RSS feed

Tagarchief: fietsbeleid

In de steek gelaten

Gisteren hadden we onze tweede Critical Mass in Herentals. Herentals? Dat is een stadje in de provincie Antwerpen dat zichzelf de Keizerstede noemt – onder meer verwijzend naar Rik Van Looy die, hoewel nog kras in leven, een tijdje geleden een standbeeld kreeg op de Grote Markt.

En een Critical Mass? Dat is een maandelijkse bijeenkomst van fietsers – de laatste vrijdag van de maand, om 18u – die in groep hun plaats in de publieke ruimte willen opeisen. In dit geval dus om duidelijk te maken dat het standbeeld voor Rik Van Looy vanuit het standpunt van de gewone fietser een beetje dubbel is.

Op de eerste editie was er dik 80 man. Op de tweede editie zo’n 15. Maar de eerste keer regende het niet en waren de verkiezingen nog niet voorbij. Dat scheelt.

Eerste Critical Mass in Herentals

Beeld van de eerste Critical Mass in Herentals (september 2018)

Alleen is het als fietser in onze stad niet makkelijk om je plaats op de weg op te eisen. Met twee is het vaak nog moeilijker, toch als je een babbeltje wil slaan en naast elkaar wil fietsen. Met vijftien was het nauwelijks makkelijker.

Automobilisten weten niet dat fietsers binnen de bebouwde kom naast elkaar mogen fietsen en jagen ze dus op of drijven ze willens en wetens in de goot. Noem het instantmarginalisering.

Voor de Vlaamse Stichting Verkeerskunde (VSV), sedert drie jaar verantwoordelijk voor de sensibiliseringscampagnes van de (Vlaamse) overheid, blijft dit een hardnekkige blinde vlek. Wat zou er nochtans logischer zijn dan automobilisten voor eens en altijd diets te maken dat fietsers binnen de bebouwde kom naast elkaar mogen fietsen en dat automobilisten bij het inhalen minstens één meter afstand moeten houden? Niet dus. Nog eerder worden fietsers vanop autostradeborden gesensibiliseerd om zich te laten zien.

Zelfs de Fietsersbond komt kennelijk niet op het idee om de overheid op deze nalatigheid te wijzen, laat staan om zelf in het gat te springen. Te gemakkelijk gaat de Bond mee in de klaagzang dat fietsers zich niets van de regels aantrekken en doet ze ijverig aan overcompensatie met helmen en fluohesjes. Zo wordt de fietser in plaats van koning vooral de nar van de straat.

Sommige automobilisten kennen de regels natuurlijk wél, maar trekken zich er toch niks van aan. Ze weten dat ze niets te vrezen hebben. Ongestraft kunnen ze de Wet van de Sterkste laten gelden: te snel rijden in zone 30, rakelings inhalen, fietsers de bocht afsnijden, spatbordkleven… Er is geen politie die hen er op zal aanspreken. In grote delen van dit land is er, als het gaat over de bescherming van de fietser, al vele jaren sprake van een feitelijke abdicatie van de handhavers.

De politie heeft geen tijd, voor het parket is het geen prioriteit. Curieuze vaststelling: na een zwaar ongeval is er plots wél altijd tijd, zowel bij de politie als bij de parketten. Een balorige burger zou de vraag kunnen opwerpen of  preventie alles welbeschouwd dan toch niet efficiënter zou kunnen zijn.

Gisteren fietsten we dus door de regen, af en toe natgespat door een ongeduldige automobilist die ons even verder dan zelf weer domweg de weg versperde. We wilden de straat ‘opeisen’, maar waren al lang blij dat we aan het slot nog met even veel waren.

Twee weken geleden verklaarden alle partijen nog de fietser tot Koning te willen kronen. In afwachting voelen we ons vooral paria’s, nu eens wachtend in de uitlaatgassen, dan weer laverend tussen het geweld van overbodige paardenkrachten.

  • Dit bericht werd op 10/11 gecorrigeerd op aangeven van Stef Willems, woordvoerder van het Vias-Institute. Verkeerdelijk stelde ik het Vias verantwoordelijk voor de sensibiliseringscampagnes in plaats van de Vlaamse Stichting Verkeerskunde. De enige campagne die het Vias nog voert is de BOB-campagne.
Advertenties

Niets op de trein

Te oordelen naar het aantal en de omvang van de vertragingen de afgelopen week waren er weer veel reizigers die hun fiets meenamen op de trein. Als we de NMBS mogen geloven, ligt het immers daaraan dat het met de stiptheid van kwaad naar erger gaat.

