RSS Feed

Categorie archief: Boeken

Boekentip voor auto-didacten

Geplaatst op

Lezen zou geen straf mogen zijn, schreef iemand toen politierechter Peter D’Hondt een tijdje geleden een wegpiraat veroordeelde tot het lezen van ‘Tonio’ van A.F.Th. Van der Heijden. Maar toch. Als het zou helpen, waarom niet?

Als lezen mensen op betere gedachten kan brengen – iets waar ik als schrijver uit puur zelfbehoud maar van uitga – dan heb ik hier een boek dat alle wegen- en autobouwers verplicht zouden moeten lezen. Behalve dat ze zichzelf er misschien in zullen herkennen en dat dit een pijnlijke ervaring kan zijn, denk ik dat de lectuur best mee zal vallen: de (mede)scenarist van o.m. ‘Blackadder’  weet wat humor is en de enkele te prekerige uitwijdingen vergeven we hem graag (al was het maar omdat hij zonder meer gelijk heeft).

Het boek dateert al uit 1991, maar het heeft helaas niets aan actualiteit ingeboet. Het is een spannende satire op onze autodenkende maatschappij met in de hoofdrol twee mensen met een handicap. Daardoor wordt ons ook een prettig confronterende spiegel voorgehouden van hoe onze samenleving (wij dus) deze mensen behandelen.

Op pagina 287 komen beide thema’s mooi samen in dit typerend fragment: ”Tijdens een verkeersopstopping is een automobilist volkomen gehandicapt. Hij kan niet lopen, hij is niet in staat zich te verplaatsen. Nu files overal in de ontwikkelde landen in toenemende mate voorkomen, kiezen meer en meer mensen er vrijwillig voor om een paar uur per week gehandicapt te zijn, om het gebruik van de benen die God ze gegeven heeft op te offeren in ruil voor de illusie van de onbezorgde mobiliteit.”

  • ELTON BEN, File!!!, Amber, Amsterdam,1992, 298 blz.

De openbaarste bibliotheek van de wereld

Geplaatst op

Je kunt dat zo hebben. Je leest een boek, daar komt iets in voor waar je daarvoor nog nooit van had gehoord, en even later – boem, pats! – doemt dat waarvan je daarvoor het bestaan nauwelijks bevroedde op voor je neus.

Onlangs had ik het weer. In het in alle betekenissen prachtige boek ‘Hartstochtjes’ van Kees van Kooten (alleen al de titel rechtvaardigt de aankoop) las ik in het hoofdstukje ‘Weesboeken’ over het concept van ‘bookcrossing’. Dat werd in 2001 bedacht door de Amerikaan Ron Hornbaker, “die de wereld wilde omtoveren tot één grote gratis bibliotheek.” Door op het boek een unieke code te kleven (af te halen van de website bookcrossing.com) kan je naderhand traceren waar het boek dat je lukraak in de openbare ruimte achterliet terecht is gekomen. Als de nieuwe eigenaar zo vriendelijk is om de code in te geven, tenminste.

Bij het concept horen ook OBCZ’s, Official Book Crossing Zones: plaatsen waar je boeken voor niks kunt achterlaten of gratis kunt meenemen. Die was ik dus nog nooit tegengekomen. Tot twee weken later – boem, pats, inderdaad – ik de nieuwe botanische tuin in Bordeaux bezocht en daar oog in oog kwam te staan met een publieke boekenkast.

Het aanbod was verbazend kwalitatief. Dat ik niks naar mijn gading vond, lag dus uitsluitend aan mij. Geen erg trouwens, want ik kikkerde er helemaal van op. Dat zo’n initiatief kan bestaan, is niets minder dan een opgestoken middelvinger naar alle misantropen en cynici. Of hoe de hoop op een betere wereld de vorm kan aannemen van een eenvoudig boekenkastje.

Op www.bookcrossing.com kan je de lijst van boeken en de ‘vrijlaatplekken’ terugvinden (gaande van straten over bussen en trams tot musea), een handleiding over ‘hoe zelf boeken vrijlaten’ of ‘wat doen als je er één gevangen hebt’ én een hulp om zelf een OBCZ op te richten.

Overigens blijkt dat er al drie OBCZ’s in België zijn, netjes verdeeld over de gewesten: één in Gent (Lange Kruisstraat 6L), één in Brussel (Café Novo, Oude Graanmarkt 37) en één in Namen (Venelle des Capucins 6).

