RSS Feed

Categorie archief: Klimaatbeleid

Mobiliteitsdagboek: 30 januari 2012

De krant

Ik realiseer het me nu pas. Nog voor ik ben opgestaan heb ik al verkeer gegenereerd: de krant zit reeds in de brievenbus. Gebracht door de Post, met een rood autootje dat vermoedelijk voor nogal wat uitstoot zorgt. Rijden, stoppen, rijden, stoppen. Als we over quickwins spreken inzake emissies en energieverbruik, zou er hier dan geen te vinden zijn? Dat autootje (diesel? benzine?) vervangen door een elektrisch lichtgewichtvoertuig?

Of moet ik overwegen om elke dag iets vroeger op te staan en mijn krant zelf te gaan halen bij de krantenboer? Dat kost mij meer moeite én meer geld, want kranten maken hun abonnementen natuurlijk goedkoper dan de losse verkoop. ‘Natuurlijk’, want iedereen vindt deze keuze-architectuur (die de voor de krant meest wenselijke keuze het meest waarschijnlijk maakt) evident.

Over en weer naar school

Ik heb drie kinderen, verspreid over twee middelbare scholen die zich elk op nauwelijks een kilometer van ons huis bevinden. Dus gaan ze alle drie met de fiets. Vandaag echter maar twee: één van de drie heeft de boodschap mee gekregen dat de kans op lessen vandaag bijzonder klein is. Zo’n dag van verveling willen we hem besparen, dus blijft hij thuis. Omdat het een heel klein beetje gesneeuwd heeft en misschien glad is op de weg besluit ik mee te fietsen met de jongste.

Omdat we wat later zijn dan gewoonlijk (maar misschien niet alleen daarom) is de gebruikelijke file op de invalsweg naar het centrum niet present. Voor ons maakt het geen verschil, want we rijden die toch voorbij over het fietspad. Alhoewel: het is ook meteen duidelijk dat de kleinere hoeveelheid autoverkeer zorgt voor merkelijk sneller autoverkeer. Dat tezamen met de vaststelling dat sommige automobilisten niet de moeite hebben genomen hun achterruit en hun zijramen schoon te maken, waardoor ze de wereld slechts burkagewijs waarnemen, maakt dat ik toch blij ben dat ik even ben meegefietst. Het doet trouwens goed, even in de buitenlucht zijn. Straks zit ik de godganse dag binnen achter de computer.

Ik leer trouwens dat mijn zoon een andere route volgt dan ik dacht: hij neemt de kortste route naar de fietsenstalling van de school, wat betekent dat hij afslaat in een bocht waar niet alle automobilisten hun snelheid aanpassen. Ik probeer hem te overtuigen om morgen toch maar de andere route te nemen. Zijn reactie is lauw.

Staking

Opmerkelijk vanochtend op Radio 1: “slechts 29 km file” wordt er gezegd. En als verklaring wordt gegeven: veel mensen hebben een snipperdag genomen of werken thuis. Over stakers: geen woord. Nochtans ben ik er één van. Vorige keer staakte mijn echtgenote. Nu ik. Als middenklasser die het goed heeft, ben ik gerust bereid mijn steentje bij te dragen. Maar niet in de ‘iedereen-context’ die nu het debat bepaalt en die laat uitschijnen dat iedereen evenveel boter op het hoofd heeft en even veel lasten moet dragen. In de soap van de voorzitterswissel van STVV (voetbalclub St.-Truiden) kwam eventjes ter sprake hoeveel voorzitter Morenne verdiende: “maar 12.000 euro/maand, als CEO bij Kia verdiende ik drie keer meer”. Er zijn mensen die echt wel in een andere ‘klasse’ spelen. Laat ons dat alstublieft ook eens in het debat betrekken.

Improvisatietheater

Tussen ons gezegd en gezwegen is mijn hele leven één groot improvisatietheater. Daarom kunnen wat extra lessen impro geen kwaad. Vandaag was het de vierde in een reeks van zeven. De lessen gaan door in het CC van Heist o/d Berg en die verplaatsing doen we met de auto. Mijn vriend Herman en ik wisselen elkaar af. In principe toch, want vandaag was het zijn beurt maar gezien zijn Picasso voor een onderhoud in de garage stond was ik taxirijder van dienst. Vind ik niet erg, want ik ben een verschrikkelijk slechte mee-rijder. Niet leuk voor mezelf en nog minder voor de chauffeur.

