RSS feed

Tagarchief: architectuur

Betonstop

Geplaatst op

“Dus Schauvliege komt in het nieuws en niemand die haar met de grond gelijk maakt? Lijkt mij een primeur.Proficiat Joke.” Het was een tweet van ene Mohamed Oucamari en het geeft goed de sfeer weer die er tegenwoordig rond onze minister voor milieu hangt.

Dus heb ik maar eens een stukje gepleegd dat de minister steunt in haar idee om een ‘betonstop’ in te voeren. Het staat vandaag (woensdag 25 mei) in De Standaard onder de enigszins deprimerende titel ‘In 2050 is er geen ruimte meer om te redden’. Dat wordt echter ruimschoots goedgemaakt door de subtitel: ‘Voor verdichting is er allang een draagvlak’. Mijn bijdrage is dan ook een oproep aan de minister om resoluut de kop te nemen (en te kiezen voor een betonstop nu, en niet pas over 34 jaar), in plaats van te kiezen voor de achtervolging. Of: het verschil tussen leiders en lijders.

Betonweg datering

Enfin, waarom ik er hier over begin? Om aandacht te geven aan een geschrift waarnaar ik in mijn opiniebijdrage verwijs: Pleidooi voor het niet-bouwen, een verfrissend vlugschrift van het jonge architectenbureau Re-st dat niet te beroerd is om de dingen op losse schroeven te zetten.

Al heb ik een gloeiende hekel aan de uitdrukking must read, hier moet ik ze gebruiken want het is er eenvoudig één. Lees het en leer hoe ‘verdichting’ zoveel meer kan zijn dan de ‘hoogbouw’ waarop projectontwikkelaars en sommige stedenbouwkundigen blijven kicken. Zoals Willy Miermans het (ook al op Twitter) mooi samenvatte in de doordenker: “Met hoogbouw krijg je verdichting niet van de grond.”

De link die je niet vindt in de krant, vind je hier wel. Downloaden dat pamflet! (En vergeet niet mij vervolgens eeuwig dankbaar te zijn voor de tip.)

Garage-Rolls

We hadden het hier al vaker over de nobele kunst van de inritdefensie en de garageheraldiek: verbodsborden, kentekenplaten, bedreigingen en smeekbedes allerhande passeerden al de revue.

Inritdefensie

Sommigen anticiperen daarbij alvast op de klassieke chauffeur-smoezen: “Ik sta er toch maar een heel klein stukje voor?” of “Het is maar voor 1 minuutje.”

Maar het kan nog creatiever. Met een trompe l’oeil bijvoorbeeld, in dit geval een ironische cocktail van hoge en lage status-ingrediënten: een Rolls-Royce (maar zonder the spirit of ecstasy op de radiator) omringd door de gebruikelijke garagerommel. Een mens zou er welhaast de blinde gevel mee vergeten en vergeven.

Creatieve inritdefensie

Wie hier nog voor de poort parkeert, is van slechte wil, weet wat er zich écht achter de poort bevindt of heeft zelf een Rolls.

Vanuit de hoogte

Onder de titel ‘Levensecht’ loopt er dezer dagen een intrigerende architectuurtentoonstelling in de Singel. De expositie wil volgens de organisatoren, “het vermogen van moderne architectuur illustreren om verandering te omhelzen zonder daarbij haar oorspronkelijke kwaliteiten te verliezen”.

Curator Tom Van Avermaete, hoogleraar aan de TU Delft, koos als case onder meer twee steden uit die vanuit het niets werden vormgegeven, het Indiase Chandigargh en het Braziliaanse Brasilia, en modernistische stadsuitbreidingen in Casablanca.

Hij vertrok vanuit de interessante onderzoeksvraag of deze projecten hun beloftes konden waarmaken.

