RSS feed

Categorie archief: Eten en drinken

Hamburg (3): stapelgekte

Geplaatst op

Havens hebben de kwalijke gewoonte de inwoners van de nabijgelegen nederzettingen niet alleen eten te geven, maar ze zelf ook op te eten. Denk aan de Antwerpse haven die achtereenvolgens Oosterweel, Oorderen, Wilmarsdonk en Lillo opvrat en vandaag nog altijd loert op Doel. De Hamburgse haven heeft het dorp Altenwerder achter de kiezen en in de stad zelf de wijk Kehrwieder. Al in 1883 moesten daar dik 20.000 mensen hun biezen pakken om plaats te maken voor een vrijhandelszone met bakstenen pakhuizen op palen.

Het geheel staat bekend als ‘Speicherstadt’. Letterlijk: ‘opslag-stad’: Duitsers zijn onklopbaar in hun ‘no nonsense’ en het mag dus als een historische vergissing gelden dat no nonsense Engels is.

IMG_3232

Hoewel. De Duitsers waren toch ook weer niet zo no nonsense dat ze hun stapelhuizen niet uitrustten met wat architecturale kwaliteit. Neogothiek werd het, met karakteristieke torentjes, ingenieus metselwerk, Jugendstil-smeedwerk en ornamenten in faience.

IMG_3210

Sommige bruggen lijken speciaal te zijn ontworpen om er spionnen op uit te wisselen.

Het resultaat mag dan streng en, zeker bij regenweer, somber ogen, het mag er wezen. Zo zeer zelfs dat de Unesco het vorig jaar uitriep tot werelderfgoed. Dat is een redelijke garantie op een eeuwige toekomst. Toch zo lang Joke Schauvliege geen Duits minister van monumentenzorg wordt.

IMG_3221

Het op een eilandje in de Elbe gelegen Speicherstadt heeft vandaag niet langer de functie van opslagplaats – al zijn er nog sporen van te vinden. In het voormalige Zollhaus, centraal op de foto hierboven, is er tegenwoordig het aanbevelenswaardig restaurant ‘Wasserschloss’ annex specerijenwinkel gevestigd. In die laatste krijg je een beeld van de exotische lekkernijen die hier ooit verhandeld werden.

IMG_3233

Anno 2016 zijn in de voormalige stapelhuizen vooral kantoren en bedrijven en hier en daar een horecazaak gehuisvest. Gewoond wordt er niet en dat voel je vooral ’s avonds en ’s nachts: dan ligt Speicherstadt er stil en verlaten bij. Dat is een poëtische manier om te zeggen dat het dan een dooie boel is.

IMG_3212-001

Rechts de oude Speicherstadt, links de nieuwe kantoorwijk. Ertussen een verkeersbarrière. Geen mens die er ’s avonds iets te zoeken heeft.

Toch maakt de smaakvolle uitlichting van het architecturale geheel een avondlijk bezoek de moeite waard.

En het helpt als je niet net daarvoor een thriller hebt gelezen.

Beweren dat er in en rond de oude Speicherstadt helemaal geen opslag meer is, zou de waarheid geweld aan doen. Hamburg is, zijn reputatie als vooruitstrevende ‘klimaatstad’ ten spijt, vandaag de dag nog altijd vooral een autostad en dat heeft z’n consequenties. Wie brede verkeersriolen tot in het stadscentrum gedoogt, moet natuurlijk zorgen voor een goede ‘afloop’. Dat betekent concreet dat er ongelooflijk veel ruimte opgaat aan parkeren. Op het openbaar domein zelf, maar ook in nieuwe, grote parkeergebouwen.

IMG_3454

Dat het parkeren niet ondergronds wordt afgehandeld, zal wel te maken hebben met de drassige ondergrond.

De vormtaal blijft soms zelfs opzettelijk dezelfde als die van de aloude stapelhuizen.

IMG_3537

IMG_3540-001

Hamburg blijft op die manier trouw aan zichzelf en een beetje stapel-gek.

