RSS feed

Tagarchief: verdichting

2022: ‘Mag het iets meer zijn?’

Een nieuw jaar, een lege emmer om opnieuw te vullen?

Was het maar waar. Mentaal kunnen we ons emmertje leeggieten (niet vanzelfsprekend, maar een wandeling en een goed boek kunnen wonderen doen), maar met het emmertje van de wereld is dat een stuk moeilijker. En helaas is dat al aardig vol. Van de negen planetaire grenzen die de aardwetenschapper Johan Röckstrom in 2009 in Nature benoemde, zijn er drie overschreden (de opwarming van de aarde, het verlies aan biodiversiteit, de stikstofkringloop) en drie bijna overschreden (de oceaanverzuring, de waterschaarste, het landgebruik). Van twee hebben we voorlopig te weinig gegevens om er een uitspraak over te doen (chemische verontreiniging, aërosolen in de atmosfeer), maar de jongste onthullingen over pakweg PFOS zijn niet direct bemoedigend.

Hoopgevend tegen de achtergrond van al dit slechte nieuws is dat de enige grens waarbij we ons binnen een veilige marge bevinden, degene is waar we ons sinds de jaren negentig van vorige eeuw collectief voor inzetten: die van de ozonlaag. Als we er samen onze schouders onder zetten, kan er véél.

De eerste stap om een probleem op te lossen, is dat het herkend en erkend wordt als een probleem. Wat dat betreft is vorig jaar een cruciaal jaar geweest. De zomer van 2021 maakte alvast de klimaatverandering ook bij ons tastbaarder dan ooit. Meer nog: ze maakte ook pijnlijk duidelijk hoe ze onlosmakelijk is verbonden met alle andere planetaire grenzen, inbegrepen de tiende, noodzakelijk voor het vredevol voortbestaan van onze soort: die van de sociale rechtvaardigheid.

Nu de overgrote meerderheid de problemen (h)erkent, kunnen we vol gaan voor de oplossing ervan. Zoals zo vaak begint die niet met de juiste antwoorden, maar met de juiste vragen.

Bijvoorbeeld:

Hebben we meer e-commerce nodig?

Meer nacht- en weekendwerk?

Meer goedkope werkkrachten?

Meer computerchips?

Meer wegen en beton?

Meer zeldzame aarden?

Meer auto’s?

Meer goedkope vluchten?

Meer macht voor investeerders en overheden om snel projecten te realiseren?

Meer export en meer import?

Meer pijpleidingen?

Meer grijs?

Meer consumenten?

Meer fiscale gunstregimes voor farmaciebedrijven, voor stervoetballers, voor autofabrieken…?

Moeten we meer stationsloketten sluiten in naam van meer efficiëntie?

En ook:

Hebben we meer handen nodig in de zorg?

Meer betaalbare woningen?

Meer bevrijde tijd?

Meer democratie?

Meer speelruimte voor kinderen?

Meer natuur en meer groen?

Meer rust en stilte?

Meer sociale contacten?

Meer openbaar vervoer?

Meer omgevingen waar kinderen zich veilig kunnen verplaatsen?

Meer circulaire economie?

Meer lokale productie en lokale handel?

Meer burgers?

Meer warme weken?

Meer diensten en winkels met mensen die ons echt kunnen helpen?

Meer ontharding, meer verzachting, meer verdichting en meer verluchting?

Om maar te zeggen: de vraag hoeft er geen te zijn van ‘meer of minder’, laat staan van meer moeten of mogen.

De vraag kan ook zijn ‘welk meer’ we eigenlijk willen.

Mijn wens aan u, aan ons, voor 2022: laat ons meer ‘omdenken’.

We gaan er meer aan hebben dan gewoon hetzelfde te blijven denken.

Laat de Blue Deal geen blauwtje lopen

Vandaag verscheen er onder de titel ‘Waterbeleid zoekt zijn weg’ een stuk van mijn ‘partner in crime’ architect Tim Vekemans en mezelf in De Standaard. Het gaat over de Blue Deal van minister Demir en hoe de voorbeeldfunctie daarin de rode draad zou moeten zijn. Te beginnen bij het dossier van de Groene Delle in Limburg. Voor wie (nog) niet geabonneerd is op De Standaard, volgt hieronder de integrale bijdrage.

Waterbeleid zoekt zijn weg

Lieven Sioen stelde de vraag of het dossier ‘Groene Delle’ onderdeel zal worden van de nieuwe Blue Deal van de Vlaamse Regering (DS 29.07.2020). Het zou een retorische vraag moeten zijn. In Limburg zijn er nog voldoende grondreserves voor industrie en er is geen objectieve reden waarom de Vlaamse regering de eigen beleidsdoelstellingen zou moeten verloochenen. Integendeel. Als minister Demir de ‘Groene Delle ‘ spaart als nat natuurgebied heeft ze de gedroomde mascotte voor haar Waterplan beet.

Twee jaar geleden schreven we een opiniebijdrage onder de titel ‘Waar een wil is kan een weg weg’ (DS 21.3.2018). Eerlijk: de geesten rijpten sneller dan wij durfden hopen. Maar of de Blue Deal meer wordt dan een voornemen, staat of valt met de medewerking van de steden en gemeenten. Dan is het ernstig nemen van de eigen voorbeeldfunctie een must.   