De oplossing ligt dus voor de hand: een verbod om tijdens de spitsuren nog fietsen mee te nemen op de trein.

Dat het voornemen niet in goede aarde viel, verraste de NMBS. Nee, aan cijfers om een en ander te staven had men niet gedacht. Aan een goede communicatie van de voorziene begeleidende maatregelen om de pil wat te vergulden evenmin.

Resultaat? De NMBS maakte alweer een slechte beurt en werd uiteindelijk teruggefloten door haar voogdijminister en plots was er het lumineuze idee om over het ‘probleem’ te overleggen met de Fietsersbond.

Dat had de NMBS misschien ook beter gedaan toen ze besliste zich terug te trekken uit BlueBike (“Help! Ons project heeft succes!”) of toen ze besliste over de verdeling van de investeringskredieten tussen autoparkeerplaatsen en fietsenstallingen.

Fiets op de trein (2)

Sommigen vragen zich af hoe het mogelijk is dat zo’n groot bedrijf, met professionele woordvoerders en een eigen communicatiedienst, er telkens weer in slaagt zichzelf zo in de voet te schieten.

De verklaring is echter niet ver te zoeken. Zo lang de NMBS niet in staat is te denken vanuit de (potentiële) reiziger, zal dit patroon zich herhalen. Klinkt dat doemdenkerig?

Dan zal ik de formulering omkeren. De dag dat de NMBS vanuit haar klanten gaat denken, zal ze ontdekken dat

  • in Vlaanderen 22% van de reizigers de fiets voor z’n voortransport gebruikt, in Nederland is dat meer dan de helft van de reizigers
  • in Vlaanderen 6% van de reizigers de fiets voor z’n natransport gebruikt, in Nederland is dat het dubbele aandeel (cijfers Fietsberaad)

Als neveneffect zou ze nadien dan tot de vaststelling komen dat daarop inspelen enorme positieve effecten kan hebben voor de organisatie zelf. Een fietsvriendelijker NMBS- beleid zal niet alleen zorgen voor meer reizigers (stel je voor dat mensen plots hun elektrische fiets aan het station zouden durven stallen: het bereik van het station zou op slag toenemen met een factor 2 tot 3), maar ook voor een zuiniger ruimtegebruik rond de stations (minder autoparkeerplaatsen, dus meer ruimte die gevaloriseerd kan worden voor andere functies, dus meer geld in het laatje en weerom meer reizigers) en een betere bereikbaarheid van de stations (en dus weerom meer reizigers).

Het valt dan alleen nog te hopen dat de NMBS er voor die tijd niet achter komt dat het spoorvervoer zonder reizigers nog vlotter gaat. Van fiets naar niets, tenslotte scheelt het maar één letter.

Een snelbinder voor fietsers

Gedane zaken nemen geen keer. Dat is in het bijzonder zo voor grote infrastructuurwerken. Eenmaal ze gerealiseerd zijn, zit je er minstens enkele decennia mee.

Neemt niet weg dat verbeteringen achteraf soms nog mogelijk zijn. Soms zelfs als je denkt dat ze onmogelijk zijn.

Voor een mooi voorbeeldje blijven we nog even in Green Capital van het moment Nijmegen. Daar vonden ze het op zeker moment nogal sneu dat er over de spoorbrug over de Waal geen fietsers konden. Altijd hetzelfde met die dwarsliggers.

Maar die van Nijmegen lieten het er niet bij zitten. Wat als we aan de bestaande brug nu eens een fietspad hingen, vroegen ze zich af. En wat later deden ze het nog ook. Ze bonden een fietsbrug aan de spoorbrug en klaar was Kees (nu ja, in werkelijkheid had het iets meer voeten in de Waal, maar het punt is: ze deden het maar weer).

Als kers op de taart bedachten ze er een even gelaagde als geniale naam voor: ‘De snelbinder’.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Toegegeven, ze vergaten ook hier de voetgangers. Maar laat het een verzachtende omstandigheid zijn dat de brug al van 2003 dateert. Er bestonden toen ook al voetgangers, dat is waar, maar ook bij onze Noorderburen heeft het denken over de behoeften van de actieve weggebruiker een kronkelig parcours afgelegd.

