RSS feed

Categorie archief: Amusement

Typetjes

Geplaatst op

Auto’s zijn al lang niet meer zomaar auto’s. Sterker nog: eigenlijk zijn ze dat zelden geweest.

Ooit begonnen ze als een speeltje voor de rijken. Niet omdat de paarden op waren, maar gewoon omdat het technisch kon. Van in het begin hing er er een parfum van snelheid en avontuur over de automobiel en dat was veel belangrijker dan welke praktische doelstelling dan ook.

Pas tijdens en vooral na de Eerste Wereldoorlog werden auto’s een middel om zich te verplaatsen van A naar B, al bleven ze tegelijk ook een middel om zich te verplaatsen op de sociale ladder: van onder naar boven.

Helaas. De auto is zo’n product dat ten onder gaat aan z’n eigen succes. Met elke auto die er bij komt, wordt de auto een beetje minder bruikbaar (merkte de Franse filosoof André Gorz decennia geleden al op). Auto’s gaan elkaar letterlijk in de wielen rijden. Of staan. Want zover is het gekomen. Als we willen rijden, staan we stil. En als we willen stilstaan, moeten we blijven rijden – op zoek naar een plaatsje.

De automarketeers zijn zo verstandig om daar consequent de aandacht van af te leiden.

Ze geven hun auto’s vormen die de illusie wekken dat ze zelfs stilstaand snel bewegen en ze bedenken typebenamingen die niet refereren naar congestie- en parkeerproblemen, maar juist naar een hogere status (Diplomat, Ambassador, President, Prestige, Exclusive of gewoon wat cijfers die een hiërarchie suggereren: 3-5-7, ‘A-B-C-E-S-Klasse’), hoge snelheden (Rapid, Veloce, Sprinter, Monza, Sebring, Daytona, maar ook Puma, Jaguar, Cougar, Mustang of Bora en Mistral), wijdse avonturen (Discovery, Voyager, Evasion, Gran Turismo, Touareg, Outlander, Explorer, Compass, Land Cruiser of wat subtieler: ‘Dust’) en/of exotische en verre bestemmingen (Capri, Saporro, California, Granada, Sevilla) – desnoods de sterren (Space Star of iets onbepaalder, de melkweg (Galaxy)).

Het dichtste dat de automarketeers nog bij de realiteit komen is met namen die indirect verwijzen naar de oorlog die voor elke vierkante meter op de weg wordt gevoerd (Ram, Defender, Wrangler, Avenger).

Mijn verbazing was dan ook niet gering toen ik onlangs het nieuwe model van Dacia tegen het lijf liep en ‘Jogger’ op de flank zag staan. Serieus, Dacia Jogger?

Is het nu alleen nog een kwestie van tijd voor de Renault Flaneur in het straatbeeld verschijnt, zij aan zij met de Peugeot Piéton en de Dodge Walker met in hun kielzog de BMW Spazierer en de Fiat Lento? Of zijn ze bij Dacia al lang blij met een typebenaming die de link legt met ‘gezond bewegen’?

Ach, bij nader inzien is het natuurlijk niet gekker dan een wielrenner met ‘Skoda’ of ‘Citroën’ op zijn truitje.

Droomt de nieuwe Dacia van gezonder bewegen?

Leunstoeltoerisme

Geplaatst op

‘Leunstoeltoerisme’. De Standaard der Letteren muntte het woord enkele jaren geleden in een recensie. Ik ben vergeten over welk boek het ging en weet ook niet meer waarover het boek zelf ging. Maar het woord is me bijgebleven.

Leunstoeltoerisme.

Prachtig toch? Wellicht is ‘leunstoeltoerisme’ de duurzaamste vorm van toerisme en van reizen tout court – tenminste als u de verwarming niet te hoog draait.

Maar wat kan er heerlijker zijn dan onder een dekentje een goed boek te lezen en met de schrijver mee te reizen? Met Leonard Ilja Pfeijffer naar Genua bijvoorbeeld. 