IMG_4281

 

Snel(weer)weg

Geplaatst op

In de brede rivier die snelweg heet ligt een archipel die Julio Cortàzar ooit Parkinglandia heeft gedoopt: een rij van eilanden afgesneden van de gewone wereld en helemaal op zichzelf gericht. Er gelden andere wetten en, vooral, een ander ritme en een andere tijd.

IMG_4305

Snelwegparkings zijn locaties zonder eigenschappen, generische niet-plaatsen. Hoogstens ondernemen ze halfslachtige pogingen zich op te werken tot ‘plekken’. En toch zijn ze ongemeen fascinerend, scharnierpunten als ze zijn van elkaar tegenwerkende krachten. Hier ontmoet de snelheid de traagheid, verzandt gedwongen rusteloosheid in opgelegde rust, stolt het tot vegen vervluchtigde landschap tot iets tastbaars dat naar olie, asfalt en urine ruikt. Hier zetten, opnieuw naar het woord van Cortàzar, de autonauten van de kosmosnelweg voet aan land en schampen levenslopen voor luttele uren of zelfs minuten.

Ik zou er uren naar kunnen zitten kijken – als iemand mij er de tijd voor gunde. Maar ook ik ben onderworpen aan de wetten van de dromologie en neem meestal slechts de vlucht vooruit.

Snelwegparkings zijn doorgangsplekken waar mensen per definitie passanten zijn. Rekenend op hun onzichtbare harnas van anonimiteit bewegen ze rakelings langs elkaar. Hier is iedereen zijn eigen smokkelwaar.

IMG_4312

Zelfs in de details blijft de verkeerstaal de verblijfstaal overheersen. Er kan geen misverstand over bestaan: u bent hier maar even.

IMG_4311

Voertuigen en hun berijders tanken er moed en energie voor het vervolg van de reis. De Raststätte is officieel en letterlijk een ‘rustplaats’. In de feiten is het een perfect georganiseerde consumptietempel, ontworpen als een lopende band gericht op een vlotte doorstroming (met automatisch openende deuren, zelfbediening, automaten, fastfood en een logisch parcours dat nauwelijks oponthoud verdraagt) en gelardeerd met Viagra voor de reiziger: koffie, Red Bull, suikers in alle maten en gewichten. Wer rastet, der rostet. Nergens frappeert de afwezigheid van doelloosheid meer dan hier.

Rekeningrijden

Het dashboard als permanente voorgrond heeft de laatste jaren een metamorfose ondergaan. De keukenrol is gebleven, maar hij kreeg het gezelschap van de lichtkrant, de Umweltsticker en een keur aan kastjes om de tollenaars hun zin te geven. Eén blik door de voorruit en het is duidelijk: we hebben niet te veel maar te weinig Europa.

De enigen die zich hier wat langer ophouden zijn de truckchauffeurs. Zij trekken zich terug in hun eigen wereld achter gesloten gordijnen, een microreconstructie van hun verre thuis.

Beeld ik het me alleen maar in, of loopt er echt een demarcatielijn tussen de truckers en de rest? Aan de ene kant regeert het heimwee, aan de andere is Fernweh, de zucht naar elders, het Leitmotiv.

Kijk eens aan, in zo’n wereld van ogenschijnlijke efficiëntie begint een mens vanzelf Duits te spreken.

Warm en koud

Broodautomaat2

Eerlijk. Ik ben al blij geweest dat ze bestonden, de broodautomaten, iconen van de verkavelingscultuur. Schrijver Walter Van den Broeck vergelijkt ze met de kapelletjes van weleer, waarvan ze behalve de locatie vaak ook de vorm overnamen. ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’. Zo ver gezocht is het nu ook weer niet.

Automaten kunnen een mobiliteitsoplossing zijn in de ver-van-alles-af-verkavelingen en in gehuchten die te klein zijn voor een eigen neringdoener. Maar moeten we er ook fundamenteel blij mee zijn? Zijn het in essentie geen stoplappen om het schip van de doorholeconomie drijvende te houden?

