RSS feed

Tagarchief: milieubeleid

In preview: de les van 2019

Tijdens lezingen vraag ik het mijn publiek wel eens: “Wat als ik jullie vertelde dat de relatie met mijn echtgenote ‘leefbaar’ is?”

Spontaan krimpen mijn toehoorders dan in elkaar, hun gezichten verwrongen van medelijden met deze arme jongen. Kom mij niet vertellen dat mensen geen empathie meer hebben. Toch zeker niet de mensen die naar mijn lezingen komen.

Gelukkig is het slechts een retorisch trucje. De relatie met mijn uitverkorene is méér dan leefbaar, dank u wel. De vraag die ik ermee wil opwerpen is deze: is het normaal dat wij ons in ons milieu-, ruimtelijke plannings- en mobiliteitsbeleid tevreden stellen met ‘leefbaarheid’ als doelstelling?

Met het inleefexperiment van hierboven is het antwoord gegeven. Leefbaarheid is niet genoeg. Leefbaar is ‘nog net niet doodgaan’.

Het gaat om meer dan een taalspelletje. Het gaat om een attitude die wel degelijk een verschil maakt.

“We vinden het al goed als het maar een heel klein beetje slechter wordt.”

Kijk maar eens hoe schepencolleges, deputaties en ministers vergunningsaanvragen beoordelen. De motivatie van de beslissingen is doorspekt met zinnetjes als “de hinder blijft beperkt” en “de hinder is tot een aanvaardbaar niveau teruggebracht”. We vinden het al goed als het “maar een heel klein beetje slechter wordt”. Alsof het zo’n gek idee is van een nieuw initiatief – een gebouw, een handels- of productieactiviteit – te verwachten dat de omgeving en bij uitbreiding de wereld er beter van wordt.

Micromacro

Dit mag op zich al erg zijn, we maken het nog erger door niet naar de cumulatieve effecten te kijken. Hier een beetje slechter, daar een beetje slechter, ginds en ginds ook nog wat extra hinder of marginale vervuiling… al die kleine beetjes afzonderlijk zijn geen ramp. Samengeteld zijn ze dat uiteindelijk wel. Alleen kijken wij daar niet naar, gewend als we zijn alles afzonderlijk te bekijken. We hebben een microblik in een macrowereld en doen onszelf er langzaam maar zeker mee de das om.

We, zeg ik. Vanzelfsprekend ben ik niet beter dan een ander, ben ik in hetzelfde bedje ziek. Dat stelde ik van de week nog vast, toen ik de sprong maakte van agenda (micro) naar kalender (macro) en de versie ‘2019’ invulde met alle reeds geplande activiteiten en afspraken.

Blijkt dat ik op elke vraag ‘ja’ heb gezegd (want die dag of avond was nog vrij) zonder mij te bekommeren om het grotere geheel. Elke lezing, elk artikel, elke toezegging voor het een of ander mag op zichzelf dan een kleine inspanning zijn – allemaal samen leveren ze een berg werk op waar ik nu al tegenop kijk.

Het positieve is: ik heb voor mijn lezingen een nieuwe metafoor waarvan ik redelijk zeker ben dat velen ze gaan “herkennen”.

Rechtvaardig beleid

 

Don Quichotte

We leven in een vreemde wereld. Van de week las ik in de krant dat een werkgroep binnen de CD&V-fractie in het Vlaams Parlement gaat onderzoeken hoe rechtvaardig het beleid van de Vlaamse Regering is.

Vreemd dat dit nieuws is, dacht ik, want horen politici niet voortdurend hun beleid te toetsen op rechtvaardigheid?

Maar het werd nog vreemder toen ik het commentaar van mijn krant las: “Opvallend, want CD&V maakt deel uit van die regering.” Blijkbaar zijn we de normaliteit zover voorbij dat het normale niet alleen nieuws wordt, maar ook als abnormaal wordt weggezet.

Ik, van mijn kant, verklaar me fan van de CD&V-werkgroep. Hopelijk beseft die dat het rechtvaardigheidsvraagstuk geen accessoire is dat zich uitsluitend ophoudt in de ‘sociale’ beleidsdomeinen, maar ook – en misschien wel vooral – verscholen zit in beleidsdomeinen als industriële innovatie, milieu, ruimtelijke ordening en mobiliteit. Dat de werkgroep maar eens zijn tanden zet in de verdeling van de lusten en de lasten in een dossier als dat van Uplace. Of dat van Audi Vorst. Of dat van Essers. Of dat van de als ‘besparingsoperatie’ verkochte schaalvergroting van onze basisscholen. Of dat van onze ‘bondgenoten’ de Saudi’s in de Antwerpse Haven – in de veronderstelling dan dat de notie ‘rechtvaardigheid’ niet ophoudt aan onze landsgrenzen.

Als de werkgroep zichzelf ernstig neemt, is de kans groot dat er binnen afzienbare tijd enkele excellenties discreet tot de orde worden geroepen. Het is immers onrealistisch, onredelijk én onrechtvaardig om van minister Jo Vandeurzen te verwachten dat hij het sociale puin van zijn collega-ministers, van zijn eigen partij en die van andere partijen, in zijn eentje opruimt.

