RSS Feed

Categorie archief: Monumentenbeleid

De Esplanade des Quinconces

Geplaatst op

U vraagt, wij draaien (soms door). Naar aanleiding van de kleine discussie alhier over ‘groen’ op stedelijke pleinen vroeg iemand naar stichtende voorbeelden.

Welnu, hier is er één dat volgens mij een eervolle vermelding verdient: de Esplanade des Quinconces in Bordeaux. Weliswaar aangelegd tussen 1827 en 1858, maar dat kan je ook zien als een bewijs van kwaliteit: blijkbaar heeft het alle modes doorstaan en wordt het nog altijd naar waarde geschat. Overigens betekent dat niet dat de tijd er is blijven stilstaan. Intussen glijdt de tram er door en de grote open ruimte in het midden wordt intensief gebruikt voor manifestaties en evenementen allerhande.

Ik was er in de gietende regen, tijdens een voorjaarsbuitje, tijdens een doordeweekse regenvlaag en ook wel tijdens een plensbui en in de stortregen. En al kon ik de bescherming van het groendak appreciëren, ik heb zo’n flauw vermoeden dat het er bij zomerse zonneschijn nog aangenamer moet zijn.

Toen de gevels nog spraken

Geplaatst op

Er is een tijd geweest dat veranderingen zo langzaam gingen dat de mensen nog geloofden in de eeuwigheid. Dat de naam of de bestemming van een huis ooit zou veranderen, dat kwam niet eens bij hen op. Dus was het niet zo gek om hem in de gevel te beitelen of in beton te gieten. De langzaamheid van die tijd nam ook de vorm aan van letterlijke traagheid in de straat: mensen wandelden nog veel.

De stad hoefde zich nog niet met schreeuwerige levensgrote, bij voorkeur generische boodschappen te richten op de vernauwde blik die kenmerkend is voor snelverkeer. Dus loonde het nog de moeite om aandacht te besteden aan details, zelfs al bevonden die zich enkele verdiepingen boven de hoofden van de mensen.

De hedendaagse flaneur kan er nog de resten van ontdekken, vaak verweerd en onder een roetlaag van het verkeersgeweld, maar soms ook in zijn oude eer en glorie hersteld – misschien in de hoop dat op een dag het verkeer opnieuw tot mensenmaat zal zijn teruggebracht, zodat er weer volop van genoten kan worden.

Liers plezier

Geplaatst op

Ze is nog niet helemaal af, de Markt van Lier. Maar omdat wij van alle markten willen thuis zijn, gingen we toch maar al eens een kijkje nemen. Na de autovrije Markt van Geel en, iets langer geleden die van Turnhout, hebben we de smaak te pakken (al doet het pijn dat mijn eigen gemeente, Herentals, hopeloos achterblijft).

Het is niet vanzelf gegaan, het proces naar de nieuwe Markt.Er kwamen veel zwarte vlaggen en middenstandsdemagogie aan te pas. Maar het resultaat mag er wat mij betreft wezen. Ook hier is gekozen voor een sobere aanleg met, voor het verkeer dat nog toegelaten is, een zacht maar efficiënt gesuggereerde rijloper. De materiaalkeuze is wat ruwer dan in Geel, maar gezien de historische gevels rondom (iets waarvan ze in Geel niet bepaald ‘last’ hebben) de juiste. Met uitzondering wellicht van het middengedeelte dat echt wel oneffen ligt en weinig loopvriendelijk is.

Ook die van Lier hebben ervoor gekozen de stenen vlakte te breken met water – al is het doelpubliek hier duidelijk al wat ouder: ronde kuipen met een fontein en een geiserachtige installatie die af en toe stoom spuit fascineren de voorbijgangers. Een paars licht zorgt in de duisternis ongetwijfeld voor een mystieke sfeer, nog versterkt door het geluid van klankschalen dat mysterieus opklinkt uit ronde roosters in de grond. Benieuwd of deze gadget overeind gaat blijven of spoedig op klachten van hoorndol geworden omwonenden zal stuiten.

De keuze voor strakke, hoekige lantaarnpalen is gedurfd, maar alleszins meer verantwoord dan de historiserende exemplaren die je in soortgelijke omgevingen wel eens aantreft.

