
Wie mij kent, weet het: ik verschil grààg van mening. Daarom heb ik er ook een stuk van mijn beroep van gemaakt. En ook wel omdat van meningsverschillen alleen maar betere meningen kunnen komen. Als er gediscussieerd wordt met argumenten tenminste. Een boek dat prikkelt en provoceert en dat geschreven is door een gewaardeerd filosoof is voor mij dus een feest. Het was dus puur genieten toen ik Bas Harings ‘Plastic Panda’ tot mij nam, zelfs al voelde ik me ongemakkelijk bij zijn conclusies. Maar goed: als Haring een punt had, waarom zou ik het hem dan niet gunnen? Misschien is het inderdaad niet zo erg als er wat regenwoud verdwijnt of wat soorten, waarvan we vaak niet eens weten dat ze bestaan, uitsterven? Dood is dood en die beesten voelen er niks meer van. En er is niemand om ze te betreuren, tenzij wij dan, sentimentele nozems die we zijn. Toch had ik het gevoel dat ik iets miste, dat er een fout zat in het betoog van de filosoof. En dat gevoel werd alleen maar sterker toen hij aan het einde van zijn boek het bestaan van verschillende soorten smurfen opvoerde als een alternatieve soort biodiversiteit, van culturele en menselijke aard weliswaar, maar even waardevol. Toch?
Nee dus. Gelukkig heb ik knappe koppen in mijn vriendenkring. Onder meer een hoogleraar gedragsecologie aan het Earth and Life Institute van de UCL (Louvain la Neuve). Hans Van Dyck heet de mens en zoals ik dacht had hij zijn huiswerk al gemaakt: een antwoordje op Haring geschreven voor de krant De Standaard. Alleen jammer dat die het stuk niet publiceerde, vanwege niet meer actueel (want al enkele dagen later). Gelukkig is deze blog er nog om dit soort onrechtvaardigheden recht te zetten. Wat hierna volgt is de tekst van professor Hans Van Dyck. Met ongelofelijk veel dank.
“Zou u de kuifleeuwerik missen? En wat gedacht van de geelgerande watertor of het bitter barbarakruid? Het leven op aarde doet zich voor in een opmerkelijke veelheid van vormen. Variatie blijkt hét sleutelkenmerk te zijn, zoals helder uitgedrukt in de term ‘biodiversiteit’. Die biodiversiteit zit wereldwijd in een diepe crisis. Dat is een wetenschappelijke vaststelling die eerder dit jaar nog in het topvakblad Nature bevestigd werd. De overleving van heel wat planten, dieren en andere levensvormen blijkt maar beperkt compatibel met een aardbol op mensenmaat. De maatschappelijke roep voor een beleid dat meer rekening houdt met biodiversiteit, werd de jongste jaren luider. Niet alleen voor de “bloemetjes en de bijtjes”, maar ook voor de levenskwaliteit van de mens zelf. Die roep wordt van een stevige rationele ruggengraat voorzien door het vorswerk van biologen en co, of toch niet?
Met het pas verschenen boek Plastic panda’s tapt de Nederlandse filosoof en gevierde schrijver Bas Haring inderdaad uit een heel ander vaatje. Het verdwijnen van ruim de helft van alle soorten is geen probleem, betoogt hij. Je kunt het als mens wel erg vinden wanneer favoriete soorten verdwijnen, maar door een rationele bril beschouwd, maakt het voor de menselijke beschaving geen zier uit. Een boude stelling die veel stof doet opwaaien (bv. DS 18/11, Reyers Laat 21/11). Groene organisaties koken rood van woede. Beleidsmakers zullen in tijden van economische crisis maar al te gretig Harings pleidooi gebruiken om minder middelen voor biodiversiteit vrij te maken. De mailbox van de filosoof blijkt ondertussen een open riool.
Bas Haring is niet de eerste de beste toogfilosoof. Zijn analyse verdient om kritisch tegen het licht gehouden te worden. Filosofen en wetenschappers mogen best voor een onderbouwde ‘inconvenient truth’ hun nek uitsteken en op lange tenen trappen. Maar gaat dat op voor Plastic panda’s? Ik meen van niet. Het boek leest – net als Kaas en de evolutietheorie – erg vlot. Maar inhoudelijk biedt de mengeling van anekdotiek, persoonlijke smaak en vlot geschreven flarden soms onzorgvuldig geconsulteerde wetenschap geen solide basis om het maatschappelijk belang van biodiversiteit rationeel te ondergraven. Van een filosoof verwachten we een flinke portie rationaliteit, maar de aanname dat maatschappelijke keuzes de uitkomst zijn (of zouden moeten zijn) van zulke rationele overwegingen alleen, gaat voorbij aan de biologische aard en psyche van Homo sapiens. Een filosoof kan het zich permitteren om door die selectieve bril te kijken, een maatschappij beter niet.
