RSS Feed

Categorie archief: Reizen

De Esplanade des Quinconces

Geplaatst op

U vraagt, wij draaien (soms door). Naar aanleiding van de kleine discussie alhier over ‘groen’ op stedelijke pleinen vroeg iemand naar stichtende voorbeelden.

Welnu, hier is er één dat volgens mij een eervolle vermelding verdient: de Esplanade des Quinconces in Bordeaux. Weliswaar aangelegd tussen 1827 en 1858, maar dat kan je ook zien als een bewijs van kwaliteit: blijkbaar heeft het alle modes doorstaan en wordt het nog altijd naar waarde geschat. Overigens betekent dat niet dat de tijd er is blijven stilstaan. Intussen glijdt de tram er door en de grote open ruimte in het midden wordt intensief gebruikt voor manifestaties en evenementen allerhande.

Ik was er in de gietende regen, tijdens een voorjaarsbuitje, tijdens een doordeweekse regenvlaag en ook wel tijdens een plensbui en in de stortregen. En al kon ik de bescherming van het groendak appreciëren, ik heb zo’n flauw vermoeden dat het er bij zomerse zonneschijn nog aangenamer moet zijn.

Stalingradplaats

Geplaatst op

Bordeaux, Place Stalingrad. Ik blijf het curieus vinden hoe al die Stalingrad-pleinen en -straten in het westen de glasnost en de perestrojka ongehavend zijn doorgekomen.

Op deze Place Stalingrad staat dit publieke bronnetje. Om er water uit te laten komen, moet je het pedaal op de grond intrappen. Het water welt dan op in het midden tussen de kariatiden. Dat is dus pech voor kinderen, want ze zijn te klein om tegelijk te drinken en de pedaalknop te bedienen. En ook pech voor volwassenen, want de ruimte tussen de figuren is te smal om er een volwassen hoofd tussen te steken.

Bij nader inzien waren er misschien toch goede redenen om het plein zijn naam te laten behouden.

Park Güell: van privé naar publiek en weer terug?

Het Park Güell is één van de topattracties van Barcelona en dit zowel voor de toeristen als voor de bewoners. Wat weinigen weten is dat het ooit werd opgezet als een ‘groen verkavelingsplan’: opdrachtgever Güell vroeg in het jaar 1900 aan architect Gaudi om een woonproject te ontwerpen met villa’s in een parkomgeving. De inspiratie daarvoor haalde Güell uit zijn zakenreizen naar Engeland. De tuinwijken (die, ook dat weten weinigen, op hun beurt geïnspireerd waren op de Vlaamse begijnhoven) zeiden hem wel wat en qua aanleg waren het de Engelse landschapsparken die model stonden, wat de Engelse schrijfwijze (“Park”; in het Catalaans “Parc”)) verklaart.

Anders dan de tuinwijken was het project bedoeld voor de begoeden. Vandaar allicht dat er een muur annex hek omheen moest en dat er twee gebouwen voor bewakers werden neergepoot.

Het project kwam evenwel niet van de grond. De kandidaat-kopers vonden dat het project te ver van de stad lag, wat in die tijd inderdaad ook nog zo was. In plaats van de voorziene 62 villa’s werden er maar twee gebouwd en één daarvan werd dan nog gekocht door Gaudi zelf (de twee villa’s werden overigens wel ontworpen door andere architecten). Na de dood van Güell in 1918 schonk de familie het domein aan de stad Barcelona. Die maakte er het publieke park van dat we vandaag kennen.

Een positieve evolutie dus die vandaag, als gevolg van de crisis die Spanje treft, dreigt te worden teruggedraaid. Het stadsbestuur van Barcelona overweegt immers om het park, dat op de Werelderfgoedlijst van de Unesco staat, in concessie te geven aan de privésector. Daardoor zou het niet langer gratis toegankelijk zijn voor de toeristen en, vooral, voor de (vaak tuinloze) omwonenden.