Trendbreuk

Hoe snel het nu ook gaat, de Blue Deal komt niks te vroeg. Behalve over corona ging het de laatste maanden over droogte- en hitterecords, dreigende tekorten aan drinkwater, overstromingen bij piekonweders en de versnellende afname van de biodiversiteit. Meer verharding betekent niet een beter maar een harder leven. Het verband tussen de symptomen van het ‘teveel’ (versleten infra, wateroverlast, hitte-eilandeffect) en die van de ‘tekorten’ (natuur, open ruimte, verkoeling, water) wordt almaar duidelijker.

Terecht verplicht de minister de gemeenten om een ‘Hemelwaterdroogteplan’ op te maken tegen 2024. Het zet ontharding als thema op de agenda en dwingt besturen er over na te denken. Het helpt dat de minister 75 miljoen euro reserveert voor concrete projecten en nog meer middelen in het vooruitzicht stelt.

Wordt dit de trendbreuk in ons ruimtegebruik waar we al jaren naar op zoek zijn? Mentaal alvast wel. Niemand beweert nog dat ontharding een fetisj is van verdwaasde ecologisten. In de praktijk is het nog afwachten. Als de ‘Groene Delle’ voor de Vlaamse Regering zelf al geen vanzelfsprekendheid is, wat mogen we dan verwachten van de andere overheden?

Ontkokering

Met plannen alleen komen we er niet. De kans is reëel dat ontharding dan als een gadget wordt beschouwd dat als het pas (of geld) geeft eens uit de kast wordt gehaald.

We moeten vermijden te blijven steken in ‘windowdressing’ en dat het verplichte Hemelwaterdroogteplan een nieuw voorbeeld wordt van onze Vlaamse ‘afvinkcultuur’:  “We hebben een goedgekeurd plan, we zijn in orde. Terug naar Business As Usual.” We zagen het eerder gebeuren bij mobiliteitsplannen en ruimteplannen. Veel gemeenten ondergingen de ‘planlasten’ en liepen domweg de lusten mis.

De Blue Deal hoort geen statisch plan te worden. Wel een dynamische filosofie die vanaf nu elk (bouw)project bezielt. Dat kan door telkens een verhardingsbalans toe te voegen: voor elke nieuwe verharding zal bestaande moeten verdwijnen. Denk aan de boscompensatieregeling, maar dan minder virtueel: stel je voor hoe het nieuwe project in de dorpskom een gat zou slaan in het lint er naartoe…

Zoals water overal zijn weg zoekt, zo zal een goede Blue Deal alle beleidsdomeinen overspoelen. In het onderwijs is de ontharding van speelplaatsen nu al een trend, met positieve effecten op het welzijn van de leerlingen. We kunnen onze scholen nog meer coronaproof maken door lokale parken en dorpstuinen in te schakelen.

Meer ruimte voor bomen (opslag CO2, schaduw, beschutting) geeft het klimaatbeleid een boost. Het hergebruik van breekmaterialen wordt vanzelfsprekend door een uitgekiend recyclagebeleid.

Binnen het stedenbouwkundig beleid moet ontharding het uitgangspunt vormen voor kernversterking. Weerstanden tegen verdichting kunnen weggewerkt worden met extra groene en blauwe publieke ruimte. Waterbeleid is ten gronde grondbeleid. 

Corona als kans

De 300 Vlaamse gemeenten krijgen er jaarlijks gemiddeld één kilometer weg bij. Een stijgende curve die we, in actuele termen, best zo snel mogelijk afvlakken en ombuigen om financieel niet kopje onder te gaan: we komen vandaag al niet toe met ons ‘onderhoudsgeld’.

De doorbraak van het thuiswerk verschuift onze mobiliteitsbehoeften van woon-werk- naar recreatieve verplaatsingen. Daardoor is er meer nood aan wandelpaden, trage wegen en fietswegen.  De kaarten voor meer mobiliteit met minder (brede) wegen lagen nog nooit zo goed. Een nieuwe verbeelding van hoe een weg er uitziet kan dit proces faciliteren – weg van het cliché dat een straat een stuk verharding is dat overal even breed en grijs is. “Karrensporen” en plattelandswegen met groene uitsparingen waar gemotoriseerd verkeer niet noodzakelijk overal kan kruisen, zijn een prikkelend perspectief. De vervanging van parkeernormen door mobiliteitsnormen maakt zowel geld als ruimte vrij voor de zachte alternatieven. Ontharding heeft ook een figuurlijke component.

In elk mobiliteitsplan zal een hoofdstuk ‘ontharding’ moeten staan. Denk aan de potentie om de verkeersveiligheid te verhogen door overgedimensioneerde kruispunten en te brede, tot snelheid ‘uitnodigende’, straten aan te pakken. De lijst van kansen is lang.

De voortuinreconquista

Terecht ziet de minister belangrijke beleidsinstrumenten in waterscans en een meldingsplicht voor wie water oppompt. Maar vooral de gemeenten zullen een sleutelrol spelen. Op korte termijn kunnen we resultaten boeken met de vergroening van opritten en voortuinen. Door de perverse regel af te schaffen die mensen dwingt hun garage achteraan op het perceel te zetten. Door van de ‘voortuinreconquista’ een lokaal en wervend project te maken door vraag en aanbod samen te brengen: degenen die opkijken tegen het extra groenonderhoud enerzijds en degenen die op zoek zijn naar een speeltuin voor hun groene vingers. Het maakt de Blue Deal concreet, zichtbaar en begrijpbaar.

