RSS Feed

Categorie archief: Milieubeleid

Restyling van de De Merodebossen

Geplaatst op

Wie dacht dat bossen niet kunnen worden ‘restyled’ moet dezer dagen eens naar de ‘De Merodebossen’ in de Kempen trekken. De rustbanken kregen er een nieuwe, eenvormige en bewonderenswaardig sobere look waardoor ze perfect harmoniëren met de natuurlijke omgeving en toch voldoende opvallen.

Het is trouwens niet bij een look gebleven. Natuurpunt is druk doende met ingrepen in het landschap om de biodiversiteit een ‘boost’ te geven en de filosofie van maximale toegankelijkheid getrouw werd het hele netwerk van paden herdacht.

Het zegt iets over de recreatiedruk op onze bossen dat we nu ook daar al in de bossen naar een scheiding van weggebruikers moeten gaan: er zijn paden voor fietsers, paden voor voetgangers, paden voor voetgangers en fietsers en paden voor ruiters. En dan nog zie je dat er bijvoorbeeld een mountainbikepad ‘ontstaat’ naast een ruiterpad.

Het gewenste gebruik van die verschillende paden is trouwens in dezelfde nieuwe huisstijl aangegeven. Klaar en duidelijk, zonder opdringerige, storende roodwitte verbodsborden. Hopelijk wordt dat voor sommigen niet het ultieme excuus om zich van de regels niets aan te trekken.

Er is, in dezelfde stijl en filosofie, ook een nieuwe brug gebouwd over een weg die het boscomplex genadeloos doorsnijdt: ‘de Beeltjens Kwarekken’. Ze mag er best wezen, al is mij niet helemaal duidelijk hoe ze is bedoeld: als een brug voor wandelaars of als een brug voor wandelaars én fietsers?

De brug bevindt zich op een route voor die twee laatsten en toch kreeg ze maar langs één kant een helling. Aan de andere zijde bevindt zich een trap met slecht zichtbare treden. Het aanbrengen van wat strips zou slechtzienden wellicht een grote hulp zijn.

Aan de trapzijde is er weliswaar ook een gootje, maar bijvoorbeeld voor fietsers met een aanhangwagentje blijft dit een te nemen hindernis.

Overigens is het nog nog even wachten op de finishing touch: het aanbrengen van welkomstborden en, hopelijk, de nodige oriëntatieplannetjes.

Voor mij alvast niet de enige reden om nog eens terug te komen…

Mobiliteitsdagboek 23 februari

Vooral ‘s ochtends ben ik er nogal op gesteld gerust gelaten te worden in de trein. Dus nestel ik me bij voorkeur bij mensen die aan het lezen zijn: de grootste garantie op stilte en rust – al kan er altijd een gsm spelbreker komen spelen. Maar af en toe loop ik iemand tegen het lijf die ik lang niet gezien had en dan wil ik wel eens een uitzondering maken. Even bijpraten, nieuwtjes uitwisselen – het openbaar vervoer is ook een generator van sociale relaties. Vandaag maak ik van die generator gebruik.

Verder weinig rimpelingen in mijn mobiliteitspatroon: fiets-trein-fiets. Eigenlijk ben ik veel voorspelbaarder en regelmatiger dan ik zelf gedacht had. Als je mijn bewegingen van de laatste 25 dagen op een kaartje uittekent, kom je tot een schema met veel dikke lijnen en maar enkele dunne. De dikke zijn voor de trein (gepland, regelmatig), de dunne voor de auto. De fiets zit daar ergens tussen.

Maar hoe voorspelbaar ook, wanneer ik over een week stop met dit mobiliteitsdagboek dan zal ik op een aantal punten toch wat wijzer zijn geworden. Een aantal dingen neem ik mee in mijn nieuwe boek.

Mijn ervaringen in de Jodenbuurt bijvoorbeeld. Niet het feit dat veel mensen daar kriskras oversteken, met de fiets in tegenrichting rijden op een éénrichtingsfietspad, zwalpend de hele breedte van de weg claimen of het rode licht negeren is storend. Wel dat het onmogelijk is om met die mensen oogcontact te maken. Daardoor vervalt één van de grootste voordelen die zachte weggebruikers onder elkaar normaal gesproken hebben: het woordeloos en “in een ogenblik” kunnen onderhandelen over wie al dan niet remt, rechts rijdt of naar waar uitwijkt. Door het vermijden van dit oogcontact is er geen communicatie. En dus grijp je spontaan naar  ’onvriendelijke’ vervangers als een fietsbel of luidkeels roepen – al helpen die hier ook niet.

Maar goed. Vandaag is er zo weinig verkeer, dat ik zelfs op de lila olievlekken op het wegdek kan letten. Ik begin ze te tellen, maar houd er al vlug mee op. Sommige straten zijn eigenlijk olievelden. Dat biedt perspectief voor peak oil.

‘s Middags fiets ik over en weer naar de Fnac om mezelf er de nieuwste CD van Leonard Cohen cadeau te doen. Nu ja, de nieuwste: ‘Old ideas’ is de titel.

‘s Avonds zoals steeds terug met de trein. Tot mijn groot verdriet is dat nog altijd een diesel. In deze tijden waarin elektrische mobiliteit zo wordt gehypet is het toch godgeklaagd dat de NMBS de al jaren beloofde elektrificatie van lijn 15 (Herentals-Mol) alweer heeft geschrapt. Zou daarin investeren niet meer verantwoord zijn dan elektrische auto’s subsidiëren met gratis laadbeurten en gratis langparkeren in het midden van de stad? Vreemd genoeg valt niemand over dat Mattheüseffect: het zijn waarlijk niet de armsten die zich een elektrische auto kunnen veroorloven.