Desalniettemin wil ik graag de aandacht vestigen op nog een schitterende vondst: kijk even hoe ze de brugleuningen naar buiten lieten buigen zodat fietsers op stuurhoogte net dat beetje meer veiligheidsruimte kregen. En waardoor voetgangers, want ze zijn er wel degelijk, comfortabel kunnen leunen.

Het is zo eenvoudig dat een mens zich afvraagt waarom dit geen standaardoplossing is. Te moeilijk wellicht.

Een zalige vertragingsmachine

In Nijmegen hebben ze dus een koppel onvervalste Beneluxbruggen: Belgische architect, Luxemburgse ingenieur, Nederlandse opdrachtgevers.

Vorige keer hadden we het over de Oversteek. We bewonderden de knappe vormgeving en de subtiele verankering in de lokale geschiedenis en haalden het wierookvat boven voor het feit dat deze brug ook letterlijk ruimte geeft voor aangenaam en veilig fietsen én verpozen.

Studiereis HSV Nederland 2018 (343)

De Oversteek

De voetgangers kwamen er evenwel wat bekaaid van af, zo dorsten wij voorzichtig op te merken. Voor sommigen was dat echt wel te voorzichtig geformuleerd. Er klonk de kritiek dat ook bij de Oversteek het voorruitperspectief toch wel sterk had doorgewogen en dat het op- en afgaan/rijden voor respectievelijk fietsers en wandelaars toch wel beter had gekund.

Jawel, en dan vergat men nog op te merken dat de brug onderaan een beetje krap berekend is.

Studiereis HSV Nederland 2018 (434)

Het is niet allemaal rozengeur en maneschijn dus, maar desalniettemin is de Oversteek een brug die er wezen mag. De meeste bruggen in Vlaanderen kunnen er een puntje aan zuigen.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Gezien het voorgaande ben ik benieuwd naar hoe de tweede Beneluxbrug, de Lentloper, hier zal worden ontvangen. Niet gewend te worden verweten dat ik niet kritisch genoeg ben, aarzel ik nu een beetje om te enthousiast te zijn.

Edoch. Laat ik mijn nek maar uitsteken: ik vind de Lentloper een zaligheid.

Studiereis HSV Nederland 2018 (383)

Kleinschalige materialen geven reliëf aan de brug en schaden de befietsbaarheid geenszins.

Wie er over fietst, stapt gegarandeerd af. De Lentloper is een vertragingsmachine in de meest positieve zin van het woord.

Studiereis HSV Nederland 2018 (374)

Als het woord ‘ingenieus’ érgens op zijn plaats is, dan wel hier: de brugstructuur ziet er ingewikkelder uit dan hij in werkelijkheid is, waardoor de meerkost voor een enorme meerwaarde verwaarloosbaar was. 

Ik nam de proef op de som met een nietsvermoedende meute Vlaamse studenten verkeerskunde en zie: niet één exemplaar kon de verleiding weerstaan.

Studiereis HSV Nederland 2018 (364)

Deze ‘promenadebrug’ is dan ook één groot uitnodigend gebaar om languit te gaan liggen in de zon of in de regen (al naargelang) en luidkeels ‘het làààànd van Waas en Waal’ te gaan zingen of, eerder nog, versteld en verstild uit te kijken over het voortdurend veranderende ‘rivierpark’ rondom.

Want de Nijmeegse beleidvoerders hebben de klimaatverandering en de daarmee samenhangende overstromingsdreiging omgebogen in hun voordeel. Ze hebben niet alleen de rivier haar bewegingsvrijheid gegeven, maar meteen ook hun inwoners.

Voor wie er nog aan twijfelde: Nijmegen werd niet zomaar ‘Green Capital’ van Europa. Daar moest het wel wat voor doen…

Studiereis HSV Nederland 2018 (386)

Voorlopig nog wat kaal, maar de tijd brengt dat vanzelf in orde…

Van last naar lust, tussen a en b

Nu we het toch over bruggen hebben… Vlaanderen investeert in de verhoging van alle bruggen over het Albertkanaal. De bedoeling? Goederenvervoer van de weg naar het water halen door grotere containerschepen op het kanaal mogelijk te maken. Een verhaal dat maar half waar is, heb ik geleerd, want in modelberekeningen voor bijvoorbeeld Oosterweel wordt rekening gehouden met een toename van vrachtverkeer met verwijzing naar het Economisch Netwerk Albertkanaal (ENA). De redenering? Al die scheepsvrachten komen voor hun first of last mile uiteindelijk toch op de weg terecht.