Maar éérst dus die rode kaart van de Groene Delle vermijden.

Kris Peeters, lector PXL Limburg Afdeling Verkeerskunde en Mobiliteit en peter van het RE-MOVEproject

Tim Vekemans, architect (RE-ST) en lid van team RE-MOVE dat werkt aan een methodiek voor ontharding van gemeentewegen

Wie verlucht de verdichting?

Vandaag verscheen er een opiniebijdrage van Tim Vekemans en mezelf in De Standaard. We schreven ze als leden van onze lokale Gecoro, omdat we denken dat wat we in Herentals vaststellen niet wezenlijk verschilt van wat er elders gebeurt. En zou kunnen gebeuren.

Hieronder onze bijdrage in extenso – in De Standaard viel er een, wat mij betreft: belangrijke, passage weg over de Vervoersregio’s.

Lier (16)

Zijn lokale overheden helemaal overgeleverd aan de (on)wil van de Vlaamse regering of kunnen ze zelf het heft in handen nemen?

“Recent maakten academici en planologen een balans op van de staat van onze ruimtelijke ordening.

Achteromkijkend zagen ze een woekerende stedenbouw, die de facto vooral een plattelandsbouw is. Vooruitkijkend zagen ze een Vlaamse regering die de noodzakelijke bouwshift onbetaalbaar maakt en het gewestplan als aanjager van verdere verrommeling ongemoeid laat. Maar is dat reden voor pessimisme?

CARNAVAL VOOR DE VASTEN

De woonproductie in Vlaanderen draait inderdaad op volle toeren. De officiële verdichtingsdoelstelling functioneert als een vrijbrief voor stapel-gekke architectuur. Dat levert, voorlopig toch nog, veel financiële winst op en weinig ruimtelijke kwaliteit. Laat staan dat het aanbod beantwoordt aan de woonwensen. Veel jonge koppels willen wel degelijk in de stad wonen. Op voorwaarde dan wel dat er een kleine tuin is. Maar in de praktijk is van het verdichten met de voeten op de grond nauwelijks sprake.

Als leden van de Herentalse Gemeentelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening (Gecoro) spreken we uit ervaring. De afgelopen jaren zagen we hoe ons provinciestadje piekte in de interesse van de vastgoedsector. Niet onlogisch, gelet op de lokale troeven: industrie, diensten, natuur, een goed bediend pendelstation, een snelweg – we hebben het allemaal. Projectontwikkelaars en kandidaatbouwers gaan van minder likkebaarden.

Een inventaris van de projecten leert ons dat wij de vorige legislatuur een woonaanbod hebben besproken dat, rekening houdend met de verwachte en gewenste demografische groei, volstaat om tegemoet te komen aan de woonbehoefte voor de volgende vijftig jaar. Tachtig procent van dat geplande aanbod zijn appartementen. Zonder tuin dus. Een betaalbaar woonaanbod dat kan concurreren tegen de landelijk gelegen vrijstaande woning is niet in zicht. We zijn dus bezig de leegstand van morgen te bouwen. Iedereen weet dat de vasten er aan komt, maar in afwachting vieren we carnaval.

BOUWPAUZE

In de nieuwe legislatuur lijkt de dossierstroom niet te vertragen. Kennelijk warmt niet alleen het klimaat op. Ook de vastgoedmarkt doet dat. Bij gebrek aan overzicht en coördinatie. Of bij ontstentenis van planning en beleid, zo u wil.

Dat is niet typisch voor onze gemeente. Evenmin is het zo dat de beleidsmakers de bui niet zien hangen.

Maar door in vergunningswetgeving gebetonneerde tijdsdruk worden ze in de achtervolging gedwongen. Tijd om na te denken over kwaliteitseisen of een instrumentarium om de ontwikkelingen in de gewenste richting te duwen is er niet.

Daarom trokken enkele gemeenten recent aan de noodrem. Toen het kleine Wuustwezel enkele jaren geleden dreigde te verdrinken in de grote bouwdossiers, kondigde het een ‘bouwpauze’ af. Vandaag volgt Malle dit voorbeeld en ook in onze eigen gemeente gaan er stemmen op voor een ‘time out’. Moedig en bepaald disruptief in een tijd die geobsedeerd is door het vermijden van ‘tijdverlies’.

Maar meer tijd nemen kan ook tijdswinst betekenen: tijd om twee keer na te denken, de markt een beetje te laten afkoelen en de geesten te laten rijpen – zowel aan de aanbod- als aan de vraagzijde.

Het effect zou trouwens nog groter zijn mochten meer gemeenten dit voorbeeld volgen. Van concurrenten die vandaag tegen elkaar worden uitgespeeld zouden ze plots collega’s in ruimtelijke planning worden. Misschien kunnen de nieuwe Vervoersregio’s hiervoor als platform dienen? Tenslotte zijn de ruimtelijke ontwikkelingen van vandaag de mobiliteitsproblemen van morgen – en als we het goed doen: de mobiliteitsoplossingen.