Eerlijk gezegd verwachtte ik een kritische doorlichting van wat onder meer Le Corbusier en Oscar Niemeyer ter plaatse aanrichtten. Ik dacht dat het intussen zelfs in kringen van hedendaagse stedenbouwkundigen en architectuurtheoretici een breed gedeeld inzicht was dat de ideeën van de CIAM-beweging over functiescheiding en de daarbij horende auto-infrastructuren de tand des tijds niet hebben doorstaan. Maar dat viel dus tegen.

Niet dat er helemaal geen kritische kanttekeningen waren, maar dat de curator het in het introductiefilmpje over “voorbeeldige” steden heeft, bleek geen lapsus.

Modernisme 3

Eerst de ‘cité verticale’ in Casablanca. Behalve maquettes, plans en foto’s krijgen we een film te zien die volledig opgenomen is vanuit een rijdende auto. Weliswaar niet vanuit een voorruitperspectief, wel vanuit een zijruitperspectief. Blijkt dat wat als horizontale stad werd gedacht intussen ‘verticaal’ is geworden. De oorspronkelijke bebouwing werd door de bewoners vooral verdicht door als patio bedoelde ruimten dicht te bouwen en verdiepingen toe te voegen, onder meer als compensatie voor de functiewijziging van het gelijkvloers: van ‘wonen’ naar winkels en werkplaatsen. Exit het fundamentele principe van de functiescheiding dus, maar Tom Van Avermaete en collega’s zien er vooral het bewijs in van een geweldig aanpassingsvermogen van het ontwerp. Het adaptieve vermogen van de theorie blijkt nog groter dan dat van haar voorwerp. Die vat het samen als “de generositeit van het generische.”

Idem dito wat Chandigarh betreft. Gebouwd als een raster, dus als een stad zonder centrum, blijft er van het oorspronkelijke ontwerp nog bitter weinig over. Ramen werden dichtgebouwd, muren werden van ramen voorzien, balkons en erkers werden toegevoegd. Het enige wat nog herkenbaar is, dankzij ‘esthetische controles’ (sic) is het betonnen raamwerk. Ook Chandigarh blijkt voor de tentoonstellingbouwers met glans geslaagd. Het is “een architecturaal canvas waarop het bruisende leven van alledag zich afspeelt”. Zelf zou ik eerder denken dat dit leven bruisend is ondanks en niet dankzij de oorspronkelijke plannen. Niet elke mens kan kiezen op welk canvas hij zijn leven schildert. Maar ik gun de modernisten graag het voordeel van de twijfel.

Brasilia

Brasilia dan, ooit het paradepaard van deze visionairen, gebouwd in het midden van nergens, in de Braziliaanse brousse. Het stadsplan heeft de vorm van een adelaar met uitgestrekte vleugels (volgens de enen) of van een vliegtuig (volgens de anderen). Dat oogt natuurlijk geweldig, op papier. Als bewoner met twee voeten op de grond heb je aan zo’n gimmick niks natuurlijk. Behalve dan het nadeel dat alles ver van elkaar ligt.

Ten tijde van het ontwerp leek dat geen probleem: in de moderne wereld zouden moderne mensen zich op een moderne manier verplaatsen. En dus werd de stad er geen van moderne mensen, maar van moderne auto’s. De expositiebouwers zijn zo eerlijk criticus Robert Hughes een plaatsje te geven met een naargeestige filmische impressie van een lege stad begin jaren ’80: “a platonic nowhere infested with Volkswagens”.

Maar Avermaete en de zijnen blijven er niet bij stilstaan. In weerwil van de getuigenissen van iedereen die er was, blinkt Brasilia volgens hen uit in levendigheid. Hun ultieme ‘bewijs’ zegt meer dan ze zelf bevroeden: “Op zondag, als er weinig verkeer is, trekken ze (de bewoners; kp) naar de representatieve publieke noord-zuid-as om er te fietsen, te schaatsen (rolschaatsen; kp) of te skaten.” Ergo: verkeer is autoverkeer, fietsen is iets wat je doet op zondag, op een plek die toevallig ‘vrij’ is. Als de auto’s weg zijn, komen de mensen uit hun schuilplaatsen tevoorschijn.

