RSS feed

Categorie archief: Amusement

Maison m’as-tu vu?

Geplaatst op

Met de uitbreiding van het spoorwegennet en, meer nog, met de intrede van de automobiel werden veel gevels die tot dan blind waren geweest plots zichtgevels. Ze werden de uitgelezen dragers voor reclame. Eerst voor olie- en benzinemerken en automerken – Panhard, Citroën, Simca, Hotchkiss -, lees ik in ‘Hartstochtjes’ van Kees van Kooten, daarna voor aperitieven, chocolade, koekjes en babyvoeding.

In Frankrijk vind je er hier en daar nog de relicten van en net zoals van Kooten durf ik er dan al eens voor aan de kant te gaan staan. Zoals laatst in de Franse Ardennen, waar ik dit mooie exemplaar aantrof. Voor Dubonnet nog wel, het favoriete drankje van Queen Elisabeth II én haar moeder.

Het betreft dus een gevel met koninklijke allures.

Let op het spook…

Maar ‘koninklijk’ betekent nog niet ‘royaal’. Het is een fabeltje dat de eigenaars van zo’n reclamegevel daarvoor rijkelijk werden vergoed.

Van Kooten had een gesprek met een voormalige pignoniste (letterlijk: ‘gevelaar’) en die is formeel: ‘Geen sou, kregen die mensen. Weet u hoe het ging? Een ploegje pignonistes slenterde met een meneer van het reclamebureau een tijdje rond tot ze laten we zeggen de vier geschiktste blinde muren hadden gevonden en dan zeiden ze tegen de huiseigenaren dat die muur er niet best uitzag en dat ze niet vreemd moesten opkijken als daar vandaag of morgen vocht doorheen kwam slaan, tenzij hij nu snel werd overgeschilderd en dat zij dat karweitje wel wilden klaren, voor niks. En dan gaf bijna iedereen zijn toestemming. Ja, als het om een Dubonnet-reclame ging dan kregen ze wel eens een litertje cadeau van het partijtje weggeefflessen achter in de schildersauto (…). (…) maar de meeste Fransen hoefden er niks voor te hebben, dat was het gekke! Die mensen waren veel te trots op hun muur met reclame, want daarmee onderscheidde hun huis zich van de rest en kon je het al aan het begin van het dorp herkennen.’ (blz. 73)

De kwaliteit van de verf was in ieder geval dik in orde: vele decennia later onderscheiden die huizen zich inderdaad nog altijd van de rest.

  • Meer lezen? VAN KOOTEN KEES, Hartstochtjes, De Bezige Bij, Amsterdam, 2012, 217 blz.

Parkeervlek

Mijn vakantiefoto’s zien er soms wat anders uit dan die van andere mensen. Beroepsmisvorming heet dat. Al kan je het ook een gebrek aan selectieve blindheid noemen.

Ooit was ik ook zo’n fotograaf die moeite deed om alles wat lelijk was – en geparkeerde auto’s waren daar vaak bij – angstvallig buiten beeld te houden opdat het landschap of monument er op z’n voordeligst uit sprong.

Tegenwoordig fotografeer ik zelfs wat er niet meer is.

Al is er hier, bij nader inzien, meer te zien dan alleen maar een verdwenen boom. De natuurlijke luchtzuivering maakte plaats voor systematische bodemverontreiniging.

Met de ‘niet-plaats’ of ‘non-lieux’, een door de Franse socioloog Marc Augé gemunte term, wordt een plek bedoeld die eigenlijk geen plek meer is, bij gebrek aan eigenschappen die haar onderscheiden van een andere. Shoppingcentra en luchthavens zijn klassieke non-lieux: drop er iemand en de betrokkene zal niet weten waar hij of zij zich bevindt. Ook veel parkeerplaatsen zijn eigenlijk parkeer-niet-plaatsen.

Al zal de cynicus opmerken dat de vlek van deze niet-plaats opnieuw een plek maakt: “Zoals deze olievlek is er maar één. In Reims!”

Een streepje Ster-reclame

Het was maar een klein berichtje in De Standaard. Allicht daardoor dat het er drie keer in stond. De redactie zal er zelf over gekeken hebben.

Nochtans was het groots nieuws: niets minder dan de aankondiging van een potentieel ‘product van het jaar’. ‘Nu al?’ hoor ik u denken.

