RSS feed

Tagarchief: fietsbeleid

Van last naar lust, tussen a en b

Nu we het toch over bruggen hebben… Vlaanderen investeert in de verhoging van alle bruggen over het Albertkanaal. De bedoeling? Goederenvervoer van de weg naar het water halen door grotere containerschepen op het kanaal mogelijk te maken. Een verhaal dat maar half waar is, heb ik geleerd, want in modelberekeningen voor bijvoorbeeld Oosterweel wordt rekening gehouden met een toename van vrachtverkeer met verwijzing naar het Economisch Netwerk Albertkanaal (ENA). De redenering? Al die scheepsvrachten komen voor hun first of last mile uiteindelijk toch op de weg terecht.

Dit gezegd zijnde: ook de bruggen vlakbij mijn woonst worden op korte termijn vervangen. Voor de ingenieurs van de Vlaamse Waterweg is het bandwerk. Als het enigszins kan, halen ze een brug uit hun catalogus en klaar is kees. Fluitje van een cent. Als de schepen er maar onder door kunnen. En het andere verkeer erover, ja, dat ook. Curieus eigenlijk: wat voor de ene categorie de barrière is, is voor de andere de manier om de barrière te nemen.

Met het zo vlot mogelijk kunnen nemen van de barrière is de klus voor de ingenieurs geklaard. Daarna beperkt het publieke debat (en de media-aandacht) zich al ras tot de hinder tijdens de werken: hoe lang zullen de mensen moeten omrijden?

Daarmee wordt dan een heel wezenlijk aspect zomaar uit het oog verloren: mobiliteit is véél meer dan mensen en goederen verplaatsen van a naar b. Er is namelijk ook nog zoiets als het onderweg zijn en de kwaliteit daarvan.

Brug Albertkanaal (3)

Een brug waar je snel over kan (of moet: anders hinder je het achteropkomende verkeer) is één ding. Een brug die je laat genieten van je (over)tocht een ander. Voor dit weggelachen wordt als een luxeprobleem: is het niet minister Weyts die voortdurend de mond vol heeft van het ‘verleiden’ van de mensen om te voet te gaan of de fiets te nemen?

Als je dat écht meent, dan moet je ervoor zorgen dat de bruggen die je laat bouwen meer zijn dan verkeersdingen. Dan moeten die ook een beetje verblijfsdingen worden. Dan voorzie je ruimte en aanleiding om onderweg even halt te houden, uit te kijken, zittend of lui over de reling hangend van de zonsondergang of een toevallige ontmoeting te genieten. Dan maak je van mobiliteit een lust in plaats van een last.

Brug Albertkanaal (2)

Dat ze daar bij ons niet aan gedacht hebben, had ik dat al gezegd? Daarom zijn er een stuk of wat wakkere burgers die een ludieke actie op het getouw hebben gezet. Toegegeven, ze hebben dat een beetje laat gedaan. Het ontwerp ligt er al en het openbaar onderzoek is al een tijdje afgerond. Maar wie weet is er hier of daar toch een ingenieur, een minister, een burgemeester of een schepen die het idee alsnog oppikt en zich van z’n creatiefste kant laat zien.

“Tegenwoordig kunnen ze alles,” hoor ik wel eens. Welnu, dit is zo één van die momenten waarop ik reikhalzend uitkijk naar het bewijs van die stelling.

Advertenties

Haaks op fietsvriendelijkheid

Ik heb het citaat eerder al eens gebruikt, maar ik doe het nog eens.  Penalosa slaat er immers de nagel mee op de kop: fietsen tussen auto’s is vaak als zwemmen tussen de haaien.

Zelfs als die haaien slapen, blijft die vergelijking overeind. Want je bent natuurlijk nooit zeker of zo’n haai niet plots wakker wordt.

In Praag bijvoorbeeld valt het aantal zwemmende haaien best mee. Maar des te groter is het aantal slapende exemplaren. Door haaks parkeren mogelijk te maken – dikwijls deels ten koste van voetgangersruimte – zijn de straten er helemaal op ingericht. Met als resultaat dat die straten lange aaneengesloten conflictzones zijn geworden waar op elk moment een auto kan wakker worden.

Praag deel 1 (34)

Ook de voetgangers schieten er bij in. Om haaks parkerende voertuigen voldoende ruimte te kunnen garanderen om in- en uit te rijden, werd het langsparkeren aan één zijde het trottoir op gedreven.

