RSS Feed

Categorie archief: Milieu

Mobiliteitsdagboek 9 februari

Bijna dood-ervaring

De dag begint goed. Nog maar aan kilometer twee en ik ben al bijna dood geweest: een automobilist die veel te snel de St.-Jansstraat indraait en daarbij de hoek afsnijdt, zich er kennelijk niet van bewust dat er fietsers uit de éénrichtingsstraat kunnen komen. Ik kan een frontale botsing alleen vermijden door scherp uit te wijken.

Dit probleem doet zich meermaals per dag voor (en ik ben er altijd beducht voor, maar toch kan het nog verrassen). Het zou gemakkelijk kunnen worden opgelost door een klein stukje uitloopfietspad te markeren en het te beschermen met een paaltje. Maar die strijd verloor ik destijds zelf als schepen: het zou een tweetal parkeerplaatsen hebben ‘gekost’ en die prijs vonden mijn collega’s te hoog. Dus is het wachten tot een zwaar ongeval de echte prijs reveleert.

Eén straat verder rijd ik wel mee met de autostroom. Daar heb je dan de ‘zachte verkeersagressie’ van het spatbordkleven: automobilisten die dreigend achter je blijven rijden. Vandaag is het een Land Rover. Je zou verwachten dat hij dringend richting Afrikaanse savanne of Aziatische steppe moet, maar wanneer hij eindelijk voorbijstuift zie ik hem afslaan naar de NMBS-parking: het is gewoon een heen-en-weer-mens zoals ik.

Vertraging

Mijn trein heeft vertraging en het is een vertraging van de kwade soort: ik zit nog niet in de trein. Het is dus wachten geblazen op een ijskoud perron, zonder informatie. Of misschien toch wel, maar dan werd die overstemd door een aanstormende trein – een andere dan de mijne. Berchem ontvangt ons met zestien minuten vertraging.

‘s Avonds alweer later dan ‘normaal’. Ik moet mijn echtgenote nog gelijk gaan geven en de definitie van ‘normaal’ gaan herbekijken. Het is dus al donker wanneer ik de terugtocht aanvat. Onderweg kruist opnieuw een Landrover mijn pad. Een gammel geval zonder lichten, een rijdend fabriekje dat een blauwe walm van verbrande olie achter zich aansleept. Adem-benemend.

Ware doodsverachting

Het zijn niet altijd automobilisten die het risico creëren. Ter hoogte van het kruispunt met de Belgiëlei zie ik hoe een fietser gezwind door het rood rijdt: nauwelijks vertragend kruist hij twee rijstroken, een trambaan, dan weer twee rijstroken. Dit is de ware doodsverachting, zij het wel mét fluohesje en allerlei knipperlichtjes. Zou hij zich onkwetsbaar wanen?

In de Isabellalei ben ik bijna teleurgesteld dat de Mercedes M niet op het fietspad staat, want deze keer heb ik  mijn fototoestel in de aanslag…

Even later word ik in de trein besprongen door de vraag waarom mensen zonder fatsoen dan tenminste geen goede muzieksmaak kunnen hebben…

Cijfers

Verplaatsingen: 2 (motief: woon-werk)

Fiets: 2

Trein: 2

Mobiliteitsdagboek: 1 februari

Ochtendkou

Een snijdende wind maakt m’n fietstochtje er niet aangenamer op en de verdiende beloning, een warme treincoupé, blijft verdorie uit: ik kom terecht in een wagon met verdacht weinig passagiers. De verwarming blijkt niet te werken en na een tijdje zit de kilte in mijn botten. Stom dat ik me heb laten vangen, want dit defect dateert niet van gisteren. Het is er al enkele weken. Als ik bij het uitstappen – we hebben zes minuten vertraging – de treinbegeleidster hierop attent maak zegt ze: “Ik weet het.” Dat komt dus wel goed.