Verplaatsingen

Herentals-Antwerpen (H/T) fiets-trein-fiets (woon-werk)

Antwerpen-Antwerpen fiets (winkel)

Mobiliteitsdagboek 16 februari

 

Man met een Missie

Misschien heb ik de schijn tegen, maar het is echt zo: ik probeer mijn gedrag niet aan te passen aan het feit dat ik er verslag over uitbreng. Als ik dus vertel dat ik het ‘s ochtends alweer aan de stok heb met een automobilist, dan komt dat gewoon doordat ik een Man met een Missie ben. Mijn filosofie is dat een verkeersles nooit weg is, ook al is de luisterbereidheid beperkt: dan is er tenminste toch het signaal gegeven dat het getoonde gedrag niet door iedereen normaal gevonden wordt.

Het is in een woonstraat dat een automobiliste het op haar heupen krijgt van het feit dat ze niet kan inhalen. Ik fiets namelijk naast iemand anders en er is te weinig ruimte om voorbij te komen. Maar we bevinden ons in zone 30, dus is daar ook helemaal geen reden toe. Wel integendeel, zou ik denken. Maar de jongedame denkt daar anders over. Ze claxoneert ongeduldig. En wanneer ik vertraag, doet ze dat nog eens.

Ik wil niet moediger lijken dan ik ben: als de boosdoener een ruige baard en tatoeages op de gespierde armen had gehad, ik zou vermoedelijk niet mijn fiets dwars over de straat hebben gezet en afgestapt om een praatje te maken. Nu wel. Terwijl ik haar door haar gesloten zijraampje heen uitleg dat naast elkaar fietsen in de bebouwde kom wettelijk toegelaten is en dat sneller rijden in deze omgeving geen zin heeft, stopt er achter haar nog een auto – een eventualiteit waar ik eerlijk gezegd geen rekening mee had gehouden. De chauffeur is van de mannelijke kunne en heeft duidelijk Desmond Morris gelezen, want als hij zijn bolide uitkomt doet hij dat keurig volgens het boekje: de borst vooruit, breed gesticulerend, roepend, tierend, dreigend. Ik weeg mijn kansen af en zet in op blufpoker: koelbloedig blijven staan, niet gaan lopen. Het werkt. De man kruipt terug in zijn wagen, komt er weer uit met de deur half open, nog steeds schreeuwend dat ik de auto’s moet doorlaten,  kruipt er dan weer in. De jongedame laat haar motor toeren maken: samen sterk, zie je ze denken. Tergend langzaam fiets ik in het midden van de straat verder, tot de eerste afslag waar fietsers in mogen en auto’s niet. Achter mij hoor ik hoe ze hun verloren tijd woedend inhalen. Zone 30 en links en rechts ‘Merci dat je trager rijdt’-borden, het zal hen worst wezen, in Antwerpen wordt toch niet in zone 30 gecontroleerd.

Dikketruiendag

Het is dikketruiendag en eerlijk gezegd ben ik dat uit het oog verloren. Ik heb dus niks extra aangetrokken. Maar dat blijkt uiteindelijk overbodig: het klimaat op kantoor is aangenamer dan anders. ‘Waarom houden ze die eigenlijk niet altijd op een maandag?” vroeg een collega zich luidop af – en gelijk heeft hij: dat zou een stuk ecologischer zijn. Dan kunnen de verwarmingsketels gewoon op weekendstand blijven staan en dan is die op-en neerbeweging van de temperatuur overbodig.

Op het nippertje

‘s Avonds vertrek ik enkele minuten vroeger dan gewoonlijk, zodat ik niet hoef te sprinten om mijn trein te halen. Dat is meer ontspannen en allicht ook veiliger. Toch kom ik in de Boomgaardstraat weer de blauwe 2PK van elke dag tegen. Hij hangt zwaar door, geladen als hij is met drie of vier volwassen mensen. Ik betrap me er steevast op dat ik voor die auto sympathie koester, ook al is de walm die eruit komt even blauw als z’n koetswerk. Maar de sympathie is alvast vandaag niet wederzijds:  wanneer ik de lange wachtrij auto’s aan het verkeerslicht voorbijfiets, slaat plots het linker achterportier van de eend open. Nog net op tijd kan ik uitwijken. Vertrek ik eens op tijd, is het toch weer op het nippertje…

Cijfers

Klassieke verplaatsing: fiets-trein-fiets H/T (woon-werk)

Mobiliteitsdagboek: 6 februari

Niet veel te vertellen vandaag: weer een schrijfdag. Dat betekent veel mobiliteit in mijn hoofd (verschillende keren de wereld rond en af en toe zelfs een vlucht in het ijle) en weinig fysieke mobiliteit. Toch trek ik er even op uit. In de late namiddag heb ik een vergadering bij de boekhouder in Olen. Met de fiets binnendoor ben ik er even snel als met de auto, dus is de keuze snel gemaakt. En er is een bonus: een frisse wind om de vergaderstress te verdrijven.

Handhaving vanuit voorruitperspectief

De fietsroute Herentals-Noorderwijk ligt er netjes en goed berijdbaar bij, maar van het fietspad langs de Gewestweg door Olen kan helaas niet hetzelfde worden beweerd. Het STOP-principe wordt door de diensten van AWV (Vlaams Gewest) nog altijd niet consequent toegepast.

