RSS feed

Categorie archief: Amusement

Voortuindefensie

In het verleden schreef ik hier over de bijzondere kunst van de inritdefensie (met een heel eigen heraldiek).

Een eerder recente maar niet minder intrigerende tak van deze militaire discipline is de voortuindefensie. Het gaat er soms erg ‘hard’ aan toe!

Met een huisgemaakte ‘boobytrap’

De conservatieve progressief

Stel: drie rijke pipo’s willen aan de kust vijftig hectaren ongerept duinlandschap verkavelen om er wat villa’s voor de rijke elite te bouwen. Veel kans dat ze te maken krijgen met zwarte vlaggen en actievoerders die zich vastketenen aan het helmgras.

Vandaag dan toch. In 1889 lag dat een tikkie anders. Toen kraaide er – pun intended – geen haan naar toen de heren Collinet, Popp en Passenbronder van de Belgische staat een concessie lospeuterden voor 90 jaar. Ze pootten er Monopoly-gewijs wat hotels en villa’s neer alsmede een stationsgebouwtje langs de stoomtramlijn Oostende-Blankenberge. Autoafhankelijke locaties waren toen nog gewoon tramafhankelijke locaties.

De Haan groeide uit tot een gesmaakt vakantieoord voor de rijken, met luxehotels, een casino en een park om gezien te worden. In de jaren tachtig van de vorige eeuw werden enkele van de statige villa’s in Anglo-Normandische stijl gesloopt en verrees als spreekwoordelijke druppel het Mayfairgebouw, een modernistische vakantiebunker, in de duinen. Erfgoedbeschermers roerden zich en begonnen een strijd voor het behoud van het karakter van De Haan. Ze wonnen hem, min of meer toch. Architecturaal gesproken is De Haan vandaag de meest samenhangende gemeente van de Belgische kust.

De hypothetische milieubeschermers en de reëel bestaande monumentenzorgers: allebei waren ze hun tijd vooruit en dus progressief, maar ze ijverden voor het behoud van het bestaande en dus waren ze in wezen conservatief.

Als ik me afvraag in welk kamp ik me op beide momenten van de geschiedenis zou hebben bevonden, dan moet ik eerlijk toegeven dat ik de tweede keer zou hebben gestreden voor het behoud van wat ik de eerste keer zou hebben bestreden.

Als hij lang genoeg leeft, wordt een mens vanzelf een wandelend oxymoron. In mijn geval dus een progressieve conservatief. Of vice versa.

Kies maar hoe u mij het sympathiekst vindt (en leer meteen iets over uzelf).

Met Michel uit de bocht

Er is een goede oude tijd geweest waarin lectuur van strips nog onschuldig kon heten. Nu die tijd voorbij is, wordt er gedacht aan waarschuwingsstickers als tegengif. Ik schreef er een stuk over in De Standaard. De vraag die ik mij stelde: kan niet-groene Michel uw gezondheid schaden en zo ja, kan dat verholpen worden met een waarschuwing op de verpakking?

Al betwijfelen sommige lezers of het effectief is goed gekomen met mij, andere laten weten het “voor het eerst” met mij eens te zijn. Al is dat dan soms wel om de verkeerde redenen, laten we daar dan toch maar blij om zijn.

“Vroooaaar vrooaar, ik zeg u…” Toen ik vorige week het overlijden vernam van Jean Graton, de geestelijke vader van stripheld Michel Vaillant, schoot deze oude kop me weer te binnen. Guy Mortier voegde ermee de scheut relativerende humor toe die de strips systematisch ontbeerden.

Toch beleefde ik er ooit veel plezier aan. Als jonge tiener verslond ik de albums die tussen de brullende onomatopeeën door waarden als kameraadschap en fair play consacreerden. Michel Vaillant en zijn boezemvriend Steve Warson waren altijd sportief, eerlijk, onwankelbaar en onkreukbaar – op het saaie af. Hun vijanden waren snoodaards die makkelijk te herkennen waren aan hun ondoorzichtig vizier en voorkeur voor zwarte bolides. Het had het voordeel dat er nooit moest getwijfeld worden wie de sympathie van de lezer verdiende. De grens tussen goed en kwaad kon niet duidelijker zijn afgelijnd.