Ik zou zeggen: “No pasaran!”

Deksels idee

Het zit hem soms in de kleine dingen. Een putdeksel bijvoorbeeld. Het kan het verschil maken tussen een saaie stoep of een plek die intrigeert. Het kan een stad boeiend maken. In Mannheim werd mijn aandacht getrokken door de tekst in stalen letters: “Deze plaats is gereserveerd voor U”. Het leek een surrealistisch grapje, maar ik vergat dat ik in Duitsland was. Zakelijkheid is er nog steeds de norm. Even verderop bleek het om een platvloerse invitatie tot adverteren te gaan. Wat niet wegneemt dat het idee nobelere doelen zou kunnen dienen: bekendheid geven aan lokale zegswijzen, eer betonen aan plaatselijke beroemdheden, ruimte bieden aan oneliners die betrekking hebben op de locatie, een ijzeren geheugen bieden aan de lokale geschiedenis, stapsteen spelen voor een ontdekkingstocht doorheen de stad… De mogelijkheden zijn eindeloos voor nutsmaatschappijen die zich eens maatschappelijk (extra) nuttig willen maken.  

Vanzelfsprekendheden die het niet zijn

We waren vorige week ook te gast bij de RNV (‘Rhein-Neckar Verkehr’), de openbare vervoersmaatschappij die door de drie steden Mannheim, Ludwigshafen en Heidelberg werd gesticht en die bijna 200 trams en meer dan 200 stadsbussen in bedrijf heeft – naar eigen zeggen genoeg om zo’n 500.000 mensen per dag te vervoeren. We kregen onder meer een kleine rondleiding in de centrale van waaruit aansluitingen worden verzekerd, worden storingen verholpen, wordt het capaciteitsaanbod aangepast aan de vraag en wordt real time reizigersinfo aangeboden. Enfin, dingen die anno 2011 voor een moderne openbaar vervoersmaatschappij vanzelfsprekend zouden moeten zijn, maar – en nu spreek ik uit ervaring – dat meestal niet zijn. Ik was niet lang genoeg in Mannheim om te weten of het systeem zo performant is als men ons wilde doen geloven, maar mijn eerste indruk was alvast positief: groot aanbod van trams (daterend uit verschillende periodes: van gloednieuw tot jaren ’70), correcte reizigersinformatie, een vrij gemakkelijk te doorgronden tarievenstructuur met ticketautomaten aan de halten, perrons op instaphoogte van de bussen en trams, chauffeurs die spontaan hun hulp aanbieden. 

In de vervoerscentrale toonde men ons ook een computersysteem waarmee de chauffeurs van de bussen en de trams mankementen kunnen melden: volle vuilbakjes, een defecte automaat, kapotte openbare verlichting… Nou moe, dacht ik, much ado about nothing. Tot ik gisteren door een kleine verstrooidheid van mijnentwege geheel onverwacht in het landelijke Heist op den Berg aanbelandde en genoodzaakt was een mij onbekende bus te nemen. Aan de halte hing geen informatie over de uurregeling, zodat ik samen met enkele andere reizigers alleen maar kon hopen dat er spoedig zo’n geelwit gevaarte zou opduiken.  Ik maakte de chauffeur van een andere bus attent op het ontbreken van een uurrooster. Hij haalde zijn schouders op: “Dat is de verantwoordelijkheid van Heist op den Berg.”  “Maar je kan het toch wel melden?” drong ik aan. “Nee, meneer, naar ons wordt niet geluisterd. Ook niet als we doorgeven dat er een halte is afgebroken of zo. Wij hebben niks te zeggen.”

De man wou zijn naam niet kwijt. Kennelijk zelfs schrik om bij zijn bazen een indruk van betrokkenheid te wekken. Toen realiseerde ik me: toch wel knap, die organisatiecultuur bij de RNV.

Vrijwillig gevangen

Het was al dik twintig jaar geleden dat ik nog aan de Franse Rivièra (de Côte d’ Azur) was geweest. Dat kan helaas niet worden gezegd van de meeste projectontwikkelaars.