Bewaar die gedachte gerust voor een andere keer. Want het betreft een jaar dat al even voorbij is. In Autoland komt de waarheid nu eenmaal altijd met vertraging, we schreven het al zo vaak.

Deze keer is het Mercedes dat ons verrast. Blijkt dat een hele reeks modellen van het Duitse prestigemerk de onhebbelijke gewoonte hebben om in brand te vliegen. Meestal op een moment dat dit niet past, natuurlijk.

De terugroepactie – volgens Bild zou het over zo’n 800.000 exemplaren gaan, maar Mercedes zelf is even de kluts en/of de tel kwijt – zal ook met wat vertraging gebeuren. Noodgedwongen, bij gebrek aan de noodzakelijke wisselstukken.

Ontdek de ster…

Mercedes riep z’n klanten dan maar op om het gebruik van de auto te beperken ‘tot het absolute minimum’ en ‘zeer voorzichtig’ te rijden. Als dat geen vooruitgang is, dan weet ik het ook niet meer.

Nu alleen nog Mercedes en haar klanten aan het verstand brengen dat deze bijsluiter ook zonder brandgevaar van toepassing is.

Op de rooster

In ‘Weg van mobiliteit’ legde ik het omstandig uit. Steden, dorpen, plekken zijn in essentie verhalen. Als het goed is, zijn het lasagnes van verhalen: de ene verhaallaag bovenop de andere.

Hoe meer lagen, hoe interessanter – met Rome als hoogtepunt (het kan geen toeval zijn dat lasagne Italiaans is). Hoe minder lagen hoe saaier, tot de plaats een niet-plaats wordt, wat de Franse antropoloog Marc Augé een ‘non-lieu’ noemde: de plaats zonder eigenschappen, die daarmee ophoudt een plaats te zijn. Denk aan anonieme verkavelingswijken, onderling verwisselbare luchthavens, identieke tankstations langs autosnelwegen, identiteitsloze shoppingmalls overal ter wereld.

Goeie ontwerpers kunnen hier het verschil maken. Zie de luchthaven van Bilbao of het World Center Transportation Hub in New York. Toevallig, maar natuurlijk ook niet toevallig, allebei van Calatrava. Zijn projecten hebben de reputatie onbetaalbaar te zijn, maar gelukkig is het eindresultaat dat meestal ook.

De luchthaven van Bilbao (Spanje)
World Center Transportation Hub in New York

Niet dat we altijd ontwerpers nodig hebben. Soms heeft het verhaal aan zichzelf genoeg. Voor een voorbeeldje blijven we in New York. We begeven ons naar Lexington Avenue en houden halt ter hoogte van 52nd Street. Daar bevindt zich een ventilatierooster van de metro waar nog dagelijks volk naar komt kijken.

Ik kan dat weten. Ik ben er zelf naar gaan kijken. Om vast te stellen dat het metrorooster maar een metrorooster is. Of wacht, juist niet: het is het rooster waarop op 15 september 1954 ene Marilyn Monroe onder massale belangstelling en voor de lens van tientallen fotografen en de camera van Billy Wilder haar zomerjurk zwoel liet opwaaien. Zogezegd door een voorbijrijdend metrostel. In werkelijkheid door een zwoegende windmachine. It’s all in the mind: het beeld werd iconisch.

Ter plaatse is er vanzelfsprekend niks meer van te zien. Zie de foto: er is alleen een rooster. En af en toe een vrouw die een flauwe poging tot imitatie waagt. Zinloos, want de windmachine is er ook niet meer. Toch komen we er voor van heinde en verre. We staan er bij en kijken er naar.

Wie er over nadenkt, bergt meteen alle smalende opmerkingen over vrome bedevaarders op. Hij of zij realiseert zich: in beide gevallen heet het mechanisme ‘genius loci’, de geest van de plek.

De ene keer neemt die de vorm aan van een maagd in een koningsblauwe mantel, de andere keer die van een sekssymbool in witte jurk. Of de verschijning nu Maria heet of Marilyn, telkens is hij de onzichtbare driver van verplaatsingen.

Tot slot, voor wie de vergelijking maar niks vindt, nog een weetje over de jurk van Monroe. In 2011 werd die verkocht op een veiling in Beverly Hills voor 5,6 miljoen dollar. ‘Als een relikwie van een heilige,’ noteert Connie Palmen.