De lectuur ervan was stichtelijker dan die van het Oude Testament, waarin figuren wel eens gedwongen worden te kiezen tussen hun liefde voor God en die voor hun zoon.

Of niet? De albums hemelden op een beate manier snelheid op als een na te streven ideaal. Grondgedachte: wie snel is, geeft blijk van zelfbeheersing. Onze helden scheurden niet alleen op circuits, maar ook in kleine dorpjes en in straatjes. Daar sprongen dan voetgangers verschrikt achteruit of werd al eens een riksja of een fiets onderuit gereden, steevast in een wolk van uitlaatgassen of opwaaiend stof, zij het nooit stof tot nadenken. Ecologie, verkeersveiligheid, het gebruik van de publieke ruimte voor andere dan verkeersactiviteiten? Het waren thema’s die in de tijd van verschijnen al op de agenda stonden, maar in de verhalen was daar niets van te merken.

Jean Graton verheerlijkte kritiekloos het doen en laten van de petrolheads onder hun gouden stolp. Uit elk album komt de walm van verbrand rubber, maar over Leopold II valt geen onvertogen woord. Vrijwel altijd zijn de hoofdrollen voor mannen. Vrouwen zijn doorgaans veroordeeld tot een decoratieve rol als pitspoes. In de zeldzame gevallen dat een vrouw prominent in beeld komt, is dat niet voor een glansrol. In ‘Uitdaging op de wallen’ (1988!) wordt mevrouw Vaillant te kijk gezet als ze “niet zo’n virtuoos” blijkt in het starten op een helling en daardoor het testosteron van de piloten achter haar doet pieken.

Terugblikkend blijken onze voorbeeldige helden opmerkelijk onbewust te zijn geweest van belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen. Ik herinner me het album ‘km 357’ (1969), over een barse boer die de aanleg van een stuk autosnelweg blokkeert door stug z’n land te verdedigen. Wie er een spoor van milieubewustzijn in vermoedt, komt van een kale reis terug. Als puntje bij kilometerpaaltje komt, blijkt dat de man de oprukkende machines alleen maar tegenhield uit eigenbelang. Wanneer een bulldozer per toeval de familieschat opgraaft, zijn de bezwaren van de landbouwer letterlijk uit de weg geruimd. Eind goed, al goed. En een bevestiging van mijn jeugdige overtuiging dat vooruitgang een pijl is die maar één richting uit kan en waarover dus geen discussie hoefde te worden gevoerd – al zeker niet met plattelanders die zich koppig vastklampen aan het verleden.

Verrassend genoeg heb ik de Vaillantalbums overleefd en er geen blijvende letsels aan overgehouden. Anders dan Alain Prost, die door de reeks ging racen, of Luc Donckerwolke, die erdoor geïnspireerd werd om schadelijke producten als Lamborghini’s te gaan ontwerpen.

Hoe dat komt? Ik heb sindsdien nog andere dingen gelezen, met mensen gesproken en gediscussieerd, de media gevolgd en bij dat alles ook nog een opvoeding gekregen van breeddenkende ouders en les van mensen met uiteenlopende denkbreedtes. Ik heb doorheen de jaren historische, maatschappelijke, sociale en ecologische context meegekregen. Die laat mij vandaag toe de dingen die ik lees, hoor en zie in een breder verband te plaatsen en te relativeren waar nodig.

Het is, denk ik, goed gekomen met mij. Ondanks vele uren Vaillant-brainwashing ben ik geen seksist geworden, noem ik mezelf milieubewust en werd ik een kritisch observator van het autowereldje. Ook weet ik nu dat vooruitgang een begrip is waarover gediscussieerd kan worden. Of moet. De kans is groot dat u zo niet over seksisme dan toch over het nut van nieuwe autosnelwegen met mij van mening verschilt.   

