RSS feed

Tagarchief: spectaculariteit

Boem Donderslag

Geplaatst op

Een beetje off topic op een mobiliteitsblog, maar ik vind dat het moet kunnen, tenslotte ben ik hier de baas (please, gun mij dit uithoekje): een stukje over mijn Rammsteinerlebnis, een ‘exclusieve’ prelude op mijn bijdrage morgen (woensdag 10 augustus) in De Standaard. Die zal een klein beetje meer ‘on topic’ zijn, beloofd!

Het was eens wat anders voor de omgeving van Park De Nieuwe Koers in Oostende. In plaats van vliegtuigen en het daarbij horende lawaai streken de heren van Rammstein er vorige week neer, eveneens met het daarbij horende  – welja, wat was het eigenlijk?

Vanuit de spelonk van hun garage zagen de wijkbewoners de colonne metalfans voorbijtrekken met een mix van fascinatie en verbazing over al dan niet bewuste keuzes op het vlak van bedekte én onbedekte lichaamsdelen. Degenen die zich Plato herinnerden van op school vroegen zich vast af of dit nu de échte wereld was of slechts een schimmige representatie van iets anders.

Zelf liep ik er ook tussen, maagdelijk onbeschilderd. Voor een beetje tattoeëerder ben ik het wandelende equivalent van wat een wit doek is voor een kunstschilder. Maar niemand maakte er een probleem van, mede dankzij mijn T-shirt. Vrij naar wat Henry Ford over de Ford T zei: elke kleur was goed, als het maar zwart was.

Op sleeptouw genomen door een enthousiaste dochter en niet onbekend met de door Rammstein gekoesterde controverse wist ik niet wat ik mocht verwachten. En nu het voorbij is, weet ik niet met zekerheid wat ik kreeg.

Was dit alleen maar Tomorrowland voor een publiek met een andere smaak? Of was er toch meer aan de hand? Verknipten ze betekenissen op postmodernistische wijze tot er alleen nog confetti overbleef en was het dat wat ze letterlijk over hun publiek uitkieperden: zwarte zinloosheid? Zinderende vragen die alleen maar de bonusvraag opleverden of de antwoorden er wel toe doen. Wat als het alleen maar Spielerei is geweest en zo ja: zou dat, in deze beroerde, beroerende tijden, erg zijn?

De band slaagde waar menig leerkracht Duits faalde: ze maakte Goethes taal hip bij een breed publiek, overigens zonder het ranzige randje te verwijderen dat er na Twee Wereldoorlogen en de Holocaust onherroepelijk aan kleeft. Als de mannen van Rammstein iets kunnen, dan is het wel met symbolen en dus betekenissen spelen.

Ze doen dat met zo’n branie dat het niet anders kan of de betekenissen gaan wel eens hun eigen leven leiden. Zo reminisceerde de centrale stalen toren boven het podium voor een ingezetene van dit land letterlijk én figuurlijk aan de Ijzertoren, wat een bevreemdend effect opleverde toen er aan het begin van de show een digitale Belgische vlag aan werd gehesen.  Als ze het hadden geweten, hadden ze er vast om gelachen: nationalisme is altijd één van hun favoriete speeltjes geweest.

Wie dus ergens in de show een Oekraïense vlag had verwacht, was eraan voor de moeite. Aan dat soort eenduidigheid hebben die van Rammstein een broertje dood.

Show, schreef ik. Het is een understatement voor een twee uur durend Gesamtkunstwerk met muziek, architectuur, toneel, film (inclusief aftiteling op het einde) en acrobatie – een spektakel dat nog het best kan worden omschreven met de term ‘immersief’. Er was geen ontkomen aan. Rammstein drong zich op langs alle zintuigen. De muziek was voelbaar tot in onze ingewanden, het vuur maakte van tattoeages brandmerken. We keken niet naar een spektakel. We werden er onderdeel van.

