RSS feed

Tagarchief: doorstroming

J’étais Charlie

Wie de media een beetje heeft gevolgd, zal zich weinig verbazen over de luwte in dit hoekje van het internet. Ik had en heb eventjes andere katten te geselen.

Een (deels) nieuwe job sinds 1 september aan de Hogeschool PXL in Hasselt, een manuscript dat dringend moet worden afgewerkt (voorziene publicatiedatum: februari 2022) en – last but not least – wat media-aandacht waardoor ik zelf wat meer aandacht aan de media moest geven.

Allicht hebben velen onder u mijn relaas gelezen in hetzij De Standaard of Gazet van Antwerpen (alleen de foto’s verschilden) hetzij Humo.

Tot in Spanje werd er reclame voor gemaakt…

Aanleiding was de vermijdbare dood van twee kinderen in de Lange Leemstraat in Antwerpen: doordat de verkeerslichtenregeling er werd aangepast in functie van een betere doorstroming voor het autoverkeer was het mogelijk dat én een zware vrachtwagen én de overstekende kinderen groen licht kregen. In vakjargon: de conflictvrije verkeerslichtenregeling werd gedeeltelijk niet-conflictvrij gemaakt.

Wat volgde was een potje zwartepieten van de Antwerpse schepen voor mobiliteit Koen Kennis (N-VA). 

Hij waste zijn handen in onschuld door te insinueren dan wel formeel te beweren dat de wijziging er gekomen was

  • op vraag van het nabijgelegen ziekenhuis (waardoor het plots om doorstroming van hulpdiensten zou zijn gegaan, niet van gewone automobilisten): het ziekenhuis ontkende onmiddellijk.
  • buiten zijn medeweten was doorgevoerd (‘het is natuurlijk niet zo dat ik van elke wijziging van verkeerslichtenregeling op de hoogte wordt gebracht’): het voorstel van wijziging werd met het kabinet van de schepen besproken, wat gelukkig in een verslag werd vastgelegd.
  • als gevolg van een technische procedure, waardoor de wijziging van de regeling werd voorgesteld als een ‘objectieve’ technische kwestie in plaats van als een subjectieve politieke keuze. Wat ze natuurlijk niet is: er waren wel degelijk meerdere opties en dus was de keuze voor één bepaalde maatregel een politieke aangelegenheid.  
  • door een beslissing van ‘medewerkers’, versta: ambtenaren van de afdeling mobiliteit. Partijgenoot Michaël Freilich herhaalde dit in een aantal kranten nog eens met zoveel woorden: ‘Het was trouwens geen politieke beslissing om dat kruispunt niet conflictvrij te maken, dat was een technische overweging van de administratie die gebeurde op basis van metingen.’ Dit werd door niemand tegengesproken. Niet omdat het waar zou zijn, wel omdat (tegenwoordig niet langer vastbenoemde) ambtenaren niet in de positie zijn ‘hun’ schepen publiek tegen te spreken. De echte ‘cancelculture’ wordt nu eenmaal niet beoefend door linkiewinkies, maar door mensen in machtsposities…

Een vertegenwoordiger van die medewerkers mocht het dan ook nog eens gaan uitleggen op een persconferentie, waar de schepen onder meer liet optekenen dat hij uit het drama niets geleerd had: ‘we zouden opnieuw hetzelfde doen’.

(Tussendoor zij opgemerkt dat de stedelijke eindverantwoordelijke inzake veiligheid, burgemeester De Wever, al die tijd oorverdovend zweeg. Het duurde een week vooraleer de burgemeester er het eerste woord aan vuil maakte.)

Op dat punt had mijn verontwaardiging haar kookpunt bereikt. Toen verschillende mensen me er op wezen dat ik me in de unieke positie bevond dat ik ontslagnemend was (en dus als enige geen represailles meer hoefde te vrezen) én geïnformeerd over de werkelijke gang van zaken én over de nodige mediacontacten beschikte, was het duidelijk: ik had de morele plicht hierover te communiceren. Niet voor de omgekomen kindjes – voor hen was het te laat – maar voor alle mogelijke volgende slachtoffers, was het belangrijk om de buitenwacht te informeren: dit ongeval was het resultaat van politieke keuzes, niet van ambtelijke keuzes, en het kon er komen doordat in de stad Antwerpen een cultuur is ontstaan waarbij (mobiliteits)experten systematisch de mond worden gesnoerd, zodat alternatieve pistes niet meer worden overwogen.

Dit was minder vanzelfsprekend dan het misschien lijkt. Sommigen zouden me zeker wegzetten als een rancuneus iemand die na z’n jobwissel nog even wat gaat natrappen. Eerlijk waar: ik heb toch nog wat dagen getwijfeld of ik het wel zou doen.