Geen noemenswaardigheden tijdens mijn volgend fietstochtje. Aan het einde van de Boomgaardstraat, ter hoogte van brouwerij De Koninck, stap ik even af en wacht tot het licht op rood springt om een foto te maken. Hier negeer ik doorgaans het rode licht, anticiperend op de nieuwe regel die zulks kan toelaten op bepaalde plaatsen. Dit is dus zo’n plaats waar het zonder problemen zou kunnen: geen conflict met autoverkeer en slechts weinig voetgangers.

Middagwandeling

Rond de middag schijnt de zon zowaar. Ik neem de gelegenheid te baat om een frisse neus te halen en een ommetje te maken. Gewoon wat dwalen door de straten en rondkijken. Altijd een feest. Ik steek de Leien over naar het Zuid en de omgeving van het Museum voor Schone Kunsten. Er is vrijwel geen verkeer, maar toch moeten de voetgangers wachten. Làng wachten, want de lichtenregeling is duidelijk niet volgens het STOP-principe uitgeknobbeld. Daardoor blijven zelfs de heringerichte Leien voor voetgangers en fietsers nog altijd een serieuze barrière die de stad letterlijk in twee splijt.

Combiverplaatsing

Na mijn dagtaak fiets ik terug naar Berchem Station. Of toch bijna. Vlakbij spring ik binnen bij de kapper. Mijn Herentalse kapper ben ik ontrouw geworden sedert hij een Porsche Cayenne aanschafte: ik heb zo al ethische bezwaren bij dit soort oorlogstuig, laat staan dat ik het fijn vind als z’n echtgenote mij ermee aan de kant dwingt. Ze had me duidelijk niet herkend. Daar betaal ik dus liever niet aan mee…

De trein is deze keer wel stipt én warm.

Bevroren versnellingen

Mijn stalen ros is dat laatste duidelijk niet. De versnellingen functioneren niet naar behoren, zodat ik nu eens groot trap en dan weer klein. Hopelijk lost het probleem vanzelf op wanneer de temperaturen stijgen.  Dat ik daardoor wat langzamer fietste, was achteraf bekeken misschien een goede zaak: ik lees zonet (want onderweg word je op geen enkele manier gewaarschuwd) dat de fijnstofnormen voor de derde dag op rij werden overschreden. Misschien heb ik nu iets minder binnen gekregen…

Cijfers

Verplaatsingen: 3 (Motieven: 2: woon-werk; 1: recreatief)

Fiets: 2 (10km)

Te voet: 1 (2,5km)

Trein: 2 (70 km)

Te gast in Wonderland

 

Ik vond dat zelfs een krant af en toe een sprookje kan verdragen. Vandaar deze bijdrage aan De Standaard van vandaag:

http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=FC3KOQHS

Haring vangt bot

Wie mij kent, weet het: ik verschil grààg van mening. Daarom heb ik er ook een stuk van mijn beroep van gemaakt. En ook wel omdat van meningsverschillen alleen maar betere meningen kunnen komen. Als er gediscussieerd wordt met argumenten tenminste. Een boek dat prikkelt en provoceert en dat geschreven is door een gewaardeerd filosoof is voor mij dus een feest. Het was dus puur genieten toen ik Bas Harings ‘Plastic Panda’ tot mij nam, zelfs al voelde ik me ongemakkelijk bij zijn conclusies. Maar goed: als Haring een punt had, waarom zou ik het hem dan niet gunnen? Misschien is het inderdaad niet zo erg als er wat regenwoud verdwijnt of wat soorten, waarvan we vaak niet eens weten dat ze bestaan, uitsterven? Dood is dood en die beesten voelen er niks meer van. En er is niemand om ze te betreuren, tenzij wij dan, sentimentele nozems die we zijn. Toch had ik het gevoel dat ik iets miste, dat er een fout zat in het betoog van de filosoof. En dat gevoel werd alleen maar sterker toen hij aan het einde van zijn boek het bestaan van verschillende soorten smurfen opvoerde als een alternatieve soort biodiversiteit, van culturele en menselijke aard weliswaar, maar even waardevol. Toch?