Beledig eens een klant

Wie geïntrigeerd is door automarketing (en elke mobiliteitsdeskundige zou dat moeten zijn, want er valt veel uit te leren) én er geen punt van maakt platgeslagen te worden door een eindeloze reeks namen van BN’s (Bekende Nederlanders, de meeste mij onbekend), moet het lichtvoetige boek ‘Wat je rijdt ben je zelf’ (Uitgeverij Haystack, 2011) van Erwin Wijman lezen.

Je leest er over petjesauto’s en kapperauto’s, over het ‘automobiel kapitaal’ van een wagen (zeg maar de statuswaarde) en waarom je met een Volvo altijd overal aan kunt komen en met een BMW bijvoorbeeld niet. Voorts levert hij tal van uit het leven gegrepen illustraties van de stelling die ik al jaren verkondig: een auto is, eerder dan een vervoermiddel, een expressiemiddel. Wijman laat zien hoe (belachelijk) belangrijk het fenomeen ‘auto’ is geworden, maar trekt daaruit de voorbarige conclusie dat ‘de auto is here to stay’.

Dat valt nog te bezien, beste Erwin. Lazen we deze week bijvoorbeeld niet op www.verkeersnet.nl dat in de Verenigde Staten steeds minder achttienjarigen een rijbewijs hebben? Blijkt dat ze er eenvoudig niet in geïnteresseerd zijn – mogelijk omdat de nieuwe sociale media een valabel alternatief zijn voor echte ontmoetingen. En wie weet speelt ook al wel het besef dat het uncool is om domweg in de file te staan terwijl een tram je (bijvoorbeeld in Mortsel) gladjes voorbijflitst.

Terug naar het boek. Daarin bespreekt de auteur tal van reclamecampagnes voor automodellen en -merken. Die van Volkswagen steken er voor hem met kop en schouders bovenuit. Volkswagens voldoen om te beginnen aan de harde basisvoorwaarde om tot een succes te kunnen komen: ze zijn begerenswaardig, waardoor hetzelfde model onder VW-naam veel duurder kan worden verkocht dan bijvoorbeeld onder Seat-logo.

Voorts doet VW zich in z’n campagnes kleiner voor dan het in werkelijkheid is (‘dan vindt iedereen je aardig.’ al voegt de auteur eraan toe dat er tegenwoordig wél tegen gezondigd wordt met de nieuwe arrogante slagzin ‘Das Auto’), focust het meer op het merk en de merkwaarden dan op elk model afzonderlijk én verwijst het met trots naar de eigen geschiedenis: ‘Volkswagen is zowat het enige automerk dat ook zijn oude modellen een rol geeft in zijn reclame. Een dergelijke trouw aan je eigen geschiedenis boezemt de kopers van je merk vertrouwen in, maar haast geen enkel automerk heeft dat door.’

Hyundai is, als het op marketing aankomt, volgens Wijman de tegenvoeter: weinig begerenswaardige producten (maar toch campagne voeren met de slogan ‘Hyundai, prepare to want one’), zich groter voordoend dan het is (bijvoorbeeld met de slogan ‘Verwacht meer’) en betekenisloze modelnamen (i10, i20, i30, i40, ix35) voerend.

Het moet zijn dat die van Hyundai het boek van Wijman nog niet gelezen hebben, want met hun jongste campagne maken ze het rijtje ‘te vermijden fouten’ compleet: ze spuwen nu ook nog eens op hun oude modellen – en daarmee op de klanten die zo dom waren die aan te schaffen. Tenminste, dat was mijn gevoel toen ik het billboard zag met de slogan ‘Hyundai? Ja, Hyundai’ (zie foto). Het zegt zoveel als: vroeger maakten wij koekendozen, nu auto’s.

Als kandidaatkoper zou ik twee keer nadenken: wat zullen die van Hyundai over vijf jaar te vertellen hebben over dit model?