Een zekere naïviteit die ik toch nog altijd heb weten te bewaren gaf uiteindelijk de doorslag. Wat zou het mooi zijn mocht schepen Kennis na mijn interview staalhard ontkennen dat de adviezen van ‘zijn’ ambtenaren politiek gestuurd werden. Dat hij, met andere woorden, zou zeggen: ‘mijn ambtenaren zijn natuurlijk wel vrij om in eer en geweten en met inzet van hun hele expertise adviezen te formuleren’.

In dat geval hadden mijn ex-collega’s voortaan met de krant in de hand onafhankelijke adviezen kunnen schrijven.

Helaas deed Koen Kennis niet eens de moeite om mij ongelijk te geven. Zijn reactie was even laconiek als cynisch: ‘zo werkt het systeem nu eenmaal’. Zo was de evolutie van ‘het primaat van de politiek’ naar ‘de primaten van de politiek’ ook officieel afgerond.

Ook al was het resultaat niet het verhoopte, toch ben ik blij deze démarche gedaan te hebben.

Na publicatie van de interviews kreeg ik, behalve een handvol afwijzende (doorgaans anonieme) reacties, vooral heel veel instemmende reacties:

  • van mensen die nu begrepen dat de lichtenregeling ook een andere lichtenregeling had kunnen zijn
  • van ex-collega’s van de stad Antwerpen, maar ook van ambtenaren (mobiliteit, milieu, omgeving, planning, gezondheid,…) van overal te lande en van verschillende niveaus (gemeenten, provincies, Vlaamse overheid) die zich herkenden in mijn wedervaren

Des te erger is het dat ik sindsdien vanuit vele hoeken werd gecontacteerd, maar niet door die van de vakbonden. Kennelijk zijn ambtenarenvakbonden wel wakker als het over barema’s en weddeschalen gaat, maar niet als het gaat over de democratie en de rol die de ambtenaar daarin moet spelen.

Als ik vandaag dus al ergens in teleurgesteld ben, dan is het daarin.

Ooit waren wij allemaal Charlie. Vandaag zijn we vooral gechareld.  

Shiften, shifte, geschift

De gratis krant De Zondag bracht dit weekend een interview met de Vlaamse minister van volksgezondheid. Een stukje daaruit wil ik u niet onthouden.

“Hoe wil u het gigantische obesitasprobleem oplossen?”

“Dat is een en-en-verhaal. Enerzijds stimuleren we de shift naar gezondere voeding en voldoende afwisseling in het menu. Dat moet zorgen voor minder gewicht op de weegschaal. Anderzijds investeren we grote bedragen in onze infrastructuur. We voorzien daarvoor dit jaar miljarden, een groot deel daarvan voor bijkomende banketzaken en goed bereikbare, overkapte snoepautomaten waarvoor we een contract hebben vastgelegd voor de komende vijftig jaar. We focussen bij onze investeringen op meer voedselveiligheid, slimme dieetformules en een vlottere bediening voor fastfoodadepten.”

Vreemd? Ik geef het toe. Eigenlijk stond er iets anders. Feitelijk was het een interview met de Vlaamse minister van mobiliteit. Maar ik denk dat ik eigenlijk wel las wat er stond.

Oordeel zelf:

“Hoe wil u het gigantische fileprobleem oplossen?”

“Dat is een en-en-verhaal. Enerzijds stimuleren we de shift naar duurzaam vervoer en combimobiliteit. Dat moet zorgen voor minder wagens op de weg. Anderzijds investeren we grote bedragen in onze infrastructuur. We voorzien dit jaar meer dan 5,5 miljard euro daarvoor. Oosterweel bijvoorbeeld: dat is goed voor 3,1 miljard. We focussen bij onze investeringen op meer verkeersveiligheid, conflictvrije kruispunten, slimme verkeerslichten en betere doorstroming.”

Huisarrest

Toen ons land vorige vrijdag niet in een onafzienbare verkeerschaos stortte, was de teleurstelling welhaast unaniem.

Ons was een verschrikkelijke sneeuwstorm beloofd met alles wat daar normaal gesproken bijhoort: kettingbotsingen, slippartijen, vrachtwagens in schaar, gevallen fietsers en voetgangers, files zonder begin en zonder einde.

In de plaats daarvan kregen we een perfecte doorstroming met vlot rijdend verkeer en capaciteit op overschot. Dat viel tegen, want de meesten hadden zich thuis voor de buis geïnstalleerd, zich verkneukelend in een overdosis verkeersellende en een kijkfile vanuit de luie zetel. Helaas, de witte sneeuw bleef uit en daarmee dus ook de zwarte. Daar ging dat heerlijke gevoel de dans te zijn ontsprongen.