WAT WE ZELF DOEN…

De groep mensen die niet meer dan 400 à 700 euro per maand kan spenderen aan zijn woonbehoefte groeit gestaag. In Vlaanderen wonen bijna evenveel mensen in een sociale woning als er op de wachtlijst staan. Voor meer dan 155.000 gezinnen is het aanbod in de immo-etalages financieel niet haalbaar. En het wordt niet beter. Tegen 2060 zal naar verwachting de helft van de Belgen alleenstaand zijn en moeite hebben met zijn woonfactuur. Huurmarkt, koopmarkt en huisvestingsmaatschappijen slagen er onvoldoende in aan die vraag te voldoen. En het beleid slaagt er niet in ze te corrigeren.

Schijnbaar onderschatten lokale beleidsmakers hun eigen mogelijkheden. Nochtans kunnen ze ook zelf ruimte maken voor betaalbare woningen. Bijvoorbeeld door eigen gebouwen en goed gelegen gronden te ontwikkelen. In overleg met kerkfabrieken en andere lokale (grond)eigenaars wordt dat perspectief nog groter.

Ze zouden het verdichten binnen het bestaande areaal kunnen stimuleren, zoals het herbestemmen of opsplitsen van onderbenutte gebouwen en woningen. En verder kunnen ze ook werk maken van de opschaling van wat intussen bekend staat als het ‘begijnhofmodel’: wonen via erfpacht met overdracht naar erfgenamen. Stuk voor stuk initiatieven die zouden resulteren in een woonaanbod dat beter beantwoordt aan de feitelijke woonwens. Zonder te botsen met betaalbaarheids- en duurzaamheidseisen.

LUSTENFONDS

Wij zijn niet naïef. Verdichten kost geld. Geld waarover de lokale overheden niet beschikken. Flankerend aan de verdichting  moeten er mobiliteitsmaatregelen worden genomen. Er moeten parken en dorpstuinen aangelegd worden en overbodige verhardingen en nutteloze gebouwen gesloopt. Enzovoort. De lijst van noodzakelijke aanpassingen aan onze publieke ruimte is lang. De rekening ook. Die moet dringend worden gedeeld. Het opdrijven van dichtheden kan niet enkel in de private kassa verzilverd worden.

Maar dat dit een heikele kwestie is, is zeker. Niet voor niets gaf de Vlaamse regering forfait.

Maar wat als we dit nu eens beschouwden als een geluk bij een ongeluk? Net bij de lokale overheden komen alle lasten en lusten samen en worden ze dus ook aan den lijve gevoeld.

Stel dat de door de overheid doorgerekende lasten niet zouden verdwijnen in een anonieme Vlaamse begroting, maar lokaal zouden verschijnen als door elkeen waarneembare lusten. Zou het draagvlak dan niet groter worden?

Een lokaal ‘Lustenfonds’ zou de verluchting kunnen financieren die met elke verdichting moet samengaan.

Zo’n verschuiving van een cultuur waar burgers, overheden en ontwikkelaars soms verbeten strijd leveren naar één waarin ze samen bouwen aan de steden en dorpen van morgen. Het zou in deze tijden van polarisatie voorwaar een verademing zijn.

 

Verdichting vroeger en nu

‘Verdichting’. Het leek wel één de ‘buzzwoorden’ van het jaar 2018. Met dank aan de Vlaamse Bouwmeester die als een geseculariseerde missionaris Vlaanderen rondtrok om de boodschap te verkondigen.

Misbegrepen verdichting

De blijde boodschap, schreef ik ei-zo-na. Maar dat was ze alleen voor sommigen. Voor projectontwikkelaars bijvoorbeeld. Die zagen in de roep om een hogere densiteit een vrijgeleide om hun winsten op te drijven. Verdichting werd dan een excuus voor een gebrek aan kwaliteit: te veel bebouwde oppervlakte, te weinig open ruimte, te weinig privacy, de verwarring van compactheid met benepenheid. Te gemakkelijk ook werd verdichting vertaald als ‘hoogbouw’, zeg maar: het aanvankelijk verwachte rendement maal x verdiepingen. Kassa, kassa!

Hoogbouw is iets voor luie architecten,” schamperde Jan Gehl toen ik hem er eerder dit jaar in Brussel over bevroeg. Wat mij betreft heeft hij in de meeste gevallen een punt. Hoe hoger het gebouw hoe lager de kwaliteit, lijkt de regel te zijn.

Niet moeilijk dus dat de gemiddelde Vlaming geen hoge (sic) pet op heeft van verdichting. Voor hem is ‘verdichting’ nog altijd synoniem voor ‘met velen op een kluitje’ – inclusief alle ongemakken die daarbij horen.

Verdichting als oplossing

Als verontschuldiging roepen we vaak in dat ‘verdichting’ iets nieuws is en dat we er dus nog mee moeten leren omgaan.

Dat is niet terecht. Want in werkelijkheid is het fenomeen natuurlijk zo oud als het dorp en de stad.