De doorholeconomie: de eeuwige tredmolen die geen dag of nacht meer kent, geen zondag van een weekdag kan onderscheiden, geen winter van een zomer. Zeven dagen op zeven, de klok rond gaan we door en moet alles kunnen en beschikbaar zijn: alles-altijd-onmiddellijk-overal.

Het is nog maar de vraag of de werkelijkheid niet weerbarstiger is. Gaan we ’s nachts en ’s zondags naar de winkel omdat we niets liever willen of omdat onze tijd gekoloniseerd is door de economie. Ongemerkt lieten we ons reduceren tot een homo economicus die consumeert opdat er geproduceerd kan worden en produceert opdat er geconsumeerd kan worden. Niet de behoeften van mensen doen er toe, wel de behoeften van de economie. Burning up the planet, burning out the people.

En toch is er geen warmte meer. Zelfs de warmste bakker is nu kil geworden. Waren de kapelletjes nog verzamelplaatsen van mensen, aan de broodautomaat komen we het liefst niemand tegen. Dat is veiliger en dan kunnen we er vlak voor parkeren.

Menselijke contacten, daar hebben we Facebook voor.

Op jacht in het stadsbos

Sint-Hubertusgalerij (2)

De Koninklijke Sint-Hubertusgalerijen zijn één van mijn favoriete plekken in Brussel.

Altijd vind ik er asiel als de drukte me te veel wordt. De mensenstroom verstroopt er op de grijze tegelvloer tot een vriendelijke va-et-vient die zich laat monsteren vanop het terras met de ‘Parijse’ tafeltjes van Mokafé halfweg het galerijcomplex. Nippend van een sterke koffie bij een stevig stuk gebak is het er genieten van het licht dat zomaar vanillekleurig door het glazen dak valt. Het mag geen toeval heten dat de eerste filmvoorstelling ooit op Belgische bodem hier werd georganiseerd (in 1896), door de gebroeders – ik kom op mijn punt – Lumière zelve.

Een 19e eeuws shoppingcenter, op een schaal die nog menselijk was, zo omschreef ik de doorgang tot nu toe.

Sint-Hubertusgalerij (15)

Maar er is een betere benadering, zo leerde ik van Bram Borloo in ‘Gestolde tijd’, een publicatie van Erfgoed Brussel en Brukselbinnenstebuiten. Hij beschrijft de passage als een “stedelijke dreef met de geritmeerde opeenvolging van traveeën met daarboven een glazen dak.” In die metafoor zijn de rustige terrassen het equivalent van de open plek in het bos (een ‘tra’), terwijl de gemarmerde zuilen van de galerij de bomen vormen.

Zo ervaar ik het ook telkens weer: als een plaats die zuurstof geeft aan de stad, als een doorgang die toch aanzet om eventjes te verwijlen.

En zo blijkt het alsnog logisch dat Sint-Hubertus, de patroonheilige van de jacht, zijn naam heeft geleend aan deze galerij.

Stationsverhaaltje

IMG_9546

 

Niet alle middenstanders zijn zo kortzichtig zich te bezondigen aan koehandel (zie vorig bericht). Er zijn er ook die inzetten op het paard dat ‘openbaar vervoer’ heet.

Ze geven hun etablissementen dan namen die creatiever zijn dan het op het eerste gezicht lijkt. Neem nu de Mechelse stationsbuurt, waar we café ‘Station’ aantreffen. Met die naam smeedt het noch meer noch minder dan een complot met z’n klanten. Het spreidt het bedje voor de leugen-om-bestwil. Hoor hoe het gaat wanneer de gsm rinkelt van Jean, de pendelaar met het notoir droge gehemelte:

– Hallo?

– Zijt ge al onderweg?

– Ja, schat, ik ben al in het Station!

– Ah, fijn! Tot seffens.

Case closed.

Mooi toch? En nog mooier: vooruitziend zoals alleen horeca-uitbaters kunnen zijn, heeft een waard enkele panden verderop z’n kroeg ‘Wagon’ gedoopt, waardoor Jean zonder blozen het thuisfront kan blijven verblijden:

– Hallo?