De voorbije week was er commotie over de aanbeveling van een Gentse commissie om boeken en strips te voorzien van labels die waarschuwen voor racisme of kolonialisme. We laten het Oude Testament even voor wat het is en kijken naar wat dit voor de avonturen van Michel Vaillant zou betekenen. Als feminist zou ik een coversticker met ‘seksisme’ overwegen. Als ecologist wellicht een waarschuwing voor ‘ecohaat’.

Dat is niet de bedoeling, zegt u? Onze snelheidscultuur eist jaarlijks honderden levens. Moet alleen voor racisme en etnocentrisme gewaarschuwd worden of ook voor een gedateerde kijk op emancipatie, ecologie, technologie of vooruitgang? Waar begint het en waar eindigt het?

Vanessa Joosen (D S 27/1) stelt voor de beschikbaarheid van voldoende alternatieven als maatstaf te gebruiken. Maar wat is voldoende? Bestaan er genoeg strips die de traagheid vieren als tegenwicht voor het ‘race-cisme’ van Vaillant?

Wat vandaag maatschappelijk verantwoord is, was het vaak gisteren niet en zal het morgen misschien ook niet meer zijn. Het is dus onverstandig om onze oordelen te bevriezen, laat staan letterlijk vast te kleven. In het beste geval zijn ze een bron van vrolijkheid voor toekomstige generaties.

Laten we het debat niet voorbarig sluiten door alle geestesproducten van etiketten te voorzien. Beter maken we zichtbaar dat de grens tussen goed en kwaad, tussen juist en fout, in het echte leven niet altijd helder is en boven elke discussie verheven. Het mag wat schuren en wat wringen. Kinderen en jongvolwassenen mogen weten dat het leven niet altijd – excusez les mots – zwart-wit is en dat niet iedereen er hetzelfde over denkt. Daar zijn zowel de minderheden mee gediend als degenen die behoren tot de mainstream. We kunnen doen alsof er een morele homogeniteit bestaat en dan wordt het vroeg of laat kwaad ontwaken. Of we kunnen onze kinderen voor de ongepolijste realiteit wapenen door hen een kritische attitude bij te brengen die zich bewust is van het bestaan van historische context: de toenmalige én de huidige.

Zo gunnen we ook onze kinderen hun pleziertjes, zelfs al zijn ze een beetje guilty.

Geef toe: dat zijn vaak de leukste.

Banaal, Met Wielen

Te oordelen naar mijn post, ben ik toe aan een nieuwe auto. Welhaast dagelijks word ik bestookt met publiciteit voor nieuwe wagens. Het is niet de enige weeffout in de algoritmes: men schijnt ook te denken dat ik een profiel heb dat geïnteresseerd is in een dikke BMW, Mercedes of zelfs een Porsche.

Het is verloren moeite, al ben ik wel een dankbaar publiek. Zelden gaan de folders ongelezen de papiermand in. Ik bekijk ze altijd met veel aandacht, want het is intrigerend te zien welke versie van de wereld de autoproducenten ons willen presenteren.

Neem nu deze reclame, paginagroot in De Standaard. De advertentie valt op door haar opvallende grijsheid. We zien een witte BMW in een grijze omgeving: grijs asfalt, grijze trottoirs, grijze gebouwen. De auto ligt aan de leiband, denk ik eerst, maar het is natuurlijk de tegenwoordig obligate kabel die naar de laadpaal leidt. Die verklaart meteen waarom de auto aan de linkerkant van de straat is geparkeerd – anders was in het oog gesprongen dat de stekker aan de minst handige kant is gemonteerd. In de meeste gevallen zal de kabel onhandig onder de voorsteven door naar de overzijde moeten worden gehannest.

Over de voorsteven gesproken. De eens elegante ‘niertjes’ van het rooster zijn tegenwoordig dermate opgezwollen dat ze er uitzien als een gigantisch stopcontact. Ook een manier om in de verf te zetten dat de wagen af en toe met elektriciteit kan rijden.