Spoor-zoekend de brug over de E313 over 

Zelfs in het centrum van het dorp heeft niemand het nodig gevonden het fietspad te ruimen

De fietsers moeten maar ‘spoorzoeken’, wat in combinatie met langs de weg en deels op het fietspad geparkeerde trailers soms een hachelijke aangelegenheid is. Zeker wanneer ik terugkeer, wanneer het al donker is, vraag ik me af hoe het kan dat hier al niet meer ongevallen zijn gebeurd.

Verschillende aanhangwagens hebben metalen uitsteeksels die in de duisternis nauwelijks zichtbaar zijn. Als fietser moet je er maar op bedacht zijn. Onwaarschijnlijk dat hier niet tegen wordt opgetreden door de politie: die moet hier minstens tien keer per dag passeren en er staan echt wel altijd vrachtwagens. Soms versperren ze, in hun streven om veilig van de weg af te staan, zelfs helemààl het fietspad. Allicht is de verklaring te zoeken in het feit dat die passerende agenten comfortabel opgeborgen zitten in hun combi en de situatie alleen vanuit voorruitperspectief beoordelen.

Levensgevaarlijke situatie: bypass buiten de lichten

Een andere levensgevaarlijke situatie is de op-en afrit van de E313 aan de Olense kant. Het is een lichtengeregeld kruispunt, maar met een bypass (die er niet als een bypass uitziet) buiten de verkeerslichten voor het autoverkeer. De fietsers krijgen groen, maar worden er op geen enkele wijze op gewezen dat verkeer hen kan snijden. Dat verkeer komt ook nog eens van een autosnelweg en is dus mentaal allesbehalve ‘klaar’ voor een onverwachte confrontatie met fietsers. Ook hier eist het voorruitperspectief zijn tol: de ontwerper heeft zich duidelijk nooit in de positie van de fietser verplaatst. De klemtoon lag duidelijk op een vlotte doorstroming en het voorkomen van kop-staartaanrijdingen op de snelweg zelf.

De gedachte dat hier elke dag tientallen zo niet honderden schoolkinderen voorbij komen doet me rillen. Meer dan de kou. Het is een zekerheid dat hier eerder vroeg dan laat een dode of zwaargewonde zal te betreuren zijn.

Verharden we niet te veel?

Dankzij de sneeuw is het nu op vele plaatsen goed zichtbaar waar er gereden wordt en waar niet. Of anders gezegd: je kan nu heel goed vaststellen welke oppervlakte het verkeer echt nodig heeft. (zie de foto bovenaan) Ik vraag me af: zou het niet te overwegen zijn om vooral kleinere wegen in de toekomst systematisch als ‘autosporen’ aan te leggen. De voordelen lijken me groot: minder verharding, dus beter voor de waterhuishouding en minder kosten; snelheidsremmend effect doordat automobilisten geneigd zullen zijn op het spoor te blijven. Op plaatsen met gemengd verkeer zullen de automobilisten wel achter de fietsers moeten blijven, maar op landelijke weggetjes lijkt me dat alleen maar winst voor de veiligheid. De aanleg van hier en daar een passeerhaven, eventueel te combineren met een inrit, kan ervoor zorgen dat auto’s geen kilometers aan een stuk op achtervolgen zijn aangewezen. Waard om te worden onderzocht, nee?

Cijfers

Verplaatsingen: 1

Fiets 5 km (motief: woon-werk, maar tegelijk ook recreatief)

Mobiliteitsdagboek: 1 februari

Ochtendkou

Een snijdende wind maakt m’n fietstochtje er niet aangenamer op en de verdiende beloning, een warme treincoupé, blijft verdorie uit: ik kom terecht in een wagon met verdacht weinig passagiers. De verwarming blijkt niet te werken en na een tijdje zit de kilte in mijn botten. Stom dat ik me heb laten vangen, want dit defect dateert niet van gisteren. Het is er al enkele weken. Als ik bij het uitstappen – we hebben zes minuten vertraging – de treinbegeleidster hierop attent maak zegt ze: “Ik weet het.” Dat komt dus wel goed.

Geen noemenswaardigheden tijdens mijn volgend fietstochtje. Aan het einde van de Boomgaardstraat, ter hoogte van brouwerij De Koninck, stap ik even af en wacht tot het licht op rood springt om een foto te maken. Hier negeer ik doorgaans het rode licht, anticiperend op de nieuwe regel die zulks kan toelaten op bepaalde plaatsen. Dit is dus zo’n plaats waar het zonder problemen zou kunnen: geen conflict met autoverkeer en slechts weinig voetgangers.

Middagwandeling

Rond de middag schijnt de zon zowaar. Ik neem de gelegenheid te baat om een frisse neus te halen en een ommetje te maken. Gewoon wat dwalen door de straten en rondkijken. Altijd een feest. Ik steek de Leien over naar het Zuid en de omgeving van het Museum voor Schone Kunsten. Er is vrijwel geen verkeer, maar toch moeten de voetgangers wachten. Làng wachten, want de lichtenregeling is duidelijk niet volgens het STOP-principe uitgeknobbeld. Daardoor blijven zelfs de heringerichte Leien voor voetgangers en fietsers nog altijd een serieuze barrière die de stad letterlijk in twee splijt.