Gevolg: weinig fietsers, want je moet al een beetje gek zijn om vrijwillig tussen de roofdieren te gaan zwemmen. Daardoor zijn er allicht ook weinig fietsslachtoffers, wat voor sommigen dan het ‘bewijs’ zal zijn dat haaks parkeren geen onveilige maatregel is.

Maar wie beschikt over gezond verstand en/of een fiets beseft dat haaks parkeren eigenlijk verboden zou moeten worden in elke straat zonder fietspaden.

Ooit werd het eenrichtingsverkeer ingevoerd om meer parkeerruimte te creëren. Daardoor werden fietsers meteen ook gedwongen de omweg te maken. ‘Nieuwe’ wetgeving ten spijt, is die historische onrechtvaardigheid nog altijd niet helemaal hersteld.

Tegenwoordig is, in naam van enkele plaatsjes meer, het haaks parkeren in tal van steden de nieuwe antifietsmaatregel geworden. Niet als dusdanig bedoeld, maar daarom niet minder effectief.

Veilig Vlaanderen

Geplaatst op

Subjectieve en objectieve verkeersveiligheid, het is een moeilijke verhouding. Vooral omdat het niet zo’n eenvoudige is: soms maakt subjectieve verkeersonveiligheid het objectief veiliger, gewoon omdat mensen voorzichtiger worden wanneer ze weten dat iets gevaarlijk is. Omgekeerd kan het gevoel ‘veilig te zijn’ voor het perverse effect zorgen dat het objectief gezien onveiliger wordt.

Op dat mechanisme is het hele ‘shared space’-verhaal gebaseerd. Het is er het succes van, maar ook de achilleshiel. Als pakweg voetgangers en fietsers zich ergens te onveilig voelen, gaan ze wellicht een andere route kiezen. Of niet langer wandelen en fietsen. Waardoor het eindresultaat soms niet méér maar net minder verkeersveiligheid is. Het is dus zaak subjectieve onveiligheid in zo’n dosis aan te bieden dat de objectieve veiligheid gemaximaliseerd wordt.

Los van het voorgaande is de subjectieve onveiligheid over het algemeen wel een goede indicator van het algemene verkeersveiligheidsklimaat. Om die reden peilt de Gemeentemonitor er naar.

Wachtende kinderen

Enkele weken geleden werden de resultaten van de enquête van 2017 voorgesteld. Wat daarin opvalt is dat in de 13 Vlaamse centrumsteden 38% van de respondenten meent ‘dat kinderen zich in hun buurt veilig en zelfstandig kunnen verplaatsen’. Dat is een beleefde manier om te zeggen dat 62% meent dat kinderen dat in hun buurt niet kunnen.

Ik prefereer de tweede formulering, want het is stilaan tijd voor een klets in onze zelfgenoegzame gezichten. Niettegenstaande ik mij van de afgelopen jaren alleen maar persberichten van ministers en stadsbesturen kan herinneren waarin die zeggen dat ze verkeerssituaties ‘veiliger’ maken, wordt het niet beter. Integendeel: het wordt slechter. In vergelijking met de resultaten van 2014 zijn we er voor de centrumsteden 4% op achteruitgegaan. Voor Vlaanderen als geheel is er geen vergelijkingsmateriaal, maar het resultaat van 2017 is nog minder bemoedigend: 67%, twee op de drie dus, oordeelt dat kinderen zich in hun buurt niet veilig en zelfstandig kunnen verplaatsen.

Tel daarbij het feit dat mensen zonder kinderen de situatie nog iets veiliger inschatten dan de mensen mét kinderen en je weet dat we echt wel met een probleem zitten.

Door de manier waarop we onze publieke ruimte en onze mobiliteit organiseren, moeten in deze maatschappij massa’s mensen leven tegen een permanente achtergrond van angst of, als ze de keuze hebben, in een voortdurende modus van ‘beschikbaarheid’ als taxiouder. Dat mag dan ‘leefbaar’ zijn, het is geen leefkwaliteit. Niet voor de ouders en eigenlijk nog minder voor de kinderen die hierdoor geremd worden in hun ontplooiing en beperkt in hun vrijheid. Het is vreemd dat in deze liberale tijden hieraan niet meer aandacht wordt besteed.

Veilig Vlaanderen

Maar er is meer. Als mensen denken dat iets niet veilig kan, kan je van die mensen bezwaarlijk verwachten dat ze dat toch gaan doen. En helemaal niet dat ze het hun kinderen laten doen. Anders gezegd: zo lang de basisvoorwaarde ‘veiligheid’ zowel in haar subjectieve als in haar objectieve variant niet is vervuld, is het onredelijk (en zelfs onethisch) te hopen op een modal shift richting fietsen en te voet gaan.