Nee dus. Gelukkig heb ik knappe koppen in mijn vriendenkring. Onder meer een hoogleraar gedragsecologie aan het Earth and Life Institute van de UCL (Louvain la Neuve). Hans Van Dyck heet de mens en zoals ik dacht had hij zijn huiswerk al gemaakt: een antwoordje op Haring geschreven voor de krant De Standaard. Alleen jammer dat die het stuk niet publiceerde, vanwege niet meer actueel (want al enkele dagen later). Gelukkig is deze blog er nog om dit soort onrechtvaardigheden recht te zetten. Wat hierna volgt is de tekst van professor Hans Van Dyck. Met ongelofelijk veel dank.

“Zou u de kuifleeuwerik missen? En wat gedacht van de geelgerande watertor of het bitter barbarakruid? Het leven op aarde doet zich voor in een opmerkelijke veelheid van vormen. Variatie blijkt hét sleutelkenmerk te zijn, zoals helder uitgedrukt in de term ‘biodiversiteit’. Die biodiversiteit zit wereldwijd in een diepe crisis. Dat is een wetenschappelijke vaststelling die eerder dit jaar nog in het topvakblad Nature bevestigd werd. De overleving van heel wat planten, dieren en andere levensvormen blijkt maar beperkt compatibel met een aardbol op mensenmaat. De maatschappelijke roep voor een beleid dat meer rekening houdt met biodiversiteit, werd de jongste jaren luider. Niet alleen voor de “bloemetjes en de bijtjes”, maar ook voor de levenskwaliteit van de mens zelf. Die roep wordt van een stevige rationele ruggengraat voorzien door het vorswerk van biologen en co, of toch niet?

Met het pas verschenen boek Plastic panda’s tapt de Nederlandse filosoof en gevierde schrijver Bas Haring inderdaad uit een heel ander vaatje. Het verdwijnen van ruim de helft van alle soorten is geen probleem, betoogt hij. Je kunt het als mens wel erg vinden wanneer favoriete soorten verdwijnen, maar door een rationele bril beschouwd, maakt het voor de menselijke beschaving geen zier uit. Een boude stelling die veel stof doet opwaaien (bv. DS 18/11, Reyers Laat 21/11). Groene organisaties koken rood van woede. Beleidsmakers zullen in tijden van economische crisis maar al te gretig  Harings pleidooi gebruiken om minder middelen voor biodiversiteit vrij te maken. De mailbox van de filosoof blijkt ondertussen een open riool.

Bas Haring is niet de eerste de beste toogfilosoof. Zijn analyse verdient om kritisch tegen het licht gehouden te worden. Filosofen en wetenschappers mogen best voor een onderbouwde ‘inconvenient truth’ hun nek uitsteken en op lange tenen trappen. Maar gaat dat op voor Plastic panda’s? Ik meen van niet. Het boek leest – net als Kaas en de evolutietheorie – erg vlot. Maar inhoudelijk biedt de mengeling van anekdotiek, persoonlijke smaak en vlot geschreven flarden soms onzorgvuldig geconsulteerde wetenschap geen solide basis om het maatschappelijk belang van biodiversiteit rationeel te ondergraven. Van een filosoof verwachten we een flinke portie rationaliteit, maar de aanname dat maatschappelijke keuzes de uitkomst zijn (of zouden moeten zijn) van zulke rationele overwegingen alleen, gaat voorbij aan de biologische aard en psyche van Homo sapiens. Een filosoof kan het zich permitteren om door die selectieve bril te kijken, een maatschappij beter niet.