Kijk met Google Maps even mee de steegjes in en merk op dat de Googlewagen er gechaperonneerd wordt door twee carabinieri. Heb ik nog nooit ergens anders gezien. Hoe dan ook: het is de perfecte binnenkomer om je op sleeptouw te laten nemen door deze fascinerende stad.

Begin met ‘La Superba’, waarin de stad wordt beschreven als een vrouw. Als je gebeten bent, kan je doorgaan met ‘Brieven uit Genua’. Eenmaal zover kan het niet anders dan dat je hunkert naar ‘Grand Hotel Europa’ en tegen dan zitten we al een flink eind in de winter.

Wie wat voorzichtiger wil beginnen en eens met een teen in het literaire water wil voelen of het niet te koud is, raad ik het korte en lichtvoetige ‘Filosofie van de heuvel aan’, het relaas van een impulsieve en geïmproviseerde fietstocht van Leiden naar Rome, samen met zijn toenmalige vriendin (of net niet). Gaandeweg ontdekken ze dat ‘het onderweg zijn’ belangrijker is dan de bestemming.   

In Rome blijven ze dan ook maar heel eventjes. Vrijwel meteen vatten ze de terugtocht richting Nederland aan, al zal Pfeijffer daar nooit aankomen: hij blijft hangen in, jawel, Genua.

Genua, waar het gewone exotisch wordt.
Deze schrijver kon niet aan de verleiding weerstaan om op de Piazza delle Erbe, eertijds het favoriete terras van Pfeijffer, neer te strijken en er diens favoriete cocktail te bestellen. Enige valse noot: mijn notitieboekje was deze keer geen Moleskine, maar een Spaans kleinood – al maakt de wijze boodschap veel goed natuurlijk.

Als smaakmaker een citaatje uit laatstgenoemd boek:

“De enige keer dat hij (de mens van vandaag;kp) ervaart hoe lang tien kilometer is, is als er tien kilometer file staat. Voor hem bestaat er geen weg meer, alleen maar bestemmingen. En omdat elke bestemming even bereikbaar is, zijn alle bestemmingen inwisselbaar. Hij hoeft de berg Fuji niet meer te beklimmen, want hij kan zich met een vliegtuig, hogesnelheidstrein en kabelbaan laten teleporteren naar de top.” (blz. 44)

Of gewoon een boek lezen natuurlijk. Leunstoeltoerisme is duurzaam toerisme – al is het risico reëel dat je na lectuur uiteindelijk toch echt wel eens die stad wil gaan bezoeken.

Dat nemen we er dan maar bij.

Beschermde heilige

Geplaatst op

Je hebt beschermheiligen en je hebt beschermde heiligen.

Kennelijk is het geloof in de stuurmanskunsten van chauffeurs niet groot genoeg om de heiligen hun eigen boontjes te laten doppen. Een treurig gegeven, maar de wegbeheerder heeft gepoogd er een ietwat oneerbiedige doch vrolijke draai aan te geven.

Daardoor kunnen we nu met recht en reden zeggen dat alle rode neuzen hier in dezelfde richting staan.

Alleen boomgaand verkeer

Geplaatst op

Pieppad

Geplaatst op

Daar!

Geplaatst op

Mijn echtgenote denkt dat het aan mij ligt. Dat denkt ze wel vaker.

En toegegeven: meestal heeft ze gelijk. Maar in dit geval niet.

Als ik regelmatig sta te stoethaspelen aan een of ander apparaat, dan ligt dat niet aan mij.

Het ligt aan de apparaten. Of beter nog: aan de ontwerpers.

Die kunnen niet ontwerpen. Zeg nu zelf:

  • Automaten bij de uitgang van de parking waar je op vier manieren je ticket in kunt steken, maar waarbij maar één de juiste is.
  • Ticketautomaten voor trein of tram met twee schermpjes waarbij de gebruiker uit zichzelf moet weten dat hij voor de volgende stap naar het schermpje op buikhoogte moet kijken.
  • Onverlichte bankautomaten waarbij je het ene moment het touchscreen moet beroeren en het volgende het toetsenbord. Of omgekeerd.
  • Liften waarin de knop die je zeker niet mag indrukken de grootste is.