Haring vangt bot

Wie mij kent, weet het: ik verschil grààg van mening. Daarom heb ik er ook een stuk van mijn beroep van gemaakt. En ook wel omdat van meningsverschillen alleen maar betere meningen kunnen komen. Als er gediscussieerd wordt met argumenten tenminste. Een boek dat prikkelt en provoceert en dat geschreven is door een gewaardeerd filosoof is voor mij dus een feest. Het was dus puur genieten toen ik Bas Harings ‘Plastic Panda’ tot mij nam, zelfs al voelde ik me ongemakkelijk bij zijn conclusies. Maar goed: als Haring een punt had, waarom zou ik het hem dan niet gunnen? Misschien is het inderdaad niet zo erg als er wat regenwoud verdwijnt of wat soorten, waarvan we vaak niet eens weten dat ze bestaan, uitsterven? Dood is dood en die beesten voelen er niks meer van. En er is niemand om ze te betreuren, tenzij wij dan, sentimentele nozems die we zijn. Toch had ik het gevoel dat ik iets miste, dat er een fout zat in het betoog van de filosoof. En dat gevoel werd alleen maar sterker toen hij aan het einde van zijn boek het bestaan van verschillende soorten smurfen opvoerde als een alternatieve soort biodiversiteit, van culturele en menselijke aard weliswaar, maar even waardevol. Toch?

Nee dus. Gelukkig heb ik knappe koppen in mijn vriendenkring. Onder meer een hoogleraar gedragsecologie aan het Earth and Life Institute van de UCL (Louvain la Neuve). Hans Van Dyck heet de mens en zoals ik dacht had hij zijn huiswerk al gemaakt: een antwoordje op Haring geschreven voor de krant De Standaard. Alleen jammer dat die het stuk niet publiceerde, vanwege niet meer actueel (want al enkele dagen later). Gelukkig is deze blog er nog om dit soort onrechtvaardigheden recht te zetten. Wat hierna volgt is de tekst van professor Hans Van Dyck. Met ongelofelijk veel dank.

“Zou u de kuifleeuwerik missen? En wat gedacht van de geelgerande watertor of het bitter barbarakruid? Het leven op aarde doet zich voor in een opmerkelijke veelheid van vormen. Variatie blijkt hét sleutelkenmerk te zijn, zoals helder uitgedrukt in de term ‘biodiversiteit’. Die biodiversiteit zit wereldwijd in een diepe crisis. Dat is een wetenschappelijke vaststelling die eerder dit jaar nog in het topvakblad Nature bevestigd werd. De overleving van heel wat planten, dieren en andere levensvormen blijkt maar beperkt compatibel met een aardbol op mensenmaat. De maatschappelijke roep voor een beleid dat meer rekening houdt met biodiversiteit, werd de jongste jaren luider. Niet alleen voor de “bloemetjes en de bijtjes”, maar ook voor de levenskwaliteit van de mens zelf. Die roep wordt van een stevige rationele ruggengraat voorzien door het vorswerk van biologen en co, of toch niet?

Met het pas verschenen boek Plastic panda’s tapt de Nederlandse filosoof en gevierde schrijver Bas Haring inderdaad uit een heel ander vaatje. Het verdwijnen van ruim de helft van alle soorten is geen probleem, betoogt hij. Je kunt het als mens wel erg vinden wanneer favoriete soorten verdwijnen, maar door een rationele bril beschouwd, maakt het voor de menselijke beschaving geen zier uit. Een boude stelling die veel stof doet opwaaien (bv. DS 18/11, Reyers Laat 21/11). Groene organisaties koken rood van woede. Beleidsmakers zullen in tijden van economische crisis maar al te gretig  Harings pleidooi gebruiken om minder middelen voor biodiversiteit vrij te maken. De mailbox van de filosoof blijkt ondertussen een open riool.

Bas Haring is niet de eerste de beste toogfilosoof. Zijn analyse verdient om kritisch tegen het licht gehouden te worden. Filosofen en wetenschappers mogen best voor een onderbouwde ‘inconvenient truth’ hun nek uitsteken en op lange tenen trappen. Maar gaat dat op voor Plastic panda’s? Ik meen van niet. Het boek leest – net als Kaas en de evolutietheorie – erg vlot. Maar inhoudelijk biedt de mengeling van anekdotiek, persoonlijke smaak en vlot geschreven flarden soms onzorgvuldig geconsulteerde wetenschap geen solide basis om het maatschappelijk belang van biodiversiteit rationeel te ondergraven. Van een filosoof verwachten we een flinke portie rationaliteit, maar de aanname dat maatschappelijke keuzes de uitkomst zijn (of zouden moeten zijn) van zulke rationele overwegingen alleen, gaat voorbij aan de biologische aard en psyche van Homo sapiens. Een filosoof kan het zich permitteren om door die selectieve bril te kijken, een maatschappij beter niet.