Combiverplaatsing

Na mijn dagtaak fiets ik terug naar Berchem Station. Of toch bijna. Vlakbij spring ik binnen bij de kapper. Mijn Herentalse kapper ben ik ontrouw geworden sedert hij een Porsche Cayenne aanschafte: ik heb zo al ethische bezwaren bij dit soort oorlogstuig, laat staan dat ik het fijn vind als z’n echtgenote mij ermee aan de kant dwingt. Ze had me duidelijk niet herkend. Daar betaal ik dus liever niet aan mee…

De trein is deze keer wel stipt én warm.

Bevroren versnellingen

Mijn stalen ros is dat laatste duidelijk niet. De versnellingen functioneren niet naar behoren, zodat ik nu eens groot trap en dan weer klein. Hopelijk lost het probleem vanzelf op wanneer de temperaturen stijgen.  Dat ik daardoor wat langzamer fietste, was achteraf bekeken misschien een goede zaak: ik lees zonet (want onderweg word je op geen enkele manier gewaarschuwd) dat de fijnstofnormen voor de derde dag op rij werden overschreden. Misschien heb ik nu iets minder binnen gekregen…

Cijfers

Verplaatsingen: 3 (Motieven: 2: woon-werk; 1: recreatief)

Fiets: 2 (10km)

Te voet: 1 (2,5km)

Trein: 2 (70 km)

Mobiliteitsdagboek: 30 januari 2012

De krant

Ik realiseer het me nu pas. Nog voor ik ben opgestaan heb ik al verkeer gegenereerd: de krant zit reeds in de brievenbus. Gebracht door de Post, met een rood autootje dat vermoedelijk voor nogal wat uitstoot zorgt. Rijden, stoppen, rijden, stoppen. Als we over quickwins spreken inzake emissies en energieverbruik, zou er hier dan geen te vinden zijn? Dat autootje (diesel? benzine?) vervangen door een elektrisch lichtgewichtvoertuig?

Of moet ik overwegen om elke dag iets vroeger op te staan en mijn krant zelf te gaan halen bij de krantenboer? Dat kost mij meer moeite én meer geld, want kranten maken hun abonnementen natuurlijk goedkoper dan de losse verkoop. ‘Natuurlijk’, want iedereen vindt deze keuze-architectuur (die de voor de krant meest wenselijke keuze het meest waarschijnlijk maakt) evident.

Over en weer naar school

Ik heb drie kinderen, verspreid over twee middelbare scholen die zich elk op nauwelijks een kilometer van ons huis bevinden. Dus gaan ze alle drie met de fiets. Vandaag echter maar twee: één van de drie heeft de boodschap mee gekregen dat de kans op lessen vandaag bijzonder klein is. Zo’n dag van verveling willen we hem besparen, dus blijft hij thuis. Omdat het een heel klein beetje gesneeuwd heeft en misschien glad is op de weg besluit ik mee te fietsen met de jongste.

Omdat we wat later zijn dan gewoonlijk (maar misschien niet alleen daarom) is de gebruikelijke file op de invalsweg naar het centrum niet present. Voor ons maakt het geen verschil, want we rijden die toch voorbij over het fietspad. Alhoewel: het is ook meteen duidelijk dat de kleinere hoeveelheid autoverkeer zorgt voor merkelijk sneller autoverkeer. Dat tezamen met de vaststelling dat sommige automobilisten niet de moeite hebben genomen hun achterruit en hun zijramen schoon te maken, waardoor ze de wereld slechts burkagewijs waarnemen, maakt dat ik toch blij ben dat ik even ben meegefietst. Het doet trouwens goed, even in de buitenlucht zijn. Straks zit ik de godganse dag binnen achter de computer.

Ik leer trouwens dat mijn zoon een andere route volgt dan ik dacht: hij neemt de kortste route naar de fietsenstalling van de school, wat betekent dat hij afslaat in een bocht waar niet alle automobilisten hun snelheid aanpassen. Ik probeer hem te overtuigen om morgen toch maar de andere route te nemen. Zijn reactie is lauw.

Staking

Opmerkelijk vanochtend op Radio 1: “slechts 29 km file” wordt er gezegd. En als verklaring wordt gegeven: veel mensen hebben een snipperdag genomen of werken thuis. Over stakers: geen woord. Nochtans ben ik er één van. Vorige keer staakte mijn echtgenote. Nu ik. Als middenklasser die het goed heeft, ben ik gerust bereid mijn steentje bij te dragen. Maar niet in de ‘iedereen-context’ die nu het debat bepaalt en die laat uitschijnen dat iedereen evenveel boter op het hoofd heeft en even veel lasten moet dragen. In de soap van de voorzitterswissel van STVV (voetbalclub St.-Truiden) kwam eventjes ter sprake hoeveel voorzitter Morenne verdiende: “maar 12.000 euro/maand, als CEO bij Kia verdiende ik drie keer meer”. Er zijn mensen die echt wel in een andere ‘klasse’ spelen. Laat ons dat alstublieft ook eens in het debat betrekken.

Improvisatietheater

Tussen ons gezegd en gezwegen is mijn hele leven één groot improvisatietheater. Daarom kunnen wat extra lessen impro geen kwaad. Vandaag was het de vierde in een reeks van zeven. De lessen gaan door in het CC van Heist o/d Berg en die verplaatsing doen we met de auto. Mijn vriend Herman en ik wisselen elkaar af. In principe toch, want vandaag was het zijn beurt maar gezien zijn Picasso voor een onderhoud in de garage stond was ik taxirijder van dienst. Vind ik niet erg, want ik ben een verschrikkelijk slechte mee-rijder. Niet leuk voor mezelf en nog minder voor de chauffeur.

