Wie het boek van Jef Staes over de ‘red monkeys’ heeft gelezen, weet het: de grootste ‘biodiversiteit’ vinden we niet in het hart van organisaties, maar aan de randen ervan. Voor steden is dat niet anders. Het is aan de rafelige randen dat alles in beweging is, waar nieuwe bewoners nieuwe ideeën en gewoonten binnenbrengen en de alternatieve cultuur clasht met de dominante.
Ook in Bordeaux is dat het geval. Een eind voorbij de noordelijke tramterminus, in een stedelijke zone waar oude vervallen loodsen afgewisseld worden met chique nieuwbouw-condominia, stootte ik op een tuin met intrigerende kunstwerken. Al fotograferend waagde ik me steeds verder op wat misschien wel privéterrein was. Tot ik voor dit huis stond: “Aha,” dacht ik, “hier wonen ze dus, de graffitijongens en -meisjes.” Mijn gedachte was nog niet koud of daar ging Hans-en-Grietje-gewijs het deurtje open.
“Nu zullen we het krijgen,” dacht ik. Een mens zit vol vooroordelen. Dat is de schuld van sprookjes, maar ook van allerlei veiligheidsmechanismen die onze geest met eigen ervaring en die van anderen tot de zijne heeft gemaakt. Bovendien heb ik nooit een hoge pet opgehad van het spuitbusgespuis. Het heeft de arrogantie om de eigen smaak letterlijk aan iedereen op te dringen, met respect voor niets of niemand.
Maar vooroordelen zijn er om weerlegd te worden. “Bonjour,” zei het niet eens onknappe meisje, ” wilt u de expositie zien? U mag zoveel foto’s maken als u wil.” En kijk, nog voor ik geantwoord had, toverde ze een grote sleutel tevoorschijn waarmee ze een zware ijzeren poort van een hangar te lijf ging. Luttele ogenblikken later kriepte die open. Het meisje bediende een schakelaar en voor mijn oog verscheen de grot van Ali Baba. Of toch een goede kopie ervan.
Ik waagde me naar binnen, onder de zwarte boog van een reuze-koptelefoon door. “Alles mag worden aangeraakt,” zei het meisje vriendelijk en al had ik daar nu niet direct behoefte aan, het klonk geruststellend. De ijzeren loods stond vol met kunstwerken, de meeste uit metaal, gekleurd glas en spiegelglas. Door de bijzondere verlichting gaf het geheel een bepaald feeërieke indruk die met mijn pockettoestelletje totaal niet te behappen was.
Dus gaf ik mijn ogen de kost, wetende dat ik thuis niet meer op foto’s zou kunnen zien wat ik gezien had.
Voorwaar, dat was nog eens een oude, haast vergeten manier van kijken. En verdomd als het niet waar is: ik zie die hangar en zijn hele inboedel nog altijd gedetailleerd voor me. Blijkt mijn geheugen soms toch nog fotografisch te zijn!