De wachthaltes voor De Lijn zijn nog niet helemaal klaar, maar in al hun moderne eenvoud staan ze hun mannetje in deze monumentale omgeving.

Ook mooi tenslotte dat ook hier het beleid de moed heeft gehad om komaf te maken met de terrassenbouwsels van de horeca, waardoor ook die gevelpartijen nu helemaal tot hun recht komen.

De Markt van Lier, je komt er voortaan voor je plezier…

Enige punt van kritiek is de vrijwel volledige afwezigheid van groen op het plein, waardoor het voor sommigen te kaal en te koud is. Voor het klassieke tegenargument, dat dit plein ‘stedelijk’ is en dus stenig mag zijn, heb ik nu minder begrip dan enkele jaren geleden. Steeds meer voorbeelden in binnen- en buitenland tonen aan dat de tegenstelling stad-groen een valse is en dat ze elkaar helemaal niet hoeven uit te sluiten.

Park Güell: van privé naar publiek en weer terug?

Het Park Güell is één van de topattracties van Barcelona en dit zowel voor de toeristen als voor de bewoners. Wat weinigen weten is dat het ooit werd opgezet als een ‘groen verkavelingsplan’: opdrachtgever Güell vroeg in het jaar 1900 aan architect Gaudi om een woonproject te ontwerpen met villa’s in een parkomgeving. De inspiratie daarvoor haalde Güell uit zijn zakenreizen naar Engeland. De tuinwijken (die, ook dat weten weinigen, op hun beurt geïnspireerd waren op de Vlaamse begijnhoven) zeiden hem wel wat en qua aanleg waren het de Engelse landschapsparken die model stonden, wat de Engelse schrijfwijze (“Park”; in het Catalaans “Parc”)) verklaart.

Anders dan de tuinwijken was het project bedoeld voor de begoeden. Vandaar allicht dat er een muur annex hek omheen moest en dat er twee gebouwen voor bewakers werden neergepoot.

Het project kwam evenwel niet van de grond. De kandidaat-kopers vonden dat het project te ver van de stad lag, wat in die tijd inderdaad ook nog zo was. In plaats van de voorziene 62 villa’s werden er maar twee gebouwd en één daarvan werd dan nog gekocht door Gaudi zelf (de twee villa’s werden overigens wel ontworpen door andere architecten). Na de dood van Güell in 1918 schonk de familie het domein aan de stad Barcelona. Die maakte er het publieke park van dat we vandaag kennen.

Een positieve evolutie dus die vandaag, als gevolg van de crisis die Spanje treft, dreigt te worden teruggedraaid. Het stadsbestuur van Barcelona overweegt immers om het park, dat op de Werelderfgoedlijst van de Unesco staat, in concessie te geven aan de privésector. Daardoor zou het niet langer gratis toegankelijk zijn voor de toeristen en, vooral, voor de (vaak tuinloze) omwonenden.

Ik zou zeggen: “No pasaran!”

Winkelcentra

De middenstand in Herentals riep enkele jaren geleden haar eigen ‘onbereikbaarheid’ uit omdat er een ‘knip’ was op onze Grote Markt. Sinds de knip verdwenen is en het doorgaande verkeer weer als vanouds door het centrum kan razen (daarmee het centrum voor senioren en kinderen perfect in tweeën splijtend en échte onbereikbaarheid genererend), betreft de klaagzang het zogenaamde ontbreken van parkeerplaatsen. Intussen verrees er tien kilometer verder uit de assen van het Van De Ven Shoppingcenter (‘Stop met dolen, kom naar Olen’) een nieuw Shoppingcenter. Geen haan die ernaar kraaide. Enfin, deze haan wel. Hij kon indertijd  nog Minister Van Brempt (SP.A) overtuigen om van de projectontwikkelaar tenminste een Mober te eisen, tot grote woede van de gelijkkleurige lokale schepen. 

Intussen staarde onze lokale middenstand naar zijn navel. Hij besefte niet dat hij het qua aantal parkeerplaatsen en autobereikbaarheid altijd zou moeten afleggen tegen zo’n weidewinkelproject rondom een parkeervlakte. En hij realiseerde zich al evenmin dat z’n grote troef ligt in de gezelligheid van een écht centrum met al z’n spontane menselijke bedrijvigheid en historische wortels tot in de Middeleeuwen.