Ik dacht terug aan het boek ‘De barbaren’ van Alessandro Baricco. Dat verscheen al meer dan vijftien jaar geleden, maar ik las het pas onlangs. Daarin beantwoordt de Italiaanse auteur de vraag of de nieuwe generatie, die de oppervlakkigheid kiest boven de diepgang en snelheid boven traagheid, de ‘cultuurbarbaren’ zijn waarvoor velen hen verslijten. Zijn antwoord: de zogenaamde barbaren hebben gewoon een andere manier gevonden om met de dingen om te gaan. Mensen met kieuwen in plaats van longen, noemt hij ze. Eén van de kenmerken van hun benaderingswijze is de ‘spectaculariteit’. Die garandeert hen de versnelling waar ze naar op zoek zijn en die vermijdt dat ze tot stilstand komen. Met een metafoor: ze vermijdt dat de geworpen steen niet naar de diepte zinkt maar over de waterspiegel ketst – over almaar grotere oppervlakken. In het geval van Rammstein is dat een breed scala aan vormen en stijlen: metal, techno, gothic, Wagneriaanse opera, barok, art deco, het is een soep vol vette knipogen. Zo kan je die ‘oppervlakkigheid’ dus ook bekijken: als een onophoudelijke, intensieve, horizontale reis van betekenis naar betekenis, die voor elke reiziger een ander verhaal oplevert in variërende gradaties van politiek en ander fatsoen.

Podium, schreef ik. Het is een eufemisme voor een pop up van een installatie die er nu eens uitzag als een old skool olieraffinaderij inclusief affakkelingsinstallatie, dan weer als een scène uit een strip van Blake & Mortimer, met zanger Lindemann in de rol van de sardonische slechterik Olrik. Zanger, acteur, performer: het liefst is hij zijn eigen paradoxale zelf, de dienstweigeraar die met een vlammenwerper te keer gaat, de ex-DDR-burger die de draak steekt met totalitaire taal door er schaamteloos mee te stoeien. En het werkt. Als er iets is waar totalitairen een hekel aan hebben, is het dubbelzinnigheid en de onzekerheid die ze met zich mee brengt. Geen wonder dat ze in Wit-Rusland niet meer mogen optreden.

Daar, denk ik, ligt de kracht van Rammstein. Lindemann en co bewegen zich voortdurend in niemandslanden, spelen een geraffineerd hinkelspel tussen pathos en melodrama, pyrotechniek en pyromanie, het poëtische en het prozaïsche, het platte en het verhevene, bombast en subtiliteit, het utopische en het distopische, kunst en kitsch, verheerlijking en parodie, links en rechts, ironie en cynisme, droom en nachtmerrie, links en rechts en vooral de schemergebieden daartussen. Alle vloeien ze in elkaar over, zoals de kleuren in een schilderij van Mark Rothko. Er valt geen vinger op te leggen waar de ene ophoudt en de ander begint en nog minder uit te leggen waarom het geheel zoveel meer aanspreekt dan elke veeg apart.

Mark Rothko, zonder titel (Guggenheim, Bilbao)

Vast staat dat het de overgangsgebieden en twijfelwerelden zijn die intrigeren en fascineren. Niet  het voorspelbare en vast omlijnde dat, in deze vloeibare tijden, al lang niet meer tot onze ervaringswereld behoort. Daarom denk ik dat wat wij vorige week in Oostende veel meer beleefden dan zomaar een spektakel ‘over the top’. Wat we hoorden, zagen en voelden was de tijdsgeest aan het werk, bevrijdend en beklemmend tegelijk. Boem Paukeslag. Paul Van Ostaijen schreef het honderd jaar geleden al: ‘alle begrippen vallen’.

Vorige week vielen ze niet alleen. Ze vielen ook uit elkaar. In het opwarrelende stof herkenden we hem als een donderslag bij heldere hemel: de tijdsgeest. Of de Zeitgeist, jawohl.

Het heeft geen zin om er vandaag nog naar op zoek te gaan. Er vliegen weer vliegtuigen over De Nieuwe Koers. De wijkbewoners wrijven zich de oren uit. Welke is nu de echte wereld?