Bij de terugkeer geven we nog een andere cursist een lift tot in Wiekevorst, zodat we de autorit redelijk kunnen verantwoorden. Onderweg vooral voorzichtige chauffeurs, al zijn er opvallend veel cyclopen bij: controleert de politie dan alleen maar de verlichting van de fietsers?

Cijfers

Totaal aantal verplaatsingen: 2

waarvan

te voet 0

fiets 1 (1,6 km; motief: tja… ‘iemand wegbrengen’ heet dat dan in de klassieke verplaatsingsonderzoeken)

auto 1 (Herentals-Heist o/d Berg H/T) (47km inclusief omleiding; motief: recreatief)

trein0

Te gast in Wonderland

 

Ik vond dat zelfs een krant af en toe een sprookje kan verdragen. Vandaar deze bijdrage aan De Standaard van vandaag:

http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=FC3KOQHS

Haring vangt bot

Wie mij kent, weet het: ik verschil grààg van mening. Daarom heb ik er ook een stuk van mijn beroep van gemaakt. En ook wel omdat van meningsverschillen alleen maar betere meningen kunnen komen. Als er gediscussieerd wordt met argumenten tenminste. Een boek dat prikkelt en provoceert en dat geschreven is door een gewaardeerd filosoof is voor mij dus een feest. Het was dus puur genieten toen ik Bas Harings ‘Plastic Panda’ tot mij nam, zelfs al voelde ik me ongemakkelijk bij zijn conclusies. Maar goed: als Haring een punt had, waarom zou ik het hem dan niet gunnen? Misschien is het inderdaad niet zo erg als er wat regenwoud verdwijnt of wat soorten, waarvan we vaak niet eens weten dat ze bestaan, uitsterven? Dood is dood en die beesten voelen er niks meer van. En er is niemand om ze te betreuren, tenzij wij dan, sentimentele nozems die we zijn. Toch had ik het gevoel dat ik iets miste, dat er een fout zat in het betoog van de filosoof. En dat gevoel werd alleen maar sterker toen hij aan het einde van zijn boek het bestaan van verschillende soorten smurfen opvoerde als een alternatieve soort biodiversiteit, van culturele en menselijke aard weliswaar, maar even waardevol. Toch?

Nee dus. Gelukkig heb ik knappe koppen in mijn vriendenkring. Onder meer een hoogleraar gedragsecologie aan het Earth and Life Institute van de UCL (Louvain la Neuve). Hans Van Dyck heet de mens en zoals ik dacht had hij zijn huiswerk al gemaakt: een antwoordje op Haring geschreven voor de krant De Standaard. Alleen jammer dat die het stuk niet publiceerde, vanwege niet meer actueel (want al enkele dagen later). Gelukkig is deze blog er nog om dit soort onrechtvaardigheden recht te zetten. Wat hierna volgt is de tekst van professor Hans Van Dyck. Met ongelofelijk veel dank.

“Zou u de kuifleeuwerik missen? En wat gedacht van de geelgerande watertor of het bitter barbarakruid? Het leven op aarde doet zich voor in een opmerkelijke veelheid van vormen. Variatie blijkt hét sleutelkenmerk te zijn, zoals helder uitgedrukt in de term ‘biodiversiteit’. Die biodiversiteit zit wereldwijd in een diepe crisis. Dat is een wetenschappelijke vaststelling die eerder dit jaar nog in het topvakblad Nature bevestigd werd. De overleving van heel wat planten, dieren en andere levensvormen blijkt maar beperkt compatibel met een aardbol op mensenmaat. De maatschappelijke roep voor een beleid dat meer rekening houdt met biodiversiteit, werd de jongste jaren luider. Niet alleen voor de “bloemetjes en de bijtjes”, maar ook voor de levenskwaliteit van de mens zelf. Die roep wordt van een stevige rationele ruggengraat voorzien door het vorswerk van biologen en co, of toch niet?