Dit gezegd zijnde: ook de bruggen vlakbij mijn woonst worden op korte termijn vervangen. Voor de ingenieurs van de Vlaamse Waterweg is het bandwerk. Als het enigszins kan, halen ze een brug uit hun catalogus en klaar is kees. Fluitje van een cent. Als de schepen er maar onder door kunnen. En het andere verkeer erover, ja, dat ook. Curieus eigenlijk: wat voor de ene categorie de barrière is, is voor de andere de manier om de barrière te nemen.

Met het zo vlot mogelijk kunnen nemen van de barrière is de klus voor de ingenieurs geklaard. Daarna beperkt het publieke debat (en de media-aandacht) zich al ras tot de hinder tijdens de werken: hoe lang zullen de mensen moeten omrijden?

Daarmee wordt dan een heel wezenlijk aspect zomaar uit het oog verloren: mobiliteit is véél meer dan mensen en goederen verplaatsen van a naar b. Er is namelijk ook nog zoiets als het onderweg zijn en de kwaliteit daarvan.

Brug Albertkanaal (3)

Een brug waar je snel over kan (of moet: anders hinder je het achteropkomende verkeer) is één ding. Een brug die je laat genieten van je (over)tocht een ander. Voor dit weggelachen wordt als een luxeprobleem: is het niet minister Weyts die voortdurend de mond vol heeft van het ‘verleiden’ van de mensen om te voet te gaan of de fiets te nemen?

Als je dat écht meent, dan moet je ervoor zorgen dat de bruggen die je laat bouwen meer zijn dan verkeersdingen. Dan moeten die ook een beetje verblijfsdingen worden. Dan voorzie je ruimte en aanleiding om onderweg even halt te houden, uit te kijken, zittend of lui over de reling hangend van de zonsondergang of een toevallige ontmoeting te genieten. Dan maak je van mobiliteit een lust in plaats van een last.

Brug Albertkanaal (2)

Dat ze daar bij ons niet aan gedacht hebben, had ik dat al gezegd? Daarom zijn er een stuk of wat wakkere burgers die een ludieke actie op het getouw hebben gezet. Toegegeven, ze hebben dat een beetje laat gedaan. Het ontwerp ligt er al en het openbaar onderzoek is al een tijdje afgerond. Maar wie weet is er hier of daar toch een ingenieur, een minister, een burgemeester of een schepen die het idee alsnog oppikt en zich van z’n creatiefste kant laat zien.

“Tegenwoordig kunnen ze alles,” hoor ik wel eens. Welnu, dit is zo één van die momenten waarop ik reikhalzend uitkijk naar het bewijs van die stelling.

Haaks op fietsvriendelijkheid

Ik heb het citaat eerder al eens gebruikt, maar ik doe het nog eens.  Penalosa slaat er immers de nagel mee op de kop: fietsen tussen auto’s is vaak als zwemmen tussen de haaien.

Zelfs als die haaien slapen, blijft die vergelijking overeind. Want je bent natuurlijk nooit zeker of zo’n haai niet plots wakker wordt.

In Praag bijvoorbeeld valt het aantal zwemmende haaien best mee. Maar des te groter is het aantal slapende exemplaren. Door haaks parkeren mogelijk te maken – dikwijls deels ten koste van voetgangersruimte – zijn de straten er helemaal op ingericht. Met als resultaat dat die straten lange aaneengesloten conflictzones zijn geworden waar op elk moment een auto kan wakker worden.

Praag deel 1 (34)

Ook de voetgangers schieten er bij in. Om haaks parkerende voertuigen voldoende ruimte te kunnen garanderen om in- en uit te rijden, werd het langsparkeren aan één zijde het trottoir op gedreven.

Gevolg: weinig fietsers, want je moet al een beetje gek zijn om vrijwillig tussen de roofdieren te gaan zwemmen. Daardoor zijn er allicht ook weinig fietsslachtoffers, wat voor sommigen dan het ‘bewijs’ zal zijn dat haaks parkeren geen onveilige maatregel is.

Maar wie beschikt over gezond verstand en/of een fiets beseft dat haaks parkeren eigenlijk verboden zou moeten worden in elke straat zonder fietspaden.