*Bron: PALMEN CONNIE, De zonde van de vrouw, Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse boek, 2017, blz. 10-24

Wat heeft mobiliteit met Flamenco te maken?

Alles natuurlijk. Want mobiliteit heeft met alles te maken. En alles heeft met mobiliteit te maken. Daarom zijn goeie mobiliteitsadviseurs, -schepenen en -ministers in de ogen van hun collega’s ook zo’n ettertjes: die moeien zich met alles, die zien overal verbanden.

Een veel voorkomende fout: mensen die denken dat de mobiliteitsprofessional niet aan het werk is. In werkelijkheid is hij àltijd aan het werk.

Maar de Flamenco dus. Voor wie geen aficionado is, een kleine opfrissing met dank aan Wikipedia: ‘Flamenco is een muziekgenre en een bijbehorende dans afkomstig uit de zuidelijke provincies van Spanje. Kenmerkend voor deze muziekvorm zijn de soms Arabisch aandoende klanken, de uitbundige muzikale versieringen rondom het thema en het sterke ritme binnen een twaalftelssysteem.’

Om te beginnen is er Jan Gehl, de oude wijze goeroe van veel mobiliteits- en ruimtegespuis en vader van het succesverhaal dat Kopenhagen geworden is. Jan heeft een prachtige definitie van ‘goede publieke ruimte’. Die is als een goed feestje, zegt hij, je blijft er langer dan je van plan was.

Passen we die toets toe op de oude stad van Sevilla, dan doorstaat ze die met glans. Het verblijf in de publieke ruimte is er vaak zo kwalitatief dat het letterlijk een feestje wordt. En dan hoort daar Flamenco bij – we zijn tenslotte in Andalusië.

Dat is dus één verband, want goeie publieke ruimte krijg je natuurlijk alleen als je het gemotoriseerde verkeer onder de knoet hebt.

Waar is dat feestje? Hier is dat feestje!

Er is nog een verband. Daarvoor duiken we even in de geschiedenis van de Flamenco. Ooit werd Flamenco beschouwd als een typische uiting van ‘volkscultuur’, weinig hoogstaand en verfijnd – een beetje ordinair zelfs. Bijgevolg beperkte Flamenco zich heel lang tot de sfeer van familie- en privéfeesten. Daar kwam langzaam verandering in door toedoen van de eerste buitenlandse toeristen. Geïnspireerd door de verhalen van de ‘Romantische Reizigers’ uit de 18e en 19e eeuw (rijkeluiszoontjes die kennelijk niet geactiveerd hoefden te worden en hun tijd vulden met een zogenaamde ‘Grand Tour’ langs Rome, Toscane, Firenze, Napels en vaak ook Griekenland) trokken die op reis naar Spanje en toonden er interesse voor de cultuur van de gewone mensen.

Die ‘gewone mensen’ waren niet van gisteren en roken een kans. Met het ontstaan van Cafés Cantantes, muziekcafés zeg maar, werd de Flamenco aan het eind van de 19e eeuw voor het eerst uit de privésfeer gehaald. Artiesten konden zich aan een betalend publiek presenteren en tot professionals ontwikkelen.

Met het ontstaan van het massatoerisme, de vrucht van nieuwe mobiliteitsmogelijkheden, kreeg de Flamenco nog meer bekendheid, om uiteindelijk de wereldbekendheid te bereiken die hij nu heeft – want die definitie van Wikipedia hierboven had u natuurlijk niet nodig. Ook ik ben niet van gisteren.

Besluit: zonder toerisme zouden wij de Flamenco nooit hebben gekend. Sterker nog: zonder mobiliteit zou de Flamenco nooit zijn geweest wat hij nu is.

  • Bron: DECLERCQ GUIDO, Naar Andalusië op het ritme van Flamenco, Borgerhoff & Lamberigts, Antwerpen, mei 2017, 248 blz.

Jeu de boules

De mens is een spelende mens. Een homo ludens. Altijd bezig met weddenschappen, wedstrijdjes, spelletjes allerhande. In de krant kijken we eerst naar de sportpagina’s om te zien wie er gewonnen heeft, daarna vullen we de sudoku en het kruiswoordraadsel in en als de spanning ons te veel wordt kijken we naar de lotto-uitslagen.