Modernisme 2 (2)

Net toen ik me afvroeg hoe iemand die het meest elementaire falen van de modernistische stedenbouw niet erkent en begrijpt toch hoogleraar kan zijn, viel mijn oog op een stelling in een hoek van de expositieruimte. Ik wreef mijn ogen uit. Wat ik zag was inderdaad een platform van waarop de bezoekers letterlijk kunnen neerkijken op de “monumentale maquettes” en de fout van de modernistische helikoptervisie onbewust kunnen herhalen.

In een flits begreep ik: daarom, natuurlijk, heet een hoog-leraar een hoog-leraar.

Jammer dat in het bijzonder in de architectuur en de stedenbouw vanuit de hoogte kijken geen garantie is om op de hoogte te zijn.
———————————————–
‘Levensecht, de performantie van de moderne stad’ in De Singel, Antwerpen, nog tot 10 januari
open: wo – zo / 14  – 18 uur en bij voorstellingen
gesloten: ma, di en feestdagen

In een klein stationnetje…

Geplaatst op

NMBSBeersel

‘Welkom’ zegt deze flashy infozuil van onze NMBS in het station van Beersel. Maar te letterlijk moet dat niet genomen worden. Het woord ‘welkom’ bedoel ik. Al geldt voor de term ‘station’ eigenlijk hetzelfde.

Dat er geen fietsen staan in de stalling, komt niet doordat er geen enkele reiziger de fiets gebruikt voor zijn voor- en natraject. Het komt doordat er geen treinen zijn. Toch niet op zon- en feestdagen. Dan mag je de mensen nog zo enthousiast welkom heten, de kans dat ze blijven komen is eerder klein.

Natuurlijk zijn er altijd vreemde sujets die desondanks toch eens de klim naar boven wagen. Ondergetekende bijvoorbeeld. Gewoon, om poolshoogte te nemen. Het moet niet altijd de trein zijn.

Bovengekomen, op perron 1, kan je alleen maar bewonderend tussen de tanden fluiten: hier werd bijzonder efficiënt omgesprongen met de schaarse middelen van onze overheid. Er is niks te veel. Alles is sober en eenvoudig. Geen overbodige tierelantijntjes zoals je die wel eens ziet op halteplaatsen van minder efficiënte modi, genre tankstations voor automobielen.

Nee, hier is alles functioneel, praktisch en teruggebracht tot de essentie. Less is more, zoals Mies van der Rohe en andere verlichte geesten bijna een eeuw geleden al wisten.

We hebben in de aanbieding: een schuilhok voor dieren dat in geval van nood ook voor reizigers kan dienen, een vuilbak, een lamp. En een geluidsinstallatie waarmee de reizigers vanop veilige afstand ontijdige onheilsboodschappen kunnen worden overgemaakt: ‘De trein van X u naar Brussel is afgeschaft’.

NMBSBeersel (2)

Maar je kunt het efficiëntiedenken ook te ver drijven, zo blijkt. Want waar kan de brave reiziger een ticket kopen op een halteplaats als deze?

Het antwoord is dichterbij dan eerst gedacht:

NMBSBeersel (5)

Aan de overkant, op perron 2, staat hij te lonken, de Automaat. Wie zich al eens afvroeg waarom sommige mensen niettegenstaande alle vermaningen en sensibiliseringscampagnes zich op de sporen wagen, heeft hier een verklaring bij de kraag.

De tien meter die de reiziger van de Automaat lijken te scheiden, zijn er in werkelijkheid 2 à 300. In dit geval: een afdaling naar de begane grond (waar de infozuil je zonder verpinken welkom zal blijven heten), dan door een somber spoortunneltje en vervolgens een stevige klim naar perron 2. En dan weer terug natuurlijk. Voor wie goed ter been is: 5 minuten. Voor wie minder geluk heeft (of kleine kinderen): veel meer.