Het weerzien was dan ook niet onverdeeld positief. De streek is aardig getekend door de bouw- en verkavelingswoede. Op vrijwel elk uitkijkpunt kan worden geconstateerd dat het landschap letterlijk is bezaaid met villa’s in alle vormen en formaten. Voor ongeveer elke verplaatsing is een auto nodig: de school, de post, de bakker, de kruidenier (voor zover nog aanwezig: doorgaans vervangen door een ‘Supermarché’)… Door de grote ‘sprawl’ zijn de bewoners afhankelijk geworden van hun auto. En dat is te merken aan de drukte op de wegen.

Met die wetenschap in het achterhoofd is een mens haast blij met die andere stedenbouwkundige ontwikkeling: de opkomst van het condominium (of de ‘gated community’), zeg maar de neomiddeleeuwse woonvorm waarbij mensen zich, kennelijk bang voor de buitenwereld, in groepjes terugtrekken achter muren of hekwerk. Je komt er alleen in als de camera of de concièrge je gezicht kan hebben. En mocht dat lukken is het nog lang niet zeker of je er ooit weer uit komt. Want zoals Jan Van Loy in zijn prachtige novelle ‘De Heining’ illustreerde is het zeer wel denkbaar dat het gevaar niet buiten maar binnen de muren zit. Stel je alleen al voor dat je wat wil peddelen in het gemeenschappelijke zwembad op de binnenplaats: potentieel begluurd door al je buren. Of is het dat wat ze een subjectief veiligheidsgevoel noemen?

Getrouwd in’t blauw

Je verwacht het natuurlijk niet meteen als je een oceanografisch museum bezoekt, maar in het rijkendorp dat Monaco heet kunnen ze het niet laten: een auto hoort er altijd bij. En dan liefst niet de eerste de beste. In dit geval de donkerblauwe ceremoniewagen van het huwelijk van prins Albert II en zijn Zuidafrikaanse prinses. Een speciaal voor de gelegenheid geprepareerde Lexus met plexiglazen dak (opdat de prinses niet zou ontsnappen) en een hybride aandrijvingmotor, want de prins maakte er een punt van dat de wagen geen schadelijke uitlaatgassen zou uitstoten tijdens de optocht. Flink van de man die jaarlijks als gastheer optreedt van het meest prestigieuze Formule 1-spektakel van de wereld. Nu moet iemand hem nog uitleggen dat het van een beetje verspilling getuigt om met hoogwaardige, vaak schaarse grondstoffen een voertuig in elkaar te knutselen dat in z’n hele bestaan hoogstens enkele honderden kilometer zal afleggen…

De deviante sociologie van J.G. Ballard

Zo gaat dat soms. Je leest iets puur voor je ontspanning en dan blijkt het achteraf nog relevant en actueel te zijn ook. Het overkwam me met ‘Super Cannes’ van de twee jaar geleden overleden Engelse auteur J.G. Ballard. Lezers van deze blog zullen hem misschien kennen van zijn controversiële cultboek ‘Crash’ (1973), waarin hij de verborgen erotiek van het auto-ongeluk behandelt (maar zelfs na het zien van de verfilming uit 1996 ontgaat die erotiek mij).

 Ik nam het boek mee op vakantie omdat het zich afspeelt aan de Franse Riviera, meer bepaald in de omgeving van Cannes. Wij maakten de autotocht in twee dagen: de eerste nacht overnachtten we – overigens geheel ongepland -  in Hauterives, het dorp van ‘le facteur Cheval’ (waarover dan weer de Vlaamse auteur Koen Peeters een boek schreef) even bezuiden Lyon.  Eenmaal gearriveerd in ons dorpje op 8 kilometer van Cannes toog ik aan het lezen. En wat bleek? De hoofdpersonen in Supercannes verplaatsen zich van Engeland naar Cannes en overnachten de eerste nacht in… Hauterives.