Over het algemeen geldt: hoe slechter het ontwerp, hoe meer uitleg nodig is.

Maar het kan nog erger. In Nederland kwam ik bij een verkeerslicht onderstaand straatapparaat tegen. De ontwerper was zich kennelijk bewust van zijn ontwerpfout. Hij corrigeerde ze dan maar met… een nieuwe fout. ‘Hier aanraken’ staat er. Terwijl het natuurlijk ‘daar’ moet zijn. Maar dat merk je pas als je ‘hier’ al aangeraakt hebt en tevergeefs hebt gewacht.

Ontwerperslogica: om ‘groen’ te krijgen moet je de ‘oranje’ knop aanraken. We zouden daarvoor kunnen volstaan met een knop, maar om het verwarrend genoeg te maken voegen we een tekstvakje toe (met randjes die vuil kunnen verzamelen) waarop staat: ‘hier aanraken’, terwijl we eigenlijk ‘daar aanraken’ bedoelen. Maar hé, daarvoor zijn er pijltjes uitgevonden.

Eerlijk is eerlijk. Wat we zelf doen, doen we beter. In Vlaanderen hebben we drukknoppen ter grootte van een vingertop (met soms een lichtje waarvan niemand de betekenis kent) en de waarschuwing dat wie geen corona wil krijgen zijn elleboog moet gebruiken.

Ik voeg er geen foto van toe. Uit eerlijke schaamte.

Vragen

Geplaatst op

Een wagen als een vraagteken. Was de naam er eerst en pas daarna het ontwerp? Of andersom? En ziet zo’n marketingjongen of zo’n ontwerper het verkeer dan echt als een oorlog van allen tegen allen?

Het enige wat ik zeker weet: ontwerper noch marketingboy is fietser of voetganger. Anders had hij (zij/x) wel voor de typebenaming ‘Offender’ gekozen, want zo wordt dit ding doorgaans wel gebruikt.

Dansen op een slapper wordende koord

Geplaatst op

In De Standaard van 10 augustus verscheen onderstaande opiniebijdrage van mijn hand onder de ietwat provocerende titel ‘Ecoschaamte voor Rammstein? Nu even niet’. Ik hoop dat het stuk de nuance tussen ‘periodiek teveel’ en ‘systematisch’, heel vaak: ‘systemisch teveel’, voldoende verduidelijkt.

Tot mijn oprechte verwondering waren de meeste reacties instemmend en positief – al was er wat collateral damage van klimaatsceptici (ja, ze bestaan nog altijd) die elk artikel aangrijpen om Het Grote Complot in de verf te zetten en een handvol je m’n fou-tisten die er verkeerdelijk een legitimatie voor hun houding in lazen. De afwijzende ‘ecofundamentalistische’ reacties die ik eigenlijk vooral had verwacht, bleven ver in de minderheid.

Een ervan wil ik u niet onthouden: ‘Het is voor mij duidelijk dat deze socioloog en antropoloog een reeks schaamlapjes zoekt voor zijn toch opspelende omvangrijke ecoschaamte. Natuurlijk weet hij als socioloog en antropoloog dat zelfs de grootste schaamlap de schaamte niet doet verdwijnen. Ook na het schrijven van deze tekst en het hem aangeboden forum, zal de ecoschaamte, die hij, meer dan terecht, voelde, in hem blijven woekeren.’

Ik denk dat het een thema is waarop we later nog wel eens zullen moeten terugkomen.

Liebe ist für alle da.’

Eerlijk? Ik worstel ermee. Ik verdenk mezelf van cognitieve dissonantie als ik uitleg dat ik, alle klimaatverandering ten spijt, naar Rammstein ben geweest en, meer nog, er onbeschroomd van heb genoten. Praat ik recht wat krom is? Ben ik gewoon handig geworden in het verzinnen van excuses? Bijvoorbeeld: als je de uitstoot van zo’n megaspektakel deelt door 100.000 toeschouwers, dan valt die best mee, toch? Of zijn die 100.000 juist het probleem, want evenzoveel verplaatsingen die lang niet allemaal met het openbaar vervoer of de fiets gebeurden?