Maar klopt zijn rationale analyse van overtollige biodiversiteit en van foutieve beeldvorming in de media over het belang van fauna en flora? Neen. Ik zal slechts enkele punten hier bondig behandelen. Haring heeft gelijk dat vele mensen een erg statisch en romantisch beeld hebben van ‘moeder natuur’. De mens schept nu eenmaal beelden en verhalen, ook zonder wetenschap. Het zijn niet de moderne biologische inzichten die aan de basis liggen van dat beeld. Van meerdere soorten (of soortengroepen) beschikken we wel over goede aanwijzingen van de directe invloed op bijvoorbeeld landbouw en menselijke gezondheid. Ik beperk me tot één voorbeeld: de bacteriële ziekte van Lyme die door teken wordt verspreid. Als er veel vogels en zoogdieren als mogelijke gastheren voorkomen, kan dat de besmettingsgraad voor de mens verhogen. Omgekeerd zou die biodiversiteit het risico net kunnen verlagen via een verdunningseffect. Een recente studie in het topvakblad Nature ondersteunt die laatste optie. In interviews blijkt Haring zelf al wat gas terug te nemen. Hij vindt nog steeds dat we de helft van de soorten kunnen missen, maar preciseert dat wel de ‘goede’ (lees nuttige) helft moet overblijven. Qua relativering kan dat tellen.

Biologen zouden het belang van individuele soorten erg overroepen. Anders dan chemici of fysici zitten in deze groep wetenschappers veel wereldverbeteraars met liefde voor hun studieobjecten en … liefde maakt blind, zo lijkt hij te suggereren. In welke mate individuele soorten al dan niet onmisbaar zijn vanuit functioneel perspectief, vormt echter al langer een wetenschappelijk debat. Dit wordt wetenschappelijk dus niet onder de mat geveegd in dienst van het natuurbehoud. Het is wel verrassend dat in dit boek biodiversiteit tot soortenrijkdom wordt herleid.

Haring trekt ook van leer tegen het belang dat de goegemeente hecht aan een ‘soort’. Soorten zijn immers maar bedachte hokjes voor groepen van individuen, niet meer dan een label. Deze redenering rammelt. Het concept soort – er zijn meerdere soortconcepten in de biologie – is inderdaad een cultuurproduct om een complex natuurproduct te benoemen. Dat ‘hokjesdenken’ is eigen aan de mens en zegt veel over hoe ons brein werkt en hoe onze soort de omgeving percipieert. Ook voor de economie, sociologie, politiek, enz. delen we groepen mensen in ‘functionele’ hokjes (etnische groepen, naties, voetbalclubs, enz.). Biologen weten dat er in dieren en planten mechanismen bestaan van soortherkenning (naast mechanismen op het niveau van het individu). Die wetenschappelijke literatuur heeft Haring kennelijk over het hoofd gezien. Het concept soort herleiden tot alleen maar fictie is intellectueel onjuist.

De filosoof besluit dat we uiteindelijk beter af zijn met producten en omgevingen die we helemaal zelf maken, eerder dan natuurproducten. Vele door de mens gekweekte en kunstmatige producten zijn beter dan hun natuurlijke of oorspronkelijke varianten (bv. appel, maïs). Interessant om vast te stellen hoe Haring zich hier zelf vastpint op het hokje ‘gekweekte variant’. Misschien had hij zijn eerdere boek over evolutie er nog eens op moeten nalezen. Diversiteit binnen soorten (ook biodiversiteit) is essentieel wanneer omgevingen snel veranderen. In tijden van klimaatverandering bewegen landbouwwetenschappers hemel en aarde om opnieuw oude en wilde rassen van bv. maïs terug te vinden om huidige varianten beter te wapenen. Biodiversiteit tegenover technologie plaatsen is op zich een oubollige heruitgave van een natuur-cultuur discussie. Kijk naar het fascinerende, jonge domein van de ‘biomimicry’. Ingenieurs en ontwerpers werken samen met biologen om zich te laten inspireren op ontwerpen in de natuur. Biodiversiteit is een rijke bron voor menselijke creativiteit. Het bekendste voorbeeld is velcro. Een idee dat van “onnuttige” plantenzaden komt.