De zon schijnt en dat is geen toeval: zo krijgt het glazen dak van de auto een betekenis. Niettemin maken de lange zwarte schaduwen het plaatje nog wat somberder. Het trottoir en het parkeervak zijn onbelgisch breed en ook de gele lijnen wijzen niet op een Belgische setting – al doet het Belgische kenteken hard z’n best ons iets anders te doen geloven. Subtiel trouwens: het kenteken van de BMW X1 begint met 1-X. Ook aan de fijnproevers is gedacht!

Ondanks de brede stoepen zijn er geen voetgangers. Of toch, er is er één: de man van wie wij direct vermoeden dat het de uitgestapte BMW-rijder is. Al kijkt hij niet gelukkig, eerder kwaad zelfs – bijna zo kwaad als zijn BMW. Misschien heeft hij er reden voor. De man maakt zich op om over te steken en speurt naar BMW’s of ander tuig dat van de straat zijn Styx zou kunnen maken.

Het is onduidelijk hoe dit beeld ons wil verleiden tot het kopen van een BMW X1. Ik zoek naar argumenten die me zouden kunnen overhalen, maar ik vind er geen. De auto is bombastisch, de stekker zit aan de verkeerde kant, de omgeving is niet van die aard dat ik er heen zou willen. Er valt daar niks te beleven: een dode plint en geen mens op straat. Dat de parkeerplaatsen voor en achter de X1 niet benomen zijn, wijst ook al op niet veel aantrekkingskracht.

Het moet dan wel in de tekst zitten. “Toegankelijk, ook vandaag.” staat er boven. Daar word ik niet wijzer van. Toegankelijk wie of wat? Is de wagen bedoeld voor mensen met een beperking? Nee, dan hadden ze voor een andere chauffeur gekozen. Gaat het over de prijs? Die staat nergens vermeld. Wat weet BMW trouwens van mijn portemonnee?

Maar wacht: “Ontdek de salondeals.” staat er. Er is dit jaar geen salon, leve de salondeals! En voorts: “tot 100% aftrekbaar”. Om het er nog eens in te wrijven dat wij niet alleen het asfalt, de markeringen en de laadpaal betalen, maar ook een stuk van de auto’s die dat alles verslijten? Maar toegegeven, voor sommigen kan het een argument zijn om een X1 te overwegen: de boekhouder zegt dat ik er een nodig heb.

Verder blijf ik op mijn honger. Ook de informatie onderaan is karig. Er staat nauwelijks meer dan wat de wetgever oplegt. “Milieuinformatie” lees ik – newspeak voor ‘vervuilingsgegevens’. Ze hadden een pak gunstiger kunnen zijn als BMW gekozen had voor een compacter en lichter ontwerp van haar ‘instapmodel’, maar de wagenwedloop heeft haar prijs. Geloof het of niet, de overgedimensioneerde X1 is het ‘kleine’ broertje van de X2, de X3, de X4, de X5, de X6 en, hoe raadt u het, de X7. Die laatste is een Leopardtank en het valt te hopen dat er nooit een X8 komt, want dan wordt BMW een bulldozerfabrikant.

Tot zover mijn lectuur van de advertentie voor de BMW X1. De verleidingspoging is mislukt. Misschien ben ik dan toch niet zo’n dankbare lezer.

Shiften, shifte, geschift

De gratis krant De Zondag bracht dit weekend een interview met de Vlaamse minister van volksgezondheid. Een stukje daaruit wil ik u niet onthouden.

“Hoe wil u het gigantische obesitasprobleem oplossen?”

“Dat is een en-en-verhaal. Enerzijds stimuleren we de shift naar gezondere voeding en voldoende afwisseling in het menu. Dat moet zorgen voor minder gewicht op de weegschaal. Anderzijds investeren we grote bedragen in onze infrastructuur. We voorzien daarvoor dit jaar miljarden, een groot deel daarvan voor bijkomende banketzaken en goed bereikbare, overkapte snoepautomaten waarvoor we een contract hebben vastgelegd voor de komende vijftig jaar. We focussen bij onze investeringen op meer voedselveiligheid, slimme dieetformules en een vlottere bediening voor fastfoodadepten.”