Ik moet me niet heiliger voordoen dan de Paus. Ik ben deze zomer ook nog eens op vakantie geweest. Naar Spanje. Met de auto. Hoe verantwoord is dat, in een zomer die de rampzalige vorige nu al in de schaduw zet? Er zijn niet alleen meer de onmiddellijke effecten, maar ook de tweedeorde-effecten. Te weinig neerslag leidt tot meer hitte. Meer hitte leidt tot meer waterverbruik. Meer waterverbruik leidt tot een groter watertekort. Kerncentrales worden stilgelegd bij gebrek aan koelwater. Binnenscheepvaart wordt onmogelijk door te lage waterstanden. Noodgedwongen wordt teruggegrepen naar steenkool en meer wegvervoer, waardoor het broeikaseffect nog meer wordt gestimuleerd. Enzovoort. De keten van gebeurtenissen is nu echt wel in gang gezet.

Toen ik de eerste ochtend wakker werd in mijn hotel, was de parking herschapen in een opvangkamp voor mensen wier camping werd ontruimd voor een bosbrand. Er is geen ontkomen meer aan. De toerist van vandaag is zoals de hoofdpersoon in het bekende gedicht ‘De tuinman en de dood’ van Pieter Nicolaas van Eyck. De man gaat op reis om te ontsnappen aan de actualiteit en aan de realiteit, maar wordt er meedogenloos door ingehaald.

Wei- en wij-gevoel

De klimaatverandering is verpopt van mogelijkheid naar feit. Low Impact Man Steven Vromman stond jarenlang op de barricaden om de opwarming af te wenden, maar verlegt nu zijn aandacht naar overlevingsstrategieën. Voor zijn nieuwe boek twijfelt hij tussen titels als ‘Eerste hulp bij klimaatverandering’ en ‘Genoeg gelachen’.

Tegen die achtergrond ging ik dus op reis en naar een show van een band die, in tegenstelling tot Coldplay, niet eens dééd alsof hij rekening hield met het klimaat. Heb ik dan te veel gelachen?

Het herinnert aan het apocriefe verhaal over Winston Churchill. Toen die tijdens de Tweede Wereldoorlog geconfronteerd werd met het voorstel om te besparen op cultuur, zou hij geantwoord hebben: ‘No way, what else are we fighting for?’ Wat mij betreft is het ook in de nieuwe ecologische context de nagel op de kop: overleven heeft slechts zin als we ook nog kunnen leven.

Was ik er dan van doodgegaan als ik niet naar Rammstein was gegaan? Natuurlijk niet. Maar tegelijk voelde ik de adrenaline door mijn aderen stromen toen het weigevoel een wij-gevoel werd en de massa zich even wentelde in luidkeelse samenhorigheid. Zou het kunnen dat ik niet de enige was die hier brandstof (sic) heeft getankt om er weer voor even tegen te kunnen?

We zijn murw van de nieuwsbulletins die ons dag na dag, uur na uur, treffen als mokerslagen: versneld smeltende gletsjers, afstervende koraalriffen, mislukte oogsten, oncontroleerbare branden, uitdrogende rivieren en daarbovenop rondwarende virussen, de ellende van Oekraïne en de dreiging van een nieuwe wereldoorlog. Als almaar meer mensen zich daarvoor afsluiten, is dat niet een teken van ontkenning maar van erkenning van de realiteit. Het is een manier om overeind te blijven. Ecomoeheid, klimaatmoeheid, nieuwsmoeheid … we moeten erover waken dat we niet collectief doorschieten naar levensmoeheid.

Georganiseerd escapisme

Een context van elkaar opvolgende desastreuze gebeurtenissen is de nieuwe condition humaine waarin we ons een (levens)houding zullen moeten aanmeten die het ons mogelijk maakt om gelukkig te zijn. Niet ondanks, maar omdat. Geluksgevoel hoeft geen schuldgevoel te genereren. Integendeel: het levert juist het motief om ervoor te blijven gaan. Daarvoor doen we het, voor minder niet. Schrap alle Rammsteins uit ons leven en het ziet eruit als een van hun apocalyptische ensceneringen.