Het boek heeft de verdienste om een aanleiding te vormen om het maatschappelijk belang van biodiversiteit nog meer in de verf te zetten. Daarbij spelen zowel wetenschappelijk onderbouwde als andere argumenten een maatschappelijke rol. Persoonlijke reflecties hebben voor het rationele luik niet het gewicht van peer-reviewed wetenschap. Wat mij betreft, vangt Haring bot wanneer hij meent dat het biodiversiteitbeleid nu op losse schroeven staat. Laten we niet in dezelfde val trappen zoals enkele jaren geleden met klimaatsverandering en de vele mediadiscussies tussen “believers” en “non-believers”. Een goed biodiversiteitbeleid heeft oog voor de rationele, functionele aspecten van biodiversiteit (en niet alleen soortenrijkdom!), maar evenzeer voor een maatschappelijk relevant verhaal van natuurbeleving dat individuele soorten vaak overstijgt. Biodiversiteit, liever rijk dan kwijt.”

Pijnbank

Sommige mensen zullen me ervan gaan verdenken dat ik iets tegen het shoppingcenter in Olen heb. Ze hebben nog gelijk ook. Dit soort ontwikkelingen (juister: degeneraties) in het midden van nergens is slecht voor alle dorps- en stadscentra in de omgeving. En funest voor de mobiliteit in de wijde omgeving. Het resultaat is een stroom autoverkeer die vermeden had kunnen worden, met gevolgen op vele fronten: meer verkeersonveiligheid, meer verkeersdrukte en dus meer verkeerscongestie, meer luchtverontreiniging, meer verkeerslawaai, meer auto-afhankelijkheid en meer ruimtebeslag in een gebied dat ‘open ruimte’ had kunnen zijn. Ik zwijg dan nog zedig over gezondheidseffecten en de kostprijs van de aanleg en het onderhoud van de infrastructuur.   

Zo bekeken is het een geluk bij een ongeluk dat de vormgeving in Olen merkwaardig mislukt is. Ik heb het dan niet over een rollend trottoir naar een sportwinkel. Dat is gewoon heerlijk absurd. Ik heb het dan over het al eerder behandelde ontbreken van voetgangers- en fietsersvoorzieningen en het opmerkelijke gevoel van leegte dat overheerst doordat geen enkele natuurlijke ‘flow’ van mensen werd ingebouwd. De keuze van het meubilair ligt in dezelfde mensonvriendelijke lijn. Bekijk deze stalen bank, waar je alleen op gaat zitten als er sprake is van dwang. De kilte die ze uitstralt is letterlijk te nemen: het zitoppervlak is ongezellig koud en hard en met wat pech snijdt het staal ook nog eens in je vlees. Om de kans daarop te vergroten, hebben ze de bank ook nog eens pal in de looplijn gezet.

Bij nader inzien is er misschien alleen maar sprake van een verkeerde levering en werd er een pijnbank gebracht in plaats van een zitbank.

Horizontaal beleid

Mijn zonen zijn voetballers. Dus breng ik in de weekends nogal wat tijd door aan de rand van een voetbalveld. Of in een kantine. Daarbij valt het me telkens weer op: wat een winst zou hier kunnen worden geboekt inzake energieverbruik! Al die clubs mogen dan hun eigenheid hebben, hun clubhuizen zijn vrijwel zonder uitzondering niet tot slecht geïsoleerd.

Als ik minister van energie was, of minister van sport, of minister van jeugd, of minister van milieu, dan zou ik hier een prioriteit van maken: middelen vrij maken om die bouwsels te isoleren en ze te voorzien van zonneboilers. Want het zijn hectoliters warm water die daar iedere week door de buizen stromen. Op die manier zou er massa’s energie worden bespaard. En CO2-uitstoot. Bovendien zouden de clubs zelf aardig geholpen zijn, want de energiefactuur is een aanzienlijke hap uit hun budget. Met het uitgespaarde geld zouden ze meer kunnen doen voor hun jeugdwerking, want dat schijnt toch altijd een probleem te zijn. Winst op alle fronten dus, wat mooi de voordelen illustreert van het voeren van een doordacht horizontaal beleid. Dat is wat anders dan de verkokering die nu de regel is en waarbij elke minister binnen ‘zijn’ (of ‘haar’) vakje maatregelen neemt – waarbij het niet gezegd is dat die maatregelen elkaar ondersteunen, of niet tegenwerken.