Ooit werd het eenrichtingsverkeer ingevoerd om meer parkeerruimte te creëren. Daardoor werden fietsers meteen ook gedwongen de omweg te maken. ‘Nieuwe’ wetgeving ten spijt, is die historische onrechtvaardigheid nog altijd niet helemaal hersteld.

Tegenwoordig is, in naam van enkele plaatsjes meer, het haaks parkeren in tal van steden de nieuwe antifietsmaatregel geworden. Niet als dusdanig bedoeld, maar daarom niet minder effectief.

Veilig Vlaanderen

Geplaatst op

Subjectieve en objectieve verkeersveiligheid, het is een moeilijke verhouding. Vooral omdat het niet zo’n eenvoudige is: soms maakt subjectieve verkeersonveiligheid het objectief veiliger, gewoon omdat mensen voorzichtiger worden wanneer ze weten dat iets gevaarlijk is. Omgekeerd kan het gevoel ‘veilig te zijn’ voor het perverse effect zorgen dat het objectief gezien onveiliger wordt.

Op dat mechanisme is het hele ‘shared space’-verhaal gebaseerd. Het is er het succes van, maar ook de achilleshiel. Als pakweg voetgangers en fietsers zich ergens te onveilig voelen, gaan ze wellicht een andere route kiezen. Of niet langer wandelen en fietsen. Waardoor het eindresultaat soms niet méér maar net minder verkeersveiligheid is. Het is dus zaak subjectieve onveiligheid in zo’n dosis aan te bieden dat de objectieve veiligheid gemaximaliseerd wordt.

Los van het voorgaande is de subjectieve onveiligheid over het algemeen wel een goede indicator van het algemene verkeersveiligheidsklimaat. Om die reden peilt de Gemeentemonitor er naar.

Wachtende kinderen

Enkele weken geleden werden de resultaten van de enquête van 2017 voorgesteld. Wat daarin opvalt is dat in de 13 Vlaamse centrumsteden 38% van de respondenten meent ‘dat kinderen zich in hun buurt veilig en zelfstandig kunnen verplaatsen’. Dat is een beleefde manier om te zeggen dat 62% meent dat kinderen dat in hun buurt niet kunnen.

Ik prefereer de tweede formulering, want het is stilaan tijd voor een klets in onze zelfgenoegzame gezichten. Niettegenstaande ik mij van de afgelopen jaren alleen maar persberichten van ministers en stadsbesturen kan herinneren waarin die zeggen dat ze verkeerssituaties ‘veiliger’ maken, wordt het niet beter. Integendeel: het wordt slechter. In vergelijking met de resultaten van 2014 zijn we er voor de centrumsteden 4% op achteruitgegaan. Voor Vlaanderen als geheel is er geen vergelijkingsmateriaal, maar het resultaat van 2017 is nog minder bemoedigend: 67%, twee op de drie dus, oordeelt dat kinderen zich in hun buurt niet veilig en zelfstandig kunnen verplaatsen.

Tel daarbij het feit dat mensen zonder kinderen de situatie nog iets veiliger inschatten dan de mensen mét kinderen en je weet dat we echt wel met een probleem zitten.

Door de manier waarop we onze publieke ruimte en onze mobiliteit organiseren, moeten in deze maatschappij massa’s mensen leven tegen een permanente achtergrond van angst of, als ze de keuze hebben, in een voortdurende modus van ‘beschikbaarheid’ als taxiouder. Dat mag dan ‘leefbaar’ zijn, het is geen leefkwaliteit. Niet voor de ouders en eigenlijk nog minder voor de kinderen die hierdoor geremd worden in hun ontplooiing en beperkt in hun vrijheid. Het is vreemd dat in deze liberale tijden hieraan niet meer aandacht wordt besteed.

Veilig Vlaanderen

Maar er is meer. Als mensen denken dat iets niet veilig kan, kan je van die mensen bezwaarlijk verwachten dat ze dat toch gaan doen. En helemaal niet dat ze het hun kinderen laten doen. Anders gezegd: zo lang de basisvoorwaarde ‘veiligheid’ zowel in haar subjectieve als in haar objectieve variant niet is vervuld, is het onredelijk (en zelfs onethisch) te hopen op een modal shift richting fietsen en te voet gaan.

‘Veilig thuis in een welvarend Vlaanderen’ luidt de campagneslogan van de partij van de Vlaamse minister van mobiliteit. Alvast voorlopig moet die ‘veilig thuis’ dus letterlijk worden opgevat.