RSS feed

Tagarchief: Jeff Speck

Deze week in de aanbieding: flexibiliteit

Klimmers

Zoals de naam ‘Carrefour’ terecht suggereert, heeft het door deze supermarktketen aangekondigde ontslag van 1233 werknemers alles te maken met mobiliteit.

Dat komt om te beginnen door ons evoluerende koopgedrag.  Wat bij Bol.com en andere Amazons gekocht wordt kan natuurlijk niet meer bij Carrefour of in de wijkspar worden gekocht. Met een boutade: enkele klikken van de muis en er komt geen kat meer naar de winkel.

Voor veel economen is het geen reden tot mededogen. Al die rekkenvullers en kassiersters moeten maar bestelwagens gaan laden. Of ermee gaan rijden. Of aan pickordering gaan doen. Tot de volautomatische robots het van hen overnemen dan toch, parce qu’une disruption peut en cacher une autre. Economen hebben geen tijd voor sentiment. Zij zijn het soort mensen dat altijd aan de kant van de geschiedenis staat. Zelfs als dat soms rare bokkesprongen vereist. Flexibiliteit heet dat.

Wat is, is. Sterker nog: wat is, is onvermijdelijk. Of dat dan gewenst of wenselijk is, doet er dan niet toe. E-commerce bestaat nu eenmaal en omdat het bestaat moeten we het omarmen. Winsten zijn maakbaar, de werkelijkheid niet. Die moeten we dus ondergaan. Het is aanpassen of opkrassen. En als het management te laat beslist om aan te passen: aanpassen én opkrassen.

Wie dan empathie toont voor wie het gelag betaalt, wordt weggezet als een Gutmensch wiens goede bedoelingen recht naar de afgrond leiden. In het carambolische politieke discours van vandaag is sociaal zijn pas écht asociaal zijn, want bezorgdheid verraadt gebrek aan vertrouwen en we weten wat de beurzen daarmee doen: ze straffen het af en dan zijn we nog verder van huis.

Dus in naam van het sociale: laat ons kiezen voor de korte pijn. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Negeer de opgehouden hand van de met ontslag bedreigde werknemers. De enige hand die telt is de onzichtbare. Negeer het zelfbeklag en vertel de werknemers eerlijk dat het zondagswerk in de supermarkt nu is ingehaald door de 24uurseconomie. Die vereist nachtwerk en een hoger werkritme en, in naam van de competitiviteit, lagere uurlonen en meer flexibiliteit. Eerlijkheid duurt het langst en meevoelend zijn verglijdt al snel in pamperen, dat kan elke baby u vertellen (gesteld dat baby’s konden spreken).

Eerlijk waar, ik was onder de indruk van dit plotse vermogen van onze economen om niet alleen op lange termijn te denken, maar ook nog eens op het  niveau van het grotere geheel –  zo los, zeg maar, van het hier en nu en van de particuliere belangetjes van wat individuen. Ik was trouwens niet alleen onder de indruk. Ik was ook verrast.

Dat vermogen heb ik immers steevast gemist toen het ging over de implementatie van lang van tevoren aangekondigde mobiliteits- en circulatieplannen in steden en gemeenten. Daar waren het niet de langere termijn en de grotere gemeenschap die prevaleerden. Daar ging het over het lot van individuele winkeliers die (misschien) zouden moeten opkrassen, omdat ze weigerden blijk te geven van de hun toegedichte creativiteit en zin voor innovatie en halsstarrig vasthielden aan hun voorbijgestreefde businessmodel van runshopping.

De ene ‘creatieve vernietiging’ is blijkbaar de andere niet en met de begrippen ‘flexibiliteit’ en ‘innovatie’ kan naar hartenlust worden geschoven. Nu eens zijn ze het recht van de werkgevers, dan weer de plicht van de werknemers of de overheid.

Het doet ook denken aan de selectieve verontwaardiging wanneer het concept ‘gratis’ op tafel komt. Zoals “de Jane Jacobs van het parkeerbeleid” (Jeff Speck), Donald Shoup, opmerkt: ‘random’ gratis parking uitdelen aan wie lang genoeg blokjes om rijdt is niet rechtvaardiger én even contraproductief als gratis elektriciteit of water verstrekken aan wie toevallig voorbijkomt.

Flexibiliteit. Vooralsnog is het vooral een handige eigenschap voor geesten die het status-quo in de verdeling – weze het die van macht, van rijkdom of van ruimte – heel genegen zijn.

 

Advertenties

De prijs van wifiloze treinen

Een dikke week geleden maakte Sophie Dutordoir een opgemerkte passage in het Parlement. Ze schetste een beeld van de NMBS als een verkalkte organisatie die vooral met zichzelf bezig is en een interne bureaucratische logica verkiest boven bedrijfsefficiëntie. Een beeld, kon ik niet nalaten met enig cynisme te denken, dat elke regelmatige reiziger van de NMBS ook had kunnen schetsen. Een beeld ook dat te denken geeft over de vorige, nochtans niet slecht betaalde CEO’s van de NMBS.

Stoomtrein

Het beeld van de trein zoals we dat anno 2017 nog aan automobilisten presenteren.

Dutordoir beloofde werk te maken van wat vanzelfsprekend zou moeten zijn: een aantrekkelijk aanbod van betrouwbare, stipte treinen. Dat was nieuws. Kennelijk had men er rekening mee gehouden dat ze zou gaan voor een onaantrekkelijk aanbod van onbetrouwbare treinen die vaak te laat komen.