Vreemd? Ik geef het toe. Eigenlijk stond er iets anders. Feitelijk was het een interview met de Vlaamse minister van mobiliteit. Maar ik denk dat ik eigenlijk wel las wat er stond.

Oordeel zelf:

“Hoe wil u het gigantische fileprobleem oplossen?”

“Dat is een en-en-verhaal. Enerzijds stimuleren we de shift naar duurzaam vervoer en combimobiliteit. Dat moet zorgen voor minder wagens op de weg. Anderzijds investeren we grote bedragen in onze infrastructuur. We voorzien dit jaar meer dan 5,5 miljard euro daarvoor. Oosterweel bijvoorbeeld: dat is goed voor 3,1 miljard. We focussen bij onze investeringen op meer verkeersveiligheid, conflictvrije kruispunten, slimme verkeerslichten en betere doorstroming.”

Hoe zit dat met de toekomst?

Wenste ik jullie al een gelukkig nieuw jaar? Inwendig natuurlijk wel. Maar bij deze heeft u ook de uitwendige versie. Moge 2021 niet de heruitgave van 2020 worden en al helemaal niet die van 2019. Wat ik hiermee bedoel, hoop ik vakkundig te zullen hebben uitgelegd in mijn volgende boek. De bevalling daarvan is nog volop bezig, maar ik heb goede hoop dat de geboorte voor 2021 zal zijn.

Aangezien jullie daar natuurlijk allemaal op zitten te wachten, kan ik u misschien blij maken met een kleine wachtverzachter: een hoofdstukje in een boek dat al wél het levenslicht zag.

Al is het geen luisterboek, toch luistert het naar de naam ‘Waar gaan we naartoe? 43 inspirerende stemmen denken na over de toekomst’. Voor alle zekerheid heb ik maar niet nageteld of ze mij hebben meegeteld. Ik ben geneigd te denken van wel, want in de inleiding word ik geciteerd in dezelfde paragraaf waarin ook Mahatma Ghandi en Abraham Lincoln de revue passeren.

Hoewel. Met zo’n Amerikaan naar wie een automerk werd genoemd, is het bruggetje naar de mobiliteit natuurlijk snel gemaakt.

Alle gekheid op een stokje: het boek behandelt een breed spectrum van thema’s (mijn bijdrage wordt gevolgd door een over de vraag of imperfectie het nieuwe schoonheidsideaal wordt – ook daar moet niets achter worden gezocht) en een vrolijke veelheid van meningen over de toekomst. Gelukkig niet over ‘waar het naartoe gaat’ (al zijn er wel een paar auteurs die over een glazen bol beschikken), wel over de vraag waar we naartoe willen.

Met de meeste kan men het aangenaam eens of oneens zijn. Voor de lezers van deze blog zijn alvast relevant: Leo Van Broeck (Waar wonen we in de toekomst?), Gino Van Ossel (Waar winkelen we in de toekomst?), Tony Verhelle (Wat is de toekomst van de auto?), Toni De Coninck (Hoe zullen we reizen in 2030?) en mijn huisvlijt: Hoe verplaatsen we ons in de toekomst? Al vind ik zelf dat mobiliteit veel ruimer mag worden beschouwd en dat bijvoorbeeld ook bijdragen over vluchtelingen, vrije tijd en fast fashion daarvoor relevant zijn.

Maar vorm vooral uw eigen mening. Wie onder de kerstboom een boekenbon vond, heeft bij deze alvast een suggestie om hem in te ruilen voor een fraai uitgegeven kleinood dat stof tot nadenken garandeert.

  • CEULEMANS HADEWIJCH, VANDERPUTTE LOUISE, VERHAGEN MARC (red.), Waar gaan we naartoe? 43 inspirerende stemmen denken na over de toekomst, Uitgeverij Luster, Antwerpen, 2020, 270 blz. Leuk: voor elk verkocht exemplaar schenkt de uitgeverij een euro aan het Kinderarmoedefonds. En een tip: koop uw exemplaar bij de onafhankelijke boekhandel (de lijst vindt u hier) en u ontdekt dat er buiten het standaardaanbod (pun intended) nog heel wat meer te belezen valt.