Met het pas verschenen boek Plastic panda’s tapt de Nederlandse filosoof en gevierde schrijver Bas Haring inderdaad uit een heel ander vaatje. Het verdwijnen van ruim de helft van alle soorten is geen probleem, betoogt hij. Je kunt het als mens wel erg vinden wanneer favoriete soorten verdwijnen, maar door een rationele bril beschouwd, maakt het voor de menselijke beschaving geen zier uit. Een boude stelling die veel stof doet opwaaien (bv. DS 18/11, Reyers Laat 21/11). Groene organisaties koken rood van woede. Beleidsmakers zullen in tijden van economische crisis maar al te gretig  Harings pleidooi gebruiken om minder middelen voor biodiversiteit vrij te maken. De mailbox van de filosoof blijkt ondertussen een open riool.

Bas Haring is niet de eerste de beste toogfilosoof. Zijn analyse verdient om kritisch tegen het licht gehouden te worden. Filosofen en wetenschappers mogen best voor een onderbouwde ‘inconvenient truth’ hun nek uitsteken en op lange tenen trappen. Maar gaat dat op voor Plastic panda’s? Ik meen van niet. Het boek leest – net als Kaas en de evolutietheorie – erg vlot. Maar inhoudelijk biedt de mengeling van anekdotiek, persoonlijke smaak en vlot geschreven flarden soms onzorgvuldig geconsulteerde wetenschap geen solide basis om het maatschappelijk belang van biodiversiteit rationeel te ondergraven. Van een filosoof verwachten we een flinke portie rationaliteit, maar de aanname dat maatschappelijke keuzes de uitkomst zijn (of zouden moeten zijn) van zulke rationele overwegingen alleen, gaat voorbij aan de biologische aard en psyche van Homo sapiens. Een filosoof kan het zich permitteren om door die selectieve bril te kijken, een maatschappij beter niet.

Maar klopt zijn rationale analyse van overtollige biodiversiteit en van foutieve beeldvorming in de media over het belang van fauna en flora? Neen. Ik zal slechts enkele punten hier bondig behandelen. Haring heeft gelijk dat vele mensen een erg statisch en romantisch beeld hebben van ‘moeder natuur’. De mens schept nu eenmaal beelden en verhalen, ook zonder wetenschap. Het zijn niet de moderne biologische inzichten die aan de basis liggen van dat beeld. Van meerdere soorten (of soortengroepen) beschikken we wel over goede aanwijzingen van de directe invloed op bijvoorbeeld landbouw en menselijke gezondheid. Ik beperk me tot één voorbeeld: de bacteriële ziekte van Lyme die door teken wordt verspreid. Als er veel vogels en zoogdieren als mogelijke gastheren voorkomen, kan dat de besmettingsgraad voor de mens verhogen. Omgekeerd zou die biodiversiteit het risico net kunnen verlagen via een verdunningseffect. Een recente studie in het topvakblad Nature ondersteunt die laatste optie. In interviews blijkt Haring zelf al wat gas terug te nemen. Hij vindt nog steeds dat we de helft van de soorten kunnen missen, maar preciseert dat wel de ‘goede’ (lees nuttige) helft moet overblijven. Qua relativering kan dat tellen.

Biologen zouden het belang van individuele soorten erg overroepen. Anders dan chemici of fysici zitten in deze groep wetenschappers veel wereldverbeteraars met liefde voor hun studieobjecten en … liefde maakt blind, zo lijkt hij te suggereren. In welke mate individuele soorten al dan niet onmisbaar zijn vanuit functioneel perspectief, vormt echter al langer een wetenschappelijk debat. Dit wordt wetenschappelijk dus niet onder de mat geveegd in dienst van het natuurbehoud. Het is wel verrassend dat in dit boek biodiversiteit tot soortenrijkdom wordt herleid.