Niet dat het veel uitmaakt. In beide gevallen zal de beoogde trein vermoedelijk al gepasseerd zijn. Dan heb je een uur de tijd om te genieten van het prachtige uitzicht. En om je af te vragen waarom onze NMBS het informatiebord niet meteen aan de ingang beneden heeft gezet. Een gokje: omdat het inlevingsvermogen tegenover haar klanten vereist.

NMBSBeersel (6)

De informatie op het bord zorgt trouwens ook voor wat tijdverdrijf. Blijkbaar wordt er rekening mee gehouden dat de toeslag die vandaag extra aangerekend wordt aan boord in de toekomst verandert. Er wordt alleen gewaagd van ‘duurder’.

De verwijzing naar de mogelijkheid om een biljet te kopen aan ‘de loketten’ is vermoedelijk dan weer als grap bedoeld. Er zijn hier namelijk geen loketten. En ‘automaten’, nou ja, eigenlijk is ook dat een practical joke van de informatiedienst. Die tweede automaat bestaat niet. Maar het helpt wel om de tijd te doden.

Overigens kunnen smartphonelozen het bord ook lezen als een nauwelijks verholen verwijt dat ze de hightech-revolutie gemist hebben. Maar het volstaat dan om eens rond te kijken om je te realiseren: het is de pot die de ketel verwijt.

Dat troost.

De warmste dag

Het was vandaag de warmste 18e oktober in honderd jaar en waar was deze jongen?

Buiten natuurlijk!

Alleen stond hij daar in een veel te dikke grijze vest die onder geen beding mocht worden uitgespeeld. Kwestie van de documentairemakers toe te laten om uit alle bloopers de goede stukjes te filteren en ze te kunnen mixen met die van een eerdere opnamedag. Even was ik dus een zweetse coalitie op mezelf.

Of mijn opofferingsbereidheid ook iets heeft opgeleverd, weten we pas in april. Dan wordt het resultaat vertoond op Canvas onder de omineuze naam ‘Archibelge’. In één aflevering van het geplande drieluik doet ondergetekende enkele cameo’s. En als ze niet àlles wegknippen misschien nog iets meer.

Nieuwsgierige Aagjes onder jullie zullen nu wellicht willen weten waarover de documentaire precies gaat.

Archibelge

Dat dacht ik wel!

International Day of Happiness

International Day of Happiness

Laten we even aannemen dat rust- en verzorgingstehuizen bedoeld zijn om mensen een gelukkige levensavond te bezorgen.

Laten we ook even aannemen dat die gebouwen en hun omgevingen daar dus voor ontworpen zijn.

Dan mogen we ook aannemen dat het eindresultaat minstens een glimp laten zien van het geluksideaal van de ontwerpers.

Neem bijvoorbeeld dit tafereel. Ik weet niet of het bij u ook zo is, maar mijn wenkbrauwen en mondhoeken beginnen ervan te trekken. En niet naar boven. Ik word er niet gelukkiger van. Eerder een beetje droevig.

Eerst de setting: ver van de bewoonde wereld, in de bossen. Mogelijke associaties: groen, rust, vrede, gezonde lucht. Maar ook: verlatenheid, eenzaamheid, afzondering. Mooi dat men de tweede reeks associaties poogt weg te werken. Maar het gebeurt ten koste van de eerste reeks. De parking voor het gebouw wordt almaar groter, het bos almaar kleiner. Het autoverkeer neemt toe, de rust en de gezonde lucht kwijnen weg.

Maar men lijkt erop te vertrouwen dat de balans in evenwicht kan worden gebracht met voldoende symmetrie – dat oude klassieke ideaal. Vandaar wellicht de pilaren en de galerij die een bestemming suggereert die er niet is. Symmetrie is nu eenmaal niet hetzelfde als harmonie.