‘Veilig thuis in een welvarend Vlaanderen’ luidt de campagneslogan van de partij van de Vlaamse minister van mobiliteit. Alvast voorlopig moet die ‘veilig thuis’ dus letterlijk worden opgevat.

Houten, mon amour (4)

Geplaatst op

Het zal je natuurlijk maar overkomen. Je ontvangt een bus vol Belgen met open armen. Je leidt ze rond in je gemeente en vertelt enthousiast over het hoe en wat en waarom (niet). En dan zit er daar eentje tussen die daar nadien kritische stukjes begint te plegen. Ondank is ’s werelds loon.

Sommige studenten kwamen bezorgd polsen “of ik ook niet vond dat ik een beetje te streng was geweest”. Het is een vraag die ze me wel eens meer stellen.

Maar toch. Voor de goede verstandhouding doe ik een poging tot samenvatting van mijn (altijd voorlopige) conclusies over het ‘model Houten’…

Wat is er goed aan Houten? Veel, héél veel. Dat hebben we tot nu toe dus misschien een beetje te weinig in de verf gezet.

Dat je met de fiets en te voet overal in de gemeente kan geraken (de minimale basisvoorwaarde waaraan menige Vlaamse gemeente niet voldoet), dat dit kan zonder je leven te riskeren (een minimale basisvoorwaarde waaraan geen enkele Vlaamse gemeente voldoet) en dat dit niet alleen mogelijk is voor de gezonde mannelijke twintiger of dertiger maar ook voor pakweg een kind van acht of een senior van 80 (hallo Penalosa, hier is je ideaal), dat is de max en de perfecte illustratie dat een verkeerssysteem ook emanciperend kan zijn in plaats van vooral disciplinerend, zoals in de fluohesjesmaatschappij het geval is.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Doe daar bovenop ook nog een schep ‘welbevinden’ (bij ons nog al te vaak beschouwd als iets facultatiefs) doordat elke verplaatsing zich letterlijk ‘in het groen’ afspeelt en het prima bereik met het openbaar vervoer (op 8 minuten sta je in Utrecht met een 10 minutenfrequentie) en je hebt, denk ik, de belangrijkste troeven van het model Houten benoemd.

Sommigen zullen er ook nog aan toevoegen dat de ideale fietsbaarheid niet ten koste gaat van de auto: dankzij de ‘inprikkers’ en de Rondweg kom je ook met de auto vlot overal. Maar hier begint wat mij betreft de discussie: is dit dan niet dubbelop (dubbele infrastructuur, dubbele kost), te gemakkelijk (waardoor de verleiding van de auto wel heel sterk blijft – zie de modal split) en vanuit een perspectief van toekomstbestendigheid (klimaat, luchtkwaliteit, energie- en grondstoffenverbruik) en ruimtebeslag wel de juiste keuze?

Voor wie nu roept dat er heus wel eens zwaardere ladingen moeten worden vervoerd, dat het ook in Houten wel eens guur weer is (ik kan er van meespreken) en dat sommige mensen niet (meer) beschikken over de nodige fietsvaardigheden: tijdens ons korte bezoek aan Houten zag ik een keur van alternatieve voertuigen de revue passeren, gaande van het golfkarretje over de Segway voor kindertransport (de ‘Stint’), een tweezitsfiets en een wonderlijke variëteit aan bakfietsen.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Gezien de ontwikkelingen die er op het vlak van lichte voertuigen volop aan de gang zijn, zou Houten zich de vraag kunnen stellen of het niet nog meer daarop zou moeten inzetten en zijn voortrekkersrol verder waarmaken?

Overigens lees ik dat de nieuwe vierpartijencoalitie in de Fietsstad 2018 zich rekenschap geeft van de veranderende context en zowel lagere parkeernormen als betere fietsverbindingen buiten de Rondweg (een ander punt van kritiek) in het vooruitzicht stelt. Dat is bemoedigend.

Blijft tenslotte het meest heikele punt: is Houten saai? “Op 8 minuten sta je in het bruisende Utrecht” zei onze gids en gastheer Cor Van Angelen daarover. Dat kan je op twee manieren interpreteren.

De eerste is dat de Houtenaar van twee walletjes kan eten. Hij combineert de rust en de vreedzaamheid van de Vinexwijk met het gebruis en gedruis van een universiteitsstad en de werkgelegenheid in de Randstad.