Haring trekt ook van leer tegen het belang dat de goegemeente hecht aan een ‘soort’. Soorten zijn immers maar bedachte hokjes voor groepen van individuen, niet meer dan een label. Deze redenering rammelt. Het concept soort – er zijn meerdere soortconcepten in de biologie – is inderdaad een cultuurproduct om een complex natuurproduct te benoemen. Dat ‘hokjesdenken’ is eigen aan de mens en zegt veel over hoe ons brein werkt en hoe onze soort de omgeving percipieert. Ook voor de economie, sociologie, politiek, enz. delen we groepen mensen in ‘functionele’ hokjes (etnische groepen, naties, voetbalclubs, enz.). Biologen weten dat er in dieren en planten mechanismen bestaan van soortherkenning (naast mechanismen op het niveau van het individu). Die wetenschappelijke literatuur heeft Haring kennelijk over het hoofd gezien. Het concept soort herleiden tot alleen maar fictie is intellectueel onjuist.

De filosoof besluit dat we uiteindelijk beter af zijn met producten en omgevingen die we helemaal zelf maken, eerder dan natuurproducten. Vele door de mens gekweekte en kunstmatige producten zijn beter dan hun natuurlijke of oorspronkelijke varianten (bv. appel, maïs). Interessant om vast te stellen hoe Haring zich hier zelf vastpint op het hokje ‘gekweekte variant’. Misschien had hij zijn eerdere boek over evolutie er nog eens op moeten nalezen. Diversiteit binnen soorten (ook biodiversiteit) is essentieel wanneer omgevingen snel veranderen. In tijden van klimaatverandering bewegen landbouwwetenschappers hemel en aarde om opnieuw oude en wilde rassen van bv. maïs terug te vinden om huidige varianten beter te wapenen. Biodiversiteit tegenover technologie plaatsen is op zich een oubollige heruitgave van een natuur-cultuur discussie. Kijk naar het fascinerende, jonge domein van de ‘biomimicry’. Ingenieurs en ontwerpers werken samen met biologen om zich te laten inspireren op ontwerpen in de natuur. Biodiversiteit is een rijke bron voor menselijke creativiteit. Het bekendste voorbeeld is velcro. Een idee dat van “onnuttige” plantenzaden komt.

Het boek heeft de verdienste om een aanleiding te vormen om het maatschappelijk belang van biodiversiteit nog meer in de verf te zetten. Daarbij spelen zowel wetenschappelijk onderbouwde als andere argumenten een maatschappelijke rol. Persoonlijke reflecties hebben voor het rationele luik niet het gewicht van peer-reviewed wetenschap. Wat mij betreft, vangt Haring bot wanneer hij meent dat het biodiversiteitbeleid nu op losse schroeven staat. Laten we niet in dezelfde val trappen zoals enkele jaren geleden met klimaatsverandering en de vele mediadiscussies tussen “believers” en “non-believers”. Een goed biodiversiteitbeleid heeft oog voor de rationele, functionele aspecten van biodiversiteit (en niet alleen soortenrijkdom!), maar evenzeer voor een maatschappelijk relevant verhaal van natuurbeleving dat individuele soorten vaak overstijgt. Biodiversiteit, liever rijk dan kwijt.”

Er is wél keuze

Laat mij duidelijk zijn. Ook ik erger mij regelmatig aan de vakbonden. Als ze elk debat over hervormingen weigeren nog voor het begonnen is, bijvoorbeeld. Of als ze systematisch “neen” zeggen zonder alternatieven op tafel te leggen. Of wanneer ze steigeren wanneer de bedrijfswagens in het vizier dreigen te komen. Ook ik houd niet van het PVDA-simplisme dat “de arbeider” idealiseert en de bemiddelde criminaliseert. En ja, ik heb mijn wenkbrauwen gefronst toen ik een groen parlementslid hoorde klagen dat de digitale televisie duurder zal worden. Alsof digitale televisie een mensenrecht is.

Maar dezer dagen erger ik mij vooral aan het korte geheugen van vele media en de mensen die ze aan het woord laten. 500 dagen lang bestond er in ons land maar één probleem: het communautaire. Wie suggereerde dat er nog andere kwesties waren, werd weggezet als een slechte Vlaming. De klimaatverandering, verkeersonveiligheid en immobiliteit, afhankelijkheid van gevaarlijke kernenergie en olie afkomstig van misdadige regimes, toenemende armoede, hoge zelfmoordcijfers, wachtlijsten voor zorgbehoevenden, een 19e eeuwse justitie en de instroom van vluchtelingen: details.