Maar klopt zijn rationale analyse van overtollige biodiversiteit en van foutieve beeldvorming in de media over het belang van fauna en flora? Neen. Ik zal slechts enkele punten hier bondig behandelen. Haring heeft gelijk dat vele mensen een erg statisch en romantisch beeld hebben van ‘moeder natuur’. De mens schept nu eenmaal beelden en verhalen, ook zonder wetenschap. Het zijn niet de moderne biologische inzichten die aan de basis liggen van dat beeld. Van meerdere soorten (of soortengroepen) beschikken we wel over goede aanwijzingen van de directe invloed op bijvoorbeeld landbouw en menselijke gezondheid. Ik beperk me tot één voorbeeld: de bacteriële ziekte van Lyme die door teken wordt verspreid. Als er veel vogels en zoogdieren als mogelijke gastheren voorkomen, kan dat de besmettingsgraad voor de mens verhogen. Omgekeerd zou die biodiversiteit het risico net kunnen verlagen via een verdunningseffect. Een recente studie in het topvakblad Nature ondersteunt die laatste optie. In interviews blijkt Haring zelf al wat gas terug te nemen. Hij vindt nog steeds dat we de helft van de soorten kunnen missen, maar preciseert dat wel de ‘goede’ (lees nuttige) helft moet overblijven. Qua relativering kan dat tellen.

Biologen zouden het belang van individuele soorten erg overroepen. Anders dan chemici of fysici zitten in deze groep wetenschappers veel wereldverbeteraars met liefde voor hun studieobjecten en … liefde maakt blind, zo lijkt hij te suggereren. In welke mate individuele soorten al dan niet onmisbaar zijn vanuit functioneel perspectief, vormt echter al langer een wetenschappelijk debat. Dit wordt wetenschappelijk dus niet onder de mat geveegd in dienst van het natuurbehoud. Het is wel verrassend dat in dit boek biodiversiteit tot soortenrijkdom wordt herleid.

Haring trekt ook van leer tegen het belang dat de goegemeente hecht aan een ‘soort’. Soorten zijn immers maar bedachte hokjes voor groepen van individuen, niet meer dan een label. Deze redenering rammelt. Het concept soort – er zijn meerdere soortconcepten in de biologie – is inderdaad een cultuurproduct om een complex natuurproduct te benoemen. Dat ‘hokjesdenken’ is eigen aan de mens en zegt veel over hoe ons brein werkt en hoe onze soort de omgeving percipieert. Ook voor de economie, sociologie, politiek, enz. delen we groepen mensen in ‘functionele’ hokjes (etnische groepen, naties, voetbalclubs, enz.). Biologen weten dat er in dieren en planten mechanismen bestaan van soortherkenning (naast mechanismen op het niveau van het individu). Die wetenschappelijke literatuur heeft Haring kennelijk over het hoofd gezien. Het concept soort herleiden tot alleen maar fictie is intellectueel onjuist.

De filosoof besluit dat we uiteindelijk beter af zijn met producten en omgevingen die we helemaal zelf maken, eerder dan natuurproducten. Vele door de mens gekweekte en kunstmatige producten zijn beter dan hun natuurlijke of oorspronkelijke varianten (bv. appel, maïs). Interessant om vast te stellen hoe Haring zich hier zelf vastpint op het hokje ‘gekweekte variant’. Misschien had hij zijn eerdere boek over evolutie er nog eens op moeten nalezen. Diversiteit binnen soorten (ook biodiversiteit) is essentieel wanneer omgevingen snel veranderen. In tijden van klimaatverandering bewegen landbouwwetenschappers hemel en aarde om opnieuw oude en wilde rassen van bv. maïs terug te vinden om huidige varianten beter te wapenen. Biodiversiteit tegenover technologie plaatsen is op zich een oubollige heruitgave van een natuur-cultuur discussie. Kijk naar het fascinerende, jonge domein van de ‘biomimicry’. Ingenieurs en ontwerpers werken samen met biologen om zich te laten inspireren op ontwerpen in de natuur. Biodiversiteit is een rijke bron voor menselijke creativiteit. Het bekendste voorbeeld is velcro. Een idee dat van “onnuttige” plantenzaden komt.