Dat besef brengt ons bij het inzicht dat het sporadische teveel ook deel uitmaakt van het Genoeg waarmee we, na een korte periode te hebben vertoefd in de illusie van de oneindige groei en overvloed, zullen moeten leren leven. Opnieuw, want onze voorouders pasten het principe al toe. Elke cultuur kent zijn ventielen waarbij de grenzen eventjes ophouden te bestaan en de regels wat losser mogen: religieuze en andere feestdagen, carnaval, ‘the burning man’, vakantie en … festivals. Een voor een zijn het intervallen van georganiseerd tijdelijk escapisme en zorgen ze voor voldoende ‘teveel’.

We hebben er allemaal nood aan. Arbeiders. Bedienden. Zelfstandigen. Soldaten aan het front. Verplegend personeel. Mensen met een te grote ecologische voetafdruk. Mensen die stempelen of leven van een uitkering. Wat die twee laatste betreft: is het niet merkwaardig dat het recht van de eerste categorie slechts door een minderheid in vraag wordt gesteld en van de tweede nu zelfs door sociaaldemocraten?

Het teveel wordt maar decadentie in zijn volgehouden, vanzelfsprekende vorm. In zijn hoedanigheid van uitzondering is ze juist een verschijningsvorm van het noodzakelijke: de maatschappelijke en mentale buffer die we niet kunnen missen. ‘Het socialisme zal gezellig zijn of niet zijn,’ wist Steve Stevaert al. Met het ecologisme is dat niet anders. Het is dansen op een slapper wordende koord. Want wie ophoudt met dansen, valt onherroepelijk in de diepte.

Boem Donderslag

Geplaatst op

Een beetje off topic op een mobiliteitsblog, maar ik vind dat het moet kunnen, tenslotte ben ik hier de baas (please, gun mij dit uithoekje): een stukje over mijn Rammsteinerlebnis, een ‘exclusieve’ prelude op mijn bijdrage morgen (woensdag 10 augustus) in De Standaard. Die zal een klein beetje meer ‘on topic’ zijn, beloofd!

Het was eens wat anders voor de omgeving van Park De Nieuwe Koers in Oostende. In plaats van vliegtuigen en het daarbij horende lawaai streken de heren van Rammstein er vorige week neer, eveneens met het daarbij horende  – welja, wat was het eigenlijk?

Vanuit de spelonk van hun garage zagen de wijkbewoners de colonne metalfans voorbijtrekken met een mix van fascinatie en verbazing over al dan niet bewuste keuzes op het vlak van bedekte én onbedekte lichaamsdelen. Degenen die zich Plato herinnerden van op school vroegen zich vast af of dit nu de échte wereld was of slechts een schimmige representatie van iets anders.

Zelf liep ik er ook tussen, maagdelijk onbeschilderd. Voor een beetje tattoeëerder ben ik het wandelende equivalent van wat een wit doek is voor een kunstschilder. Maar niemand maakte er een probleem van, mede dankzij mijn T-shirt. Vrij naar wat Henry Ford over de Ford T zei: elke kleur was goed, als het maar zwart was.

Op sleeptouw genomen door een enthousiaste dochter en niet onbekend met de door Rammstein gekoesterde controverse wist ik niet wat ik mocht verwachten. En nu het voorbij is, weet ik niet met zekerheid wat ik kreeg.

Was dit alleen maar Tomorrowland voor een publiek met een andere smaak? Of was er toch meer aan de hand? Verknipten ze betekenissen op postmodernistische wijze tot er alleen nog confetti overbleef en was het dat wat ze letterlijk over hun publiek uitkieperden: zwarte zinloosheid? Zinderende vragen die alleen maar de bonusvraag opleverden of de antwoorden er wel toe doen. Wat als het alleen maar Spielerei is geweest en zo ja: zou dat, in deze beroerde, beroerende tijden, erg zijn?