Toen knipte een ratingbureau met de vingers en moest alles wijken voor de eurocrisis. Niet alleen de Walen leefden boven hun stand, zo bleek: wij allemaal!

Dan word ik achterdochtig. Als “ze” beginnen te zeggen dat “we” een probleem hebben, dan bedoelen ze meestal “jullie”. En dan moeten “wij” oppassen.

En ja hoor, dan volgt een diarree van lezersbrieven en commentaarstukken van het Front van Verantwoordelijke Weldenkenden.

Van thuiswonende jongeren die de profiterende ouderen de les lezen en de eigen generatie een maturiteit toedichten die we helaas niet kunnen aflezen uit de maandagkranten.

Van een liberale hoofdredacteur die zich afvraagt of die stakers van de openbare dienst dan echt niet moeten vrezen om ontslagen te worden (godgeklaagd, die werknemersrechten!).

Van jonge, kinderloze middenstanders die blakend van ambitie en gezondheid hun arbeidsethos laten contrasteren met dat van de profiteurs van het spoor.

En last but not least de economisten, de astrologen van deze tijd, die ons vertellen dat er “geen keuze” is.

Als er werkelijk geen keuze is, waarom organiseren wij dan überhaupt verkiezingen? Ooit vond een journalist het woord ‘steekvlampolitiek’ uit. Maar er bestaat ook ‘steekvlamjournalistiek’: berichtgeving die geen verbanden legt.

Er moet bespaard worden. Maar een tax op business seats in de luchtvaart, een vermogensbelasting, een opheffing van het bankgeheim, een beperking van de bonussen? “Onrealistisch.” Een debat over de lonen van CEO’s? In de kiem gesmoord. “Die CEO’s verdienen veel minder dan elders in Europa.” Een handicap als je de beste mensen wil aantrekken! Wat voor gewone werknemers als een concurrentieel voordeel zou worden beschouwd, is eensklaps een nadeel. Niemand die ervan opkijkt. We zijn geschokt als er weer eens een jong mens uit het leven stapt. “Hij leek perfect gelukkig.” Niet meekunnen in de ratrace, het staat niet goed. De volgende dag keert het refrein terug: er moet meer en langer gewerkt worden. Dat moet iedereen begrijpen. Zegt de socialistische partijvoorzitter van wie een voorganger enkele weken geleden op pensioen ging. Op 57 jaar.

“We” leven boven onze stand. Dus ook de 1,7 miljoen kansarmen van dit land? En ook de 88.000 miljonairsgezinnen? De vraag stellen is ze beantwoorden.

Maar ter linkerzijde is het thema van de herverdeling er de jongste decennia nauwelijks één geweest. De focus lag op het vergroten van de taart. Zo lang die groter werd, moest er over herverdeling niet gepraat worden. Comfortabel voor iedereen. Geen wonder dus dat VOKA zo hamert op “groei”. En logisch dat de vakbonden zich jarenlang in dat scenario inschreven.

Tegen de achtergrond van een exploderende wereldbevolking, peak oil, een kantelend klimaat, nieuwe economieën met enorme behoeften, getuigt het evenwel van gezond verstand om te erkennen dat ‘schaarste’ een gegeven is. En dat herverdeling een must is.

Herverdeling van zowel de materiële als van de immateriële rijkdom. Behalve van geld en goederen dus ook van tijd, gezondheid, milieu, mobiliteit, enzovoort. Die overstijgt de artificiële opdeling tussen Wallonië en Vlaanderen en raakt de essentiële, globale opdeling: die tussen rijk en arm.