IMG_0195

Namen/Namur

Eeuwenlang was een hoge dichtheid de stedenbouwkundige standaard. Uit noodzaak. Mensen kropen dicht bij elkaar omdat dit veiliger was (binnen de stadsomwalling), omdat de beschikbare bebouwbare oppervlakte beperkt was (eigendomsstructuren, geologische kenmerken), omwille van de nabijheid van drinkwater, voedsel en de mogelijkheid om goederen en diensten te verhandelen (korteketens, toen al!) of omdat men zich niet zomaar een eigen bouwsel kon veroorloven.

Arme rijken! 

Zelfs voor de rijken was een hoge densiteit ooit de normaalste zaak van de wereld. Nassim Taleb vestigt er in zijn jongste boek (‘Skin in the game’, Uitgeverij Nieuwezijds, Amsterdam) de aandacht op dat de overgedimensioneerde villa’s van de rijkelui  vandaag historisch gezien een anomalie zijn: “vroeger wemelde het in grote landhuizen van de bedienden, hoofdbedienden, butlers, koks, hulpjes, dienstmeisjes, privéleraren, berooide neven, paardenverzorgers en zelfs privémusici.” Het mocht dan misschien ‘losbouw’ zijn, er was veel volk.

Taleb ventileert zijn medelijden met de rijken die vandaag in zo’n landhuizen ‘moeten’ overleven: “(…) niemand komt je vandaag de dag troosten omdat je een landhuis hebt – maar weinigen zullen beseffen dat het geen pretje is om daar op een zondagavond te zijn.”

‘Verluchting’ als oplossing en nieuw probleem

Ironisch dus dat die vrijstaande bebouwing, als (nep)villa/landhuis of als appartementsgebouw, het modernistische antwoord was op alle nadelen waarmee de oude verdichting gepaard ging: lawaai, brandgevaar, hygiëne- en dus gezondheidsproblemen, stank, een gebrek aan licht, lucht en privacy… Verdichting werd beantwoord met ‘verluchting’. Licht, lucht, ruimte en functiescheiding waren het nieuwe devies.

Villabouw leidde tot open bebouwing, met als neveneffecten stadsvlucht, forenzenverkeer, files, lintbebouwing, verkeersonveiligheid en de versnippering van de open ruimte. Appartementsbouw leidde tot blokkendozen in desolate leegten, mooi groen op de maquettes, saai en zielloos in de werkelijkheid. De betonnen getto’s van de banlieue werden intussen zo wat het symbool van onherbergzaamheid.

Wat eens ‘de’ oplossing leek, bleek uiteindelijk een nieuw probleem.

De ‘closes’ in Edinburgh

Aan dat alles moest ik denken toen ik enkele weken geleden in Edinburgh (Schotland) was en er in de Old Town, links en rechts van de ‘Royal Mile’ (een aaneenschakeling van 5 straten) kennis maakte met de ‘Closes’.

De meestal achter een hek of deur verborgen binnenplaatsjes waar de verdichting ooit ondraaglijk moet zijn geweest, maar die vandaag, op luttele meters van winkels, pubs en andere voorzieningen, oases van rust én gezelligheid zijn in de drukke stad.

Wat ooit extreem onleefbare plekken moeten zijn geweest, zijn vandaag gegeerde woonlocaties – waardoor hier en daar de gentrificatie toeslaat onder de vorm van hotels en een duidelijke oververtegenwoordiging van de upperclass.

IMG_0109

Plaats voor groen, ontmoeten en spelen.

IMG_0107

Het feit dat de stad deels tegen een heuvel is gebouwd, wat het bouwtechnisch niet eenvoudiger maakt, werd omgeturnd tot een voordeel: niet zelden hebben gebouwen er aan twee verschillende zijden een ‘gelijkvloerse’ verdieping, elk op een ander niveau. ‘Hoogbouw’ krijgt daardoor vanzelf een menselijkere schaal. De closes komen wat mij betreft af en toe ‘close’ bij het ideale urbane wonen.

De conclusie? Soms worden oplossingen voor oude problemen niet alleen nieuwe problemen. Soms worden de oude problemen ook de nieuwe oplossing. In Edinburgh hebben ze het geluk (of het verstand?) gehad dat de modernistische kaalslag er niet heeft kunnen huis houden.

Moeilijke mensen

Misschien herinnert u het zich nog vaag. Vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen schreef ik een blogstukje getiteld ‘Waarover het morgen (bijvoorbeeld) gaat‘. Daarin hekelde ik het feit dat in mijn gemeente schijnbaar geen enkele kandidaat of partij klare wijn schonk over de vraag of er een ziekenhuis(parking) in de Netevallei zou moeten / mogen komen of niet. In de programma’s was het van ‘optimalisatie’ hier en ‘leefbaarheid’ daar. Heel verrassend, maar voor 10 oktober was er niemand die opkwam voor “minder natuur en meer beton”.

En toch is het dat wat we schijnbaar gaan krijgen.

Met het optrekken van het stof van de verkiezingen worden de contouren van de problemen opnieuw scherper. Gaan we nog eens bouwen in een waterziek gebied of hebben we iets geleerd uit het verleden en geven we de Nete de vallei waar ze recht op heeft?

Op het eerste participatiemoment was het antwoord van de aanwezigen, inclusief de eigenaars in het gebied, welhaast unaniem: dit gebied moet maximaal open blijven.