Bij de terugkeer geven we nog een andere cursist een lift tot in Wiekevorst, zodat we de autorit redelijk kunnen verantwoorden. Onderweg vooral voorzichtige chauffeurs, al zijn er opvallend veel cyclopen bij: controleert de politie dan alleen maar de verlichting van de fietsers?

Cijfers

Totaal aantal verplaatsingen: 2

waarvan

te voet 0

fiets 1 (1,6 km; motief: tja… ‘iemand wegbrengen’ heet dat dan in de klassieke verplaatsingsonderzoeken)

auto 1 (Herentals-Heist o/d Berg H/T) (47km inclusief omleiding; motief: recreatief)

trein0

Te gast in Wonderland

 

Ik vond dat zelfs een krant af en toe een sprookje kan verdragen. Vandaar deze bijdrage aan De Standaard van vandaag:

http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=FC3KOQHS

Haring vangt bot

Wie mij kent, weet het: ik verschil grààg van mening. Daarom heb ik er ook een stuk van mijn beroep van gemaakt. En ook wel omdat van meningsverschillen alleen maar betere meningen kunnen komen. Als er gediscussieerd wordt met argumenten tenminste. Een boek dat prikkelt en provoceert en dat geschreven is door een gewaardeerd filosoof is voor mij dus een feest. Het was dus puur genieten toen ik Bas Harings ‘Plastic Panda’ tot mij nam, zelfs al voelde ik me ongemakkelijk bij zijn conclusies. Maar goed: als Haring een punt had, waarom zou ik het hem dan niet gunnen? Misschien is het inderdaad niet zo erg als er wat regenwoud verdwijnt of wat soorten, waarvan we vaak niet eens weten dat ze bestaan, uitsterven? Dood is dood en die beesten voelen er niks meer van. En er is niemand om ze te betreuren, tenzij wij dan, sentimentele nozems die we zijn. Toch had ik het gevoel dat ik iets miste, dat er een fout zat in het betoog van de filosoof. En dat gevoel werd alleen maar sterker toen hij aan het einde van zijn boek het bestaan van verschillende soorten smurfen opvoerde als een alternatieve soort biodiversiteit, van culturele en menselijke aard weliswaar, maar even waardevol. Toch?

Nee dus. Gelukkig heb ik knappe koppen in mijn vriendenkring. Onder meer een hoogleraar gedragsecologie aan het Earth and Life Institute van de UCL (Louvain la Neuve). Hans Van Dyck heet de mens en zoals ik dacht had hij zijn huiswerk al gemaakt: een antwoordje op Haring geschreven voor de krant De Standaard. Alleen jammer dat die het stuk niet publiceerde, vanwege niet meer actueel (want al enkele dagen later). Gelukkig is deze blog er nog om dit soort onrechtvaardigheden recht te zetten. Wat hierna volgt is de tekst van professor Hans Van Dyck. Met ongelofelijk veel dank.

“Zou u de kuifleeuwerik missen? En wat gedacht van de geelgerande watertor of het bitter barbarakruid? Het leven op aarde doet zich voor in een opmerkelijke veelheid van vormen. Variatie blijkt hét sleutelkenmerk te zijn, zoals helder uitgedrukt in de term ‘biodiversiteit’. Die biodiversiteit zit wereldwijd in een diepe crisis. Dat is een wetenschappelijke vaststelling die eerder dit jaar nog in het topvakblad Nature bevestigd werd. De overleving van heel wat planten, dieren en andere levensvormen blijkt maar beperkt compatibel met een aardbol op mensenmaat. De maatschappelijke roep voor een beleid dat meer rekening houdt met biodiversiteit, werd de jongste jaren luider. Niet alleen voor de “bloemetjes en de bijtjes”, maar ook voor de levenskwaliteit van de mens zelf. Die roep wordt van een stevige rationele ruggengraat voorzien door het vorswerk van biologen en co, of toch niet?

Met het pas verschenen boek Plastic panda’s tapt de Nederlandse filosoof en gevierde schrijver Bas Haring inderdaad uit een heel ander vaatje. Het verdwijnen van ruim de helft van alle soorten is geen probleem, betoogt hij. Je kunt het als mens wel erg vinden wanneer favoriete soorten verdwijnen, maar door een rationele bril beschouwd, maakt het voor de menselijke beschaving geen zier uit. Een boude stelling die veel stof doet opwaaien (bv. DS 18/11, Reyers Laat 21/11). Groene organisaties koken rood van woede. Beleidsmakers zullen in tijden van economische crisis maar al te gretig  Harings pleidooi gebruiken om minder middelen voor biodiversiteit vrij te maken. De mailbox van de filosoof blijkt ondertussen een open riool.

Bas Haring is niet de eerste de beste toogfilosoof. Zijn analyse verdient om kritisch tegen het licht gehouden te worden. Filosofen en wetenschappers mogen best voor een onderbouwde ‘inconvenient truth’ hun nek uitsteken en op lange tenen trappen. Maar gaat dat op voor Plastic panda’s? Ik meen van niet. Het boek leest – net als Kaas en de evolutietheorie – erg vlot. Maar inhoudelijk biedt de mengeling van anekdotiek, persoonlijke smaak en vlot geschreven flarden soms onzorgvuldig geconsulteerde wetenschap geen solide basis om het maatschappelijk belang van biodiversiteit rationeel te ondergraven. Van een filosoof verwachten we een flinke portie rationaliteit, maar de aanname dat maatschappelijke keuzes de uitkomst zijn (of zouden moeten zijn) van zulke rationele overwegingen alleen, gaat voorbij aan de biologische aard en psyche van Homo sapiens. Een filosoof kan het zich permitteren om door die selectieve bril te kijken, een maatschappij beter niet.