Avant-première

Af en toe krijg ik het onder mijn vanzelfsprekend gemondmaskerde neus gewreven: dat het hier tegenwoordig zo stil is.

Ik ontken niet. Sterker: ik beken.

Maar dat er hier weinig geschreven staat, betekent niet dat er niet gewerkt wordt. Ik schrijf aan een nieuw boek. Langzaam maar zeker, maar zeker langzaam.

Over de inhoud ervan kan ik nog niets loslaten. Dat komt, op tijd en stond. Maar omdat ik u als, ongetwijfeld trouwe, lezer niet helemaal in de steek wil laten, gun ik u graag een kleine preview:

Véél meer dan een pot inkt en een vulpen

Ziehier een deel van mijn boek, het ongeschreven deel dan nog wel.

Geef toe: beloftevol!

Koninginnegrapje

Of is het ‘hraptsje’, want we bevinden ons in het West-Vlaamse Oostende.

In ieder geval krijgt Jan De Nul van mij een tien voor de naamgeving van dit schip, bedoeld voor het transport van offshore windmolens: ‘Vole au Vent’.

Het kan een idee zijn voor andere reders. Wie durft als eerste zijn olietanker ‘Voale Vent’ te noemen? Of zijn cruiseschip ‘Dom Cruise’?

(En ja, jongens en meisjes, jullie mogen jullie nu ook eens laten gaan)

PS. De werkelijkheid telt altijd meer lagen dan wij denken. Iemand meldt me dat de meter van het schip niemand minder is dan… de koningin.

Archieffoto

Geen kwakkel

Mensen vragen me wel eens: “ben jij nu werkelijk àltijd bezig met mobiliteit?”

Beschamend genoeg is het antwoord bevestigend: ik ben àltijd bezig met mobiliteit.

Zoals gisteren nog, op café. Gewone mensen drinken daar een koffie of een pintje. Maar daar voelt deze mobiliteitsjongen zich net iets te goed voor.

Dat moet dan weer iets speciaals zijn. Een Kwak bijvoorbeeld. Niet omwille van het hoge alcoholgehalte (wat denkt u wel?), een beetje voor de smaak (“een licht moutig aroma en een fruitige afdronk”) en vooral omdat er een mooi mobiliteitsverhaal aan vasthangt. Noblesse oblige, quoi.

Nu wil u dat verhaal natuurlijk kennen, ja, zo ken ik u. Welnu, het is simpel: Kwak wordt geschonken in een glas dat vandaag extreem onhandig is (en dus vergezeld moet gaan van een houten houder om overeind te blijven), maar initieel de handigheid zelve was. Toch voor koetsiers.

Het bier werd in 1980 opnieuw gecommercialiseerd. De eerste try outs waren niet zo’n succes, omdat de koets er toen nog aanhing. Al kan dit ook een kwakkel zijn.

We keren even terug naar de tijd van Napoleon, toen drinken en rijden nog samen gingen, een idee waarvan wij modernen natuurlijk helemaal genezen zijn. Niet dat toen alles mocht: koetsiers mochten tijdens hun pitstops aan de herbergen hun gespan niet verlaten. Daardoor konden ze hun dorst niet samen met hun passagiers lessen.

Jammer. En dus vond de eigenaar van herberg ‘De Hoorn’ in het Dendermondse er iets op. Hij ontwierp een ‘koetsiersglas’: een glas dat in een uitsparing van de koets kon worden gehangen en dat, door het zwaartepunt middels een vergrote bolle onderzijde onderaan te leggen, altijd keurig rechtop bleef.

Zo ‘kwakte’ het bier ook nooit over de rand – al is die onomatopee net iets te mooi om relevant te zijn: de brouwer in kwestie heette gewoon Pauwel Kwak. Voor wie dat dan weer belachelijk vindt klinken: hij had ook Alfred Judokus Kwak kunnen heten. Dàt zou pas belachelijk zijn geweest.