Sneeuwval

De weersvoorspellers hadden zich vergist – een mogelijkheid die inherent is aan voorspellingen, anders hadden we ze wel aankondigingen genoemd. Daardoor waren alle getroffen voorzorgsmaatregelen zonder voorwerp geworden en dus gingen wij verongelijkt zitten pruilen als burgermannetjes die netjes hun brandverzekering hebben betaald en zich nadien bekocht voelen omdat het huis niet is afgebrand.

We staken de draak met mijn naamgenoot-de-minister die zo vermetel was geweest preventief op te roepen om thuis te werken. Als politici nu ook al vooruit beginnen te denken, welke zekerheden hebben wij dan nog?

Met onze a posteriori-wijsheid weten we zijn gedrag aan een onbehandelde sneeuwneurose en noemden we zijn voorzichtigheid ‘roekeloosheid die de economie miljoenen heeft gekost’. Inderdaad, voorzichtigheid heeft het nadeel dat het na een goede afloop altijd overbodig lijkt te zijn geweest. De appreciatie ervoor is dan ook navenant.

Behalve een gebrek aan dankbaarheid, was er ook en vooral verontwaardiging en regelrechte boosheid. Terecht, wat mij betreft. Tenslotte hield de minister ons thuisblijvers een spiegel voor met daarin een ongemakkelijke waarheid: als wij niet naar de file gaan, is er helemaal geen file. Of anders gezegd: als het al die andere dagen wél file is, dan is dat onze verantwoordelijkheid en schuld.

Het was dan ook meer dan verdiend, dat huisarrest.

Hoffelijkheid en haar grenzen

Geplaatst op

De voorbije dagen was er nogal wat te doen over de aanbevelingen van het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid (BIVV) aan het adres van zowel automobilisten als fietsers. Ongetwijfeld zijn ze goed bedoeld, maar ze getuigen vooral van een sterk voorruitperspectief, zoals Dirk De Doncker aantoonde op zijn steeds sterker wordende blog.

Zo roept het BIVV automobilisten op om “hoffelijk” te zijn en niet op het fietspad te parkeren – wat uiteraard niets méér is dan het naleven van de wet. Omgekeerd worden fietsers opgeroepen om “bij druk verkeer” achter elkaar te fietsen om het verkeer niet te hinderen.

Een oproep waaruit we leren dat “verkeer” voor het BIVV nog altijd “autoverkeer” is en dat fietsers een probleem zijn voor de vlotte afwikkeling van dat verkeer – en dus geen deel van de oplossing.

Bovendien vraag het BIVV fietsers hier afstand te doen van hun wettelijk recht om binnen de bebouwde kom naast elkaar te fietsen.

Niet dat er iets mis mee is met het verzoek om een recht niet uit te oefenen. Zo’n vraag zou ik bijvoorbeeld logisch vinden aan het adres van rechtdoor rijdende automobilisten wanneer fietsers op een verkeerslichtengeregeld kruispunt linksaf willen slaan. Eerst die fietsers doorlaten, zodat ze niet onbeschermd tegen ongeduldig achteropkomend autoverkeer in het midden van een kruispunt moeten staan wachten, dàt is hoffelijk. Maar de wetgeving is recent zelfs zo aangepast dat het ‘afgeven’ van je voorrang wettelijk niet eens meer mag. Handig voor de verzekering achteraf, maar het dient niet altijd de verkeersveiligheid.

Wat echter vooral stoort in de oproep om “bij druk verkeer” achter elkaar te fietsen is de asymmetrie (fietsers moeten inboeten, van automobilisten wordt alleen het minimum verlangd) én de complete negatie van het sociale karakter van fietsen – of is het een perfide omkering ervan? Een praatje maken met een medefietser of je kind fysiek afschermen is dan plots niet meer sociaal maar het tegendeel ervan, want in het nadeel van de automobilisten. Dat die automobilisten meestal alleen zitten in hun brede cocon, daaraan wordt domweg voorbijgegaan. Een alternatief advies van het BIVV aan de automobilisten zou kunnen zijn: neem bij “druk verkeer” de fiets. En als het niet anders kan dan met de auto, wat kan, kijk even of je niemand een lift kan geven. Dat verkeersveiligheid en een modal shift richting volhoudbare vervoersmodi nauw met elkaar verbonden zijn, werd de voorbije week treffend geïllustreerd door de hoopgevende ongevallencijfers in Gent. Sedert de invoering van het mobiliteitsplan daar, nam het totale aantal ongevallen er af met 29,8%, het aantal ongevallen met zwaargewonden met 25%. Het zou mooi zijn mocht iemand, behalve de maatschappelijke opbrengst, daar ook eens de tijdswinst van berekenen. Tenslotte is dat voor de aanhangers van de Kerk van de Doorstroming toch altijd de ultieme toetssteen.