Maar klopt zijn rationale analyse van overtollige biodiversiteit en van foutieve beeldvorming in de media over het belang van fauna en flora? Neen. Ik zal slechts enkele punten hier bondig behandelen. Haring heeft gelijk dat vele mensen een erg statisch en romantisch beeld hebben van ‘moeder natuur’. De mens schept nu eenmaal beelden en verhalen, ook zonder wetenschap. Het zijn niet de moderne biologische inzichten die aan de basis liggen van dat beeld. Van meerdere soorten (of soortengroepen) beschikken we wel over goede aanwijzingen van de directe invloed op bijvoorbeeld landbouw en menselijke gezondheid. Ik beperk me tot één voorbeeld: de bacteriële ziekte van Lyme die door teken wordt verspreid. Als er veel vogels en zoogdieren als mogelijke gastheren voorkomen, kan dat de besmettingsgraad voor de mens verhogen. Omgekeerd zou die biodiversiteit het risico net kunnen verlagen via een verdunningseffect. Een recente studie in het topvakblad Nature ondersteunt die laatste optie. In interviews blijkt Haring zelf al wat gas terug te nemen. Hij vindt nog steeds dat we de helft van de soorten kunnen missen, maar preciseert dat wel de ‘goede’ (lees nuttige) helft moet overblijven. Qua relativering kan dat tellen.

Biologen zouden het belang van individuele soorten erg overroepen. Anders dan chemici of fysici zitten in deze groep wetenschappers veel wereldverbeteraars met liefde voor hun studieobjecten en … liefde maakt blind, zo lijkt hij te suggereren. In welke mate individuele soorten al dan niet onmisbaar zijn vanuit functioneel perspectief, vormt echter al langer een wetenschappelijk debat. Dit wordt wetenschappelijk dus niet onder de mat geveegd in dienst van het natuurbehoud. Het is wel verrassend dat in dit boek biodiversiteit tot soortenrijkdom wordt herleid.

Haring trekt ook van leer tegen het belang dat de goegemeente hecht aan een ‘soort’. Soorten zijn immers maar bedachte hokjes voor groepen van individuen, niet meer dan een label. Deze redenering rammelt. Het concept soort – er zijn meerdere soortconcepten in de biologie – is inderdaad een cultuurproduct om een complex natuurproduct te benoemen. Dat ‘hokjesdenken’ is eigen aan de mens en zegt veel over hoe ons brein werkt en hoe onze soort de omgeving percipieert. Ook voor de economie, sociologie, politiek, enz. delen we groepen mensen in ‘functionele’ hokjes (etnische groepen, naties, voetbalclubs, enz.). Biologen weten dat er in dieren en planten mechanismen bestaan van soortherkenning (naast mechanismen op het niveau van het individu). Die wetenschappelijke literatuur heeft Haring kennelijk over het hoofd gezien. Het concept soort herleiden tot alleen maar fictie is intellectueel onjuist.

De filosoof besluit dat we uiteindelijk beter af zijn met producten en omgevingen die we helemaal zelf maken, eerder dan natuurproducten. Vele door de mens gekweekte en kunstmatige producten zijn beter dan hun natuurlijke of oorspronkelijke varianten (bv. appel, maïs). Interessant om vast te stellen hoe Haring zich hier zelf vastpint op het hokje ‘gekweekte variant’. Misschien had hij zijn eerdere boek over evolutie er nog eens op moeten nalezen. Diversiteit binnen soorten (ook biodiversiteit) is essentieel wanneer omgevingen snel veranderen. In tijden van klimaatverandering bewegen landbouwwetenschappers hemel en aarde om opnieuw oude en wilde rassen van bv. maïs terug te vinden om huidige varianten beter te wapenen. Biodiversiteit tegenover technologie plaatsen is op zich een oubollige heruitgave van een natuur-cultuur discussie. Kijk naar het fascinerende, jonge domein van de ‘biomimicry’. Ingenieurs en ontwerpers werken samen met biologen om zich te laten inspireren op ontwerpen in de natuur. Biodiversiteit is een rijke bron voor menselijke creativiteit. Het bekendste voorbeeld is velcro. Een idee dat van “onnuttige” plantenzaden komt.

Het boek heeft de verdienste om een aanleiding te vormen om het maatschappelijk belang van biodiversiteit nog meer in de verf te zetten. Daarbij spelen zowel wetenschappelijk onderbouwde als andere argumenten een maatschappelijke rol. Persoonlijke reflecties hebben voor het rationele luik niet het gewicht van peer-reviewed wetenschap. Wat mij betreft, vangt Haring bot wanneer hij meent dat het biodiversiteitbeleid nu op losse schroeven staat. Laten we niet in dezelfde val trappen zoals enkele jaren geleden met klimaatsverandering en de vele mediadiscussies tussen “believers” en “non-believers”. Een goed biodiversiteitbeleid heeft oog voor de rationele, functionele aspecten van biodiversiteit (en niet alleen soortenrijkdom!), maar evenzeer voor een maatschappelijk relevant verhaal van natuurbeleving dat individuele soorten vaak overstijgt. Biodiversiteit, liever rijk dan kwijt.”