Het boek heeft de verdienste om een aanleiding te vormen om het maatschappelijk belang van biodiversiteit nog meer in de verf te zetten. Daarbij spelen zowel wetenschappelijk onderbouwde als andere argumenten een maatschappelijke rol. Persoonlijke reflecties hebben voor het rationele luik niet het gewicht van peer-reviewed wetenschap. Wat mij betreft, vangt Haring bot wanneer hij meent dat het biodiversiteitbeleid nu op losse schroeven staat. Laten we niet in dezelfde val trappen zoals enkele jaren geleden met klimaatsverandering en de vele mediadiscussies tussen “believers” en “non-believers”. Een goed biodiversiteitbeleid heeft oog voor de rationele, functionele aspecten van biodiversiteit (en niet alleen soortenrijkdom!), maar evenzeer voor een maatschappelijk relevant verhaal van natuurbeleving dat individuele soorten vaak overstijgt. Biodiversiteit, liever rijk dan kwijt.”

Het landschap als kunst

Luchtspiegelingen doen soms alsof ze werkelijkheid zijn. Dat is al lang geen nieuws meer. Maar soms doet de werkelijkheid alsof ze een luchtspiegeling is. Zoals dit kerkje in Borgloon, dat eigenlijk toch ook weer geen kerkje is. Het is een kunstwerk dat er alleen de vorm van heeft aangenomen. Bedenkers zijn de architecten Gijs en Van Vaerenbergh, samen optredend als Gijs Van Vaerenbergh (een soort heilige twee-eenheid?). Of ze er zich bewust van zijn, betwijfel ik, maar de heren pasten met hun project een goede raad toe van professor Mommaas van de Universiteit van Tilburg. Als je het open landschap wilt behouden, zegt die, zorg er dan voor dat ze economisch verankerd wordt. Het Borgloonse kunstproject dat het Haspengouwse landschap als decor kreeg slaagt wonderwel in dat opzet. De toeristen die er op af komen ‘waarderen’ de kunst én het decor, in woorden, maar ook in centen door achterlating daarvan bij de plaatselijke horeca en middenstand.  

Overigens is het kunstwerk in dit geval van die aard dat het decor ook kunst wordt. Dat komt doordat het kerkje-in-doorkijkjurk van een kader biedt om naar de omgeving te kijken. De bezoekers zien dan een landschap dat ze zonder het kerkje ook hadden kunnen zien, maar toch niet zagen. Of toch niet op dezelfde manier.

Alain de Botton betoogt in zijn laatste boek, ‘Religie voor atheïsten’, dat we nood hebben aan meer seculiere monumenten. Misschien is dit kunstwerk zo’n seculier monument, al heeft het dan een religieuze vorm aangenomen. De essentie ervan is dat het de genius loci, de eigenheid van de plek, tevoorschijn tovert.

Boekenbeurs 2011

Foto: journaliste zet zich schrap voor Walter Van den B(r)oeck

Vandaag geboekenbeursd. Mijn eega en ik hadden vrijkaartjes gekregen van mijn uitgever (één van de ontelbare voordelen van het auteurschap), maar voor onze kids boekten we een combiticket aan het NMBS-loket: treinrit met de NMBS, tramrit met De Lijn én toegang voor Boek.be in één. Een mens vraagt zich af waarom van zo’n geïntegreerde tickets geen gewoonte wordt gemaakt.

Op de beurs zelf heb ik mijn eigen beurs wat pijn gedaan, maar daar staan uren toekomstig leesplezier tegenover.

Nu alleen nog tijd vinden.

Tussen theorie en praktijk

Interessante lectuur, dit boek dat een lans breekt voor het gebruik van (meerdere) scenario’s bij het denken over de toekomst. Het  is dus even zeer een kritiek op de thans nog wijd verbreide praktijk van de lineaire forecasting (= de huidige tendenzen kritiekloos doortrekken in de toekomst). 