– Waar zijt ge al, Jean?

– We zijn het Station al uit, schat. Ik zit in de Wagon!

Het zal pas mislopen bij het volgende telefoontje, wanneer Jean in alle eerlijkheid zal toegeven dat hij in Java zit.

Wat mogelijk niet geloofd zal worden.

IMG_9545

Idee 19: de BOB-kaart

Geplaatst op

IMG_9479

Bij uitjes ben ik geregeld chauffeur van dienst. Ik weet dus wat het betekent om Bob te zijn. Maar sinds ik een alcoholallergie ontwikkelde besef ik pas terdege hoezeer onze maatschappij doortrokken is van alcohol.

Alcohol wordt als norm(aal) beschouwd. Dat merk je al mensen je een aperitief voorstellen (“Cava, sherry of porto?”), je uitnodigen om samen “een pint” te gaan drinken of bij de lunch informeren naar je voorkeur (“Bier of wijn? Rode of witte?”). En je merkt het ook aan de lengte van de lijst waaruit je als Bob kunt kiezen.

Wie iets meer wil dan een ‘droge’ water, het obligate fruitsapje of het heir van suikerdranken (Coca Cola, van light tot zero) is er al snel aan voor de moeite. Terwijl de mogelijkheden voor alcoholvrije cocktails en aperitieven mits wat verbeelding ook schier oneindig zijn.

Daarom zou het vanuit meer dan één opzicht een goede zaak zijn dat horecazaken in de toekomst standaard een ‘Bob-kaart’ zouden aanbieden. Die zou nogal wat voordelen bieden:

– met het systematische aanbod van de Bobkaart zou elk gezelschap geconfronteerd worden met de vraag “wie van ons is Bob?”

– vermits een ultrakort lijstje op de Bobkaart nogal zou opvallen, zou het voor horecazaken een erezaak worden te zorgen voor een voldoende groot en creatief aanbod

– het idee dat wie houdt van lekkere dingen aangewezen is op het alcoholaanbod zou stilaan eroderen.

Al bij al zou niet alleen de veiligheid op de weg er wel bij varen, maar ook de volksgezondheid én het culinaire aanbod.

Idee 18: de groententuinaanlegger

Geplaatst op

Groententuin

Soms heb ik de indruk dat er meer tuinaanleggers zijn dan tuinen. Een beetje vreemd dus dat één gat in de markt nog door geen enkele professionele hovenier schijnt te zijn ontdekt: de aanleg van groententuinen.

Nu mensen om allerlei (economische, ecologische, medische en ideologische) redenen stilaan de geneugten van ‘vruchten van eigen bodem’ herontdekken, is er zeker nood aan kenners die hen op weg helpen. Ze kunnen de amateurboer bijstaan bij de aanleg, het biologische onderhoud, de zorg bij ziekten, de oogst en zelfs de verwerking en bewaring van die oogst.

Wie zei daar dat onze economie nood heeft aan ‘groei’? Hier ligt een groei voor het rapen waarover zowel economen als ecologen zich kunnen verheugen!

Idee 16: de ijs-app

Geplaatst op

IMG_0222-001

Een app, was de opdracht die Flanders DC de ideeënleveranciers vandaag gaf. Een broodje app was het eerste wat bij me opkwam, maar ik verwierp het idee toen de ijsboer langskwam.

Hoe mooi zou het leven niet zijn als ik die nooit nog zou hoeven missen! Dit soort leed is inderdaad af en toe mijn deel: afgeleid door een gesprek, de radio die wat te luid staat of een buurman die zijn haag snoeit op het Heilige Moment.

Dat alles behoort tot de verleden tijd met de ijs-app die de abonnee vertelt of de ijsboer naderende is. Winst op alle vlakken: je mist je ijsboer niet, je komt niet onverhoeds buiten voor de verkeerde ijsboer en de wachttijden voor ijsboer én klanten worden korter (waardoor er uiteindelijk zelfs minder uitstoot is van de kar).