De band slaagde waar menig leerkracht Duits faalde: ze maakte Goethes taal hip bij een breed publiek, overigens zonder het ranzige randje te verwijderen dat er na Twee Wereldoorlogen en de Holocaust onherroepelijk aan kleeft. Als de mannen van Rammstein iets kunnen, dan is het wel met symbolen en dus betekenissen spelen.

Ze doen dat met zo’n branie dat het niet anders kan of de betekenissen gaan wel eens hun eigen leven leiden. Zo reminisceerde de centrale stalen toren boven het podium voor een ingezetene van dit land letterlijk én figuurlijk aan de Ijzertoren, wat een bevreemdend effect opleverde toen er aan het begin van de show een digitale Belgische vlag aan werd gehesen.  Als ze het hadden geweten, hadden ze er vast om gelachen: nationalisme is altijd één van hun favoriete speeltjes geweest.

Wie dus ergens in de show een Oekraïense vlag had verwacht, was eraan voor de moeite. Aan dat soort eenduidigheid hebben die van Rammstein een broertje dood.

Show, schreef ik. Het is een understatement voor een twee uur durend Gesamtkunstwerk met muziek, architectuur, toneel, film (inclusief aftiteling op het einde) en acrobatie – een spektakel dat nog het best kan worden omschreven met de term ‘immersief’. Er was geen ontkomen aan. Rammstein drong zich op langs alle zintuigen. De muziek was voelbaar tot in onze ingewanden, het vuur maakte van tattoeages brandmerken. We keken niet naar een spektakel. We werden er onderdeel van.

Ik dacht terug aan het boek ‘De barbaren’ van Alessandro Baricco. Dat verscheen al meer dan vijftien jaar geleden, maar ik las het pas onlangs. Daarin beantwoordt de Italiaanse auteur de vraag of de nieuwe generatie, die de oppervlakkigheid kiest boven de diepgang en snelheid boven traagheid, de ‘cultuurbarbaren’ zijn waarvoor velen hen verslijten. Zijn antwoord: de zogenaamde barbaren hebben gewoon een andere manier gevonden om met de dingen om te gaan. Mensen met kieuwen in plaats van longen, noemt hij ze. Eén van de kenmerken van hun benaderingswijze is de ‘spectaculariteit’. Die garandeert hen de versnelling waar ze naar op zoek zijn en die vermijdt dat ze tot stilstand komen. Met een metafoor: ze vermijdt dat de geworpen steen niet naar de diepte zinkt maar over de waterspiegel ketst – over almaar grotere oppervlakken. In het geval van Rammstein is dat een breed scala aan vormen en stijlen: metal, techno, gothic, Wagneriaanse opera, barok, art deco, het is een soep vol vette knipogen. Zo kan je die ‘oppervlakkigheid’ dus ook bekijken: als een onophoudelijke, intensieve, horizontale reis van betekenis naar betekenis, die voor elke reiziger een ander verhaal oplevert in variërende gradaties van politiek en ander fatsoen.

Podium, schreef ik. Het is een eufemisme voor een pop up van een installatie die er nu eens uitzag als een old skool olieraffinaderij inclusief affakkelingsinstallatie, dan weer als een scène uit een strip van Blake & Mortimer, met zanger Lindemann in de rol van de sardonische slechterik Olrik. Zanger, acteur, performer: het liefst is hij zijn eigen paradoxale zelf, de dienstweigeraar die met een vlammenwerper te keer gaat, de ex-DDR-burger die de draak steekt met totalitaire taal door er schaamteloos mee te stoeien. En het werkt. Als er iets is waar totalitairen een hekel aan hebben, is het dubbelzinnigheid en de onzekerheid die ze met zich mee brengt. Geen wonder dat ze in Wit-Rusland niet meer mogen optreden.

Daar, denk ik, ligt de kracht van Rammstein. Lindemann en co bewegen zich voortdurend in niemandslanden, spelen een geraffineerd hinkelspel tussen pathos en melodrama, pyrotechniek en pyromanie, het poëtische en het prozaïsche, het platte en het verhevene, bombast en subtiliteit, het utopische en het distopische, kunst en kitsch, verheerlijking en parodie, links en rechts, ironie en cynisme, droom en nachtmerrie, links en rechts en vooral de schemergebieden daartussen. Alle vloeien ze in elkaar over, zoals de kleuren in een schilderij van Mark Rothko. Er valt geen vinger op te leggen waar de ene ophoudt en de ander begint en nog minder uit te leggen waarom het geheel zoveel meer aanspreekt dan elke veeg apart.