Als we ons dan concentreren op de herverdeling van de taart, dan komt er allicht ook meer aandacht voor de kwaliteit van de taart. Wat heb je aan een grote taart als ze oneetbaar is? Dan zien we misschien ook het verband tussen de rellen in Londen en sociale ongelijkheid. Tussen I-phones en mensonterende arbeidsomstandigheden. Tussen werkdruk, stress en zelfdoding en vervroegd pensioen. Tussen het belang van vakbonden en levenskwaliteit.

En dan, dan zullen we ontdekken dat er wél iets te kiezen is.

PS. Geschreven op een vakantiedag waarvoor ik eerder werkte

Horizontaal beleid

Mijn zonen zijn voetballers. Dus breng ik in de weekends nogal wat tijd door aan de rand van een voetbalveld. Of in een kantine. Daarbij valt het me telkens weer op: wat een winst zou hier kunnen worden geboekt inzake energieverbruik! Al die clubs mogen dan hun eigenheid hebben, hun clubhuizen zijn vrijwel zonder uitzondering niet tot slecht geïsoleerd.

Als ik minister van energie was, of minister van sport, of minister van jeugd, of minister van milieu, dan zou ik hier een prioriteit van maken: middelen vrij maken om die bouwsels te isoleren en ze te voorzien van zonneboilers. Want het zijn hectoliters warm water die daar iedere week door de buizen stromen. Op die manier zou er massa’s energie worden bespaard. En CO2-uitstoot. Bovendien zouden de clubs zelf aardig geholpen zijn, want de energiefactuur is een aanzienlijke hap uit hun budget. Met het uitgespaarde geld zouden ze meer kunnen doen voor hun jeugdwerking, want dat schijnt toch altijd een probleem te zijn. Winst op alle fronten dus, wat mooi de voordelen illustreert van het voeren van een doordacht horizontaal beleid. Dat is wat anders dan de verkokering die nu de regel is en waarbij elke minister binnen ‘zijn’ (of ‘haar’) vakje maatregelen neemt – waarbij het niet gezegd is dat die maatregelen elkaar ondersteunen, of niet tegenwerken.

Overigens vond ik de lamentabele toestand van de clubbehuizing vandaag dubbel cynisch door de aanwezigheid van een publiciteitsbord van sponsor Umicore die pocht dat hij de nodige materialen in huis heeft (“Materials for a better life”). Als die sponsor nu al eens begon met een modelproject voor ‘zijn’ club. Misschien kwam er dan later wel eens een minister op een idee…

Twee maten, twee gewichten

Karel Verhoeven windt zich er vandaag in De Standaard over op dat de actievoerders van de De Keyserlei voorstelden om de lindebomen elders te herplanten. Die operatie zou zo’n 2500 euro per boom hebben gekost. Onverantwoord vindt de hoofdredacteur.

Of dat zo is, daarover moeten dendrologen maar eens een boompje opzetten. Maar het verwondert me dat diezelfde nuchtere reflex nooit de kop opsteekt als het gaat om parkeerplaatsen voor auto’s. Nochtans zijn die kosten ook niet niks. Wim van der Heide van studiebureau Grontmij schat de bouwkost van een parkeerplaats op straat op 3500 euro. Een ondergrondse parkeerplaats kost al gauw tussen de 20 en de 40.000 euro per stuk. En dan heeft hij de grondwaarde en de onderhoudskosten nog niet eens meegerekend.

Hopen maar dat Karel Verhoeven bij een volgende heraanleg van een straat nog eens een rationeel-economische oprisping krijgt. Dat zou nog wel eens best een boeiend debat kunnen opleveren.

Gezellig Vlaanderen

Het Albertkanaal tijdens de ochtendspits

In de recentste ‘Verkeersspecialist’ (nr. 180, oktober 2011) laat professor Geert Wets (IMOB/Universiteit Hasselt) zijn bezorgdheid blijken over de toekomst van onze mobiliteit: “Als de ambitie wordt waargemaakt om van Vlaanderen een logistieke draaischijf te maken, dan zal dat een enorme impact hebben op heel het systeem. Het personen- en goederennetwerk zijn bij ons niet gescheiden.”

Ik deel zijn bezorgdheid. Al maak ik me niet alleen zorgen over “het systeem”, maar ook over de maatschappij waarvoor dat systeem bedoeld is. Of zou moeten zijn.