Beetje jammer dus dat er van dat eerste participatiemoment niet echt een verslag werd gemaakt. “Maar alles wat toen gezegd werd, hebben we meegenomen,” werd ons verzekerd op het tweede participatiemoment.

Oef!

Dat tweede moment kwam overigens niets te vroeg. Al op 19 december heeft er een zogenaamde plenaire vergadering plaats waarop het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (‘PRUP’) zal worden besproken.

Een wat sceptische burger zou de vraag kunnen opwerpen of zo’n participatieproces dan wel zinvol is, wetende dat zo’n ontwerp-PRUP niet in een paar dagen kan worden geschreven en getekend.

Een geïnformeerde burger zou het antwoord kennen: het ontwerp-PRUP was enkele dagen eerder al voor advies aan de verschillende adviesorganen bezorgd.

Maar hé, onwetendheid is een schone deugd. En dus werden de aanwezigen nog eens gerustgesteld: het kan nog alle kanten uit!

Daarna kreeg het ziekenhuis een ‘free podium’ voor dat waarover tijdens het vorige participatiemoment angstvallig werd gezwegen: het ziekenhuis is wel degelijk op zoek naar een nieuwe locatie en heeft daarvoor z’n oog laten vallen op de Netevallei.

De motivering luidde als volgt: 1) door een gebrek aan goede planning is het huidige ziekenhuis een typisch Vlaamse koterij geworden waar niemand nog kop of staart aan krijgt, 2) gezien het ziekenhuis operationeel moet blijven is de enig mogelijke remedie het bouwen van een nieuw (dubbel zo groot) ziekenhuis elders, 3) omwille van de nabijheid van het station (de mobiliteit, weet u wel) is de Netevallei de ideale locatie om te verdichten, met onder meer een parking voor 750 wagens, 4) met het oog op de belangrijke verbindingen voor de natuur wordt er “een ecologische corridor” voorzien.

Om het bovenstaande te kunnen decoderen, moet je al een beetje ‘mee’ zijn in het wereldje van de planners Voor wie niet tot dat gild behoort, doe ik het dus even: 1) het ziekenhuis is door een gebrek aan vooruitziendheid in de problemen gekomen en wil nu halsoverkop een oplossing voor die problemen (“ja, er zijn mogelijke alternatieve locaties, maar die gaan we vandaag niet onderzoeken”), 2) beetje vreemd dat een rationeler ontwerp uitmondt in een verdubbeling van de benodigde ruimte, 3) ‘verdichten’ moet hier begrepen worden als ‘inbreiden’ naar buiten, onder gewone mensen ook wel bekend als ‘uitbreiden’, 4) een ‘ecologische corridor’ is eigenlijk niets anders dan een ‘(door)gang’ voor de dieren en 5) (bonus): de duurzame bereikbaarheid van een plek als argument gebruiken om er een parking te kunnen inplanten is, euh, nogal absurd. Het eindresultaat zal dus een vlot met het openbaar vervoer bereikbare parking zijn.

Tijd om hierbij stil te staan, was er niet. Want nu was het hoog tijd voor, tadààà, participatie! We werden genood aan tafels met een mooie groen-blauwe kaart en kregen de opdracht om de piepschuimen staafjes en vlakjes er in te puzzelen.

Inspraak2

Ook hier burgerlijke ongehoorzaamheid: het ziekenhuis ingeplant buiten het projectgebied – Credits foto: Mattias Deboutte

Die staafjes en vlakjes stelden de verschillende ruimteclaims voor: woon- en ziekenhuisblokken, parkeerterreinen, voetbalvelden en volkstuintjes. Voor de ruimteclaims ‘natuur/open ruimte’ en ‘waterberging’ waren er geen puzzelstukjes.

Ik geef ruiterlijk toe: ik kon maar bij één groepje tegelijk zijn. Maar nadien hoorde ik van anderen dat het er in de andere groepjes ongeveer hetzelfde aan toe ging:

– “Wij willen niet dat er in het gebied gebouwd wordt.”

– “De opdracht is: de blokjes in het gebied plaatsen.”

– “Maar…”

– “De opdracht is: de blokjes in het gebied plaatsen.”

– “Ja, maar…”

– “Nee, de opdracht is: … “

Om een lang verhaal kort te maken: de immer constructieve burgers puzzelden morrend de blokjes op de kaart van het gebied. In de Netevallei verrezen woonblokken, een ziekenhuis met 750 parkeerplaatsen, een paar voetbalvelden en een handvol volkstuintjes. Ijverige medewerkers van de provincie maakten foto’s van deze creatieve resultaten van het inspraakproces. Het bewijs dat de burgers ook wel de wenselijkheid van een ziekenhuis in een riviervallei begrijpen! In kleur! Altijd mooi om toe te voegen aan het dossier voor de plenaire vergadering volgende week.

Aan onze tafel was het verzet wat hardnekkiger. We plaatsten de blokjes buiten het gebied, overkapten de spoorweg en de ringweg met volkstuintjes en verknipten wat piepschuimen staafjes tot blokjes om onze bewegingsvrijheid wat op te rekken.

Jawel, er zaten moeilijke mensen in ons groepje.