En over doorstroming gesproken. Van de week was ik (met vier in de auto, op de terugweg van een heelkundige ingreep in het ziekenhuis – laat ik maar even anticiperen op de commentaren) zelf even een stuk van de avondfile in Mol. Daar heeft het gemeentebestuur borden geplaatst met de tekst ‘Sta je stil? Geef fietsers de ruimte’. Dat is niet alleen een fietsvriendelijkere variant op de BIVV-campagne maar ook een impliciete erkenning dat fietsers in de spits gewoon de file voorbijrijden.

De Molse oproep tot hoffelijkheid bleek, zoals uit mijn snapshot mag blijken, overigens maar een beperkt succes te hebben: voor fietsers bleef het slalommen tussen de links en rechts stilstaande stalen harnassen, terwijl het inademen van de diesel- en benzinewalmen natuurlijk gewoon onvermijdelijk was.

Opdrachtje voor de critici van het Gentse mobiliteitsplan: tel het aantal mensen in deze “drukke” straat.

Al bij al doet ook deze campagne denken aan de wanhoopsslogan van de tabaksindustrie enkele jaren voor het rookverbod er kwam: “Roker of niet-roker? Geen belang, zolang je maar hoffelijk blijft.” Het had natuurlijk wél belang en niet alleen voor de rokers zelf. Niet-rokers werden door de keuze van de anderen de factor rokers, zij het passieve.

De, ongetwijfeld al evenzeer goedbedoelde, oproep van het Molse gemeentebestuur is dan ook een sympathieke poging om met een appèl op individuele keuzes geen beleidskeuzes te hoeven maken.

Maar uitstel is zelden afstel. Fietsers zijn de passieve rokers van het verkeer.

“Slimme” verkeerslich-ten

Deze diashow vereist JavaScript.

In ‘De File Voorbij’ deed ik er al een boekje over open: de tegenwoordige manie om technologie met het adjectief ‘slim’ te bedenken. Zelfs slimme mensen, zoals professoren van de KU Leuven toch mogen verondersteld worden te zijn, bezondigen zich eraan.

Chris Tampère breekt vandaag in De Standaard een lans voor ‘slimme’ verkeerslichten: die kunnen zorgen voor meer wegcapaciteit en zo de wachttijden (die soms aanleiding geven tot ‘congestie’ of  ‘filevorming’) inkorten. Klinkt eenvoudig. Bedrieglijk eenvoudig. Want zo’n optimalisatie van de lichtenafstelling om de doorstroming te bevorderen is natuurlijk niet waardenvrij. Ze is een keuze. De tijd die je aan de ene weggebruiker geeft, neem je immers af van de andere. Je kan de hoofdstroom bevorderen, maar dat betekent dat de oversteekbaarheid voor de mensen die links en rechts van de weg wonen afneemt. Betere doorstroming voor de ene is dus tegelijk slechtere doorstroming voor de andere. Toegegeven: je kan dit milderen door met detectiesystemen te werken of groen op aanvraag mogelijk te maken.

Maar dan nog is er een andere kant van de medaille. Doorstroming is immers één ding, veiligheid een ander. In Nederland heeft men op vrijwel alle kruispunten gekozen voor een conflictvrije regeling, dit wil zeggen dat linksafslaande voertuigen de rechtdoorgaande stroom uit de andere richting niet kruisen. Resultaat: tientallen doden en zwaargewonden minder. Uitgedrukt in gewonnen levensjaren een zee van tijd waarbij de gewonnen seconden bij de niet-conflictvrije regelingen in het niet vallen. Alleen moet je dan veiligheid boven doorstroming durven verkiezen – iets waar politieke moed voor nodig is: een ongeval dat niet gebeurt is minder tastbaar dan stilstaan in een wachtrij die er wel degelijk is. Jammer dat professor Tampère daar niks over zegt en de indruk wekt dat zo’n slimme verkeerslichten het ei van Columbus zijn.

 Trouwens, de man blijkt het impliciet alleen over auto’s te hebben. Over de klachten van voetgangers (die wegen met meerdere rijstroken vaak in twee keer moeten oversteken en sowieso minstens één keer en soms twee keer moeten wachten wanneer ze linksaf willen) of fietsers (idem dito + totaal ontbreken van groene golven die afgestemd zijn op fietssnelheid), daarover lees ik niets. Integendeel, de prof suggereert om hier en daar uitvoegstroken toe te voegen (“afname van het tijdsverlies van 10 tot zelfs 50%”), maar vermeldt bijvoorbeeld niet dat de oversteekafstand (en dus de oversteektijd) daardoor voor fietsers en voetgangers toeneemt. En om het plaatje helemaal compleet te maken: Tampère doet alsof congestie altijd en overal een slechte zaak is. Terwijl we intussen weten dat congestie een heilzame rol kan spelen om mensen voor andere vervoersmodi dan de auto te doen kiezen.

Besluit: zo’n verkeerslichtenregeling mag slim lijken, ze ziet nogal wat onbedoelde gevolgen domweg over het hoofd.