De groenaanleg rond het gebouw is een uitloper van de modernistische tabula rasa-strategie die werd toegepast: eerst alles wegbulldozeren, daarna opnieuw aanleggen. Maar dan wel zo dat het beheersbaar en controleerbaar blijft. Lees: onderhoudsvriendelijk, goedkoop, overzichtelijk, vlak, voorspelbaar – kortom: gras dat zich ermee tevreden stelt af en toe gemaaid te worden. Een subtiele verwijzing naar de man met de zeis?

Nee, ik beken: ik ben een beetje van slechte wil. Ik zie meer dan er is. Dat is ook niet zo moeilijk, want er is niet veel. Eigenlijk is er bijna niets. Alleen een zielloos surrogaat voor natuur: monotonie met als grootst denkbare variatie een verkleuring van groen naar bruin in de drogere perioden.

Een mens is geneigd te denken aan overmoed of ongepast optimisme wanneer er mensen zijn die blijkbaar toch nog verwachten dat iemand de behoefte zal voelen om daar, in die open monotonie zonder privacy of geborgenheid, te willen vertoeven. Maar hier is de context er natuurlijk geen meer van willen of niet willen. Het is er een van moeten: de gasten worden in hun rolstoelen naar buiten gerold, over het onberispelijk recht in het gelid liggende pad. Naar twee naar elkaar gekeerde banken in treurig recyclagegrijs (nee, we doen niet aan symboliek!), de ruggen recht opdat niemand ook maar zou kunnen dénken dat hier gerust zou kunnen worden, te ver van elkaar om met andere bankzitters een gesprek te kunnen voeren. Maar toch zo dicht dat elkaar negeren onmogelijk is.

Ach, wat maak ik me zorgen over de zeer hypothetische situatie waarin verschillende gasten tegelijk in deze ontheemde omgeving zouden verwijlen?

Trouwens, mocht het toch zover komen: centraal staat de vuilbak die berekend is op gezinsdozen kleenexverdriet.

Staat de auto al binnen?

Geplaatst op

Grasduinen in mijn archief kan leerrijk zijn. En ontmoedigend.

Kijk wat ik terugvond, een artikel van dik twintig jaar geleden in Knack (Knack Cahier, 5-11 januari 1994, blz. 16-19) over mobiliteit, van ene Peter Renard. De titel zou vandaag ook nog boven een Knackartikel kunnen staan: ‘Het perron ligt te ver.’

Aan het woord komt Hans Verbruggen, ooit de openbaar vervoer-specialist van Langzaam Verkeer. Hij presteerde het om zo wat alle dienstroosters van treinen én bussen in dit land uit het hoofd te kennen. Misschien overdrijf ik, maar niet zo heel veel.

De laatste jaren is Hans wat uit het zicht verdwenen. Dat is jammer, want hij had/heeft heel wat te vertellen, soms met een sarcastische ondertoon die me deed denken aan die andere Hans, Dorrestijn.

Lees mee wat Hans Verbruggen in 1994 vertelde over het ruimteverbruik van de auto: “Met de auto is het stedelijk vervoersprobleem niet oplosbaar. In hoeveel klassieke huizen met twee verdiepingen is de woonkamer niet geëlimineerd voor een garage? De bewoners verhuizen naar een achterkamertje of een eerste verdieping om de mooiste plaats van het huis aan hun wagen te geven.”

IMG_7586

En dan, het helaas ideale onderschrift voor deze foto: “Erger nog, maar amper zichtbaar, zijn de prachtige binnentuinen die tussen de grote woonblokken in de steden zijn verdwenen.Tuinen zo groot als een kwart stadspark zijn er vervangen door roofingdaken. Daaronder wonen auto’s. Daar is drie kwart van het groen in de stad verloren, niet in straten en op pleinen.”

Hans heeft nog altijd gelijk. Helaas.

En ik realiseer me nu waarom ze dit soort gebieden ‘binnengebieden’ zijn gaan noemen: omdat alle ‘buiten’ er ‘binnen’ is geworden.