Ter illustratie van wat ik bedoel, hierbij mijn stukje in De Standaard van vandaag over het fiscale gunstregime voor elitewagens, volgens het principe ‘de vervuiler wordt betaald.’

Idee 21: De voortuinreconquista

Geplaatst op

Verharde voortuin

Onder druk van Koning Auto, maar ook door wat men in de jaren ’60 “natuuraliënatie” zou hebben genoemd, worden steeds meer voortuinen verhard. De gevolgen zijn niet te onderschatten: minder groen, minder biodiversiteit, minder regenwater dat de grondwatertafel op peil houdt, sneller overbelaste rioleringen, straten die optisch verbreden en aanzetten tot sneller rijden…

Laat ons die evolutie omkeren met de ‘Voortuinreconquista’, een grootscheepse overheidscampagne die de zondaars 2 jaar de tijd geeft om hun voortuin te ontharden.

Als tegemoetkoming wordt in elke gemeente een ploegje arbeiders (“de zachte mannen (m/v)”) ter beschikking gesteld, samen met een adviseur die de mensen kan helpen bij de keuze voor een onderhoudsarme streekeigen beplanting. Wie na 2 jaar niet op het aanbod is ingegaan, mag zich verwachten aan een koekje van eigen deeg: een HARDE aanpak.

Met de Voortuinreconquista herwinnen we in geen tijd hectaren aan groen in woonzones, daar waar we dat het meest nodig hebben.

Idee 20: ecologische sportsubsidies

Geplaatst op

IMG_9232

Het is dat mijn zonen zo’n voetbalfanaten zijn, anders vond je me waarschijnlijk nooit aan de rand van een voetbalveld. En als ik er dan sta, kijk ik, geef ik ruiterlijk toe, niet altijd naar het spel op het veld. Er is ook het randgebeuren.

Denk aan de kantines, vaak monumenten van vrijwilligerskunst opgetrokken uit beton- en golfdakplaten. Idem dito voor de kleedruimtes, de douches, het sanitair: met liefde gebricoleerd.

Maar niet duurzaam. Zelden of nooit zijn de gebouwen geïsoleerd, zodat de supporters kleumen. Om van de spelers nog te zwijgen. Die zijn al blij als het water dat uit de douches sijpelt dan wel spuit lauw is.

Tegelijk krijgen al die amateurploegen gemeentelijke subsidies. Een bodemloos vat, lijkt het wel, want jaar na jaar wordt gevraagd de subsidies op te trekken. Op straffe van asociaal hoge lidgelden of het failliet van de club.

Dus vraag ik me telkens weer af, zo staande naast dat veld: waarom geven we de clubs geen ecologische sportsubsidies? Geld voor een geïsoleerde kleedkamer en dito kantine, zodat die geen handenvol geld meer kosten om warmgestookt te worden. Geld voor een zonneboiler op het dak, zodat de gasrekening naar beneden gaat. Geld voor spaardouchekoppen, voor de opvang en het hergebruik van regenwater en voor toiletten met spaartoets in het sanitair, zodat de waterrekening daalt. En geld, tenslotte, voor spaarverlichting op en naast het veld, zodat de elektriciteitsrekening eindelijk weer beheersbaar wordt.

Op die manier slaan we twee vliegen in één klap. We helpen de sportclubs om hun kosten onder controle te krijgen én we boeken winst voor het milieu en het klimaat.

Mooi toch?

Horizontaal beleid

Mijn zonen zijn voetballers. Dus breng ik in de weekends nogal wat tijd door aan de rand van een voetbalveld. Of in een kantine. Daarbij valt het me telkens weer op: wat een winst zou hier kunnen worden geboekt inzake energieverbruik! Al die clubs mogen dan hun eigenheid hebben, hun clubhuizen zijn vrijwel zonder uitzondering niet tot slecht geïsoleerd.

Als ik minister van energie was, of minister van sport, of minister van jeugd, of minister van milieu, dan zou ik hier een prioriteit van maken: middelen vrij maken om die bouwsels te isoleren en ze te voorzien van zonneboilers. Want het zijn hectoliters warm water die daar iedere week door de buizen stromen. Op die manier zou er massa’s energie worden bespaard. En CO2-uitstoot. Bovendien zouden de clubs zelf aardig geholpen zijn, want de energiefactuur is een aanzienlijke hap uit hun budget. Met het uitgespaarde geld zouden ze meer kunnen doen voor hun jeugdwerking, want dat schijnt toch altijd een probleem te zijn. Winst op alle fronten dus, wat mooi de voordelen illustreert van het voeren van een doordacht horizontaal beleid. Dat is wat anders dan de verkokering die nu de regel is en waarbij elke minister binnen ‘zijn’ (of ‘haar’) vakje maatregelen neemt – waarbij het niet gezegd is dat die maatregelen elkaar ondersteunen, of niet tegenwerken.

Overigens vond ik de lamentabele toestand van de clubbehuizing vandaag dubbel cynisch door de aanwezigheid van een publiciteitsbord van sponsor Umicore die pocht dat hij de nodige materialen in huis heeft (“Materials for a better life”). Als die sponsor nu al eens begon met een modelproject voor ‘zijn’ club. Misschien kwam er dan later wel eens een minister op een idee…