De tweede is dat er hier sprake is van een ruimtelijke tweedeling waarvan je je kan afvragen of die wel nodig en wenselijk is. Waarom zou je voor wat ‘avontuur’ en ‘verrassing’ naar een andere gemeente moeten gaan?

Studiereis HSV Nederland 2018 (1000)

Houtenambassadeur Cor Van Angelen

Een deel van het publiek vindt de eerste lezing de ideale. Dat vertaalt zich in hoge immobiliënprijzen en de daarbij horende gentrificatie, woningkrapte en een nog altijd hoog autogebruik. Een ander deel van het publiek vindt dit een probleem (en de sporen hiervan vind je makkelijk op het internet) en mist rafels en serendipiteit, wat ik vrij vertaal als een gebrek aan ‘functiemix’ – het directe gevolg van het concept van de Vinexwijk/gemeente. Het intrigerende is dat Cor zelf op dit punt lijkt te balanceren tussen de twee groepen, want hij geeft ook aan een verhuizing ‘terug naar Utrecht’ te overwegen.

Tot slot: is het model ‘Houten’ te kopiëren? Ja, als je van nul kunt beginnen. Alleen is dat in België hoogstens het geval op wijkniveau. Maar zelfs als het kan, zou ik er geen klakkeloze kopie van maken – zie de kanttekeningen hierboven.

Intussen blijft het boeiend om te volgen hoe Houten zelf zal verder evolueren. Want we mogen het dan een ‘model’ noemen, ook modellen zijn nooit af.

Bijna niets

Geplaatst op

“Een fiets is bijna niets,” zeiden de Provo’s en ze bedoelden het als een compliment. Een fiets is eenvoudig en goedkoop en zeker in de stad een ideaal vervoermiddel. Met dat inzicht waren ze hun tijd ver vooruit.

Toch maakten de Provo’s ook een fout: ze dachten dat “iets wat bijna niets was” wel niet zou worden gestolen. Vandaar hun voorstel om witte fietsen “los te laten” in de stad. Iedereen zou naar behoefte een fiets kunnen nemen en ergens achter laten. Een mooi idee dat, in tegenstelling tot wat iedereen denkt, nooit echt werd uitgeprobeerd want het witte fietsen-plan strandde in de Amsterdamse gemeenteraad.

Maar soms is de verbeelding sterker dan de werkelijkheid. In ‘De fietsrepubliek’, een ‘kostelijke cultuurgeschiedenis van het fietsen’ (aldus de achterflap, die we gelijk geven), beschrijft de Amerikaan Pete Jordan hoe de mythe ontstond dat het witte fietsen-plan wél werd gerealiseerd én bovendien een succes was. Dat collectieve misverstand vormde de kiem voor de deelfiets-projecten die later overal ter wereld zouden ontstaan.

Studiereis HSV Nederland 2018 (955)

Het immanent rechtvaardige is dat uiteindelijk ook Nederland z’n deelfietssysteem heeft gekregen: de OpenbaarVervoer-fiets of kortweg OV-fiets. Marketinggewijs is het een sterke naam: what you hear is what you get. Daar hoeft geen uitleg bij en dat heeft zich dan ook vertaald in een groot succes.

Begonnen in 2003 met zo’n 800 tweewielers is het systeem intussen op weg naar dik 20.000 fietsen. Vooral het in 2017 gratis maken van het abonnement (er wordt nu alleen nog voor het gebruik betaald) zorgde voor een explosieve toename in het gebruik. Er zijn nu  een half miljoen abonnees die vorig jaar al te gader zo’n 3,2 miljoen ritten maalden.

BlueBike in Brugge

Zoals wel meer gebeurt als het op fietsbeleid aankomt, volgde België met jaren vertraging. In 2012 zag de Blue-bike het licht en in 2018 kunnen we spreken van een relatief succes: 16.000 abonnees die vorig jaar zo’n 180.000 ritten deden. Dat deze cijfers een stuk bescheidener zijn dan de Nederlandse heeft met véél te maken, maar zeker ook met het feit dat het project van in het begin met de handrem op moest rijden (de stad Deinze weet er alles van).

Waar de Nederlandse Spoorwegen (NS) volop inzetten op de trein-fiets-tandem (heeft u hem?), verkeert de NMBS nog steeds in de veronderstelling dat spoorverkeer kan worden beschouwd als een geïsoleerde mobiliteitsdienst. Of toch bijna. Want aan autoparkeerplaatsen wordt wél volop geld uitgegeven, terwijl de NMBS twee jaar geleden aankondigde zich uit het Blue-bike-verhaal te willen terugtrekken. Sindsdien wordt er gewerkt aan een reddingsoperatie met participatie van de provincies, Vlaanderen en mogelijk ook de (Vereniging van) Vlaamse steden en gemeenten.