Ik las het boek dan ook met een dubbel gevoel. Enerzijds een gevoel van grote instemming met de (degelijk onderbouwde) voorstellen van de auteurs en anderzijds een sterk onbehagen, want van langsom drong de vraag zich sterker op waarom deze theorie dan niet wordt toegepast in het beleid van deze Vlaamse Regering. Immers: niet alleen is één van de auteurs de kabinetschef van de Minister-President, die laatste schreef ik ook nog eens het voorwoord.

En het is toch deze Regering die in haar mobiliteitsbeleid blijft uitgaan van verkeersmodellen die uitsluitend met groeiscenario’s werken, alsof de verkeersgroei onvermijdelijk is, laat staan een wetenschappelijke zekerheid? Ook in haar communicatie, bijvoorbeeld over de Brusselse Ring, de Antwerpse Ring of de aanleg van spitsstroken en missing links, doet deze Vlaamse Regering alsof ze een glazen bol heeft waarin de toekomst van de (auto)mobiliteit te lezen valt. Nochtans kan men op basis van dit boek niet anders dan concluderen dat het mobiliteitsvraagstuk een ‘wicked problem’ is. In de woorden van de auteurs zelf: “Een wicked problem doet zich voor in een omgeving waarin niet enkel grote onzekerheid heerst, maar waar de veranderingen elkaar ook bijzonder snel opvolgen en waarbij bovendien grote complexiteit bestaat. (…) De onzekerheid en ambiguïteit kunnen niet worden gereduceerd door verdere en ‘betere’ analyse. De complexiteit loopt op omdat het probleem niet kan worden opgelost door het te isoleren. Het heeft namelijk betrekking op verschillende domeinen en hiërarchische structuren en het loopt doorheen verschillende systemen. Voor deze problemen is er geen gekend rationeel en logisch proces voorhanden om de oplossing te organiseren, zoals voor bedwongen problemen.”

Om het even toe te passen op mobiliteit: mobiliteitsproblemen hebben niet alleen te maken met (snel veranderende) technologieën, maar ook met demografische evoluties (vergrijzing, immigratie, éénoudergezinnen en toenemend aantal scheidingen en nieuw samengestelde gezinnen), culturele verschuivingen (emancipatie, meer vrije tijd, 24uurs-economie, jeugdcultuur, individualisering), geopolitieke ontwikkelingen (mondialisering, veranderende machtsverhoudingen in landen die schaarse grondstoffen en brandstoffen leveren), ruimtelijke ordening (scheiding van functies) en managementtechnieken (schaalvergroting, just-in-time-organisatie van bedrijven, internationale opsplitsing van productieketens). Om ons daartoe te beperken.

De beschrijving gaat overigens nog verder: “Het gaat om een nieuw probleem of een probleem dat weerspannig blijft terugkomen, bijvoorbeeld omdat de initiële oplossing telkens nieuwe problemen genereert.” Toegepast op mobiliteit: de aanleg van nieuwe wegcapaciteit/parkeercapaciteit genereert nieuwe vervoersvraag/parkeervraag en dus nog grotere mobiliteitsproblemen.

Het zou dus mooi zijn mocht mijn naamgenoot het boek van zijn kabinetschef eens lezen én er beleidsconsequenties aan verbinden.

GOSSELIN DERRICK, TINDEMANS BRUNO, Toekomstmakers, De kunst van vooruitdenken, Lannoo Campus, 2010, 237 blz.

Quote

Carolyn Steel, auteur van ‘De hongerige stad. Hoe voedsel ons leven vormt’ in De Koevoet van dit seizoen: “Wanneer financiële regulering en geldinjecties de enige taal is die we vinden voor de discussie over wat een fundamentele vraag is over het leven op aarde, dan hebben we een probleem.”

Ik denk dat ze hier de kern van het onvermogen van de hedendaagse politieke klasse aanraakt.

Mobiliteit voor dummies

Aan de TU Delft hadden ze een goed idee: een boek schrijven over ‘mobiliteit voor dummies’. Het werd ‘De file dat ben je zelf’, een uitspraak die (de taalfout even terzijde gelaten) mij niet helemaal onbekend voorkomt. Ik ben nog maar halfweg met de lectuur ervan, maar ik kan toch al melden dat het de moeite waard is. Vlot geschreven in een non-sensicale “jongens-en-wetenschap-achtige” stijl voert het de lezer door de intrigerende wereld van de verkeerskunde. Echt nieuwe dingen ben ik tot nog toe niet tegengekomen (dat was ook niet het opzet van het boek), maar wel enkele scherpe formuleringen en kernachtige samenvattingen. Er wordt niet rond de pot gedraaid. Integendeel, er worden spijkers met koppen geslagen.