Overigens vond ik de lamentabele toestand van de clubbehuizing vandaag dubbel cynisch door de aanwezigheid van een publiciteitsbord van sponsor Umicore die pocht dat hij de nodige materialen in huis heeft (“Materials for a better life”). Als die sponsor nu al eens begon met een modelproject voor ‘zijn’ club. Misschien kwam er dan later wel eens een minister op een idee…

Een vuiltje aan de lucht

Vorige week de gelegenheid gehad om nog eens enkele specialisten inzake luchtkwaliteit aan het woord te horen. Onder meer Valentin Foltescu van de European Environment Agency had interessante dingen te vertellen, al wordt een mens er niet direct vrolijker van:

- 20% van de Europese stedelijke bevolking leeft in omgevingen waar de Europese 24uursnorm voor PM10 (zeg maar het ‘groffe’ fijn stof) wordt overschreden en dat loopt op tot 80-90% als je de strengere WHO-norm hanteert. Helaas is er geen verbetering te zien.

- wat ozon betreft, dat stagneert of stijgt licht in de Europese Unie. 17% van de Europese burgers leeft in een zonewaar de ozonnormen systematisch worden overschreden en dat loopt op tot 95% als je de strengere WHO-norm als maatstaf neemt.

- is er beter nieuws dan voor SO2, dat onder meer verantwoordelijk is voor zure regens? In zekere zin wel: het SO2-niveau is met de helft gedaald van 1999 tot 2009, maar het is voor 68 tot 85% van de Europese stedelijke bevolking nog altijd een probleem.

- Voor NOx is er een gelijkaardig verhaal: er is verbetering, maar nog altijd 12% van de stedelijke bevolking in de Europese Unie leeft in zones waar de normen worden overschreden. En wat zware metalen betreft: ook daar is er een reductie, maar door het cumulatieve effect  (er blijft nog bijkomen, zij het minder dan vroeger), is er nog altijd een ernstig probleem voor het milieu en de gezondheid.

Nadien merkte een onderzoeker van de Vlaamse Milieu Maatschappij (VMM) nog haast terloops op: in tegenstelling tot wat algemeen wordt gedacht, verbetert onze luchtkwaliteit niet. En bovendien wordt het grootste deel van onze luchtverontreiniging gewoon nog niet gemeten. Wat niet meet, niet deert, zoals ze zeggen…

Een uitgeslapen Nederlander wierp de vraag op waarom de Europese Unie niet de strengere normen van de Wereldgezondheidsorganisatie overneemt. Dat bleek een moeilijke. Grosso modo kwam het antwoord neer op wat we al wisten: de Europese normen zijn vaak geen wetenschappelijke normen, maar het resultaat van politieke compromissen. Denk aan het gemarchandeer met de CO2-normen, waar eerst het pad van de vrijwilligheid werd uitgeprobeerd en toen dat niet hielp niet al te ambitieuze normen werden naar voor geschoven. Vooral onder druk van de Duitse automobielindustrie werden die dan nog eens verder uitgehold. Een vertegenwoordiger uit Duitsland (!) was er verontwaardigd over en vulde nog aan. ”Autofabrikanten doen er alles aan om strengere normen af te blokken of uit te stellen. En als ze er dan toch komen, dan vragen die autofabrikanten met een uitgestreken gezicht tijd om zich eraan aan te passen.” En hij besloot met een onderkoeld: “I don’t think this is a smart policy.”

 

Twee maten, twee gewichten

Karel Verhoeven windt zich er vandaag in De Standaard over op dat de actievoerders van de De Keyserlei voorstelden om de lindebomen elders te herplanten. Die operatie zou zo’n 2500 euro per boom hebben gekost. Onverantwoord vindt de hoofdredacteur.