Het was genoeg om er helemaal in te komen en mijn vakantie liep soms opvallend parallel met het boek. Ik kwam ongepland terecht in La Bocca, de voorstad van Cannes die voor Ballard het toneel is van drugshandel, prostitutie en straatgeweld, en later bezochten we de inspiratiebron voor de roman: Sophia-Antipolis, de Europese ‘silicon valley’, een aaneenschakeling van onderzoekscentra waar wetenschaps- en bedrijfswereld in een moderne symbiose samenleven en daarbij dik 25000 bollebozen te werk stellen.

Ik had gedacht dat ik met mijn terugkeer naar België het boek wel achter mij zou kunnen laten, maar niets bleek minder waar. Want de rellen in Londen en andere Britse steden bleken een akelig hoog Ballardgehalte te hebben – iets wat blijkbaar ook de Britten zelf niet ontging, want ze hebben het nu over Ballardiaanse toestanden. Eén van de thema’s in Ballards “deviante sociologie” (zegt Wikipedia) is immers de mogelijke rol van geweld als medicijn tegen saaiheid en verveling. In ‘Supercannes’ laat hij een psychiater ‘kleine doses geweld’ voorschrijven aan zijn patiënten die in een voorspelbare, georganiseerde en ‘dus’niet spannende en saaie omgeving leven. Onnodig te zeggen dat de therapeutische knokpartijen uit de hand lopen… Wie de beelden uit Groot-Brittannië bekijkt en de verhalen leest over sociale paria’s die uit ‘begrijpelijke’ frustratie handelen, maar ook over welstellende plunderaars wiens gedrag ‘onbegrijpelijk’ is, kan niet anders dan zich afvragen: heeft Ballard misschien geen punt en hebben mensen werkelijk nood aan een bepaald ‘spanningsniveau”?

Terug in het land…

Gisteravond laat teruggekeerd uit vakantie. Met de auto nog maar eens: het blijft onbetaalbaar om met een gezin van vijf met de trein op vakantie te gaan. Om het nog even niet te hebben over de letterlijke onbereikbaarheid van heel wat interessante bestemmingen. Maar van jaar tot jaar wordt het mij duidelijker dat ons huidige vervoerssysteem niet vol te houden is. Vorig jaar leek het Gardameer een grote plas water waarrond de auto’s in een kring stonden aan te schuiven, dit jaar bleek ook de Côte d’Azur het decor van permanent bumper-aan-bumper-verkeer. Hier en daar begint het dan ook te dagen. Nice bijvoorbeeld, met z’n recordaantal auto’s per vierkante kilometer, zet tegenwoordig in op trams op een groene bedding.

Monaco, als ‘verplicht nummer’ voor de kids, bezochten we wél met de trein – een goede optie die onbegrijpelijkerwijze amper gepromoot werd (op de foto het letterlijk uit de rots gehouwen station van het stadstaatje). 

Het was al donker toen we Vlaanderen binnenreden. Sedert Minister Crevits (wat mij betreft: zeer terecht) besliste om de lichten op de snelwegen te doven is het nu dus ook fysiek voelbaar in welk landsdeel men zich bevindt. Al mag het effect nu ook niet overdreven worden: de lichten blijven branden ter hoogte van de op- en afritten en nu valt het dus op hoe talrijk die zijn in Vlaanderen in vergelijking met gelijk welk ander land…

Spitfire in Berlin

Geplaatst op

Een Spitfire in Berlijn. Er zijn tijden geweest dat men ze minder graag zag komen… Zou het kunnen dat die oorlog voldoende verteerd is opdat de naam ‘Triumph Spitfire’ bij de Duitsers geen weeë gevoelens meer opwekt? In dat geval staan ze verder dan in België, waar die oorlog nog altijd aanleiding is voor domme uitspraken over en weer en waar amnestie systematisch wordt verward met amnesie.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 42 other followers