Vorige vrijdag ging ik een kijkje nemen in het nieuwe shoppingcenter. Veel auto’s, weinig mensen, geen gezelligheid, dat was het overheersende gevoel. En hoewel het project nog in volle uitbreiding is, was zelfs de autobereikbaarheid al problematisch: lang aanschuiven en gevaarlijke conflicten met auto- en fietsverkeer. Er is zo consequent gekozen voor Koning Auto dat zelfs uitgestapte automobilisten aan hun lot worden overgelaten en dat er, behalve onder de fietsen verkopende Decathlonvestiging, geen fietsenstallingen te bespeuren zijn.

Intussen blijven de winkelstraten van mijn gemeente proberen water en vuur te verzoenen, met een vis-noch-vlees-resultaat waarbij iederéén zijn portie frustratie krijgt: automobilisten, voetgangers, fietsers.

Nu ik het zo oplijst: eigenlijk groeien de twee concepten wel naar elkaar toe. Over een jaar of tien hebben we dus wellicht twéé verliezende kampen, al zal de verklaring dan vermoedelijk ‘crisis’ worden genoemd.

Het landschap als kunst

Luchtspiegelingen doen soms alsof ze werkelijkheid zijn. Dat is al lang geen nieuws meer. Maar soms doet de werkelijkheid alsof ze een luchtspiegeling is. Zoals dit kerkje in Borgloon, dat eigenlijk toch ook weer geen kerkje is. Het is een kunstwerk dat er alleen de vorm van heeft aangenomen. Bedenkers zijn de architecten Gijs en Van Vaerenbergh, samen optredend als Gijs Van Vaerenbergh (een soort heilige twee-eenheid?). Of ze er zich bewust van zijn, betwijfel ik, maar de heren pasten met hun project een goede raad toe van professor Mommaas van de Universiteit van Tilburg. Als je het open landschap wilt behouden, zegt die, zorg er dan voor dat ze economisch verankerd wordt. Het Borgloonse kunstproject dat het Haspengouwse landschap als decor kreeg slaagt wonderwel in dat opzet. De toeristen die er op af komen ‘waarderen’ de kunst én het decor, in woorden, maar ook in centen door achterlating daarvan bij de plaatselijke horeca en middenstand.  

Overigens is het kunstwerk in dit geval van die aard dat het decor ook kunst wordt. Dat komt doordat het kerkje-in-doorkijkjurk van een kader biedt om naar de omgeving te kijken. De bezoekers zien dan een landschap dat ze zonder het kerkje ook hadden kunnen zien, maar toch niet zagen. Of toch niet op dezelfde manier.

Alain de Botton betoogt in zijn laatste boek, ‘Religie voor atheïsten’, dat we nood hebben aan meer seculiere monumenten. Misschien is dit kunstwerk zo’n seculier monument, al heeft het dan een religieuze vorm aangenomen. De essentie ervan is dat het de genius loci, de eigenheid van de plek, tevoorschijn tovert.

Deksels idee

Het zit hem soms in de kleine dingen. Een putdeksel bijvoorbeeld. Het kan het verschil maken tussen een saaie stoep of een plek die intrigeert. Het kan een stad boeiend maken. In Mannheim werd mijn aandacht getrokken door de tekst in stalen letters: “Deze plaats is gereserveerd voor U”. Het leek een surrealistisch grapje, maar ik vergat dat ik in Duitsland was. Zakelijkheid is er nog steeds de norm. Even verderop bleek het om een platvloerse invitatie tot adverteren te gaan. Wat niet wegneemt dat het idee nobelere doelen zou kunnen dienen: bekendheid geven aan lokale zegswijzen, eer betonen aan plaatselijke beroemdheden, ruimte bieden aan oneliners die betrekking hebben op de locatie, een ijzeren geheugen bieden aan de lokale geschiedenis, stapsteen spelen voor een ontdekkingstocht doorheen de stad… De mogelijkheden zijn eindeloos voor nutsmaatschappijen die zich eens maatschappelijk (extra) nuttig willen maken.  

Het station als bestemming: Brussel Centraal

Vandaag een aangename verrassing in Brussel Centraal toen ik gebruik maakte van de laagst gelegen toegang. Ik kwam er oog in oog te staan met het ’Horta-centrum’. Het oogt nog een beetje leeg, maar de vroegere pracht en praal werd alvast in ere hersteld en streelt de zintuigen.