In het boek staat onder meer een boeiend hoofdstuk over rekeningrijden (“Moeten we anders betalen voor onze mobiliteit?”) met daarin deze paragraaf: “De belangrijkste conclusie is dat het beïnvloeden van de verkeersvraag (bijvoorbeeld door middel van een realistischer prijskaartje) een onmisbare maatregel is om files te bestrijden. En dat uitsluitend iets doen aan de aanbodzijde (dus aan de infrastructuur) op termijn geen soelaas biedt.”

Het is nu wachten op een drukkingsgroep (niet Touring, denk ik) die een aantal van deze boekjes opkoopt om ze aan de Vlaamse kabinetten en administraties te gaan uitdelen. Na evaluatie kan er overwogen worden om vrijwillige voorlezers achterna te sturen.

Aanvulling (met dank aan de lezers die reageerden): op www.defiledatbenjezelf.nl vind je meer info over het boek en de wijze waarop je het kan bestellen.

 

De deviante sociologie van J.G. Ballard

Zo gaat dat soms. Je leest iets puur voor je ontspanning en dan blijkt het achteraf nog relevant en actueel te zijn ook. Het overkwam me met ‘Super Cannes’ van de twee jaar geleden overleden Engelse auteur J.G. Ballard. Lezers van deze blog zullen hem misschien kennen van zijn controversiële cultboek ‘Crash’ (1973), waarin hij de verborgen erotiek van het auto-ongeluk behandelt (maar zelfs na het zien van de verfilming uit 1996 ontgaat die erotiek mij).

 Ik nam het boek mee op vakantie omdat het zich afspeelt aan de Franse Riviera, meer bepaald in de omgeving van Cannes. Wij maakten de autotocht in twee dagen: de eerste nacht overnachtten we – overigens geheel ongepland -  in Hauterives, het dorp van ‘le facteur Cheval’ (waarover dan weer de Vlaamse auteur Koen Peeters een boek schreef) even bezuiden Lyon.  Eenmaal gearriveerd in ons dorpje op 8 kilometer van Cannes toog ik aan het lezen. En wat bleek? De hoofdpersonen in Supercannes verplaatsen zich van Engeland naar Cannes en overnachten de eerste nacht in… Hauterives.

Het was genoeg om er helemaal in te komen en mijn vakantie liep soms opvallend parallel met het boek. Ik kwam ongepland terecht in La Bocca, de voorstad van Cannes die voor Ballard het toneel is van drugshandel, prostitutie en straatgeweld, en later bezochten we de inspiratiebron voor de roman: Sophia-Antipolis, de Europese ‘silicon valley’, een aaneenschakeling van onderzoekscentra waar wetenschaps- en bedrijfswereld in een moderne symbiose samenleven en daarbij dik 25000 bollebozen te werk stellen.

Ik had gedacht dat ik met mijn terugkeer naar België het boek wel achter mij zou kunnen laten, maar niets bleek minder waar. Want de rellen in Londen en andere Britse steden bleken een akelig hoog Ballardgehalte te hebben – iets wat blijkbaar ook de Britten zelf niet ontging, want ze hebben het nu over Ballardiaanse toestanden. Eén van de thema’s in Ballards “deviante sociologie” (zegt Wikipedia) is immers de mogelijke rol van geweld als medicijn tegen saaiheid en verveling. In ‘Supercannes’ laat hij een psychiater ‘kleine doses geweld’ voorschrijven aan zijn patiënten die in een voorspelbare, georganiseerde en ‘dus’niet spannende en saaie omgeving leven. Onnodig te zeggen dat de therapeutische knokpartijen uit de hand lopen… Wie de beelden uit Groot-Brittannië bekijkt en de verhalen leest over sociale paria’s die uit ‘begrijpelijke’ frustratie handelen, maar ook over welstellende plunderaars wiens gedrag ‘onbegrijpelijk’ is, kan niet anders dan zich afvragen: heeft Ballard misschien geen punt en hebben mensen werkelijk nood aan een bepaald ‘spanningsniveau”?

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 42 other followers