‘Betonstop’ versus ‘meer beton’

Tim Vekemans is architect-vennoot bij het architectuurbureau RE-ST dat een onderzoek voert naar de onderbenutting van onze weginfrastructuur onder de werktitel ‘wegweg.be’.  Behalve goede vrienden zijn we af en toe ook ‘partners in crime’. Hier resulteerde dat in een gezamenlijke opiniebijdrage en de eer voor mij om als ‘peter’ van het project te mogen optreden.

De tekst hieronder verscheen eerder deze week in een lichtjes andere vorm in De Standaard. De VRP gaf er ons de ‘Openruimtebeker’ van de maand mei voor.

Openruimtebeker

“Ruimtelijke ordening en mobiliteit zijn de jongste maanden niet uit de actualiteit weg te slaan. Files, verkeersonveiligheid, emissies, onbetaalbare woningen, de spanning tussen de ruimtelijke behoeften van natuur en economie… Bij nader inzien woedt er niet één debat. Het zijn er twee. In het ene debat wordt er een lans gebroken voor een switch van uitbreiding naar inbreiding, van verdunning naar verdichting. Alvast in woorden lijkt er over deze richting stilaan eensgezindheid te zijn. In het andere debat wordt er meer warm en koud geblazen. De ene dag wordt gekozen voor meer duurzame verplaatsingen met mobiliteitsvergoedingen en -budgetten, de andere dag worden miljardeninvesteringen in nieuwe wegcapaciteit aangekondigd. Niet eens zo vrij vertaald: ‘bestonstop’ versus ‘meer beton’.

Probeer ze niet te rijmen, dat lukt niet. Ruimtelijke ordening en mobiliteit zijn een Siamese tweeling. Het lot van de ene helft is verbonden met dat van de andere. Meer wegcapaciteit stimuleert ons om verder van ons werk te gaan wonen en langere afstanden af te leggen. Omgekeerd vereisen verkavelingen ver-van-alles-af meer wegcapaciteit. Mobiliteit en stedenbouw zonder ‘grenzen’ leiden tot stilstand, onleefbaarheid en onbetaalbaarheid. Dat is algemeen geweten, maar we willen het nog steeds niet geweten hebben. Daarom voeren we de ene dag een debat over mobiliteit, de andere over ruimtelijke ordening.

De rode draad in deze debatten is nochtans dezelfde: hoe doen we meer met minder? Het gaat om leren leven binnen een gegeven schaarste aan ruimte. Zoals het leven zelf, is dat een proces van oefenen en dus ook mogen falen. In het ruimtelijke debat is vandaag al een hele weg afgelegd. De vraag is niet langer of we onze ruimte anders moeten organiseren, maar hoe we dat moeten doen. Toch wordt de ruimtelijke verdichting nog te vaak gezien als een probleem van de gebouwde ruimte en dus als een louter stedenbouwkundige en architecturale kwestie.

Daarbij wordt de olifant in de kamer over het hoofd gezien: onze weginfrastructuur. Ook die zou een stevige verdichting kunnen gebruiken. Niet in de klassieke betekenis, want met 72.000 km wegen op 13.533km2 hebben we al ongeveer het dichtste wegennet ter wereld. In onze op groei gefocuste maatschappij weerhoudt het ons er niet van meer weginfrastructuur nog altijd te zien als een synoniem voor vooruitgang. Dus blijven we ‘investeren’ in de uitbreiding van ons wegennet, ook al slagen we er niet eens in dat behoorlijk te onderhouden. Zo morsen we met ruimte én met mobiliteit. Dat de eerste de beste mannetjeswolf die zich in onze contreien vertoont onmiddellijk doodgereden wordt, mag met nog slechts 3% tot confetti versnipperde natuur dan ook geen toeval heten, wél symbolisch.

Infrastructurele verdichting, in de zin van ‘meer mobiliteit met minder infrastructuur’, is de noodzakelijke pendant van de verdichting van onze gebouwde ruimte. En omgekeerd. Ons wegennet is systematisch overgedimensioneerd. In de praktijk betekent dat: meer verharding die geld kost en blijft kosten door onderhoud, verkeersonveiligheid, een problematische waterhuishouding, meer klimaatopwarming (want meer reflectie) en een gehypothekeerde verblijfskwaliteit. Wie het teveel aan wegverharding aanpakt, boekt winst op vele fronten. Hogere snelheden veronderstellen meer ruimte. Daardoor dient zich bijvoorbeeld een unieke kans tot ontharding aan met de verlaging van de snelheidsnorm op onze gewestwegen van 90 naar 70km/u en de geleidelijke veralgemening van de zone 30 binnen de bebouwde kom.

Wat als we het probleem eens herformuleerden: hoe kunnen we onze mobiliteitsbehoefte oplossen binnen de oppervlakte van de bestaande weginfrastructuur door ze anders en beter te benutten? Wat als we zouden beginnen met een kritische scan van het gebruik en de dimensionering van ons wegennet? Enkele eerste onderzoeken in samenwerking met architectuurstudenten in Limburg, in zowel steden als ruraal gebied, levert alvast veelbelovende resultaten op. Een ‘slimmer’ gebruik van wat we al hebben, of zelfs minder asfalt en beton, betekent minder verharding en dus meer ruimte die vrijkomt voor ander gebruik. Infrastructurele ‘verdichting’ kan leiden naar ‘verluchting’ en zo het maatschappelijk draagvlak voor de stedenbouwkundige verdichting verbreden. Denser wonen kan alleen kwaliteitsvol bij de gratie van een kwaliteitsvolle publieke en open ruimte.