Ja NMBS, als het goed is, zeggen we het ook. 

Dag van de Architectuur

Vandaag was het de Dag van de Architectuur, hier en daar verward met de Dag van de Architect, een verwisseling die je in sommige gebouwen ook wel terugvindt.

Maar niet gekniesd, want van bovenstaand gebouw kan ik wel degelijk genieten. Het  gebouw huisvest een apotheek in Herentals. Bij zonlicht glinstert de metalen gevel, waardoor het gesloten op het eerste zicht monotone karakter meer dan gecompenseerd wordt.

Eerlijk is eerlijk: niet iedereen is het met mij eens. Het gebouw staat in een historische omgeving (de Grote Markt) met nogal wat monumenten. Velen geven in zo’n omgeving de voorkeur aan pseudo-oude gebouwen. Ik opteer dan liever voor het eerlijk laten zien dat een gebouw uit een andere tijd dateert. En in dit geval kan je de maliënkolder zien als een aardige tegemoetkoming…

Als een zware diesel

Geplaatst op

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Is het MAS mooi? Eerlijk gezegd: ik vertrok met die vraag en ik kwam ermee terug. Ik ben er nog niet uit. Officieel heet het dat de nieuwe Antwerpse toren referereert aan de pakhuizenarchitectuur van ‘t Eilandje, maar dat kan niet verhelen dat het bouwsel wat plomp en plompverloren oogt – een Fremdkörper in zijn omgeving. Als het de bedoeling was geweest het Museum Aan de Stroom te integreren in zijn omgeving, was het wellicht beter geweest de Indische zandsteen te vervangen door iets streekeigens. En de handjes op de gevels mogen dan een glinsterend effect beogen, ze balanceren toch op het randje van de kitsch.

Toch is het MAS vandaag al een icoon en de marketingwaarde ervan voor de stad kan niet worden overschat. Het opzet om met een publiekstrekker letterlijk een stroom wandelaars door de stad naar ‘t Eilandje te zuigen pakt verf. De toeristen die in elkaars kielzog naar het noorden trekken, langs het nieuw aangelegde Falconplein, brengen een effect van ‘normalisering’ in een buurt die decennialang alleen maar met hel en verdoemenis werd geassocieerd.

 Wij maakten in het MAS de “vertikale stadswandeling”, via de roltrappen wentelend naar omhoog (en lieten de museumdozen voor een volgende gelegenheid), en waren aangenaam verrast door de steeds wisselende zichten op de Scheldestad. De keuze voor het Italiaanse golvende glas (enkel glas, waardoor het gebouw volgens sommigen één van de slechtst geïsoleerde van de stad is) behoedt het gebouw voor de banaliteit en zorgt voor speelse, soms grappige effecten en trompe l’oeils.

Eenmaal op de negende verdieping houdt de promenade abrupt op. Of zo lijkt het toch. Achter het hoekje staat een deur open en die leidt naar een betonnen trap richting verdieping 9 1/2 (yeah, Harry Potter maakt school) en dakterras. Oorspronkelijk was het niet de bedoeling om het publiek vrijelijk langs de buitenschil van het museum te laten bewegen tot op het dak en dat voel je. Ook op het dak zelf trouwens, waar het dreigende geluid van de airco’s de bezoekers de indruk geeft dat het gebouw over weinige ogenblikken weg zal varen. Niet als een duurzaam zeilschip, maar als een zware diesel.

 

Naschrift: bij nader inzien was mijn vraagstelling verkeerd. Is het MAS mooi? is niet de vraag die er echt toe doet. De belangrijkste vraag is of het grote architectuur is, dit gewrocht van toparchitect Neutelings. En grote architectuur is architectuur die tegemoet komt aan de opdracht die werd gegeven, maar ook aan de noden van de gebruikers van morgen (cf. het concept van de ‘intelligente ruïnes’ van Bob van Reeth). Als de vraag zo wordt geformuleerd, ziet het ernaar uit dat het antwoord negatief is: duur in constructie en onderhoud,  niet duurzaam en ontoegankelijk voor mensen met een beperking geeft een negatieve eindbalans, zelfs als het gebouw ‘mooi’ zou zijn…

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 42 other followers