RSS feed

Tagarchief: Marc Augé

Parkeervlek

Mijn vakantiefoto’s zien er soms wat anders uit dan die van andere mensen. Beroepsmisvorming heet dat. Al kan je het ook een gebrek aan selectieve blindheid noemen.

Ooit was ik ook zo’n fotograaf die moeite deed om alles wat lelijk was – en geparkeerde auto’s waren daar vaak bij – angstvallig buiten beeld te houden opdat het landschap of monument er op z’n voordeligst uit sprong.

Tegenwoordig fotografeer ik zelfs wat er niet meer is.

Al is er hier, bij nader inzien, meer te zien dan alleen maar een verdwenen boom. De natuurlijke luchtzuivering maakte plaats voor systematische bodemverontreiniging.

Met de ‘niet-plaats’ of ‘non-lieux’, een door de Franse socioloog Marc Augé gemunte term, wordt een plek bedoeld die eigenlijk geen plek meer is, bij gebrek aan eigenschappen die haar onderscheiden van een andere. Shoppingcentra en luchthavens zijn klassieke non-lieux: drop er iemand en de betrokkene zal niet weten waar hij of zij zich bevindt. Ook veel parkeerplaatsen zijn eigenlijk parkeer-niet-plaatsen.

Al zal de cynicus opmerken dat de vlek van deze niet-plaats opnieuw een plek maakt: “Zoals deze olievlek is er maar één. In Reims!”

Op de rooster

In ‘Weg van mobiliteit’ legde ik het omstandig uit. Steden, dorpen, plekken zijn in essentie verhalen. Als het goed is, zijn het lasagnes van verhalen: de ene verhaallaag bovenop de andere.

Hoe meer lagen, hoe interessanter – met Rome als hoogtepunt (het kan geen toeval zijn dat lasagne Italiaans is). Hoe minder lagen hoe saaier, tot de plaats een niet-plaats wordt, wat de Franse antropoloog Marc Augé een ‘non-lieu’ noemde: de plaats zonder eigenschappen, die daarmee ophoudt een plaats te zijn. Denk aan anonieme verkavelingswijken, onderling verwisselbare luchthavens, identieke tankstations langs autosnelwegen, identiteitsloze shoppingmalls overal ter wereld.

Goeie ontwerpers kunnen hier het verschil maken. Zie de luchthaven van Bilbao of het World Center Transportation Hub in New York. Toevallig, maar natuurlijk ook niet toevallig, allebei van Calatrava. Zijn projecten hebben de reputatie onbetaalbaar te zijn, maar gelukkig is het eindresultaat dat meestal ook.

De luchthaven van Bilbao (Spanje)
World Center Transportation Hub in New York

Niet dat we altijd ontwerpers nodig hebben. Soms heeft het verhaal aan zichzelf genoeg. Voor een voorbeeldje blijven we in New York. We begeven ons naar Lexington Avenue en houden halt ter hoogte van 52nd Street. Daar bevindt zich een ventilatierooster van de metro waar nog dagelijks volk naar komt kijken.

Ik kan dat weten. Ik ben er zelf naar gaan kijken. Om vast te stellen dat het metrorooster maar een metrorooster is. Of wacht, juist niet: het is het rooster waarop op 15 september 1954 ene Marilyn Monroe onder massale belangstelling en voor de lens van tientallen fotografen en de camera van Billy Wilder haar zomerjurk zwoel liet opwaaien. Zogezegd door een voorbijrijdend metrostel. In werkelijkheid door een zwoegende windmachine. It’s all in the mind: het beeld werd iconisch.

Ter plaatse is er vanzelfsprekend niks meer van te zien. Zie de foto: er is alleen een rooster. En af en toe een vrouw die een flauwe poging tot imitatie waagt. Zinloos, want de windmachine is er ook niet meer. Toch komen we er voor van heinde en verre. We staan er bij en kijken er naar.

Wie er over nadenkt, bergt meteen alle smalende opmerkingen over vrome bedevaarders op. Hij of zij realiseert zich: in beide gevallen heet het mechanisme ‘genius loci’, de geest van de plek.

De ene keer neemt die de vorm aan van een maagd in een koningsblauwe mantel, de andere keer die van een sekssymbool in witte jurk. Of de verschijning nu Maria heet of Marilyn, telkens is hij de onzichtbare driver van verplaatsingen.

Tot slot, voor wie de vergelijking maar niks vindt, nog een weetje over de jurk van Monroe. In 2011 werd die verkocht op een veiling in Beverly Hills voor 5,6 miljoen dollar. ‘Als een relikwie van een heilige,’ noteert Connie Palmen.

*Bron: PALMEN CONNIE, De zonde van de vrouw, Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse boek, 2017, blz. 10-24