De VIA-doelstelling van de Vlaamse Regering om van Vlaanderen de logistieke draaischijf van Europa te maken is eenvoudig niet compatibel met andere, lovenswaardige VIA-doelstellingen die meer op het vlak van leefkwaliteit liggen. Het is alsof een binnenhuisarchitect aan zijn klanten belooft dat hun woonkamer enorm gezellig gaat worden maar dat hij tegelijk aankondigt dat er twee nieuwe verwarmingsketels in zullen worden gezet. Niet voor henzelf trouwens, die verwarmingsketels, maar voor de buren die steeds meer behoefte hebben aan warmte. En o ja: er moet natuurlijk ook een doorgang komen voor die buren, “want de woonkamer ligt nogal strategisch in de wijk”. De ontzette klanten worden gerustgesteld met het argument dat ze geen keuze hebben: “Als die ketels en die doorgang er niet komen, geraken jullie geïsoleerd in de wijk.”

En dus wordt er geen maatschappelijk of politiek debat gevoerd over de VIA-doelstellingen. Het of-verhaal wordt voorgesteld als een en-verhaal, zodat er geen moeilijke keuzes moeten worden gemaakt. Zoveel makkelijker en comfortabeler en je kan de illusie koesteren dat jouw favoriete doelstelling het wel zal halen.

Intussen blijven de incompatibele VIA-doelstellingen rustig naast elkaar bestaan, alsof ze niets met elkaar te maken hebben.  

 

Geen Moer

General Motors, weet u nog, was ooit ‘s werelds grootste autobouwer. Het bedrijf kwam in moeilijkheden doordat het gulzige dinosaurussen bleef fabriceren die onaangepast waren aan tijden waarin spaarzaam omgaan met energie, milieubewustzijn en klimaatbeleid een steeds grotere rol spelen. Om een sociaal débâcle te vermijden moest de multinational genationaliseerd worden door de herauten van de vrije markt en het kapitalisme.

Men zou denken dat zo’n bedrijf dan z’n lesje wel heeft geleerd en uit een ander, bescheidener vaatje gaat tappen. Maar niet zo General Motors. Weliswaar walsen de heren ons binnenkort plat met mooie verhaaltjes over hun Chevrolet Volt dan wel Opel Ampera (‘groen, groener, groenst!’), maar dat is window dressing want de overige 99% blijft business as usual. En erger, zoals deze reclame laat zien: onbeschaamd richt General Motors z’n pijlen op studenten als doelgroep en roept ze op… te stoppen met fietsen.

“Reality sucks”. Zeg dat wel… Liever steken ze hun kop in het zand en stevenen ze ‘volle petrol’ op de afgrond af.

General Motors: “De wereld kan ons Geen Moer schelen.”

(Met dank aan Rebecca Beeckman voor de tip)

 

Quote

Carolyn Steel, auteur van ‘De hongerige stad. Hoe voedsel ons leven vormt’ in De Koevoet van dit seizoen: “Wanneer financiële regulering en geldinjecties de enige taal is die we vinden voor de discussie over wat een fundamentele vraag is over het leven op aarde, dan hebben we een probleem.”

Ik denk dat ze hier de kern van het onvermogen van de hedendaagse politieke klasse aanraakt.

Mag het een fietsje meer zijn?

Je staat niet in de file, je bént de file. Wie fietst is dus geen deel van het probleem, maar een deel van de oplossing. En dat geldt ook voor het verkeersveiligheidsprobleem, het parkeerprobleem, het energieprobleem én het klimaatprobleem. Dat laatste is dit jaar het thema van 11.11.11 Daarom verdeelt de organisatie dezer dagen leuke plaatjes om dat inzicht in het straatbeeld te brengen. 

Overigens is het idee niet origineel. 15 jaar geleden fietste ik al rond met een T-shirt met dezelfde tekst. Ik kreeg er weinig reactie op. Mogelijk omdat de slogan in het Hongaars was.

http://www.11.be/11/campagne-2011/artikel/detail/detail/hang_plaatje_aan_je_fiets,103982

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 42 other followers