Moet De Lijn lijnen?

In het voetbal noemen ze het een ééntweetje. Je hebt een aangever en vervolgens iemand die de bal in het doel kopt. Of net ernaast.

Gisteren was de aangever de sympathieke voorzitter van het Vlaams Parlement: Jan Peumans. Op Radio 1 verwees hij als quasi toevallig voorbeeld van een mogelijke besparing naar De Lijn: “Als je kijkt naar het beperkte aandeel van De Lijn in de modal split, dan kost dat openbaar vervoer ontzettend veel.” Zei Peumans dus, de ex-marketingdirecteur van De Lijn die zich de laatste jaren met een handgemaakte Phaeton laat rondrijden. Toevallig?

De gretigheid waarmee minister Bourgeois, zelden zelf  leverancier van ideeën en lid van dezelfde politieke partij, het ideetje oppikte, bevestigde mijn vermoeden: hier is inderdaad sprake van een ééntweetje.

De bal is onderweg naar het doel en schijnbaar staat er geen keeper in de goal. Van de directeur van De Lijn, Roger Kesteloot, kwam er alleszins geen verweer. Hij ging bij voorbaat al op zijn rug liggen, met het ‘argument’ dat De Lijn een aantal besparingsscenario’s heeft uitgerekend. En de vakbonden deden er nog een schepje bovenop door ons alvast te suggereren aan welk scenario zij denken: de dienstverlening gaat niet buiten schot kunnen blijven.

Wie gehoopt had op wat tegenwind van de kwaliteitspers, was er ook aan voor de moeite. De Standaard-journalist Guy Tegenbos gooide in zijn editoriaal het hele Lijnverhaal op een hoopje: het gratisverhaal, de basismobiliteit, de rol van De Lijn in het algemeen. De boodschap: “wij” leven boven onze stand en “dus” getuigt het van goed beleid als er bespaard wordt op het openbaar vervoer.

Was het maar zo simpel. Om blind te besparen heb je genoeg aan boekhouders. Maar om een verstandig kostenefficiënt beleid te voeren heb je mensen met een visie nodig. En kennelijk zijn die bij een vorige besparingsoperatie weggesaneerd. Iedereen huilt mee met de wolven in het bos. Vandaag kwam er alleen wat weerwerk van de SP.a en Groen!, maar het kwam niet verder dan de voorspelbare argumenten: ‘dat was niet overeengekomen in het Regeerakkoord’ en ‘er is geen ruimte meer om te besparen’.

Zelf heb ik er in onverdachte tijden al op gewezen dat ‘gratis’ binnen de kortste keren ‘gratuite’ wordt en dus leidt tot overconsumptie van mobiliteit. Domme mobiliteit heb ik dat genoemd. Wat mij betreft dus geen probleem om daarop te besparen. Een bescheiden ‘remgeld’ kan geen kwaad: de overconsumptie verdwijnt en er komt capaciteit vrij voor de mensen die zich écht moeten verplaatsen.

Wat de basismobiliteit betreft: ook daarop formuleerde ik in het verleden al mijn kritiek. Het is een gezond principe, maar niet in de mate dat het een busje-komt-zo-beleid werd waarbij het vervoerssysteem de Vlaamse ruimtelijke wanordening ging volgen en zelfs belonen. Ook hier is dus winst te halen.

Waar nog? Op de wijze waarop de bussen van De Lijn bestuurd worden. De overtuiging dat snel en agressief rijden de doorstroming ten goede komt zit diep in de cultuur van De Lijn. Het zijn witte raven die al van ecodriving of defensief rijden hebben gehoord. Gevolg: meer dan gemiddelde betrokkenheid bij ongevallen, ontevreden dooreengeschudde reizigers, grotere slijtage op het rollend materieel, meer uitstoot en lawaaioverlast, hogere brandstofrekeningen. Laat ook hier dus maar eens een frisse wind waaien, dat is winst op meerdere fronten.

Maar voor de rest zou een besparend mobiliteitsbeleid juist resulteren in méér middelen voor De Lijn. Zoals een collega van mij vandaag terecht opmerkte: het  zou leerzaam zijn om de tunnelvisie van het klassieke besparen in te ruilen voor een ruimere kijk door ook de ‘schaduwkosten’ in rekening te brengen. De schaduwkosten, dat zijn in dit geval de kosten die gegenereerd worden door niet of minder te investeren in openbaar vervoer. Die kosten kennen we eigenlijk al: meer mobiliteitsarmoede, meer autogebruik, meer verontreiniging, meer parkeerproblemen en meer files (een kost die de bollebozen wél systematisch in kaart weten te brengen). Want we weten: zelfs een relatief geringe groei in het autoverkeer zorgt voor een grote congestietoename.

Het in rekening brengen van de schaduwkosten (en dus ook van de verborgen baten), de financiële en de maatschappelijke, zou resulteren in niet minder maar méér geld voor het openbaar vervoer.

Als er bespaard moet worden, zijn er andere pistes die kunnen worden bewandeld. Waarom worden de  als volgepropte sardienenblikken vermomde ‘schoolbussen’ door politiek en media niet geproblematiseerd?

Waarom worden niet de investeringen in bijkomende rijstroken voor individueel vervoer (zwaar onderbezette auto’s: gemiddeld 1,2 personen per auto in de spits) in vraag gesteld?

Om het antwoord te kennen volstaat het om na te gaan wie er van welk vervoermiddel (geen) gebruik maakt.