Op televisie is het van Blokken hier en de Mol ginder. De ene kwis loopt het andere mystery game voor de voeten, behalve als er voetbal is.

Op de trein verdrijven we de tijd met Candycrush, Tetris (Blokken zonder Ben Crabbé) of Patience.

Aan het verkeerslicht hebben we geen woorden nodig om te snappen dat de persoon naast ons ook als eerste aan de overkant wil zijn en dus is ‘groen!’ het startschot voor een minisnelheidswedstrijd. Of we nu met de auto zijn of met de fiets.

De mens is een homo ludens. Dat wist ik. Dat weet ik al jaren.

Tegelijk kende ik de spelregels van weer een ander populair spel waaraan we ons op vakantie in Frankrijk hetzij vergapen hetzij vergrijpen.

En toch heeft het tot vandaag geduurd voor ik één plus één wist op te tellen tot het onvermijdelijke twee.

Het gebeurde op de begraafplaats van Lommel, een prachtig groendomein met een, sorry, brandnieuw crematorium van de hand van a2o-architecten. Er is daar een parkeerplaats van heb-ik-jou-daar, die vandaag vol lege plaatsen lag.

Toch presteerden enkele automobilisten het om, niettegenstaande ze voorbij het hek aangewezen zouden zijn op de benenwagen, vlakbij de toegang te parkeren. Had de beheerder er niet strategisch een bloembak geplaatst, de toegang zou vakkundig dichtgeparkeerd zijn geweest.

En toen, plots, eindelijk, begreep ik het: automobilisten beschouwen autorijden als een vorm van jeu de boules, waarbij hun auto de ‘boule’ is en de bestemming de ‘cochonnet’. Het komt er simpelweg op aan zo dicht mogelijk bij de bestemming te parkeren. Wie het dichtstbij staat, is gewonnen.

Ik kon me wel voor het hoofd slaan dat ik dit nooit eerder had beseft. Zo wordt heel veel op het eerste gezicht vreemd gedrag opeens perfect begrijpelijk.

En veel minder ergerlijk bovendien, want het is allemaal maar een spelletje.

De Renaultrijder heeft gewonnen. (Logisch: Franse auto’s hebben bij jeu de boules een natuurlijke voorsprong.)

Zweedvoeten

In een vorig blogje had ik het over de Zweedse attitude op de weg. De gemiddelde Zweed pakt het aanstekelijk ontspannen aan op de weg.

Maar zoals altijd en overal zijn er ook in Zweden mensen die overdrijven.

Het afgebeelde model is een Benen Met Wielen

Voor wie z’n ogen niet gelooft:

Wakker worden in een rustige bibliotheek

“Verkeerslawaai is de trigger voor nogal wat geestelijke gezondheid-issues (slaapstoornissen, stress en depressie), maar leidt ook tot een verhoogd risico op dementie.” las ik deze week in een (Engelstalige) tweet van ingenieur-architect (en nog wel wat) Jens Aerts.

Aerts is een verstandig man, vrees ik.

Ik dacht er aan toen ik enkele dagen geleden ’s ochtends vroeg opstond om de één kilometer verderop gelegen E313 met een portie dubbele beglazing het zwijgen op te leggen. Als de wind slecht staat, hebben wij het genoegen vanuit ons bed mee te mogen genieten van de horizontale Niagarawaterval die de verkeersstroom dan is.

Stroomafwaarts de E313 hebben ze een andere lastenmix: minder lawaai, meer muur

Meestal leggen we er ons letterlijk en figuurlijk bij neer. Deze keer nam mijn echtgenote haar smartphone en activeerde ze haar pas geïnstalleerde decibelmeter. Ze gebaarde me het raam weer open te zetten. Onmiddellijk begreep ik haar plan. Muisstil, om de verdachte niet argwanend te maken en niet te verleiden tot abnormaal gedrag, zetten we ons op de rand van ons bed. Ademloos keken we naar de objectieve kwantificering van de dementie-veroorzakende overlast die ons beroofd had van onze dromen.