Karrespooraanleg

Ook in Borgloon gingen ze al met ‘ontharding’ aan de slag…

Bezondigen wij ons aan wishful thinking? Niet echt. Het gebeurt immers al in de praktijk. Internationaal is er de ‘reclaim the streets’-beweging. In de steden zien we een groeiend draagvlak om straten niet enkel te reserveren voor verkeersfuncties. Dat resulteert in tal van nieuwe praktijken, gaande van speelstraten over schoolstraten naar fietsstraten tot leefstraten, tuinstraten, toekomststraten…Telkens wordt harde infrastructurele ruimte, hetzij tijdelijk hetzij definitief, teruggegeven aan meer zachte functies: spelen, ontmoeten, flaneren, wandelen, fietsen, sporten, natuur… Ook buiten de steden beweegt er wat. In het Kempische Kasterlee bijvoorbeeld gaat men nog een stap verder. Na intensief overleg met de buurtbewoners zal de Goorseweg, gelegen in waardevol bosrijk gebied, de komende weken herleid worden tot een tweesporenweg. De weg blijft er bruikbaar voor fiets en auto, maar dan met de helft minder beton. Het is een concept dat zowel buiten als binnen de stad toepasbaar is en kan helpen in de transitie naar een mobiliteitsontwikkeling die wegneutraal is tot, in sommige gevallen, een ‘wegweg’-effect. Sommige wegen kunnen we gerust geheel of gedeeltelijk teruggeven aan de natuur. Zonder aan mobiliteitscomfort in te boeten en met een bonus in de vorm van meer ruimtelijke kwaliteit. Zoals verdichting niet gaat over minder maar over meer woonkwaliteit, zo gaat ‘ontwegging’ niet over minder maar over meer mobiliteit.

Kijk even rondom u. Wedden dat u voorbeelden ziet van overgedimensioneerde en/of oneigenlijk gebruikte verkeersinfrastructuur? Zo zouden we om onze landbouwwegen veilig te maken en sluipverkeer te weren de mogelijkheden van ontharding kunnen ontdekken. Anders dan men intuïtief zou denken resulteert dit niet in minder maar in meer mobiliteit. Recente experimenten zoals dat in Bonheiden, waar landelijke wegen werden herbestemd tot een netwerk van fietsstraten, leverden spectaculair meer functioneel én recreatief fietsverkeer op. Bestemmingen die tot voor kort onbereikbaar waren voor kinderen omdat de weg er naartoe te onveilig was, zijn nu vlot bereikbaar. Resultaat: meer mobiliteit voor kinderen én voor hun ouders, die niet langer tot taxi-ouder gedegradeerd worden. Infrastructureel ‘opruimen’ levert dus ecologische, economische én sociale winst op.

Tot slot een laatste ‘wat als’-oefening. Stel u voor dat we binnenkort samen de ‘schup in de grond’ steken. Deze keer echter niet als voorbode van meer maar van minder beton. Hoe disruptief, innoverend, smart én consequent met de huidige ruimtelijke retoriek zou dat niet zijn?”

 

 

 

Betonstop

Geplaatst op

“Dus Schauvliege komt in het nieuws en niemand die haar met de grond gelijk maakt? Lijkt mij een primeur.Proficiat Joke.” Het was een tweet van ene Mohamed Oucamari en het geeft goed de sfeer weer die er tegenwoordig rond onze minister voor milieu hangt.

Dus heb ik maar eens een stukje gepleegd dat de minister steunt in haar idee om een ‘betonstop’ in te voeren. Het staat vandaag (woensdag 25 mei) in De Standaard onder de enigszins deprimerende titel ‘In 2050 is er geen ruimte meer om te redden’. Dat wordt echter ruimschoots goedgemaakt door de subtitel: ‘Voor verdichting is er allang een draagvlak’. Mijn bijdrage is dan ook een oproep aan de minister om resoluut de kop te nemen (en te kiezen voor een betonstop nu, en niet pas over 34 jaar), in plaats van te kiezen voor de achtervolging. Of: het verschil tussen leiders en lijders.

Betonweg datering

Enfin, waarom ik er hier over begin? Om aandacht te geven aan een geschrift waarnaar ik in mijn opiniebijdrage verwijs: Pleidooi voor het niet-bouwen, een verfrissend vlugschrift van het jonge architectenbureau Re-st dat niet te beroerd is om de dingen op losse schroeven te zetten.

Al heb ik een gloeiende hekel aan de uitdrukking must read, hier moet ik ze gebruiken want het is er eenvoudig één. Lees het en leer hoe ‘verdichting’ zoveel meer kan zijn dan de ‘hoogbouw’ waarop projectontwikkelaars en sommige stedenbouwkundigen blijven kicken. Zoals Willy Miermans het (ook al op Twitter) mooi samenvatte in de doordenker: “Met hoogbouw krijg je verdichting niet van de grond.”

De link die je niet vindt in de krant, vind je hier wel. Downloaden dat pamflet! (En vergeet niet mij vervolgens eeuwig dankbaar te zijn voor de tip.)