Maar klopt zijn rationale analyse van overtollige biodiversiteit en van foutieve beeldvorming in de media over het belang van fauna en flora? Neen. Ik zal slechts enkele punten hier bondig behandelen. Haring heeft gelijk dat vele mensen een erg statisch en romantisch beeld hebben van ‘moeder natuur’. De mens schept nu eenmaal beelden en verhalen, ook zonder wetenschap. Het zijn niet de moderne biologische inzichten die aan de basis liggen van dat beeld. Van meerdere soorten (of soortengroepen) beschikken we wel over goede aanwijzingen van de directe invloed op bijvoorbeeld landbouw en menselijke gezondheid. Ik beperk me tot één voorbeeld: de bacteriële ziekte van Lyme die door teken wordt verspreid. Als er veel vogels en zoogdieren als mogelijke gastheren voorkomen, kan dat de besmettingsgraad voor de mens verhogen. Omgekeerd zou die biodiversiteit het risico net kunnen verlagen via een verdunningseffect. Een recente studie in het topvakblad Nature ondersteunt die laatste optie. In interviews blijkt Haring zelf al wat gas terug te nemen. Hij vindt nog steeds dat we de helft van de soorten kunnen missen, maar preciseert dat wel de ‘goede’ (lees nuttige) helft moet overblijven. Qua relativering kan dat tellen.
Biologen zouden het belang van individuele soorten erg overroepen. Anders dan chemici of fysici zitten in deze groep wetenschappers veel wereldverbeteraars met liefde voor hun studieobjecten en … liefde maakt blind, zo lijkt hij te suggereren. In welke mate individuele soorten al dan niet onmisbaar zijn vanuit functioneel perspectief, vormt echter al langer een wetenschappelijk debat. Dit wordt wetenschappelijk dus niet onder de mat geveegd in dienst van het natuurbehoud. Het is wel verrassend dat in dit boek biodiversiteit tot soortenrijkdom wordt herleid.
Haring trekt ook van leer tegen het belang dat de goegemeente hecht aan een ‘soort’. Soorten zijn immers maar bedachte hokjes voor groepen van individuen, niet meer dan een label. Deze redenering rammelt. Het concept soort – er zijn meerdere soortconcepten in de biologie – is inderdaad een cultuurproduct om een complex natuurproduct te benoemen. Dat ‘hokjesdenken’ is eigen aan de mens en zegt veel over hoe ons brein werkt en hoe onze soort de omgeving percipieert. Ook voor de economie, sociologie, politiek, enz. delen we groepen mensen in ‘functionele’ hokjes (etnische groepen, naties, voetbalclubs, enz.). Biologen weten dat er in dieren en planten mechanismen bestaan van soortherkenning (naast mechanismen op het niveau van het individu). Die wetenschappelijke literatuur heeft Haring kennelijk over het hoofd gezien. Het concept soort herleiden tot alleen maar fictie is intellectueel onjuist.
De filosoof besluit dat we uiteindelijk beter af zijn met producten en omgevingen die we helemaal zelf maken, eerder dan natuurproducten. Vele door de mens gekweekte en kunstmatige producten zijn beter dan hun natuurlijke of oorspronkelijke varianten (bv. appel, maïs). Interessant om vast te stellen hoe Haring zich hier zelf vastpint op het hokje ‘gekweekte variant’. Misschien had hij zijn eerdere boek over evolutie er nog eens op moeten nalezen. Diversiteit binnen soorten (ook biodiversiteit) is essentieel wanneer omgevingen snel veranderen. In tijden van klimaatverandering bewegen landbouwwetenschappers hemel en aarde om opnieuw oude en wilde rassen van bv. maïs terug te vinden om huidige varianten beter te wapenen. Biodiversiteit tegenover technologie plaatsen is op zich een oubollige heruitgave van een natuur-cultuur discussie. Kijk naar het fascinerende, jonge domein van de ‘biomimicry’. Ingenieurs en ontwerpers werken samen met biologen om zich te laten inspireren op ontwerpen in de natuur. Biodiversiteit is een rijke bron voor menselijke creativiteit. Het bekendste voorbeeld is velcro. Een idee dat van “onnuttige” plantenzaden komt.
Het boek heeft de verdienste om een aanleiding te vormen om het maatschappelijk belang van biodiversiteit nog meer in de verf te zetten. Daarbij spelen zowel wetenschappelijk onderbouwde als andere argumenten een maatschappelijke rol. Persoonlijke reflecties hebben voor het rationele luik niet het gewicht van peer-reviewed wetenschap. Wat mij betreft, vangt Haring bot wanneer hij meent dat het biodiversiteitbeleid nu op losse schroeven staat. Laten we niet in dezelfde val trappen zoals enkele jaren geleden met klimaatsverandering en de vele mediadiscussies tussen “believers” en “non-believers”. Een goed biodiversiteitbeleid heeft oog voor de rationele, functionele aspecten van biodiversiteit (en niet alleen soortenrijkdom!), maar evenzeer voor een maatschappelijk relevant verhaal van natuurbeleving dat individuele soorten vaak overstijgt. Biodiversiteit, liever rijk dan kwijt.”