waarvoor ze moet dienen. Kom je tegen in -tig verkavelingen in Vlaanderen. Officieel voor de huisvuilwagen (alsof afval per definitie voor de eigen deur moet kunnen worden aangeboden). En voor de brandweer (alsof de brandweer brede straten nodig heeft en niet voldoende heeft aan voldoende gefundeerde opstelruimte). Voor uitzonderingssituaties leggen we dus te veel verharding aan en dat wreekt zich op onze portemonnee (bij de aanleg, bij het onderhoud), op onze waterhuishouding (meer overstromingsrisico, verlaging van de grondwatertafel), op de biodiversiteit (minder groen betekent minder leven) en op de verkeersveiligheid (bredere straten leiden tot sneller verkeer en/of foutparkeren, waardoor als puntje bij paaltje komt de huisvuilwagen en de brandweerwagen toch weer hun ding niet kunnen doen).

Wel bijzonder: de basketring. Wat mij betreft een geniaal staaltje keuze-architectuur. Het ding nodigt uit om de ruimte die anders door King Car zou worden gemonopoliseerd anders te gaan gebruiken. Om te spelen, in dit geval. Gedeeld ruimtegebruik, altijd een goeie zaak. En hier dan nog eens slim gecombineerd met de straatverlichting: paal uitgespaard en spelplezier verzekerd tot laat in de avond.

Maar dat is niet alles. Door de impliciete dreiging dat er wel eens een bal door de ring zou kunnen worden gemikt, blijft de plek gevrijwaard van geparkeerde auto’s. Niemand wil zo’n zware bal op z’n dak – al is de eigenaar van de blauwe Peugeot een durvertje. Misschien hadden enkele witte lijnen om het veld te markeren de ontrading nog wat versterkt.

Hoe dan ook, deze basketring is het meest vriendelijke en tegelijk meest effectieve antiparkeerinstrument dat ik ken.

Vlaamse gemeenten, waar wachten jullie op om ook te scoren?