Het resultaat verraste ons. Niet alleen omdat de score slechts 50 decibel was. Maar vooral omdat de makers van de app zo vriendelijk waren geweest om mensen die niet vertrouwd zijn met de logaritmische schaal van een geluidsmeter een indicatie te geven van wat dat nu eigenlijk betekent. Op het display verscheen een kwalificatie die ons trof als een meedogenloos oordeel: ‘Quiet library’. Niks geen Niagarawaterval, een rustige bibliotheek! Stiller nog dan een ‘quiet office’.

Er zat niets anders op. Verbouwereerd greep ik naar het boek naast mijn bed.

“Ssst,” zei mijn vrouw, “sluit het raam nu eens.” Zoals steeds deed ik wat mij gevraagd werd. “Kijk!” zei ze. De decibelmeter ging in vrije val. Er verscheen een nieuwe kwalificatie: ‘Whisper, quiet room’.

Teleurgesteld legde ik mijn boek weer weg en sliep nog een uurtje verder.

De boekencel

Terwijl wij onnadenkend al onze telefooncellen op de schroothoop van de geschiedenis kieperden, dachten ze elders eerst even na. Over een nuttige herbestemming bijvoorbeeld.

Met resultaat. In het DDR-tijdperk kon je in Rohstock de cel invliegen omwille van een boek. Dat was dan van moetens. Dankzij de herbestemming kan je dat vandaag nog altijd doen, maar dan van willens.

Duitse humor is iets bijzonders.

Voor de fijnproevers: let op de dwarsligger. Of beeld ik me die maar in?

De traagheid vieren

“Hej hej”, zei ze. De Zweedse freule betrapte me bij het bewonderen van haar slagschip: een Chevrolet Impala, geboortejaar 1959 en pas geïmporteerd vanuit de US. Ze kon de belangstelling wel waarderen en beantwoordde gewillig mijn vragen. Hoeveel dat ding verbruikte? Ze mompelde iets van “15 liter”. Het was duidelijk dat ze het liever in het ongewisse liet. Wat haar zo aantrok in deze manier van verplaatsen? Ze haalde haar schouders op. “Just cruising,” zei ze, “having fun, listening to music and annoying everyone else.” Ze grijnsde hartveroverend ondeugend.

Als er al ergernis werd opgewekt, dan had ik daar onderweg weinig van gemerkt. De meeste Zweden houden altijd keurig afstand, ook als hun voorligger aan de trage kant is. Dat komt vaker voor dan je zou denken: zeker in het weekend deinen de Amerikaanse sleeën uit fifties en sixties in grote getale over de Zweedse wegen. Het is een heuse subcultuur: in de winter eraan sleutelen, in de zomer over de wegen wiegen. Af en toe zagen we ze samenklitten bij tankstations, de amechige Chevrolets, Mercury’s, Fords, Chryslers, Cadillacs, Buicks, Oldmobiles en Nashes en hun frisse inhoud: jongelui die de traagheid vierden in een zee van gevleugeld chroom.

Hoewel Belg, ergerde ik me er niet aan. Integendeel. Als ik al de neiging had om te gaan bumperkleven, was dat om merk en model te verifiëren. Mijn echtgenote kreeg het overigens behoorlijk op haar zenuwen van mijn enthousiasme. Telkens ik ‘kijk, kijk dan!’ riep, meende ze eindelijk die langverwachte eland te zien te krijgen. Quod non.

Eigenlijk werkte het cruisen best aanstekelijk. Het is verbazend ontspannend als je alleen maar afstand moet houden tot je voorganger, zelfs als het snelheidsregime harmonicagewijs varieert van 40km/u (in elk gehucht) over 50, 60, 80 en, heel uitzonderlijk, 110 km/u. Niks, geen ergernis. Integendeel: genieten.

Toen ze vernam waar wij vandaag kwamen, vertelde een dienster in een restaurant over de goede herinneringen die ze had overgehouden aan ons land. “Maar,” voegde ze er aan toe, “als ik toch één minpuntje mag aanstippen: jullie rijden als gekken.” Ik ontken niet dat ik niet ontkende.

Of de Zweden dan zo’n voorbeeldige chauffeurs zijn? Jawel. Al zijn er natuurlijk de spreekwoordelijke uitzonderingen die de regel bevestigen. Op de snelweg naar Göteborg werden we één keer voorbijgevlamd door een spiksplinternieuwe Mustang. Hij had een gepersonaliseerde nummerplaat: “IAMLATE”.

Voor één keer aanvaardden we het excuus.