Blijkens het antwoord van minister Weyts op een vraag van Martine Fournier (CD&V) deze week in het Vlaams Parlement wordt er in juni witte rook verwacht. Maar hoe de reddingsconstructie van Blue-bike er ook zal uitzien, ze zal het ultieme bewijs zijn van de tunnelvisie van de Belgische Spoorwegen.

De NMBS-toppers. Op hun manier zijn ze een beetje de Provo’s van deze tijd. Hun visie “is bijna niets”.

Houten (1)

Geplaatst op

Over fietsgemeenten gesproken. Wij waren onlangs in Houten. De Nederlandse ‘fietsgemeente van 2018’. En ook van 2008 trouwens. En naar verwachting van 2028.

Eerlijk: mijn vorige bezoek aan Houten was niet zo’n succes. Het stormde en toen ik met vertraging in het station arriveerde bleek de bus die ik had willen nemen al vertrokken. Een OV-fiets dan maar, er zat niets anders op. Ik onderhandelde (!) over een prijs en toog op weg bij nacht en ontij. Behalve ik was er niemand zo dom om bij windkracht 9 te gaan fietsen, dus was er niemand op straat om de weg aan te vragen. Ik moest me behelpen met wegwijzers die onzichtbaar waren door duisternis en regen. Met mijn zware koffer op het bagagerek zwalpte ik van links naar rechts. Een geluk bij een ongeluk: daardoor ontweek ik enkele keren een afgerukte tak.

Als een verzopen waterkieken (om het maar eens in goed Vlaams te zeggen) arriveerde ik tenslotte bij wat op Google Streetview nog een boerderij was geweest, maar nu een viersterrenhotel van een verdieping of twintig. Onder de grote luifel zette ik mijn fiets op zijn staander, pal achter een Bentley. Noblesse oblige, zelfs als de noblesse een beetje humide is. Dit haast symbolische statement bezorgde me in ieder geval een welgekomen adrenalinestoot.

Uitdruipend trok ik een spoor naar de balie, waar ik de sleutel kreeg om mijn ros in de fietsenstalling te zetten. Ik ontsnapte er aan een nacht van ontbering toen ik op het nippertje vermeed dat de ijzeren poort ervan door een windvlaag achter mij in het slot sloeg. Mijn gsm zat in mijn bagage bij de balie…

Houten Eerste indrukken (1)

A room with a view (Hotel Houten, tegenwoordig Hotel Van der Valk)

De quintessens van Houten is dat het ontworpen is met de fiets als uitgangspunt (‘bike oriented’ in goed Nederlands). Alleen met de fiets kan je er dwars door rijden en kan je tot in de kleinste uithoek doordringen. Met de auto moet je altijd terug naar de Rondweg om dan via één van de ‘inprikkers’ naar je bestemming elders in Houten te rijden. Ideaal wanneer je de weg kent en wanneer het geen noodweer is.

Houten Eerste indrukken (2)

Het uitzicht overdag. Mijn eerste indruk van ‘fietsstad’ Houten.

Ik moest een congres voorzitten in een – hoe vinden ze het uit – congrescentrum net buiten de Rondweg. Dat betekende dus dat ik de juiste ‘inprikker’ of onderdoorgang moest vinden om aan de andere kant van die weg te geraken.

Helaas was het weer nauwelijks beter dan de dag tevoren en Houten was door de regen gearceerd tot een lege verzameling. Telkens opnieuw stootte ik met mijn OV-fietsje op de berm van de Rondweg. Hoe ik ook zwoegde en draaide en keerde, de over- of onderdoorgang vond ik niet.

Helemaal doorweekt en opgejaagd door het vorderende uur greep ik uiteindelijk naar een noodmaatregel. Ik nam mijn fiets op de rug en klauterde de berm op, naar de voor fietsers verboden Rondweg. Van lieverlee voegde ik me tussen het luid toeterende autoverkeer. Je hoorde die Nederlandse chauffeurs denken: “Dat moet een Belg zijn.”* Een waterkieken is nu eenmaal een kieken.

Maar ik was op tijd én had mijn intro voor het congres.

Enfin, wat ik zeggen wou: mijn eerste kennismaking met Houten was niet meteen een groot succes.

Of mijn tweede bezoek beter verliep? Laat dat de cliffhanger van vandaag zijn.

Lees de rest van dit bericht

Uitdaging

Try harder

Of hoe je van strebers fietsendieven maakt…