Mark Rothko, zonder titel (Guggenheim, Bilbao)

Vast staat dat het de overgangsgebieden en twijfelwerelden zijn die intrigeren en fascineren. Niet  het voorspelbare en vast omlijnde dat, in deze vloeibare tijden, al lang niet meer tot onze ervaringswereld behoort. Daarom denk ik dat wat wij vorige week in Oostende veel meer beleefden dan zomaar een spektakel ‘over the top’. Wat we hoorden, zagen en voelden was de tijdsgeest aan het werk, bevrijdend en beklemmend tegelijk. Boem Paukeslag. Paul Van Ostaijen schreef het honderd jaar geleden al: ‘alle begrippen vallen’.

Vorige week vielen ze niet alleen. Ze vielen ook uit elkaar. In het opwarrelende stof herkenden we hem als een donderslag bij heldere hemel: de tijdsgeest. Of de Zeitgeist, jawohl.

Het heeft geen zin om er vandaag nog naar op zoek te gaan. Er vliegen weer vliegtuigen over De Nieuwe Koers. De wijkbewoners wrijven zich de oren uit. Welke is nu de echte wereld?

Maison m’as-tu vu?

Geplaatst op

Met de uitbreiding van het spoorwegennet en, meer nog, met de intrede van de automobiel werden veel gevels die tot dan blind waren geweest plots zichtgevels. Ze werden de uitgelezen dragers voor reclame. Eerst voor olie- en benzinemerken en automerken – Panhard, Citroën, Simca, Hotchkiss -, lees ik in ‘Hartstochtjes’ van Kees van Kooten, daarna voor aperitieven, chocolade, koekjes en babyvoeding.

In Frankrijk vind je er hier en daar nog de relicten van en net zoals van Kooten durf ik er dan al eens voor aan de kant te gaan staan. Zoals laatst in de Franse Ardennen, waar ik dit mooie exemplaar aantrof. Voor Dubonnet nog wel, het favoriete drankje van Queen Elisabeth II én haar moeder.

Het betreft dus een gevel met koninklijke allures.

Let op het spook…

Maar ‘koninklijk’ betekent nog niet ‘royaal’. Het is een fabeltje dat de eigenaars van zo’n reclamegevel daarvoor rijkelijk werden vergoed.

Van Kooten had een gesprek met een voormalige pignoniste (letterlijk: ‘gevelaar’) en die is formeel: ‘Geen sou, kregen die mensen. Weet u hoe het ging? Een ploegje pignonistes slenterde met een meneer van het reclamebureau een tijdje rond tot ze laten we zeggen de vier geschiktste blinde muren hadden gevonden en dan zeiden ze tegen de huiseigenaren dat die muur er niet best uitzag en dat ze niet vreemd moesten opkijken als daar vandaag of morgen vocht doorheen kwam slaan, tenzij hij nu snel werd overgeschilderd en dat zij dat karweitje wel wilden klaren, voor niks. En dan gaf bijna iedereen zijn toestemming. Ja, als het om een Dubonnet-reclame ging dan kregen ze wel eens een litertje cadeau van het partijtje weggeefflessen achter in de schildersauto (…). (…) maar de meeste Fransen hoefden er niks voor te hebben, dat was het gekke! Die mensen waren veel te trots op hun muur met reclame, want daarmee onderscheidde hun huis zich van de rest en kon je het al aan het begin van het dorp herkennen.’ (blz. 73)

De kwaliteit van de verf was in ieder geval dik in orde: vele decennia later onderscheiden die huizen zich inderdaad nog altijd van de rest.

  • Meer lezen? VAN KOOTEN KEES, Hartstochtjes, De Bezige Bij, Amsterdam, 2012, 217 blz.