En later op de avond kan de ijskar rustig haar ronde verderzetten zonder iedereen (en vooral kleine kinderen) wakker te maken: de app vervangt dan het muziekje. Geef toe: een crème van een app!

Vergist van doelgroep

Die marketingjongens van Cécémel rijden nooit met de trein.

Anders hadden ze wel geweten dat treinreizigers zelden een tankstation binnenspringen voor een snelle drink.

Al is een tankstation in zekere zin nog altijd wel een station, natuurlijk.

Het vegetariërsprobleem en de verfreiburgering

De steden die niet langer in het verleden leven maar zich ernstig op de toekomst voorbereiden, zijn vandaag ‘autovrij’.

Noodgedwongen komt dat er vandaag nog vooral op neer dat de stad dezelfde is, maar dan zonder auto’s. Het scheelt al een stuk in beleving, (perspectieven, luchtkwaliteit, lawaai, bewegingsvrijheid), maar omdat de maatschappij vandaag nog even auto-afhankelijk is georganiseerd als gisteren het geval was en morgen het geval zal zijn, lijkt het toch nog altijd een wereld-van-minder-mobiliteit.

Ten onrechte.

Een autovrije stad voorstellen als de huidige stad min de auto’s is hetzelfde als vegetarisch eten gelijk stellen aan het gewone menu minus het vlees. Friet-biefstuk wordt dan ‘friet’. Balletjes in tomatensaus wordt dan ‘tomatensaus’. Tja, geen wonder dat vegetariërs jarenlang wat meewarig werden bejegend.

Gelukkig zijn we die misvatting intussen voorbij. De meeste mensen weten nu dat de vegetarische keuken heel wat meer te bieden heeft en geen kwestie is van ‘minder’ maar, zoals Tobias Leenaert, de voorzitter van EVA (Ethisch Vegetarisch Alternatief) onlangs in De Standaard betoogde, anders maar lekkerder.

Met de autoloze samenleving is het net zo. We kunnen ons die nog niet voorstellen. We blijven hangen aan apocalyptische beelden van een maatschappij die compleet stilvalt bij gebrek aan auto. Het is dus zaak om dit ‘vegetariërsprobleem’, dat er vooral één is van verbeelding (zich een andere wereld kunnen indenken) en inventiviteit (evenwaardige alternatieven bedenken), op te lossen. We moeten een antwoord vinden op de vraag hoe zo’n autoloze wereld eruit zou kunnen zien.

Misschien licht de Vaubanwijk in het Duitse Freiburg al een tip van de sluier: een wijk die in de jaren negentig van vorige eeuw werd geconcipieerd rond het concept van autoloosheid. Met een tram in een grasbedding centraal in de wijk, autovrije straten, gemeenschappelijke tuinen met veel speelruimte, aangename en veilige fiets- en wandelverbindingen, diensten vlakbij op wijkniveau en jawel, nog auto’s, maar veel minder en dan vooral deelauto’s die geparkeerd worden aan de rand van de wijk.

Ooit werd er gevreesd dat het project niet levensvatbaar was, maar vandaag zijn er wachtlijsten om er te mogen gaan wonen.

Iets voor alternativo’s? Toch niet. Een tijdje geleden werd de Vlaamse bevolking bevraagd wat haar ideale leefomgeving zou zijn. De grootste groep, ongeveer één of drie, kwam uit op een ideaal dat verdacht veel lijkt op de bestaande Vaubanwijk. Het was voor Standaardjournalist Guy Tegenbos de aanleiding om het woord ‘verfreiburgering’ te introduceren: de acties die we moeten ondernemen om richting het ideaal te evolueren.

Maar dat veronderstelt dus allereerst bekendheid met het ideaal. Daarom, ten behoeve van de mensen die de autoloze maar-minstens-even-mobiele Vaubanwijk niet kennen, is het volgende (met dank aan Antwerp Aan’t Woord-man Koen Wynants voor de tip) filmpje een prima kennismaking: http://www.youtube.com/watch?v=juzg66OTVXo