Of dat zo is, daarover moeten dendrologen maar eens een boompje opzetten. Maar het verwondert me dat diezelfde nuchtere reflex nooit de kop opsteekt als het gaat om parkeerplaatsen voor auto’s. Nochtans zijn die kosten ook niet niks. Wim van der Heide van studiebureau Grontmij schat de bouwkost van een parkeerplaats op straat op 3500 euro. Een ondergrondse parkeerplaats kost al gauw tussen de 20 en de 40.000 euro per stuk. En dan heeft hij de grondwaarde en de onderhoudskosten nog niet eens meegerekend.

Hopen maar dat Karel Verhoeven bij een volgende heraanleg van een straat nog eens een rationeel-economische oprisping krijgt. Dat zou nog wel eens best een boeiend debat kunnen opleveren.

Framing

Vanochtend in De Standaard een mooi voorbeeldje van ‘framing’ of hoe bepalend een voorstelling van zaken kan zijn voor iemands oordeel. In ons land is, zeker ten noorden van de taalgrens (zij het ook steeds vaker ten zuiden), één van de meest verbreide vormen van sjablonering de Vlaams-Waalse tegenstelling. De nu eindelijk gevoerde discussie over de feitelijke subsidiëring van bedrijfswagens (één van de goede kanten van de crisis) ontsnapt er blijkbaar niet aan. “Taks op bedrijfswagens treft vooral Vlamingen” kopt de kwaliteitskrant op pagina 37 en we lezen dat er in Vlaanderen 505.000 bedrijfswagens rondrijden en in Wallonië slechts 110.000.

Nogal logisch dus dat als dit belastingsvoordeel vooral in Vlaanderen ‘benut’ wordt het vooral de Vlamingen zijn die ‘getroffen’ worden wanneer het afgeschaft wordt. Een alternatieve titel voor het artikel, die minder voedingsbodem zou geven aan de Vlaams-nationalistische hang naar slachtofferschap en structureel tekortgedaan-zijn, had dus kunnen zijn: “Vlamingen profiteren bijna vijf keer meer van fiscale gunstbehandeling bedrijfswagens’. En zelfs deze titel had misschien meer recht gedaan aan de genuanceerdheid van de werkelijkheid: “Negatieve effecten op milieu en files van bedrijfswagens in Vlaanderen veel hoger dan in Wallonië”.

Al blijft de vraag natuurlijk waarom de tweedeling Vlaanderen/Wallonië hier relevanter zou zijn dan die tussen pakwek ambtenaren enerzijds en zelfstandigen en werknemers van privébedrijven anderzijds, tussen vrouwen en mannen, tussen jongeren en ouderen, tussen ‘armen’ en ‘niet-armen’.

Geen Moer

General Motors, weet u nog, was ooit ‘s werelds grootste autobouwer. Het bedrijf kwam in moeilijkheden doordat het gulzige dinosaurussen bleef fabriceren die onaangepast waren aan tijden waarin spaarzaam omgaan met energie, milieubewustzijn en klimaatbeleid een steeds grotere rol spelen. Om een sociaal débâcle te vermijden moest de multinational genationaliseerd worden door de herauten van de vrije markt en het kapitalisme.

Men zou denken dat zo’n bedrijf dan z’n lesje wel heeft geleerd en uit een ander, bescheidener vaatje gaat tappen. Maar niet zo General Motors. Weliswaar walsen de heren ons binnenkort plat met mooie verhaaltjes over hun Chevrolet Volt dan wel Opel Ampera (‘groen, groener, groenst!’), maar dat is window dressing want de overige 99% blijft business as usual. En erger, zoals deze reclame laat zien: onbeschaamd richt General Motors z’n pijlen op studenten als doelgroep en roept ze op… te stoppen met fietsen.

“Reality sucks”. Zeg dat wel… Liever steken ze hun kop in het zand en stevenen ze ‘volle petrol’ op de afgrond af.

General Motors: “De wereld kan ons Geen Moer schelen.”

(Met dank aan Rebecca Beeckman voor de tip)

 

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 42 other followers