Uiteindelijk kreeg wat ze niet had gezegd nog de meeste aandacht: in tegenstelling tot haar voorganger Jo Cornu nam ze geen belofte in de mond over Wifi in de treinen. Enkele dagen later bleek dat geen toeval. Wifi in de treinen aanbieden was inderdaad geen prioriteit meer, wegens ‘te duur’.

Het was het startsein voor een tweespalt tussen treinreizigers. Er was de strekking die vond dat Wifi een basisdienst is in een 21e eeuws vervoerssysteem. Tot die strekking behoort uw dienaar. Niet omdat hij zelf niet eventjes zonder internet kan. Wél omdat hij weet dat dit voor veel, vooral jongere, mensen anders is. En vooral omdat een kwalitatieve ‘onderwegtijd’ een troef is die door het openbaar vervoer vandaag te weinig wordt uitgespeeld.

Door alleen te focussen op stipte treinen, geraakt de kwaliteit van de reis ondergesneeuwd. Dat is jammer, want velen zouden de trein boven de auto verkiezen mochten ze zich verzekerd weten van de mogelijkheid om ‘verloren’ filetijd om te zetten in nuttige werk- of recreatietijd. Wifi, of een 4 of 5G-verbinding, is dan een voorwaarde.

Daarnaast was er de ‘first things first’-strekking die vond dat Wifi slechts een kers op de taart is. Die werd het best samengevat in een Tweet van journaliste Tine Hens: “Wie met de trein reist, wil vooral meer treinen en meer treinen die op tijd rijden. Wie nooit met de trein reist, eist wifi.

Frappant toch hoe makkelijk de pleitbezorgers voor het openbaar vervoer zich uit elkaar laten spelen en zich laten meeslepen in de TINA-besparingslogica van de federale regering. Dat is diezelfde club die, laat ik het voorzichtig uitdrukken, de fiscale miljardenfacilitering van salariswagens tot taboe heeft verklaard. Met succes trouwens, want Dutordoir repte met geen woord over deze geldverspilling. Ze had het alleen over die binnen haar eigen organisatie.

Intussen in autoland

Intussen in autoland…

Intussen in autoland (2)

De onderwegtijd wordt als quality time verkocht.

Natuurlijk is het geen kwestie van of Wifi (4G/5G) of stipte treinen. Een modern openbaar vervoer moet beide bieden. Wat zouden we zeggen mochten de ministers Weyts en Bellot morgen verklaren dat automobilisten “helaas zullen moeten kiezen tussen radio-ontvangst in de auto en wegeninvesteringen”? Te absurd voor woorden, jawel. Maar als het over openbaar vervoer gaat, wordt absurditeit plots de norm.

Die meegaandheid heeft haar prijs. Op deze manier laten we al van bij het begin de ambitie los om tot een openbaar vervoer te komen dat een aantrekkelijk alternatief is voor koning auto.

Om het met Jeff Speck (in de VS recent nog uitgeroepen tot één van de 100 meest invloedrijke urbanisten) te zeggen: “Het imperatief van een competitief openbaar vervoer heeft een harde en een zachte kant. De harde kant gaat over het niet verspillen van de tijd van de mensen, de zachte kant over hen gelukkig maken. Alleen als je voor allebei kunt zorgen, kan je mensen uit hun auto’s krijgen.”

De Vrienden van de stad

Friends NY

Doet dit beeld bij jou een belletje rinkelen? Zo ja, dan is de kans groot dat jij jonger bent dan ik en deel uitmaakt van de generatie die opgroeide met de sitcom ‘Friends’ op de beeldbuis.

Mijn kinderen troonden mij mee naar dit heiligdom in Greenwich Village, hartje Manhattan. Ze lieten mij er wat onwennig bijstaan. Buiten beeld, maar even goed buiten spel.

Pas terug thuis, lezend in Jeff Specks boeiende boek ‘Walkable City’, werd mij duidelijk dat ik een voor mobiliteitsgekken belangrijk monument had gezien.

De stedenbouwkundige Speck vertelt welke televisiefeuilletons in zijn jeugd in de zeventiger jaren het mooie weer maakten: Gilligan’s Island, The Brady Bunch en The Partridge Family. Drie series, zegt hij, die de suburb als decor hadden en ‘lage huizen op lommerrijke percelen, omringd door meer van hetzelfde’ presenteerden als het normale. De enige series die toen in de stad speelden, Dragnet, Mannix en The Streets of San Francisco, Hawaii 5-0, hadden stuk voor stuk criminaliteit als onderwerp.

Vergelijk dat even met de televisiereferenties van de generatie die opgroeide in de negentiger jaren, zegt Speck. Zij keek naar Seinfeld, Sex and the City en Friends – stuk voor stuk shows waarin de grote stad, wellicht niet toevallig telkens New York, liefdevol geportretteerd werd: “The most urban of American cities was the new normal, and certainly good.”

Het punt van Speck: “I grew up in the suburbs watching shows about the suburbs. They grew up in the suburbs watching shows about the city.”

Het resultaat kennen we: de stad is aan een enorme remonte bezig dankzij een generatie die niet gruwt van de stad maar ernaar verlangt. Voor deze mensen is niet langer de automobiel de belangrijkste vorm van mobiliteit, maar nabijheid. In Friends dus geen roadscènes met blitse wagens, maar wel mensen die schijnbaar van om de hoek het pand komen binnenwaaien…

PS. Wat Speck er niet bij vermeldt is dat alleen de buitenkant gefilmd werd in New York. Alle opnames waarin de acteurs te zien zijn werden gedraaid in een Warner Bros-studio in California (bron: Wikipedia). Je kunt niet alles hebben.