Er is wél keuze

Laat mij duidelijk zijn. Ook ik erger mij regelmatig aan de vakbonden. Als ze elk debat over hervormingen weigeren nog voor het begonnen is, bijvoorbeeld. Of als ze systematisch “neen” zeggen zonder alternatieven op tafel te leggen. Of wanneer ze steigeren wanneer de bedrijfswagens in het vizier dreigen te komen. Ook ik houd niet van het PVDA-simplisme dat “de arbeider” idealiseert en de bemiddelde criminaliseert. En ja, ik heb mijn wenkbrauwen gefronst toen ik een groen parlementslid hoorde klagen dat de digitale televisie duurder zal worden. Alsof digitale televisie een mensenrecht is.

Maar dezer dagen erger ik mij vooral aan het korte geheugen van vele media en de mensen die ze aan het woord laten. 500 dagen lang bestond er in ons land maar één probleem: het communautaire. Wie suggereerde dat er nog andere kwesties waren, werd weggezet als een slechte Vlaming. De klimaatverandering, verkeersonveiligheid en immobiliteit, afhankelijkheid van gevaarlijke kernenergie en olie afkomstig van misdadige regimes, toenemende armoede, hoge zelfmoordcijfers, wachtlijsten voor zorgbehoevenden, een 19e eeuwse justitie en de instroom van vluchtelingen: details.

Toen knipte een ratingbureau met de vingers en moest alles wijken voor de eurocrisis. Niet alleen de Walen leefden boven hun stand, zo bleek: wij allemaal!

Dan word ik achterdochtig. Als “ze” beginnen te zeggen dat “we” een probleem hebben, dan bedoelen ze meestal “jullie”. En dan moeten “wij” oppassen.

En ja hoor, dan volgt een diarree van lezersbrieven en commentaarstukken van het Front van Verantwoordelijke Weldenkenden.

Van thuiswonende jongeren die de profiterende ouderen de les lezen en de eigen generatie een maturiteit toedichten die we helaas niet kunnen aflezen uit de maandagkranten.

Van een liberale hoofdredacteur die zich afvraagt of die stakers van de openbare dienst dan echt niet moeten vrezen om ontslagen te worden (godgeklaagd, die werknemersrechten!).

Van jonge, kinderloze middenstanders die blakend van ambitie en gezondheid hun arbeidsethos laten contrasteren met dat van de profiteurs van het spoor.

En last but not least de economisten, de astrologen van deze tijd, die ons vertellen dat er “geen keuze” is.

Als er werkelijk geen keuze is, waarom organiseren wij dan überhaupt verkiezingen? Ooit vond een journalist het woord ‘steekvlampolitiek’ uit. Maar er bestaat ook ‘steekvlamjournalistiek’: berichtgeving die geen verbanden legt.

Er moet bespaard worden. Maar een tax op business seats in de luchtvaart, een vermogensbelasting, een opheffing van het bankgeheim, een beperking van de bonussen? “Onrealistisch.” Een debat over de lonen van CEO’s? In de kiem gesmoord. “Die CEO’s verdienen veel minder dan elders in Europa.” Een handicap als je de beste mensen wil aantrekken! Wat voor gewone werknemers als een concurrentieel voordeel zou worden beschouwd, is eensklaps een nadeel. Niemand die ervan opkijkt. We zijn geschokt als er weer eens een jong mens uit het leven stapt. “Hij leek perfect gelukkig.” Niet meekunnen in de ratrace, het staat niet goed. De volgende dag keert het refrein terug: er moet meer en langer gewerkt worden. Dat moet iedereen begrijpen. Zegt de socialistische partijvoorzitter van wie een voorganger enkele weken geleden op pensioen ging. Op 57 jaar.

“We” leven boven onze stand. Dus ook de 1,7 miljoen kansarmen van dit land? En ook de 88.000 miljonairsgezinnen? De vraag stellen is ze beantwoorden.

Maar ter linkerzijde is het thema van de herverdeling er de jongste decennia nauwelijks één geweest. De focus lag op het vergroten van de taart. Zo lang die groter werd, moest er over herverdeling niet gepraat worden. Comfortabel voor iedereen. Geen wonder dus dat VOKA zo hamert op “groei”. En logisch dat de vakbonden zich jarenlang in dat scenario inschreven.

Tegen de achtergrond van een exploderende wereldbevolking, peak oil, een kantelend klimaat, nieuwe economieën met enorme behoeften, getuigt het evenwel van gezond verstand om te erkennen dat ‘schaarste’ een gegeven is. En dat herverdeling een must is.

Herverdeling van zowel de materiële als van de immateriële rijkdom. Behalve van geld en goederen dus ook van tijd, gezondheid, milieu, mobiliteit, enzovoort. Die overstijgt de artificiële opdeling tussen Wallonië en Vlaanderen en raakt de essentiële, globale opdeling: die tussen rijk en arm.

Als we ons dan concentreren op de herverdeling van de taart, dan komt er allicht ook meer aandacht voor de kwaliteit van de taart. Wat heb je aan een grote taart als ze oneetbaar is? Dan zien we misschien ook het verband tussen de rellen in Londen en sociale ongelijkheid. Tussen I-phones en mensonterende arbeidsomstandigheden. Tussen werkdruk, stress en zelfdoding en vervroegd pensioen. Tussen het belang van vakbonden en levenskwaliteit.

En dan, dan zullen we ontdekken dat er wél iets te kiezen is.

PS. Geschreven op een vakantiedag waarvoor ik eerder werkte

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 42 other followers